18 IOAZ

Het doel van de IOAZ is het treffen van een minimum inkomensvoor­ziening aan oudere gewezen zelfstandigen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Het grote verschil met de WWB is dat de IOAZ een ruime vermogenvrijlating kent, zie 18.6.6 Vermogen en inkomsten uit vermogen. Daarnaast wordt in de IOAZ alleen het inkomen uit arbeid en het overig inkomen gekort, dus inkomsten uit werk of uit WAZ, WIA, een bedrijfspensioen etc. Inkomsten die geen relatie met werk hebben, zoals alimentatie, worden niet op de IOAZ gekort, zie verder 18.6 Middelen.
Een ander verschil met de WWB is dat de IOAZ geen verlaging kent bij woningdelen of het niet hebben van woonkosten. De WWB kent (netto) (uitkerings)normen, die worden in de IOAZ (uitkerings)grondslagen genoemd en die zijn bruto.

Vanaf 29 december 2005 is de toegang tot de IOAZ van gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen met een WAZ-uitkering vervallen en is de IOAZ alleen nog bedoeld voor oudere gewezen zelfstandigen. De reden van de aanpassing van de IOAZ is aan de ene kant de intrekking van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) voor zelfstandigen die na 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden en aan de andere kant het schrappen van één van de maximeringsbepalingen in de TW. Dit laatste betekent dat aanvulling tot het relevante sociaal minimum via de TW mogelijk is voor alle toeslaggerechtigden met een uitkering via het UWV (WAZ, WIA, WAO, Wajong, Wamil, Wazo, WW, ZW). Toeslaggerechtigden hoeven daardoor geen beroep meer te doen op de IOAZ. Hierop is één uitzondering: Als het voorheen verdiende arbeidsinkomen lager was dan het sociaal minimum, dan mogen de toeslag en de uitkering samen niet meer bedragen dan dat voorheen verdiende arbeidsinkomen. Klanten met deze lage WAZ/TW-uitkering die al een IOAZ-aanvulling ontvangen, houden recht op IOAZ. Zie verder 6.2.3.13 Toeslagenwet.

De gewijzigde IOAZ geldt alleen voor personen die na 28 december 2005 een uitkering aanvragen. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen die op 28 december 2005 een IOAZ-uitkering ontvingen, blijven het recht op IOAZ behouden. Maar de meeste klanten komen per 1 januari 2006 in aanmerking voor een toeslag tot het sociaal minimum via de Toeslagenwet (TW), waardoor zij alsnog per 1 januari 2006 het recht op IOAZ verliezen.

De gewijzigde IOAZ heeft ook gevolgen voor het kunnen herleven van het recht op uitkering, zie 18.9 Herleving IOAZ-recht.

De inkomensvoorziening IOAZ betreft de periode na de noodgedwongen bedrijfsbeëindiging en gedurende de periode van werkloosheid, tot uiterlijk de 65-jarige leeftijd van de gewezen zelfstandige. De IOAZ is een bruto-uitkering waarover de Dienst Werk en Inkomen premies en belasting betaalt.

18.1 Belangrijkste wijzigingen in de IOAZ

Met de invoering van de WWB is de IOAZ ook op een paar onderdelen aangepast. De rechten en plichten, die centraal staan in de nieuwe WWB, zijn overgenomen in de nieuwe opzet van de IOAZ.

Op de volgende gebieden is de IOAZ identiek aan de WWB:

Hoewel de re-integratieverplichtingen niet letterlijk gelijk zijn aan de WWB-bepalingen, moet je ze wel op dezelfde manier toepassen.

18.2 Aanvragen, afhandelingtermijn

De IOAZ-aanvraag moet binnen 8 weken zijn afgehandeld (4:13.2 Awb). Lukt het niet om de aanvraag binnen die termijn af te handelen, bijvoorbeeld omdat extern bedrijfskundig advies is gevraagd, dan kan de behandelingsduur worden verlengd. De aanvrager moet hiervan schriftelijk op de hoogte worden gebracht.

Een extern bedrijfskundig advies is niet voorgeschreven. Vaak kan het recht op IOAZ rechtstreeks door de gemeente worden vastgesteld. Bij een aanzienlijk vermogen (in bedrijf) kan het nuttig zijn om wel een externe deskundige in te schakelen. Hiervoor worden contractpartners van DWI op het terrein van bedrijfsadvisering ingeschakeld (IMK, FBA en FCBV).
De kosten van zo'n extern onderzoek zijn toegevoegd aan het Gemeentefonds.

