16 Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK)  
16.1 Doelstelling van de WWIK  
16.2 Uitvoering WWIK  
16.3 Definitie kunstenaar  
16.3.1 Groepen kunstenaars  
16.4 Aanvragen WWIK  
16.4.1 Wanneer komt iemand in aanmerking  
16.4.2 Beide echtgenoten kunstenaar  
16.4.3 In aanmerking te nemen vermogen  
16.4.3.1 Interen vermogen  
16.4.4 In aanmerking te nemen inkomen  
16.4.5 Maximale uitkeringsduur WWIK  
16.4.6 Uitsluitingsgronden  
16.4.6.1 Voldoende middelen  
16.4.6.2 Kunstenaars in de bijstand  
16.4.6.3 Domicilie  
16.4.6.4 Vreemdelingen  
16.4.6.5 Kunstenaar die rechtens zijn vrijheid is ontnomen  
16.4.6.6 Kunstenaars van 65 jaar of ouder  
16.4.7 Beroepsmatigheidstoets  
16.4.7.1 Moment van adviesaanvraag  
16.4.7.2 Hernieuwde aanmelding zij-instromers  
16.4.8 Krediethypotheek en pandrecht  
16.4.8.1 Toegang tot de WWIK met een eigen woning  
16.4.8.2 WWIK als geldlening in de vorm van krediethypotheek  
16.4.8.3 Waardevaststelling  
16.4.8.3.1 Waardevaststelling bij ook zakelijk gebruik woning  
16.4.8.3.2 Waardevaststelling na eerdere krediethypotheek WWB  
16.4.8.3.3. In aanmerking te nemen schulden  
16.4.8.4 Vermogensvrijlating, max. bedrag krediethypotheek  
16.4.8.5 Vestiging krediethypotheek of pandrecht  
16.4.8.5.1 Kosten vestiging krediethypotheek/pandrecht  
16.4.8.5.2 Uitkering WWIK zolang kredietmaximum niet is bereikt  
16.4.8.5.3 WWIK-aanvraag na eerdere verlening krediethypotheek/pandrecht WWIK  
16.4.8.5.4 Aflossing geldlening onder verband van hypotheek  
16.4.8.5.5 Invorderingsmaatregelen  
16.5.8.5.6 Afrekening bij verkoop of vererving  
16.4.8.5.7 WWIK na geldlening WWB of Abw  
16.4.8.5.8 Krediethypotheek/pandrecht WWIK en woonschepen  
16.4.8.5.9 Coöperatieve vereniging  
16.4.8.5.10 Appartementsrecht  
16.4.8.5.11 Economische en juridische eigendom  
16.4.8.5.12 Eigendom bij echtgenoot  
16.4.8.5.13 Mede-eigendom  
16.4.8.6 Criteria al dan niet te gelde maken woning  
16.4.8.6.1 Aandachtspunten bij intake  
16.4.8.6.2 Taxatie  
16.4.8.6.3 Weigeren medewerking na toekenning WWIK  
16.4.8.6.4 Opvoeren WWIK-uitkering met krediethypotheek of verpanding  
16.4.9 Loonbelastingverklaring en WWIK  
16.5 De hoogte van de WWIK-uitkering  
16.5.1 Co-ouderschap en WWIK  
16.6 De uitbetaling van de WWIK-uitkering  
16.6.1 De vorm van de maandelijkse uitkering  
16.7 De verdienhoogte binnen de WWIK-uitkering  
16.8 Beroepskosten(aftrek)  
16.8.1 Normbedrag beroepskosten  
16.8.2 Werkelijke kosten hoger dan normbedrag beroepskosten  
16.9 Periodieke onderzoeken  
16.9.1 Definitieve vaststelling WWIK  
16.9.2 Progressieve inkomenseis  
16.9.2.1 Eénmalige kwijtscheldingsperiode inkomenseis  
16.10 Bevorderen van de zelfstandige voorziening in het bestaan  
16.10.1 Activering naar werk naast de kunst  
16.10.2 Scholing voor klanten in de WWIK  
16.10.2.1 Scholingaanbod door Stichting Cultuur & Ondernemen  
16.10.2.2 Niet door Stichting Cultuur & Ondernemen aangeboden opleidingen  
16.11 Verplichtingen WWIK  
16.12 Opschorten van de uitkering  
16.13 Beëindiging van de WWIK-uitkering  
16.14 Terugvordering WWIK  
16.14.1 Afzien van terugvordering WWIK  
16.14.2 Volledige terugvordering  
16.14.3 Terugvordering van voorschotten  
16.15 Bijzondere bijstand en WWIK  

16. Wet werk en inkomen kunstenaars   

Wie als kunstenaar in zijn levensonderhoud wil voorzien, kan een beroep doen op de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK). De WWIK biedt een inkomen aan kunstenaars die beroepsmatig werken en die een (gezins)inkomen hebben dat onder de voor hen geldende bijstandsnorm ligt.

De WWIK is per 1 januari 2005 in de plaats gekomen van de WIK (Wet inkomensvoorziening kunstenaars), die vanaf 1999 was ingevoerd. De WIK-uitkering was een netto geldlening; de WWIK-uitkering is een voorlopige bruto-uitkering. De WWIK wordt net als de WIK definitief vastgesteld na afloop van elk kalenderjaar waarin uitkering is ontvangen. Bij de definitieve vaststelling van de uitkering wordt van de jaarinkomsten over de WWIK-loze periode eerst de (naar bruto omgerekende) bijstandsnorm afgetrokken. Wat daar boven komt wordt aangemerkt als bruto inkomen voor de WWIK-periode.

De WWIK kent een eigen voorschotmogelijkheid. Ook kunstenaars uit de randgemeenten kunnen van DWI Amsterdam een voorschot ontvangen in afwachting van een beslissing op de WWIK-aanvraag.

Iemand die een WWIK-uitkering aanvraagt, wordt getoetst op zijn beroepsmatigheid. De adviserende instelling (Stichting Cultuur & Ondernemen) voert deze toetsing uit in opdracht van DWI.  

De WWIK gaat ervan uit dat de kunstenaar naast de uitkering met zijn werk inkomen verdient. Deze inkomenseis heeft een progressief karakter: na iedere 12 uitkeringsmaanden moet dat bedrag hoger zijn (zie 16.9.2 Progressieve inkomenseis). Het gaat hierbij om alle inkomsten uit arbeid van de kunstenaar en de echtgenoot, inclusief de inkomsten uit kunst van de kunstenaar. Het is wel mogelijk om éénmalig ontheffing van de inkomenseis te krijgen bij bijzondere omstandigheden.

