De Wet kinderopvang (WK) is er voor personen die werk en zorg voor kinderen combineren. Maar ook voor personen die behoren tot de bijzondere doelgroepen die in de WK worden genoemd.
Per 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang (WK) in werking getreden. Die wet regelt de kwaliteit en financiering van kinderopvang. Uitgangspunt is dat kinderopvang een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van ouders, werkgevers en overheid. Al die partijen dragen daarom bij in de kosten. Specifieke doelgroepen kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming van de gemeente of het UWV/WERKbedrijf.
Daarnaast geldt:
Alle werkende ouders en ouders die een studie of traject volgen om aan het werk te gaan en die gebruik maken van formele kinderopvang kunnen in aanmerking komen voor de kinderopvangtoeslag. Deze toeslag bestaat uit twee delen: een inkomensafhankelijke toeslag en een vaste toeslag. De inkomensafhankelijke toeslag én de vaste toeslag worden als één bedrag en onder één vermelding door de Belastingdienst/Toeslagen aan ouders uitbetaald.
Ook alleenstaande ouders krijgen een inkomensafhankelijke toeslag en een vaste toeslag van in totaal een derde deel van de kosten.
De inkomensafhankelijke toeslag is een percentage van de opvangkosten die worden gemaakt (tot de maximum uurprijs). De hoogte van dat percentage is afhankelijk van het gezamenlijke verzamelinkomen, het aantal kinderen in het gezin dat gebruikmaakt van kinderopvang en de opvangkosten. De kinderopvangtoeslag is hoger naarmate het inkomen lager is. De kinderopvangtoeslag is hoger voor tweede en volgende kinderen die gebruik maken van de kinderopvang.
Er zijn ook ouders zonder baan. Die ouders hebben bijvoorbeeld een bijstandsuitkering, of een uitkering van het UWV en volgen een re-integratietraject. Zij komen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van de gemeente, of van het UWV. Die tegemoetkoming komt naast de inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk. Eén van beide ouders moet dan wel in een specifieke situatie verkeren. Zij moeten behoren tot één van de bijzondere doelgroepen in de WK.
Ouders die tot een bijzondere doelgroep behoren kunnen een tegemoetkoming krijgen in de kosten van kinderopvang van hun gemeente, of van het UWV. Navolgend een overzicht van die doelgroepen.
Overzicht bijzondere doelgroepen WK (percentages op basis van éénouder gezin)
| doelgroepen gemeente |
eigen bijdrage |
tegemoetkoming gemeente |
totaal % tegemoetkoming gemeente |
|
| 1 |
WWB / WIJ met re-integratietraject inclusief inburgeringstraject of WWB met alleen inburgeringstraject |
ja |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
| 2 |
IOAW met re-integratietraject t inclusief inburgeringstraject of IOAW met alleen inburgeringstraject |
ja |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
| 3 |
IOAZ met re-integratietraject inclusief inburgeringstraject of IOAZ met alleen inburgeringstraject |
ja |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
| 4 |
ANW met re-integratietraject inclusief inburgeringstraject of ANW met alleen inburgeringstraject |
ja |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
| 5 |
Loon uit arbeid + aanvullende WWB |
ja |
4,5% |
4,5 |
| 6 |
WWIK |
ja |
1/6 |
16,67 |
| 7 |
NUG met re-integratietraject |
ja |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
| 8 |
WI met inburgeringstraject (geen WWB/IOAW/Z-klant) |
ja |
1/6 |
16,67 |
| 9 |
Tienermoeder (<18 jaar) met scholing |
ja |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
| 10 |
Student (alleen indien geen loon uit arbeid) |
ja |
1/6 |
16,67 |
| % tegemoetkoming |
||||
| doelgroepen UWV |
UWV |
|||
| 1 |
WW met re-integratietraject |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
|
| 2 |
WAO met re-integratietraject |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
|
| 3 |
WAJONG met re-integratietraject |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
|
| 4 |
WAZ met re-integratietraject |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
|
| 5 |
Samenloop: UWV -uitkering met traject en WWB/IOAW/Z aanvulling |
1/6 plus 4,5% |
21,17 |
De aanvragen van de doelgroepen genoemd onder 7 t/m 10 worden centraal afgehandeld door het loket kinderopvang van Werkplein West van DWI (telefonisch bereikbaar op werkdagen van 10.00-12.00 uur via 020-3463690. Aanvraag alleen na telefonische afspraak!