18.3 Eigen bedrijf of zelfstandig beroep

De IOAZ staat, na de bedrijfsbeëindiging, open voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Onder zelfstandige wordt verstaan de persoon die werkzaam is in bedrijf of beroep, alleen of met anderen daarover de volledige zeggenschap heeft en alleen of met die anderen daarvan de financiële risico’s draagt. De zelfstandige moet tenminste de helft van de totale werktijd, maar minimaal 1225 uur per kalenderjaar werkzaam zijn in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep.
Het gaat bij het begrip zelfstandigen niet alleen om zelfstandigen zonder personeel en eenmansbedrijven, maar ook om zelfstandigen die het bedrijf of beroep uitoefenen in een samenwerkingsverband, dus om vennoten in een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap (uitgezonderd de stille vennoot). Het gaat tevens om directeuren-grootaandeelhouders in een naamloze vennootschap en een besloten vennootschap. Hoewel dit niet in de wetgeving is opgenomen gaat het ook om leden van een coöperatieve vennootschap met Wettelijke aansprakelijkheid (WA).
Directeur-aandeelhouders die gezamenlijk minder dan 50% van de aandelen in bezit hebben worden niet als zelfstandige voor de IOAZ beschouwd.
Ook de meewerkende echtgenoot/partner wordt als zelfstandige aangemerkt, mits deze partner gedurende tenminste 525 uur per kalenderjaar meewerkt in het bedrijf of beroep van de zelfstandige. Om zelfstandig recht op IOAZ te krijgen moet de meewerkende partner zelf ook voldoen aan de instroomeisen voor een oudere gewezen zelfstandige.

18.4 Moment van aanvraag

Een aanvraag moet worden ingediend voordathet bedrijf of beroep is beëindigd, terwijl de beëindiging zelf moet plaatsvinden binnen een periode van 18 maanden volgend op het tijdstip van aanvraag.
Een aanvraag die wordt ingediend na de bedrijfsbeëindiging moet worden afgewezen. Er kan dan geen recht op een IOAZ-uitkering ontstaan. Bij onvoldoende middelen kan dan alleen een beroep op de WWB worden gedaan.

18.5 Recht op uitkering oudere gewezen zelfstandige

Een gewezen zelfstandige van 55 jaar of ouder heeft recht op een IOAZ-uitkering, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

18.6 Middelen

Het begrip Middelen is in de wet onderverdeeld in Inkomen en Vermogen. Onderliggende paragrafen gaan verder in op:
18.6.1 Inkomsten (toetredingsvoorwaarden)
18.6.2 Inkomsten die worden vrijgelaten
18.6.3 Inkomsten die niet worden vrijgelaten
18.6.4 Inkomen na bedrijfsbeëindiging
18.6.5 Vrijlating inkomsten uit arbeid
18.6.6 Vermogen en inkomsten uit vermogen

18.6.1 Inkomsten (toetredingsvoorwaarden)

In de IOAZ wordt onderscheid gemaakt tussen inkomsten vóór de bedrijfsbeëindiging enerzijds, ter beoordeling van de in de toetredingsvoorwaarden genoemde inkomenseisen en het inkomen na de bedrijfsbeëindiging anderzijds, ter beoordeling van het recht op uitkering en de hoogte van de uitkering.

Voor de beoordeling van de toetredingseisen gaat het om uitsluitend het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de zelfstandige. De inkomsten van de partner tellen dus niet mee, met uitzondering van de arbeidsbeloning en het winstaandeel van de meerwerkende partner.
Stakingswinst is een fiscaal begrip voor het verschil tussen de boekwaarde van de onderneming en de werkelijke waarde op het moment van overdracht of bedrijfsbeëindiging. De stakingswinst en de winst behaald in verband met een onteigening van de grond en opstallen van de onderneming, tellen niet mee.
Indien de fiscale vaststelling van de winst tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, kan de uitkomst worden gecorrigeerd.

18.6.2 Inkomsten die worden vrijgelaten

Van het inkomen dat de klant naast de IOAZ-uitkering ontvangt, zijn de volgende inkomsten vrijgelaten:

Deze inkomsten tellen ook niet mee bij de beoordeling van de toetredingsbepalingen.