De WWIK-kunstenaar kan op eigen verzoek gebruik maken van re-integratievoorzieningen, met als doel om naast de kunst ook andere inkomsten te verwerven.

De WWIK kent een forfaitaire (vaste) beroepskostenaftrek. Dat is vast bedrag voor alle categorieën kunstenaars. De WIK kende nog een hoog bedrag voor scheppende kunstenaars en een laag bedrag voor uitvoerende kunstenaars.

16.1 Doelstelling van de WWIK   

Net als in de Wet werk en bijstand (WWB) is het uitgangspunt van de WWIK dat iemand in eerste instantie zelf verantwoordelijk is om in zijn bestaan te voorzien. In de WWIK krijgt een kunstenaar de vrijheid om naar eigen inzicht te werken aan de opbouw van een renderende beroepspraktijk als kunstenaar, maar tegelijkertijd moet hij zich inspannen om met zijn kunst of gemengde beroepspraktijk zelfstandig in zijn bestaan te voorzien (Artikel 20 WWIK (Aan de uitkering verbonden verplichtingen)).

Startende kunstenaars hebben tijd nodig om zich te oriënteren op de kunstpraktijk en om zich daarin een positie te verwerven. Gevestigde kunstenaars hebben te maken met continuïteitsproblemen door tijdelijke contracten, (meerdere) deeltijdbanen en een ongewisse markt. Veel gevestigde en startende kunstenaars zijn dan ook gedurende kortere of langere tijd aangewezen op een uitkering.

De hoogte van de WWIK-uitkering bedraagt 70% van de bijstandsnorm. Door dit lagere uitkeringsniveau is de WWIK géén voorliggende voorziening op de WWB.

Een kunstenaar die bijstand ontvangt, kan niet worden verplicht om een aanvraag voor de WWIK in te dienen. Kiest een kunstenaar voor de hogere bijstandsuitkering, dan moet hij voldoen aan de arbeidsverplichtingen van de WWB en beschikbaar zijn voor algemeen geaccepteerde arbeid.
Andersom kan een kunstenaar die voor de WWIK kiest geen aanvullend beroep doen op algemene bijstand.

16.2 Uitvoering WWIK   

Amsterdam voert als centrumgemeente de WWIK uit voor inwoners van de gemeenten Diemen, Amstelveen (woonkernen Amstelveen, Bovenkerk, Nes aan de Amstel, Ouderkerk aan de Amstel), Amsterdam en Ouder-Amstel (woonkernen Ouderkerk aan de Amstel, Duivendrecht en Waver).

Een kunstenaar die een WWIK-uitkering ontvangt, komt in aanmerking voor bijzon­dere bijstand als bij­zon­dere om­stan­dig­heden tot nood­za­kelijke extra kosten leiden. De kunstenaar moet dit aanvragen in de eigen woongemeente.

Het Team Kunstenaars van Marktplein Noord is de uitvoerende afdeling, ook voor bijzondere bijstand aan WWIK-klanten die in Amsterdam wonen.

16.3 Definitie kunstenaar

Volgens Artikel 1 WWIK (Begripsbepalingen) is een kunstenaar degene die in Nederland werkzaam is in een beroep of bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst.

Niet iedereen die ‘iets’ met kunst doet, komt voor de WWIK in aanmerking. Er is een grijs gebied tussen bijvoorbeeld schilders en dansers die als kunstenaar in de zin van de WWIK worden aangemerkt en circusartiesten of kunstdocenten die niet voor de WWIK in aanmerking komen.

De adviserende instelling (Artikel 35 WWIK (Adviserende instelling) Stichting Cultuur & Ondernemen bepaalt concreet wie onder de definitie valt. Stichting Cultuur & Ondernemen toetst niet op kwaliteit, maar zuiver op beroepsmatige uitoefening van kunst.

16.3.1 Groepen kunstenaars

De WWIK onderscheidt twee groepen kunstenaars:

16.4 Aanvragen WWIK   

DWI stelt het recht op uitkering op aanvraag vast op grond van Artikel 23 WWIK (Woonplaats en aanvraag).

Als de kunstenaar een echtgenoot heeft, moet de aanvraag door beiden gezamenlijk worden ingediend – of alleen door de kunstenaar met schriftelijke toestemming van de ander. Wijs de aanvraag meteen af als hieraan niet is voldaan (Artikel 23 WWIK (Woonplaats en aanvraag) .

Het recht op uitkering gaat niet eerder in dan de dag waarop de kunstenaar zich heeft gemeld om een uitkering aan te vragen .

16.4.1 Wanneer komt iemand inaanmerking   

Een kunstenaar kan een WWIK-uitkering aanvragen als:

Een kunstenaar heeft recht heeft op WWIK als het inkomen lager is dan de voor hem geldende en naar een bruto bedrag omgerekende bijstandsnorm (inclusief de maximale toeslagen woonsituatie) die voor hem gelden (Artikel 8 WWIK (Voorwaarden voor het recht op uitkering) ).

Let op: voor kunstenaars die momenteel een WWB- of UWV-uitkering ontvangen en al wel als kunstenaar actief zijn, maar nog niet kunnen voldoen aan de instroomcriteria van de WWIK, heeft DWI een speciaal traject ingekocht, het zogenaamde pré-WWIK-traject. Het traject is specifiek bedoeld voor mensen die na het volgen van het pré-WWIK-traject alsnog in aanmerking kunnen komen voor de WWIK-uitkering en/ of kunnen uitstromen vanuit de WWB ivm voldoende inkomsten uit kunst in combinatie met parttime inkomsten. Dit pré-WWIK duurt maximaal zes maanden. Meer informatie kan gevonden worden in de re-integratieladder: http://praakfrs/pls/ptmap/sas_tmap_web.projecten_det?p_audsid=&p_zoektype=4&p_pjn_nr=10098

16.4.2 Beide echtgenoten kunstenaar   

Zijn beide echtgenoten kunstenaar, dan kunnen zich twee situaties voordoen:

1.       Beide echtgenoten maken gelijktijdig gebruik van de WWIK:

2.       Beide echtgenoten maken achtereenvolgens gebruik van de WWIK:

16.4.3 In aanmerking te nemen vermogen   

Het begrip middelen komt in de WWIK (Artikel 4 WWIK (Middelen) overeen met de bepalingen in de WWB.