Naast de in het overzicht opgenomen doelgroepen wordt in de WK nog een gemeentelijke doelgroepen genoemd: de sociaal medisch geïndiceerden (SMI). De WK is voor deze groep nog niet in werking getreden. Voor de SMI-doelgroep zijn door de stadsdelen en DMO (de Dienst Maatschappelijke Opvang), aparte overgangsmaatregelen getroffen. Zie daarvoor § 17.5 Stand van zaken rond SMI.
Met de komst van de Wet inburgering (WI) is ook de Wet kinderopvang gewijzigd. Artikel. 6. g van de Wet kinderopvang zegt dat een ieder die een inburgeringstraject volgens art. 19 van de Wet Inburgering volgt, recht heeft op een kinderopvangtoeslag.
Kinderopvang en stagevergoeding
Klanten die een stagetraject volgen en een stagevergoeding van DWI ontvangen
met evt. aanvullende bijstand (zoals gezinnen), worden gelijkgesteld met NUG-ers
die een re-integratietraject volgen voor wat betreft de eigen bijdrage en
het percentage tegemoetkoming gemeente. Bij de vaststelling van de eigen bijdrage
moet rekening worden gehouden met de inkomsten van de eventuele partner. Voor
deze klanten geldt een aangepaste werkwijze ten opzichte van “gewone
NUG-gers”. De aanvraag Tegemoetkoming kinderopvang van klanten die
een stagetraject volgen en een stagevergoeding van DWI ontvangen, wordt op
het Werkplein van
de klant afgehandeld. In dit proces speelt ook de klantmanager een rol.
Kinderopvang en detachering
Let op!
Klanten waarvan de WWB-uitkering wordt beëindigd omdat zij een detacherings-overeenkomst krijgen hebben geen recht (meer) op een tegemoetkoming van de gemeente omdat zij geen gemeentelijke doelgroep zijn voor de WK. De gemeente is werkgever waardoor zij in aanmerking komen voor de rijksbijdrage (via de Belastingdienst).
In het overzicht zijn de bijzondere WK doelgroepen opgenomen, onderscheiden naar doelgroepen gemeente en UWV WERKbedrijf. Uit het overzicht is af te leiden welk percentage van de opvangkosten wordt vergoed. Standaard is dat 16,67% (1/6 deel) van de opvangkosten. Voor een aantal doelgroepen geldt dat daar bovenop nog een extra tegemoetkoming van 4,5% (voor het eerste kind, voor het 2 e en volgende kind geldt 3,5%) wordt verstrekt door de gemeente. Als het eerste kind wordt beschouwd het kind met de meeste opvanguren (hebben meerdere kinderen het zelfde aantal opvanguren, neem dan het kind met de laagste kosten van kinderopvang als eerste kind).
Maximale uurtarief
Het genormeerde maximale uurtarief wordt jaarlijks door het Rijk vastgesteld. In geval van gastouderopvang is de leeftijd van het kind bepalend voor de maximumprijs. Voor kinderen tot 4 jaar geldt de uurprijs van hele dagopvang, voor kinderen van 4 tot leeftijd einde basisschool (doorgaans tot 13 jaar), de uurprijs van de buitenschoolse opvang.
Wijzigingen Wet kinderopvang 2010/2011
2010: In plaats van een maximaal te vergoeden tarief voor alle vormen
van kinderopvang, zijn er vanaf 1 januari 2010 3 verschillende uurtarieven:
2011: Vanaf 1 januari 2011 gelden de volgende wettelijke maximale uurtarieven: dagopvang € 6,36, buitenschoolse opvang € 5,93 en gastouderopvang € 5,09 per uur.
Tevens is er voor 2011 sprake van een verlaging van de rijksbijdrage van 3,5 % voor het eerste kind en 0,5 % voor het/de volgende kind(eren). De gemeente heeft besloten dat deze rijksbezuiniging niet wordt gecompenseerd. Overwogen is o.a. dat kinderopvang voor de ouder ook kostenbesparing oplevert (maaltijden, tussendoortje,luiers, etc.) en dat er een armoedeval ontstaat zodra de ouder uitstroomt uit de uitkering als er welgecompenseerd wordt..Het wettelijk maximaal aantal uren kinderopvang dat voor tegemoetkoming in aanmerking komt, bedraagt voor elke vorm van opvang per kind 230 uur per maand.