18.6.3 Inkomsten die niet worden vrijgelaten

Inkomsten uit arbeid of overig inkomen die verband houden met arbeid worden niet vrijgelaten. Voorbeelden hiervan zijn:

18.6.4 Inkomen na bedrijfsbeëindiging

Bij de IOAZ houd je rekening met inkomen uit of in verband met arbeid. Onder inkomen uit arbeid of overig inkomen na bedrijfsbeëindiging wordt verstaan het inkomen, bedoeld in de artikelen 2.2 t/m 2.4 en 2.9 van het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen. Zie ook 13.4.3 Eenmalige uitkering bij beëindiging dienstbetrekking .

Als de gewezen zelfstandige of de echtgenoot activiteiten in bedrijf of beroep hervat of aanvangt vervalt het recht op IOAZ. Dit is ook het geval als slechts op bescheiden schaal, minder dan 1225 uur per kalenderjaar, wordt gewerkt. Daarom is, anders dan voor de IOAW, niet voorzien in een inkomstenkorting uit werkzaamheden voor eigen rekening en risico.

18.6.5 Vrijlating inkomsten uit arbeid

Het bedrag van de inkomensvrijlating wijkt af van de WWB, in verband met de bruto inkomstenkortingen bij de IOAW en IOAZ, en is maximaal € 294,76 per maand bruto. Zie 6.2.3 Inkomensvrijlating en premies voor deeltijdwerk.

18.6.6 Vermogen en inkomsten uit vermogen

In tegenstelling tot de WWB heeft vermogen slechts een geringe invloed op de IOAZ-uitkering. Bepalend is de vermogenssituatie onmiddellijk na de bedrijfsbeëindiging. Het gaat om de waarde van de bezittingen minus de waarde van de schulden. Vrij blijft een eigen vermogen van € 122.094,-. Daarnaast blijft ten behoeve van een aanvullende pensioenvoorziening een bedrag vrij van € 115.200,-. Dit laatste bedrag hoeft overigens niet te zijn vastgelegd voor een pensioenvoorziening; het mag ook op een bank- of spaarrekening staan. Het meerdere vermogen leidt tot een inkomstenkorting op de IOAZ-uitkering van 54% per jaar van dat meervermogen. Vermogensmutaties nadien hebben geen invloed op deze korting. Nadien een erfenis krijgen, een prijs winnen of (een deel van) het vermogen verliezen heeft dus geen invloed op het recht of de hoogte van de IOAZ-uitkering.

18.7 Herleving IOAZ-recht

De IOAZ kan om meerdere redenen worden beëindigd. Bijvoorbeeld omdat de klant of de partner de werkzaamheden in een eigen bedrijf of beroep hervat, aan het werk gaat bij een werkgever of een vrijheidsstraf ondergaat. Als de klant of partner dan weer werkloos wordt, of uit detentie wordt ontslagen, ontstaat opnieuw recht op een IOAZ-uitkering.

Per 29 december 2005 is hier verandering in gekomen, zie ook 18.1.

Op deze laatste regel bestaat weer één uitzondering: Eén groep komt niet in de TW, namelijk klanten met een jonge partner, dat wil zeggen geboren na 31 december 1971, zonder kinderen of met uitsluitend kinderen van 12 jaar of ouder (de zgn.1990-maatregel). De achtergrond bij deze maatregel is de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening van jonge partners zonder zorgtaken. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte klanten die als gevolg van deze 1990-maatregel géén recht op TW hebben, kunnen in afwijking van de hoofdregel wél terugkeren in de IOAZ na 29 december 2005.

18.8 Terugvordering

In de IOAZ is net als in de WWB bevoegdheid tot terugvordering geregeld. De gemeenten hebben een grote beleidsvrijheid.
De IOAZ wordt bruto teruggevorderd, omdat de uitkeringsgrondslag ook bruto is.

De IOAZ kent geen verhaalsmogelijkheden.

18.9 Rechtsbescherming

De IOAZ kent niet de mogelijkheid die de WWB wel geeft om bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank een spoedvoorziening aan te vragen zolang de beslissing niet is genomen of de beslistermijn niet is verstreken.

Verder is de rechtsbescherming in de IOAZ op dezelfde wijze geregeld als in de WWB, 11. Rechtsbescherming