Daarnaast kent de WWIK eigen vermogensbepalingen. Volgens Artikel 7 WWIK (Vermogen) wordt het vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar niet in aanmerking genomen.

De kunstenaar kan over bezittingen beschikken die hij zowel privé gebruikt als voor de uitoefening van het beroep. In dat geval wordt de vermogenswaarde daarvan vastgesteld op 50% van de waarde in het economisch verkeer, met aftrek van de daarop drukkende schulden.

Voor de eigen woning met bijbehorend erf geldt een andere regeling bij gecombineerd privé en zakelijk gebruik. Hiervan wordt 80% van de waarde in het economisch verkeer, met aftrek van de daarop drukkende schulden, in aanmerking genomen als vermogen.

De overwaarde van de eigen woning hoeft geen belemmering te zijn voor het verlenen van de WWIK-uitkering, ook als dat vermogen de WWIK-vermogensgrens overschrijdt. Zie verder 16.5.8 Krediethypotheek en pandrecht).            

16.4.3.1 Interen vermogen   

Is het privé- (gezins)vermogen van de kunstenaar hoger dan de bedragen voor vrijlating?
Dan is de kunstenaar uitgesloten van het (verdere) recht op uitkering WWIK. De kunstenaar zal in zijn levensonderhoud moeten voorzien door op het vermogen in te teren, tenzij dit vermogen is belegd in een zelfbewoonde woning met bijbehorend erf (zie verder 16.4.8 Krediethypotheek en pandrecht).

Doet de kunstenaar toch een beroep op de WWIK? Wijs dan de aanvraag af.
De kunstenaar kan (weer) een beroep doen op de WWIK zodra het vermogen door intering is geslonken tot op - of onder - de vermogensgrens. Overeenkomstig het geldende beleid bij de WWB, mag maandelijks 1,5 maal het bijstandsbedrag worden ingeteerd. Zie verder ook de gemeentelijke beleidsregels voor de WWB (Zie UPWeb 6. Middelen).
Maandelijks mag 1,5 maal het bijstandsbedrag worden ingeteerd. Daarbij worden nog opgeteld: de inkomensafhankelijke premie zzorgverzekering voor de kunstenaar en zijn gezin voorzover daar geen vergoeding tegenover staat en buitengewone uitgaven. Hiervan wordt afgetrokken: het bedrag van het netto (gezins)inkomen.

Voorbeeld
Alleenstaande met woonkosten, zonder andere inwonenden. De kunstenaar ontvangt alimentatie en betaalt inkomensafhankelijke premie voor de zorgverzekering zonder dat daar een vergoeding tegenover staat.

De toegestane intering per maand bedraagt: A x 1,5 + B -/- C

Als iemand verwijtbaar te snel inteert op zijn vermogen, moet het Team Kunstenaars een maatregel opleggen: wegens tekortschietend besef van verantwoor­de­lijk­heid voor de bestaansvoorziening. Deze maatregel is 10% van de WWIK-uitkeringsnorm gedurende één maand. Dit is geregeld in artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit WWIK.

16.4.4 In aanmerking te nemen inkomen   

De inkomensbepalingen in Artikel 5 WWIK (Inkomen) en Artikel 6 WWIK (Bijzonder inkomen) sluiten personen uit van het recht op WWIK die de regeling niet nodig hebben (zoals bijvoorbeeld de kunstenaar met een echtgenoot met een eigen inkomen op of boven bijstandsniveau voor een gezin).

De WWIK kent een eigen vrijlatingsbepaling (zie verder 16.7 De verdienhoogte binnen de WWIK-uitkering).

De WWIK gaat uit van werkelijke inkomsten uit verhuur, onderverhuur en uit het houden van kostgangers.

16.4.5 Maximale uitkeringsduur WWIK 

In totaal kan de kunstenaar gedurende een periode van 10 jaar maximaal vier jaar gebruik maken van de WWIK ( Artikel 19 WWIK (Duur uitkering) . De onder de oude WIK ontvangen uitkeringsperioden tellen ook mee voor zowel de termijn van vier jaar als van tien jaar.

Uitgangspunt is het aantal uitkeringsdagen. De maximale uitkeringsduur bedraagt dus (4 maal 365 dagen plus 1 schrikkeldag =) 1.461 dagen.

Als de WWIK-uitkering een bepaalde periode volledig geweigerd is - met toepassing van Artikel 22 WWIK (Maatregelen) – telt deze periode toch mee voor de totale WWIK-periode van vier jaar.

De kunstenaar hoeft niet in een aaneengesloten periode gebruik te maken van de WWIK. Hij kan de uitkering tussentijds beëindigen, en vervolgens opnieuw aanvragen: de kunstenaar moet dan wel opnieuw aan de toepasselijke WWIK-entreevoorwaarden voldoen, uitgezonderd de entree-eis. Het recht op WWIK eindigt definitief tien jaar na de eerste dag van toekenning WWIK of WIK. De WWIK kan worden gezien als een knipkaart die tien jaar geldig is.

16.4.6 Uitsluitingsgronden

In Artikel 10 WWIK (Uitsluitingsgronden en uitsluitingsduur) staat welke kunstenaars in elk geval van het recht op uitkering zijn uitgesloten.

Pas 6 maanden na afwijzing (of verstrijken of beëindiging) kan de kunstenaar opnieuw een WWIK-uitkering aanvragen. Dit geldt voor:

Tegen deze ontzegging van het recht op WWIK is geen bezwaar of beroep mogelijk, maar bezwaar of beroep is uiteraard wél mogelijk tegen de afwijzing van de aanvraag of de beëindiging van het recht op uitkering.

16.4.6.1 Voldoende middelen

De kunstenaar heeft alleen recht op uitkering als hij en zijn gezin niet over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien (Artikel 8 WWIK (Voorwaarden voor het recht op uitkering)). Beschikken de kunstenaar en zijn gezin wel over voldoende middelen, dan bestaat er geen recht op WWIK.