Bovenwettelijk uurtarief: in 2010 geldt dat er bij hogere
uurtarieven voor dagopvang en buitenschoolse
opvang gebruik gemaakt moet worden van de gemeentelijke compensatie tot € 6,51
per uur, de bovenwettelijke bijdrage!
In 2011 is dit bedrag verhoogd tot max. € 6,62 per uur.
Sluit de ouder een contact af voor een hoger uurtarief dan wordt het meerdere niet vergoed!
Wijzigingen Gastouderopvang
Op 1 januari 2010 zijn de nieuwe regels voor gastouderopvang ingegaan.
Die regels hebben belangrijke gevolgen voor gastouderbureaus, gastouders en
ouders die gebruik maken van gastouderopvang.
De belangrijkste veranderingen zijn:
N.B. Bij opvang via een gastouderbureau moeten ook koppelingskosten of bemiddelingskosten worden betaald. Deze kosten zijn meestal in het uurtarief verwerkt. Als deze apart in rekening worden gebracht dan moet de prijs per uur worden berekend:
koppelingskosten per jaar inclusief BTW + (totaal aantal uren per jaar x prijs per uur) : het totaal aantal uren per jaar.
Voorbeeld bij gastouderopvang (uurtarief exlc. koppelingskosten):
De koppelingskosten van het gastouderbureau bedragen € 1.400,00 per jaar
inclusief BTW,
de uurprijs is € 3,50. Aantal uren opvang: 16 per week = 832 uur per jaar.
Koppelingkosten incl. BTW |
|
€ 1.400,00 |
|
Opvang 832 x € 3,50 = |
|
€ 2.912,00 |
+ |
Kosten per jaar |
|
€ 4.312,00 |
|
|
|||
Kosten per uur: |
|
€ 5,18 |
(€ 4.312,00 : 832 uur) |
Belangrijk is de vaststelling dat waar sprake is van een ouder met een partner, afzonderlijk voor beide partners wordt beoordeeld of ze tot een bijzondere doelgroep behoren en wordt vastgesteld welke percentages tegemoetkoming daarbij horen. De percentages in het schema zijn gebaseerd op de situatie van een eenoudergezin . Behoort ook de partner tot een bijzondere doelgroep van de gemeente, dan moet het tegemoetkomingspercentage voor die partner worden opgeteld bij dat van de ouder. Bedenk daarbij wel dat de extra tegemoetkoming van 4,5% maar één keer binnen een huishouden mag worden verstrekt . Geldt bijvoorbeeld dat beide ouders een WWB uitkering hebben met een re-integratietraject, dan gaat de berekening als volgt: zowel de ouder als de partner heeft in principe recht op het percentage van 21,17 (16,67 + 4,5%). Maar, omdat die 4,5% slechts 1x binnen het huishouden mag worden toegekend, komt het totaal percentage niet uit op 42,34 (2x21,17), maar op 42,34 – 4,5%, ofwel 37,84%.
Heeft de eventuele partner via het UWV WERKbedrijf recht op 4,5% extra, dan vervalt die eventuele 4,5% voor de ouder met de gemeentelijke tegemoetkoming. In die gevallen betaalt het UWV de 4,5% uit (bron: Regeling Wet kinderopvang van 6 oktober 2004, artikel 4).
Als één van beide partners is gedetineerd, en de ander heeft kinderopvang nodig, dan bestaat de mogelijkheid dat het recht op kinderopvangtoeslag komt te vervallen. De partner die kinderopvang nodig heeft, hoort dan niet meer tot de doelgroep van de WK. Kom je een dergelijke situatie tegen waarin de ouder een afwijzende beschikking van de Belastingdienst heeft ontvangen, dan kan je bijzondere bijstand verlenen onder de voorwaarde dat klant in bezwaar gaat bij de Belastingdienst.
Bij alle doelgroepen waarbij sprake is van een re-integratietraject , gaat het om officieel door de betrokken instantie vastgestelde trajecten. Dat blijkt doorgaans uit beschikbare trajectplannen, met een geformuleerd doel en daarin aangegeven om welke periode het gaat, ondertekend door de betrokken instantie en de ouder zelf. Van belang is daarnaast vast te stellen dat er ook sprake is van " deelname " aan activiteiten die voortvloeien uit het trajectplan die kinderopvang noodzakelijk maakt.