De middelentoets richt zich enerzijds op het vermogen, anderzijds op het inkomen van de kunstenaar en zijn gezin. Komt het privé-vermogen uit boven het bedrag van de vermogensgrens, dan is er geen recht op WWIK. De kunstenaar heeft ook geen recht op WWIK als het bruto gezinsinkomen gelijk is aan of hoger is dan het bruto sociaal minimum (bijstandsnorm, inclusief maximale gemeentelijke toeslag, omgerekend naar een bruto bedrag).

16.4.6.2 Kunstenaars in de bijstand

Kunstenaars in de bijstand kunnen een beroep doen op de WWIK als zij voldoen aan de eisen voor een academieverlater of zij-instromer. De WWB-uitkering moet dan beëindigd worden. Kan de kunstenaar de aanvraagprocedure WWIK financieel niet overbruggen, dan kan hij een beroep doen op de voorschotregeling WWIK.

16.4.6.3 Domicilie

Bepalend voor het recht op een WWIK-uitkering is dat de kunstenaar in Nederland woont. Een kunstenaar die (semi-)permanent buiten Nederland verblijft, valt buiten deze voorziening (Artikel 10 WWIK (Uitsluitingsgronden).

Er zijn echter kunstenaars (veelal podiumkunstenaars) die hun omzet vaak in het buitenland behalen. Waar de inkomsten worden verworven of de kunst wordt vervaardigd, maakt niet uit. Recht op een WWIK-uitkering heeft een kunstenaar als het mogelijk is om:

Voor een gebruikelijke vakantieduur in het buitenland gaat de WWIK uit van maximaal vier weken. De kunstenaar die langer dan deze vier weken in het buitenland verblijft, heeft alleen nog recht op WWIK, indien dat verblijf noodzakelijk is voor de beroepsuitoefening (bijvoorbeeld concerttournees, noodzakelijke beroepskwalificerende stages, andere vormen van beroepsontwikkeling en ontplooiing van commerciële activiteiten). Deze activiteiten moeten leiden tot productie (bijvoorbeeld door acquisitie), presentaties (bijvoorbeeld tentoonstellingen, voorstellingen) en inkomen (bijvoorbeeld verkoop van werk).

Het Team Kunstenaars kan Stichting Cultuur & Ondernemen advies vragen over de noodzaak van het verblijf in het buitenland.
De klant moet het verblijf in het buitenland van tevoren bij het Team Kunstenaars aanvragen. Elke aanvraag wordt gecheckt op de wettelijk toegestane vakantietermijn en de eventuele beroepsmatige noodzaak voor een langer verblijf.

16.4.6.4 Vreemdelingen

Hoofdlijn is dat vreemdelingen recht hebben op WWIK (Artikel 10 WWIK (Uitsluitingsgronden) indien zij:

Personen die niet in Nederland mogen werken, kunnen ook het beroep van kunstenaar niet uitoefenen. Een beroep op de openbare kas kan bij een vergunning met beperkingen gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.

Omdat er geen verschil is tussen de WWB en de WWIK wat betreft het recht op uitkering van vreemdelingen, wordt voor verdere informatie verwezen naar hoofdstuk 4.1 Vreemdelingen.

Verblijft niet de kunstenaar maar diens echtgenoot onrechtmatig in Nederland, dan ontvangt de kunstenaar WWIK volgens de norm alleenstaande of (in voorkomende gevallen) alleenstaande ouder (Artikel 15 WWIK (Hoogte van de uitkering).

16.4.6.5 Kunstenaar die rechtens zijn vrijheid is ontnomen

‘Rechtens zijn vrijheid ontnomen’ is ruimer dan gedetineerd zijn. Het gaat hier niet alleen om personen met een gevangenisstraf (in een gesloten, halfopen of open inrichting), maar ook om personen in voorarrest, preventieve hechtenis, personen die gegijzeld zijn in verband met schulden en personen met TBS.

Een kunstenaar die rechtens zijn vrijheid is ontnomen heeft geen recht op WWIK (artikel Artikel 10 WWIK (Uitsluitingsgronden). De reden daarvoor is dat het Ministerie van Justitie in zijn bestaanskosten voorziet. Ook als hij met weekendverlof is, heeft hij geen recht op een WWIK-uitkering.

Wél een beroep op de WWIK kan doen (volgens besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid):

Zij zijn niet meer uitgesloten van uitkering, ter bevordering van de resocialisatie en omdat de Staat de kosten van het levensonderhoud in deze periode niet meer draagt.

Als niet de kunstenaar maar diens echtgenoot rechtens van zijn vrijheid ontnomen is, moet de WWIK-uitkering aan de kunstenaar worden betaald volgens de norm alleenstaande of, in voorkomende gevallen, alleenstaande ouder (Artikel 5 WWIK (Inkomen).

16.4.6.6 Kunstenaars van 65 jaar of ouder

Een kunstenaar heeft geen recht op WWIK als hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt (Artikel 10 WWIK (Uitsluitingsgronden). Het recht houdt op vanaf de eerste dag van de maand waarin de kunstenaar 65 jaar wordt. De kunstenaar kan dan immers een beroep doen op AOW.

Als de echtgenoot eerder dan de kunstenaar de 65-jarige leeftijd bereikt, behoudt de kunstenaar recht op WWIK. Wel moet opnieuw worden beoordeeld of het inkomen van de kunstenaar en de echtgenoot nog steeds lager is dan het sociale minimum. De partnertoeslag in de AOW geldt voor de WWIK als voorliggende voorziening. Komt daardoor het inkomen boven bijstandsniveau, dan eindigt het recht op de WWIK-uitkering.

16.4.7 Beroepsmatigheidstoets

Nadat iemand een aanvraag WWIK heeft ingediend, adviseert Stichting Cultuur & Ondernemen de gemeente over zijn beroepsmatigheid als kunstenaar.

Het DT heeft ingestemd met het toekennen van een WWIK-uitkering aan een academieverlater zonder eerst het advies van Stichting Cultuur en Ondernemen af te wachten in die gevallen waarin Team Kunstenaars zelf in staat is te verifiëren of de vakopleiding erkend is op grond van de WWIK.

De beroepsmatigheidstoets is verplicht bij de aanmelding voor de WWIK, evenals bij een hernieuwde aanmelding wanneer de WWIK-uitkering is beëindigd en de betrokkene vervolgens opnieuw een WWIK-uitkering aanvraagt, tenzij het laatst uitgebrachte advies korter dan 12 maanden geleden is uitgebracht.