Waar sprake is van loon uit arbeid en een aanvullende WWB uitkering, is de tegemoetkoming van de gemeente maximaal 4,5% van de (gemaximeerde) opvangkosten. Voor de overige tegemoetkoming dient betrokkene een aanvraag te doen voor de rijkstegemoetkoming via de Belastingdienst.
Hoe bepaalt de gemeente de omvang van de opvang waarvoor een gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt. De basis daarvan staat in artikel 8 van de gemeentelijke WK verordening:
Op de doelgroepen "studenten", "Wik-ers" en "nieuwkomers met inburgeringsverplichting " is lid 1) van toepassing. Bij het bepalen van de omvang van de opvang wordt uitgegaan van de gewenste omvang die genoemde doelgroepen zelf aangeven. Naarmate zij meer opvang aanvragen, moeten ze zelf ook meer betalen. Daarop dient bij de aanvraag nadrukkelijk te worden gewezen. Niet elke aanvrager zal dat meteen onderkennen. De veronderstelling is dat op die manier een natuurlijke “drempel” rond de omvang wordt ingebouwd.
Voor de overige doelgroepen is lid 2 van artikel 8 van de verordening van toepassing. Bij het bepalen van de opvang omvang wordt daarbij (in overleg met de aanvrager) zo veel mogelijk aangesloten bij de periode van het reïntegratietraject en de tijd die het volgen ervan per week neemt het te volgen. Bij de doelgroep met loon uit arbeid met een aanvulling vanuit de bijstand, wordt aangesloten bij de omvang van de (deeltijd) werkzaamheden.
Voor degenen die scholing volgen of een opleiding, maar niet in het kader van een re-integratietraject (bij studenten en tienermoeders), moet bij de bepaling van de periode van de verstrekking worden aangesloten bij de geldigheidsduur van de overhandigde inschrijfbewijzen. Van de student bv. die is inge schreven voor het huidige studiejaar (doorgaans tot september) staat niet vast of hij/zij doorgaat voor een volgend studiejaar. Mocht toch vooraf voor een heel kalenderjaar zijn toegekend, dan moet tussentijds aanvullend bewijsmateriaal worden geleverd door betrokken student. Daarover dienen afspraken gemaakt te worden die moeten worden bewaakt.
In de huidige opvangpraktijk komt het voor dat de omvang van de toegekende omvang van de opvang niet aansluit bij de leveringsvoorwaarden van sommige opvangorganisaties. Er kan bijvoorbeeld niet een halve dag opvang worden afgenomen, of één dag opvang in de week. Indien dat het geval blijkt te zijn aan de hand van de (getoonde) leveringsvoorwaarden van de betrokken opvangorganisatie, dan kan de omvang van de opvang worden uitgebreid. Wel zal de aanvrager erop worden gewezen dat er (mogelijk) andere opvangorganisaties zijn met leveringsvoorwaarden die wel aansluiten bij wat de markt (de ouder) vraagt. Marktwerking is weliswaar een centraal element in de Wet kinderopvang, van een echte markt is in de huidige praktijk nog onvoldoende sprake.
DWI stopt met het betalen van de gemeentelijke tegemoetkoming kinderopvang als het (iburgerings)traject is beëindigd.
Er moet wel rekening worden gehouden met de in het contract opgenomen opzegtermijn (meestal maximaal 2 maanden). In het algemeen geldt dat kan worden opgezegd per de 1e of 16e van de maand.
Als het (inburgerings)traject tijdelijk is gestopt of na de beëindiging van het ene traject volgt binnen korte tijd een ander traject dan loopt de betaling van de tegemoetkoming door. De kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst hoeft in zo’n situatie ook niet te worden opgezegd.
Actuele informatie over het inburgeringstraject van de klant is te vinden in EDISA, het klantvolgsysteem ontwikkeld door DMO.
Organisaties betrokken bij de uitvoering van het inburgeringsbeleid kunnen hier hun klanten volgen tijdens de inburgering.
Toch zijn en blijven klanten zelf verantwoordelijk om DWI en de belastingdienst op de hoogte te stellen van wijzigingen in hun situatie.
N.B. Vaak nemen klanten pas contact op met DWI als de einddatum van de tegemoetkoming in zicht komt en de inburgering verlengd is na een onderbreking waarvan DWI niet op de hoogte was.
Als er teveel tegemoetkoming verstrekt is dan moet er worden teruggevorderd via de afdeling Handhaving.
De belastingdienst zal over dezelfde periode terugvorderen van de klant.
De tegemoetkoming kan na beëindiging van het re-integratietraject nog maximaal een half jaar doorlopen om actief solliciteren mogelijk te maken. Daarover moeten dan wel expliciete afspraken zijn gemaakt met de betrokken klantmanager. Het ligt in de rede die pas te maken op het moment dat er zicht is op het succesvol afronden van het re-integratietraject door de betrokken ouder. Dat betekent dat het half jaar extra niet aan het begin van het traject al wordt “ inge boekt”. Daarvoor moet een aparte (verlengings-) aanvraag worden gedaan aan het eind ervan.
Uitgangspunt is dat geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor eigen bijdragen die vanwege de WK moeten worden betaald door ouders. Dat geldt ook voor situaties dat een ouder een contract heeft ondertekend met hogere uurprijzen voor de opvang dan door de overheid (incl. gemeente) mag worden vergoed. Het wel via de bijzondere bijstand compenseren in die gevallen zou afbreuk doen aan de veronderstelde marktwerking van de WK. Op die manier vervalt de prikkel voor opvangorganisaties hun uurprijzen af te stemmen op de normtarieven van het Rijk.
De wetgever heeft bewust gekozen voor de systematiek van de eigen bijdrage, bepaalde doelgroepen uitgezonderd. Daarbij is ook overwogen dat je als ouder besparingen hebt als je kind uithuizig in verband met opvang.
Het partnerbegrip is van belang voor de aanspraak op de tegemoetkomingen en voor de hoogte van de tegemoetkoming. Door de partner bij de aanspraak te betrekken wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot opvang binnen het eigen huishouden. Als partners niet aan het arbeidsproces deelnemen en niet tot een doelgroep van de Wet kinderopvang behoren, dan wordt verwacht dat zij zelf de opvang van hun kind(eren) voor hun rekening nemen. De Wet kinderopvang kent een inkomensafhankelijke tegemoetkoming (die van het rijk), die gebaseerd is op het toetsinkomen van het huishouden. Het inkomen van degene die voor de wet als partner geldt (de zogenoemde ‘toeslagpartner’), speelt een rol bij de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming.
In de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (de AWIR) wordt gedefinieerd wie als partner worden aangemerkt voor een aantal inkomensafhankelijke regelingen, waaronder die voor kinderopvang.
Zoals eerder opgemerkt is voor de Sociaal-medisch geïndiceerden (SMI-ers) de WK nog niet in werking getreden. Voor het bedienen van de SMI-ers krijgen de gemeenten in elk geval tot en met 2011, jaarlijks een budget van het Rijk. Met dat budget heeft de gemeente een aparte regeling voor SMI-ers in het leven geroepen. De uitvoering van de SMI-regeling is opgedragen aan kinderopvang-intermediair Chikuba. Nadat de (potentiële) SMI-er zich bij Chikuba heeft gemeld wordt de klant (na screening) voor indicatiestelling doorgestuurd naar de GGD. Bij positieve indicatie voor een SMI-plek, wordt via Chikuba de bemiddeling naar een SMI-plek geregeld en vindt de betaling plaats. Bij de betrokken ouders brengt Chikuba een inkomensafhankelijke eigen bijdrage in rekening (zie ook 9.7.5 Kinderopvang). Eerste melding van een klant bij Chikuba gebeurt telefonisch. Op werkdagen van 8.30 uur tot 17.30 uur op telnr. 020-5573600.
Mocht op enig moment blijken dat de budgettaire mogelijkheden via Chikuba uitgeput zijn, pas dan is eventuele financiering uit de bijzondere bijstand aan de orde. Hierbij moet wel nauwkeurig worden gekeken naar de noodzaak en de noodzakelijk benodigde uren. Ken alleen toe tot het eind van het lopend jaar en laat de klant zich aan het eind van een jaar opnieuw aanmelden bij Chikuba!.
Ouders kunnen de aanvraag pas bij hun gemeente indienen, als ze beschikken over een offerte of overeenkomst van de kinderopvanginstelling of het gastouderbureau dat de kinderopvang verzorgt. Dit document moeten ze samen met andere gevraagde bewijsstukken, als bijlage bij het aanvraagformulier voegen. De offerte of overeenkomst bevat ten minste de volgende gegevens:
Na ontvangst van de aanvraag beoordeelt de gemeente of de ouders recht hebben op de tegemoetkoming. Daarover dient de gemeente binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens te besluiten. Dat besluit kan ten hoogste met vier weken worden verdaagd. Daarover wordt de ouder schriftelijk in kennis gesteld.