Stichting Cultuur & Ondernemen verricht daarnaast jaarlijks een hertoetsing om te bezien of de belanghebbende het gehele jaar als kunstenaar werkzaam is geweest en nog steeds beroepsmatig actief is als kunstenaar in de zin van Artikel 1 WWIK (Begripsbepalingen)
Stichting Cultuur & Ondernemen kijkt bij de beoordeling naar het volgende:

Bij zij-instromers:

Bij academieverlaters:

Bij iedereen:

Individuele feitelijke omstandigheden waaruit blijkt dat iemand in bedrijf of beroep als kunstenaar werkzaam is:

Stichting Cultuur & Ondernemen beoordeelt de onderlinge samenhang van deze feitelijke omstandigheden. Een scheppend kunstenaar beschikt bijvoorbeeld vaak over een werkruimte en gereedschap, terwijl een podiumkunstenaar zijn instrument of een andere uitrusting heeft. De gevolgde opleiding is ook een ijkpunt.

Ontbreekt een van de hierboven genoemde elementen volledig, dan leidt dit tot het oordeel dat de betrokkene niet feitelijk als kunstenaar werkzaam is. Als bijvoorbeeld alleen is voldaan aan de inkomsteneis omdat er nog een werk is verkocht dat al jaren geleden is gemaakt, dan volgt een negatief advies.

DWI mag alleen tot dit oordeel komen nadat Stichting Cultuur & Ondernemen hierover advies heeft uitgebracht. Als Stichting Cultuur & Ondernemen een negatief oordeel over de beroepsmatigheid heeft afgegeven, dan beslist de het Team Kunstenaars of dit advies aanleiding geeft om het recht op uitkering af te wijzen of te beëindigen. Als de afdeling besluit om van het advies af te wijken, dan moet dit uitdrukkelijk bij het besluit worden gemotiveerd. Uit de motivering zal moeten blijken op welke punten en op welke gronden van dat advies wordt afgeweken.

Academieverlaters hoeven bij de entree in de WWIK nog niet aan alle genoemde elementen te voldoen. Zij zijn te beschouwen als starters en bouwen pas een toetsbare beroepspraktijk op vanaf het moment dat zij als kunstenaar actief worden. Wel wordt aan academieverlaters een diploma-eis gesteld.

16.4.7.1 Moment van adviesaanvraag   

DWI controleert eerst of de WWIK-aanvraag aan de wettelijke eisen voldoet:

Pas daarna vraagt DWI advies aan bij Stichting Cultuur & Ondernemen.

16.4.7.2 Hernieuwde aanmelding zij-instromers   

Het beroepsmatigheidsadvies heeft een geldigheid van één jaar. Wordt binnen twaalf maanden na het laatst uitgebrachte advies opnieuw een beroep gedaan op de WWIK, dan is het laatste beroepsmatigheidsadvies nog geldig.

16.4.8 Krediethypotheek en pandrecht

De volgende paragrafen behandelen het vestigen van een krediethypotheek of pandrecht bij kunstenaars met een WWIK-uitkering, die in het bezit zijn van een eigen woning, woonschip of woonwagen.

In Artikel 13 WWIK (Vorm uitkering bij vermogen in eigen woning en verplichte zekerheidsstelling) staat dat naast het vestigen van een krediethypotheek ook het vestigen van pandrecht mogelijk is.

16.4.8.1 Toegang tot de WWIK met een eigen woning

De kunstenaar die vermogen heeft in een eigen woning, die hij en/of zijn gezin bewoont, heeft recht op uitkering in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek of pandrecht . Een woonschip en een woonwagen gelden hier ook als woning. Dit is geregeld in Artikel 9 WWIK (Recht op uitkering bij eigen woning) .

Bij het vestigen van krediethypotheek of pandrecht moet worden onderzocht of:

16.4.8.2 WWIK als geldlening in de vorm van krediethypotheek   

Volgens artikel Artikel 13 WWIK (Vorm uitkering bij vermogen in eigen woning en verplichte zekerheidsstelling) kan de uitkering van de kunstenaar worden verleend in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding. De hoogte van deze geldlening gaat tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het vermogen (bedoeld in artikel Artikel 7 WWIK (Vermogen).

De WWIK kent géén minimumbedrag van de te verlenen uitkering. Dit in tegenstelling tot de WWB, waarin als minimumbedrag het netto minimum maandloon is opgenomen. De WWIK-uitkering wordt immers in beginsel toegekend voor een periode van vier jaar. De uitkering die over die periode wordt verstrekt, bedraagt waarschijnlijk niet minder dan het netto minimum maandloon.

16.4.8.3 Waardevaststelling   

Het vermogen in de eigen woning moet worden vastgesteld. Het vermogen is de waarde van de bezittingen, verminderd met de schulden. Bij een eigen woning gaat het om de waarde van de woning, verminderd met de daarop rustende (hypothecaire) schuld(en), waarmee de woning is gefinancierd.

In het Uitvoeringsbesluit WWIK (§ 6. Regeling krediethypotheek en verpanding WWIK) staan uitgewerkt:

16.4.8.3.1 Waardevaststelling bij ook zakelijk gebruik woning   

Als de kunstenaar eigenaar en bewoner van een woning is en hij die woning ook gebruikt voor zijn beroepsuitoefening, wordt de zakelijke vermogenswaarde vastgesteld.

De zakelijke vermogenswaarde bedraagt 20% van de waarde in het economisch verkeer van de woning, verminderd met de daarop drukkende schulden.

Bij de vaststelling van het vermogen belegd in de eigen woning wordt:

Dit staat in het Uitvoeringsbesluit WWIK.

16.4.8.3.2 Waardevaststelling na eerdere krediethypotheek WWB   

De WWIK is een zelfstandige regeling, met eigen beoordelingscriteria, waarop de aanvrager vrijwillig een beroep doet.

Daarom wordt ook bij kunstenaars die afkomstig zijn uit de WWB, uitgegaan van de actuele waarde van de eigen woning. Dit geldt ook als de waarde van de woning al eerder is vastgesteld. Tenzij er een recent taxatierapport is (niet ouder dan 12 maanden) moet dus een nieuwe taxatie plaatsvinden.

16.4.8.3.3 In aanmerking te nemen schulden   

Bij de beoordeling van de in mindering te brengen schulden is niet van belang op welke termijn de belanghebbende verplicht is tot terugbetaling. Wel dient, wil van een feitelijk aanwezige schuld sprake zijn, een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling te bestaan.