N.B. Om klant zo snel mogelijk op traject te zetten of aan een inburgeringscursus te laten deelnemen is het belangrijk om de beslissing op de aanvraag kinderopvang snel te nemen.
NB.: om te voorkomen dat klanten schulden maken is besloten de gemeentelijke tegemoetkoming vanaf 1 januari 2008 rechtstreeks aan de kinderopvanginstellingen over te maken.
Als is vastgesteld dat ouders in aanmerking komen voor een tegemoetkoming, maakt de gemeente (DWI) de tegemoetkoming in maandelijkse termijnen over aan de kinderopvanginstelling, nadat de ouder het contract met de kinderopvanginstelling heeft overlegd. Als ingangsdatum geldt de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming is ontvangen. Start de kinderopvang op een later tijdstip dan de datum aanvraag, dan wordt de tegemoetkoming vastgesteld met ingang van de dag waarop de kinderopvang een aanvang neemt (Verordening kinderopvang Amsterdam art. 6). De tegemoetkoming wordt vastgesteld voor de periode van maximaal een kalenderjaar of de duur van het traject.
Om de samenwerking met de kindercentra te verbeteren zijn een aantal afspraken gemaakt:
Vervolgens moet worden onderzocht of er mogelijk te veel tegemoetkoming is betaald. Is dat het geval dan zal het te veel betaalde moeten worden teruggevorderd.
Indien na onderzoek blijkt dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming is uitbetaald, herziet het college het besluit tot vaststelling en vordert het te veel uitbetaalde bedrag terug. De terugvordering is geregeld in artikel 38, eerste lid WK. In artikel 38, tweede lid is bepaald dat de artikelen 58 t/m 60 van de Wwb van overeenkomstige toepassing zijn. In welke gevallen wordt teruggevorderd?
Bij wijziging of beëindiging van de tegemoetkoming zal niet alleen onderzocht moeten worden of er mogelijk te veel is betaald, maar ook of de ouder(s) alle tegoeden hebben ontvangen. Voordat de vordering wordt gesteld zullen eventuele tegoeden eerst met het teveel betaalde moeten worden verrekend. De uitkomst kan hiervan zijn:
In het eerste geval is er geen vordering en wordt het resterende tegoed uitbetaald. In het tweede geval zal voor het resterende bedrag een vordering moeten worden opgevoerd.
De tegemoetkoming Kinderopvang is niet vatbaar voor vervreemding of beslag. Dat wil zeggen dat er geen verrekening mag plaatsvinden van de tegemoetkoming met een openstaande vordering ingevolge de Abw of WWB, noch dat derden door middel van beslag hun vordering kunnen vereffenen.
Ouders kunnen de Belastingdienst machtigen de kinderopvangtoeslag rechtstreeks naar de betrokken kinderopvangorganisatie te laten overmaken. Maken ouders gebruik van meer dan één opvangorganisatie, dan is dat niet mogelijk. De Belastingdienst maakt de kinderopvangtoeslag namelijk ongesplitst over. In de contacten met de klant dient het belang van machtigen sterk te worden benadrukt. Op die wijze kunnen de financiële risico’s zowel voor de betrokken ouder(s) zelf, als voor de betrokken opvangorganisaties worden beperkt. Bedenk dat het maandelijks om aanzienlijke opvangbedragen kan gaan (ca. € 1100 per maand per kind bij voltijd dagopvang).
Omdat is gebleken dat de uitgaven aan gemeentelijke tegemoetkoming kinderopvang vanaf 2010 het budget kinderopvang ruimschoots overschrijden, is door het DT besloten dat de uitgaven moeten worden beperkt.
De huidige werkwijze is kritisch bekeken en heeft geleid tot de volgende aandachtspunten voor de uitvoering:
Zijn ouders voor het aanvragen van de tegemoetkoming bijzondere doelgroepen aangewezen op het UWV WERKbedrijf, dan dienen ze dat schriftelijk aan te vragen via het daarvoor bestemde formulier van het UWV WERKbedrijf. Die formulieren zijn o.m. beschikbaar op de afdeling Inkoop Re-integratie (IR) van het UWV WERKbedrijf-districtskantoor. De woonplaats van de ouder bepaalt bij welk kantoor ze terecht kunnen. Verder gelden soortgelijke regels als bij de aanvraag van een gemeentelijke tegemoetkoming.