Bij de schulden die op de woning drukken, gaat het om de feitelijke hoogte van deze schulden bij de aanvang van de uitkeringsverlening:

Schulden moeten aan een aantal voorwaarden voldoen, voordat zij als negatieve vermogenscomponenten gelden:

Het is niet van belang op welke termijn de belanghebbende verplicht is tot terugbetaling. Ook een ‘aflossingsvrije' hypothecaire geldlening bijvoorbeeld moet uiteindelijk worden terugbetaald en kan bij wanbetaling van de rente worden opgeëist. Zo'n lening voldoet aan de criteria om als schuld te kunnen worden aangemerkt.

16.4.8.4 Vermogensvrijlating, max. bedrag krediethypotheek   

Voor kunstenaars in de WWIK geldt een vrijlating voor een deel van het vermogen, het zgn. bescheiden vermogen. Dit is geregeld in Artikel 7 WWIK (Vermogen). Los van deze vrijlating geldt voor vermogen in eigen woning, woonschip of woonwagen een vrijlating van € 46.900,- (vrijlatingsbedrag in 2011).

Het bedrag dat niet kan worden vrijgelaten is tevens het maximum bedrag van de krediethypotheek. Dat betekent dat tot die grens de uitkering WWIK uitsluitend als geldlening onder verband van krediethypotheek kan worden verstrekt.

16.4.8.5 Vestiging krediethypotheek of pandrecht   

Voor het vestigen van een krediethypotheek moet een notaris de hypotheekakte opmaken. In deze akte legt de notaris vast dat de hypotheekgever hypotheek verleent op een registergoed aan de hypotheekhouder, ook wel hypotheeknemer genoemd.

Let op: de hypotheekgever is de eigenaar en de bank is de hypotheeknemer of -houder.

Het registergoed is de woning, maar ook het erfpachtrecht bij die woning. Nadat de akte bij de notaris is gepasseerd, zorgt de notaris voor inschrijving van de hypotheek in het hypotheekregister.

Verpanding is aan de orde in alle situaties waarin geen hypotheek mogelijk is, maar er wel sprake is van vermogen in een zelfbewoonde woning, woonschip of woonwagen. Met name is dit aan de orde in het geval van een eigen woon wagen of een lidmaatschap van een coöperatieve vereniging van eigenaars. De pandbedingen zijn gelijk aan die bij een hypotheek.
Een akte van verpanding hoeft niet via de notaris te worden opgesteld. Zo'n akte wordt ook niet geregistreerd in een openbaar register. Een pandrecht kan wel worden geregistreerd bij de Inspectie der Registratie en Successie van de Belastingdienst of bij een notaris, maar deze registers zijn niet openbaar. De kenbaarheid voor derden is daardoor beperkt. Het kan dan ook gebeuren dat een zaak waarop pandrecht rust wordt verkocht zonder dat de koper bekend was met het pandrecht. Bij een registergoed is dat onmogelijk.

In de akte moet het volgende staan:

Eventueel vermeldt de akte ook:

16.4.8.5.1 Kosten vestiging krediethypotheek/pandrecht   

De kosten voor de vestiging van de krediethypotheek of pandrecht (notariële kosten, kadastraal recht) komen voor rekening van de kunstenaar.

Om te voorkomen dat hij hierdoor in financiële problemen raakt, kan hiervoor binnen de WWIK een uitkering worden verleend. Deze uitkering wordt opgeteld bij de totale schuld (want valt onder het regiem van de te vestigen krediethypotheek of pandrecht).

16.4.8.5.2 Uitkering WWIK zolang kredietmaximum niet is bereikt   

De uitkering WWIK die onder verband van krediethypotheek of pandrecht wordt verleend is een geldlening. Na afloop van het kalenderjaar kan deze lening niet worden omgezet in een uitkering om niet, zolang het maximum bedrag van de geldlening niet is opgenomen. Toch moet jaarlijks een definitieve berekening worden gemaakt.

Leidt de definitieve vaststelling van de hoogte van de WWIK-uitkering tot een ambtshalve nabetaling? Dan wordt ook die nabetaling begrepen onder de geldlening.

Is er sprake van eigen inkomen en is dat zo hoog dat (een deel van) de WWIK-uitkering moet worden teruggevorderd? Start dan die terug­vorderings­procedure onmiddellijk. Er is kan geen reden om te wachten tot het tijdstip dat de geldlening moet worden terugbetaald.

16.4.8.5.3 WWIK-aanvraag na eerdere verlening krediethypotheek/pandrecht WWIK 

Een WWIK-uitkering onder verband van hypotheek of verpanding is beëindigd. Later is er opnieuw recht op WWIK-uitkering. Deze WWIK-uitkering wordt dan verleend met toepassing van de eerder gevestigde hypotheek of verpanding, tenzij het maximum bedrag daarvan al is bereikt. In dat laatste geval wordt géén hertaxatie uitgevoerd en wordt de uitkering niet langer in de vorm van een geldlening verstrekt.

16.4.8.5.4 Aflossing geldlening onder verband van hypotheek   

De aflossing gaat in op het moment dat de maximum periode is bereikt waarover een uitkering WWIK wordt verleend. Dat is dus:

De looptijd van de geldlening is vanaf dat moment maximaal tien jaar. De aflossing moet maandelijks gebeuren.

Het maandelijkse aflossingsbedrag wordt éénmalig vastgesteld (dat was in de WIK elk jaar) en is 1/120 van het bedrag van de geldlening.

Omstandigheden zoals de hoogte van het gezinsinkomen of de noodzakelijke uitgaven kunnen veranderen. Het maandbedrag van de aflossing kan daarom op een lager of hoger bedrag worden vastgesteld

Bijzondere bestaanskosten, die voor rekening van de kunstenaar en zijn gezin komen, worden in mindering gebracht op het inkomen. Als het (gezins-)inkomen niet hoger is dan de geldende WWB-norm, hoeft er niet afgelost te worden.

Wordt er een lager maandelijks bedrag afgesproken? Dan is de periode van maximaal tien jaar niet voldoende om de totale geldlening af te lossen. Het gedeelte van de lening dat na afloop van die tien jaar nog niet is afbetaald, wordt vanaf dat moment rentedragend. De rente is 3% lager dan de wettelijke rente en wordt geheven over het nog niet afgeloste deel van de geldlening.

Als de kunstenaar de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, maar niet kan aflossen, gebeurt het volgende:

Kan de kunstenaar de rente niet betalen, dan wordt deze als vordering bijgeschreven bij het niet afgeloste deel van de geldlening.

Over de rentevordering is geen rente verschuldigd (dus geen rente op rente).

16.4.8.5.5 Invorderingsmaatregelen   

Als de kunstenaar en zijn gezin tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig zijn in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening meteen opeisbaar en is daarover bovendien de wettelijke rente verschuldigd  (Uitvoeringsbesluit WWIK Artikel 12 Aflossing geldlening ).

Uiteraard wordt dit artikel alleen toegepast na herhaalde aanmaning en ingebrekestelling.

16.4.8.5.6 Afrekening bij verkoop of vererving   

Vanaf het moment dat de kunstenaar (of de echtgenoot bij eerder overlijden van de kunstenaar) kan beschikken over de opbrengst van de verkoop van de woning, moet het restant van de geldlening meteen in één keer worden terugbetaald (Uitvoeringsbesluit WWIK Artikel 14 Verkoop of vererving).

Als de kunstenaar overlijdt, vindt aflossing plaats uit de nalatenschap, tenzij op dat moment de echtgenoot nog in leven is. In dat laatste geval vindt aflossing plaats na overlijden van deze echtgenoot, of bij de verkoop van de woning op een eerder tijdstip.

De afrekening vindt in de regel plaats via de notaris.

Als dat niet mogelijk is (dat is het geval bij verpanding), moet de kunstenaar of langstlevende echtgenoot zelf zorgen voor onmiddellijke aflossing. Bij niet-tijdige aflossing is de wettelijke rente verschuldigd.

Als de woning tegen de geldende marktwaarde is verkocht, maar de opbrengst niet toereikend is om de lening en de eventueel verschuldigde, maar niet betaalde rente geheel terug te betalen, wordt het verschil kwijtgescholden.

 16.4.8.5.7 WWIK na geldlening WWB of Abw   

Bij de overstap van WWB naar WWIK zijn er consequenties als er sprake is van geldlening onder verband van krediethypotheek:

16.4.8.5.8 Krediethypotheek/pandrecht WWIK en woonschepen   

Registergoederen
Een notariële leveringsakte krijgt een koper zodra na de aankoop van een huis de eigendomsoverdracht plaatsvindt. Zodra deze akte is ingeschreven in het hypotheekregister bij het Kadaster, spreekt men van een registergoed. Op een registergoed kun je een krediethypotheek vestigen.

Ook bij overwaarde in een zelfbewoond woonschip in eigendom kan krediethypotheek worden gevestigd. Voorwaarde is dat het schip bij het Kadaster is geregistreerd in het scheepsregister. Registratie van woonschepen is mogelijk ongeacht de grootte van het woonschip of de waterverplaatsing. Registratie is alleen mogelijk als de eigenaar van het schip de rechtmatige eigendom aannemelijk kan maken (bijvoorbeeld door middel van het koopcontract).

Niet-registergoederen
Woonwagens zijn niet-registergoederen. Dit zijn roerende zaken die het Kadaster niet registreert. Hierop kun je geen krediethypotheek vestigen. In deze situaties vraag je zekerheid voor de leenbijstand door een pandovereenkomst aan te gaan.

16.4.8.5.9 Coöperatieve vereniging

In een coöperatieve vereniging van eigenaars hebben de leden het recht op het uitsluitend gebruik van een gedeelte van het eigendom (de woning). Als een klant in een flat woont en houder is van het lidmaatschap van een coöperatie, is hij geen eigenaar van de flat, maar slechts rechthebbende op bewoning van een bepaald gedeelte van het gebouw.

De vereniging kan hypothecaire leningen aangaan op het eigendom; de afzonderlijke leden niet. Wel kan de vereniging een lening aan een afzonderlijk lid verstrekken met verpanding van het lidmaatschapsrecht.

Coöperatie en pandrecht vestigen
Beoordeel welk deel van het vermogen onder de vermogensvrijlating valt. Beoordeel a.d.h. van de WOZ-waardebepaling of een recent taxatierapport de waarde van het lidmaatschapsrecht van de coöperatieve vereniging van eigenaars, onder aftrek van het saldo van het bedrag dat de klant als geldlening heeft opgenomen ter financiering van zijn lidmaatschapsrecht.

Als er een aanzienlijk deel van het vermogen overblijft van de klant, moet hij meewerken aan de vestiging van een (tweede) pandrecht.

16.4.8.5.10 Appartementsrecht

Appartementsrecht is een aandeel in het eigendom van een gebouw en de daarbij behorende grond. In dit aandeel zit ook de bevoegdheid tot uitsluitend gebruik van het privé-gedeelte (de woning), en gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten.

Het verschil met de coöperatie is dat er door de splitsing in appartementsrechten wettelijk geregelde zakelijke rechten ontstaan. Deze zijn voor inschrijving in het kadaster en voor afzonderlijke hypotheek vatbaar. Vestiging van krediethypotheek is daarom mogelijk.

16.4.8.5.11 Economische en juridische eigendom

Juridische eigendom en economische eigendom zijn niet (volledig) gelijk. De verschillen zijn:

Vestiging van krediethypotheek of pandrecht is in deze situaties niet mogelijk.

Bij de WWIK houd je geen rekening met persoonlijke rechten die een bezitting bezwaren. Zulk soort rechten zijn bijvoorbeeld rechten van huurders in een woning en het persoonlijk recht van gebruik en bewoning. Je gaat uit van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering.

Je houdt bij de vermogensberekening geen rekening met een hypotheek of lening die op de woning rust, terwijl die op naam van een ander dan de kunstenaar of de echtgenoot staat, ongeacht de bepaling dat de hypotheek/ lening ten behoeve van de klant is.
Je houdt bij de vermogensberekening rekening met een onderhandse akte tussen de klant en degene op wiens naam de hypotheek of lening staat, mits de schuld aantoonbaar en direct opeisbaar is en er daadwerkelijke aflossingsverplichtingen zijn. In zo’n geval is krediethypotheek wél mogelijk.

16.4.8.5.12 Eigendom bij echtgenoot

Ongeacht of er sprake is van huwelijkse voorwaarden, moet je krediethypotheek of pandrecht vestigen bij de echtgenoot die de (on)roerend zaak in eigendom heeft.