Op basis van de WTOS:
Schoolsoort tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten
Uit onderstaand overzicht kan worden afgeleid voor welke scholen in Nederland geldt dat een tegemoetkoming kan worden gekregen voor het volgen van dat onderwijs.
(Speciaal) voortgezet onderwijs
(Speciaal) voortgezet onderwijs is bijvoorbeeld lwoo, praktijkonderwijs, mavo, havo en vwo. Volgt uw kind een opleiding in het vavo (de 1- of 2-jarige mavo, havo of vwo), dan kunt u ook een tegemoetkoming krijgen.
(Voortgezet) speciaal onderwijs
(Voortgezet) speciaal onderwijs wordt bijvoorbeeld gegeven op zmok-scholen, lom-scholen en scholen voor slechthorenden. Als uw kind voortgezet speciaal onderwijs volgt, met uitzondering van het lom en mlk, komt u niet voor een tegemoetkoming in de schoolkosten in aanmerking. Mogelijk komt u wel in aanmerking voor een vergoeding van de kosten van het leerlingenvervoer via de Gemeente.
Beroepsonderwijs
Het beroepsonderwijs wordt gegeven aan Regionale Opleidingscentra (ROC). U kunt alleen een tegemoetkoming krijgen als uw kind in het beroepsonderwijs een beroepsopleidende leerweg (bol) volgt. Volgt uw kind een beroepsbegeleidende leerweg (bbl), dan komt u niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.
Particulier onderwijs
Volgt uw kind particulier onderwijs, dan komt u in de meeste gevallen niet in aanmerking voor een tegemoetkoming. Een aantal particuliere scholen die opleiden tot het staatsexamen mavo, havo of vwo, is echter erkend op grond van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen (Weo). Ook in het particuliere beroepsonderwijs zijn een paar opleidingen die recht geven op een tegemoetkoming. U kunt hiernaar informeren op de school van uw kind.
Als u niet precies weet welke opleiding uw kind volgt, dan kunt u contact opnemen met de school. Voor alle soorten onderwijs geldt dat de opleiding door de minister van OCW moet zijn bekostigd, aangewezen of erkend. Daarnaast moet het gaan om volledig dagonderwijs. De algemeen geldende eis is dat het opleidingsprogramma minimaal 850 klokuren per schooljaar bevat.
Bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
In deze bijlage zijn in de onderdelen a tot en met h opgenomen de bekostigde instellingen voor hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, en zijn in onderdeel i opgenomen de academische ziekenhuizen, bedoeld in artikel 1.13, eerste lid.
De namen van rechtspersonen in deze bijlage worden weergegeven zoals zij luiden op 1 januari 2004.
a. De openbare universiteiten te Leiden, Groningen, Amsterdam, Utrecht, Delft, Wageningen, Eindhoven, Enschede, Rotterdam en Maastricht.
b. De bijzondere universiteit te:
- Amsterdam, uitgaande van de Vereniging voor christelijk wetenschappelijk onderwijs;
- Nijmegen, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit;
- Tilburg, uitgaande van de Stichting Katholieke Universiteit Brabant.
c. De rechtspersoonlijkheid bezittende openbare hogescholen te Leeuwarden en Velp.
d. (vacant)
e. (vacant)
f. De openbare hogeschool uitgaande van een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen te Emmen, uitgaande van het Openbaar Lichaam Hogeschool Drenthe.
g. De bijzondere hogeschool te:
- Alkmaar, uitgaande van de Stichting voor Hoger Beroepsonderwijs Noordelijk Noord-Holland;
- Amsterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Amsterdam;
- Amsterdam, uitgaande van de Stichting HES Amsterdam;
- Amsterdam, uitgaande van de Stichting voor de Protestants Christelijke en de Rooms-Katholieke lerarenopleiding voor het Basisonderwijs in Noord-Holland;
- Amsterdam, uitgaande van de Stichting Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten;
- Amsterdam, uitgaande van de Vereniging Gerrit Rietveld Academie, Hogeschool voor Beeldende Kunst en Vormgeving;
- Arnhem, uitgaande van de Stichting Kunstonderwijs Oost-Nederland;
- Arnhem, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen;
- Breda, uitgaande van de Stichting Hogeschool Brabant;
- Breda, uitgaande van de Stichting Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer;
- Delft, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool van het Koninklijk Nederlands Landbouw Committee;
- Deventer, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
- Diemen, uitgaande van de Stichting voor Protestants-Christelijk en Rooms-Katholiek Hoger Onderwijs te Amsterdam;
- Doetinchem, uitgaande van de Stichting Iselinge;
- Driebergen, uitgaande van de Stichting Hogeschool "de Horst";
- Dronten, uitgaande van de Nederlandse Christelijke Boeren- en Tuindersbond;
- Ede, uitgaande van de Stichting Christelijke Kweekschool op de Veluwe;
- Ede, uitgaande van de Stichting voor Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs op Gereformeerde grondslag;
- Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
- Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogisch Technische Hogeschool Nederland, uitgaande van de Stichting Fontys;
- Eindhoven, aan te duiden als de Fontys Pedagogische Hogeschool Eindhoven, uitgaande van de Stichting Fontys;
- Eindhoven, uitgaande van de Stichting The Design Academy;
- Enschede, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Oost-Nederland;
- Gouda, uitgaande van de Stichting voor Christelijk Hoger Onderwijs op Reformatorische grondslag "De Driestar";
- 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Haagse Hogeschool;
- 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hotelschool Den Haag, Hogeschool voor Bedrijfskunde;
- 's-Gravenhage, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Beeldende Kunsten, Muziek en Dans;
- Groningen, uitgaande van de Stichting Hoger Onderwijs Groningen;
- Haarlem, uitgaande van de Stichting Hogeschool Haarlem;
- Heerlen, uitgaande van de Hogeschool Limburg/Maastricht;
- Helmond, uitgaande van de Stichting"De Kempel";
- Hengelo, uitgaande van de Stichting Onderwijs Centrum Twente;
- 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Hoger Beroepsonderwijs 's-Hertogenbosch;
- 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Agrarische Hogeschool Den Bosch van de Katholieke Nederlandse Boeren en Tuinders Bond;
- 's-Hertogenbosch, uitgaande van de Stichting Fontys;
- Kampen, uitgaande van de Stichting voor Christelijke Hoger Kunstonderwijs;
- Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Noordelijke Hogeschool Leeuwarden;
- Leeuwarden, uitgaande van de Stichting Christelijke Hoger (beroeps-)onderwijs in Noord-Nederland;
- Leiden, uitgaande van de Stichting Leidse Hogeschool voor Beroepsonderwijs;
- Maastricht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Limburg/Maastricht;
- Roermond, uitgaande van de Stichting Fontys;
- Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool Rotterdam
- Rotterdam, uitgaande van de Stichting Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
- Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Economische Studies Rotterdam;
- Rotterdam, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor Muziek en Theater Rotterdam;
- Rijswijk, uitgaande van de Stichting Katholiek Hoger Beroepsonderwijs Zuid-Holland;
- Sittard, uitgaande van de Stichting Fontys;
- Tilburg, uitgaande van de Stichting Fontys;
- Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool van Utrecht;
- Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool voor de Kunsten
- Utrecht, uitgaande van de Stichting Hogeschool Domstad;
- Utrecht, uitgaande van de Stichting Protestants Christelijk Hoger Beroepsonderwijs Utrecht;
- Venlo, uitgaande van de Stichting Fontys;
- Vlissingen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Zeeland;
- Wageningen, uitgaande van de Stichting Hogeschool Diedenoort;
- Wageningen, uitgaande van de Stichting "STOAS";
- Zeist, uitgaande van de Stichting Hogeschool Helicon, onderwijs vanuit antroposofie;
- Zwolle, uitgaande van de Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim;
- Zwolle, uitgaande van de Stichting voor Gereformeerd Hoger Beroepsonderwijs;
- Zwolle, uitgaande van de Stichting Katholieke Opleiding tot Leraren in het Basisonderwijs.
h. de Open Universiteit te Heerlen.
i. 1. De rechtspersoonlijkheid bezittende academische ziekenhuizen bij de openbare universiteiten te:
- Leiden,
- Groningen,
- Amsterdam,
- Utrecht,
- Rotterdam,
- Maastricht
2. De academische ziekenhuizen bij de bijzondere universiteiten te Amsterdam en Nijmegen.