Als de echtgenoot afwezig is, en er nog geen sprake is van boedelscheiding, neem je in afwachting van de boedelscheiding in de beschikking een clausule op over mogelijke terugvordering bij verkoop van de (on)roerend zaak.

Je kunt de klant de voorwaarde opleggen om de boedelscheiding binnen een redelijke termijn door te zetten (art. 3:178 BW).

16.4.8.5.13 Mede-eigendom

Mede-eigenaren kunnen zijn: een echtgenoot, maar ook twee, drie of meer andere personen. Elke situatie brengt zijn eigen aanpak mee:

De klant heeft instemming nodig van zijn mede-eigenaren om de krediethypotheek of pandrecht te laten vestigen. Als de mede-eigenaren geen toestemming geven tot het vestigen van een krediethypotheek of pandrecht, is de vestiging ervan niet mogelijk. Als de weigerende mede-eigenaar de echtgenoot van de kunstenaar is, moet de aanvraag om uitkering WWIK worden afgewezen.

16.4.8.6 Criteria al dan niet te gelde maken

Tegeldemaking (verkoop) van de woning kun je in de regel niet verlangen als de eigen woning ook zakelijk wordt gebruikt, omdat bijvoorbeeld een atelier- of studioruimte in die woning aanwezig is, of op bijbehorend erf is gebouwd. Verkoop kan immers in zo’n situatie leiden tot het feitelijk onmogelijk maken van de uitoefening van het kunstenaarsberoep, zeker in regio’s waar een tekort aan atelierruimtes is.

Ook als de woning niet mede zakelijk wordt gebruikt, moet je terughoudend zijn bij de beoordeling of verkoop van deze eigen woning redelijkerwijs kan worden verlangd.

Let daarbij op criteria als:

Bij een laag inkomen is (verdere) bezwaring vaak niet mogelijk, omdat het gezin van de kunstenaar op dat moment de zwaardere lasten niet kan dragen. Verhoging van de hypothecaire lening betekent immers ook verhoging van het rentebedrag (en het aflossingsbedrag).

Als de afweging tot het oordeel leidt, dat de woning wél moet worden verkocht, wordt geen uitkering WWIK toegekend. De belanghebbende kan zonodig een overbruggingskrediet bij een bank afsluiten.

16.4.8.6.1 Aandachtspunten bij intake   

Via het in te vullen Inlichtingenformulier krediethypotheek/pandrecht verklaart aanvrager bereid te zijn mee te werken aan de totstandkoming van een eventuele krediethypotheek of verpanding. Weigert de aanvrager te tekenen dan is vestiging van de krediethypotheek of pandrecht niet mogelijk en moet de aanvraag worden afgewezen. De eventueel ter overbrugging van de WWIK-procedure verstrekte voorschotten moeten worden teruggevorderd (artikel 29, eerste lid, aanhef en onderdeel b, WWIK).

16.4.8.6.2 Taxatie   

Als er geen recente WOZ-waardebeschikking of recent taxatierapport is, moet de aanvrager voor een taxatierapport zorgen. De taxateur wordt in overeenstemming met de kunstenaar door de gemeente aangewezen (Uitvoeringsbesluit WWIK Artikel 10 Taxateur).

Wanneer is een taxatierapport ‘recent’? Stijging en daling van de waarde is afhankelijk is van de individuele situatie en van de markt. Voor de WOZ-waardebeschikking mag een termijn van 1-1,5 jaar worden aangehouden.

Wordt er geen krediethypotheek gevestigd, dan kun je de vergoeding van de taxatiekosten als uitkering om niet (laten) boeken.

Als de WWIK-uitkering niet doorgaat, moet je het bedrag van de vergoeding van de taxatiekosten terugvorderen als de aanvrager niet (meer) wenst mee te werken. De kosten komen immers voor rekening van de kunstenaar en kunnen door de afwijzing van de WWIK-aanvraag niet in een geldlening onder verband van hypotheek of verpanding worden begrepen (artikel 13, derde lid, WWIK)

16.4.8.6.3 Weigeren medewerking na toekenning WWIK 

Als na de verzending van de toekenningsbeschikking de kunstenaar of zijn echtgenoot alsnog weigeren om mee te werken aan de totstandkoming van krediethypotheek, dan wordt de WWIK-uitkering opgeschort en met ingang van de toekenningsdatum ingetrokken.
Het verzuim betreft immers een periode vanaf de toekenningsdatum van de WWIK.

16.4.8.6.4 Opvoeren WWIK-uitkering met krediethypotheek of verpanding   

Uiteraard moet je bijhouden welk gedeelte van de maximum geldlening is opgenomen. Jaarlijks moet je de WWIK-uitkering definitief berekenen, ook in het geval van krediethypotheek of verpanding. Op grond van die berekening kan de hoogte van het opgenomen bedrag zowel toenemen (bij een nabetaling) als afnemen (bij terugvordering).

16.4.9 Loonbelastingverklaring en WWIK

De WWIK is een bruto-uitkering. Daarom moet de kunstenaar die een beroep doet op een WWIK-uitkering dus ook een loonbelastingverklaring invullen en moet de gemeente een zgn. loonstaat bijhouden.

De kunstenaar kan de Algemene heffingskorting (AHK) bij de WWIK laten vergelden – of niet. Het is aan de kunstenaar om te kiezen. DWI kan hem hierover alleen informatie geven. De kunstenaar kan de verantwoordelijkheid voor een verkeerde keus niet op DWI afwentelen.

In deze paragraaf staan wat tips voor de voorlichting aan kunstenaars:

Bij wie moet de kunstenaar de AHK laten vergelden?

Het volgende schema kan uitkomst bieden:

AHK   = Algemene heffingskorting

AK     = Arbeidskorting

LHK   = Loonheffingskorting (AHK + AK)

Inkomsten uit arbeid:

Meestal verdient het de voorkeur de AHK te vergelden bij het hoogste inkomen.

Als er naast de AHK recht bestaat op de AK, moeten deze AK en de AHK samen worden vergolden. Afzonderlijk vergelden is dan niet mogelijk.

Als AHK en LK in de loop van het jaar niet vergolden zijn via loonheffing of voorlopige aanslag, kan dit achteraf gebeuren bij de definitieve belastingaanslag.

Kunstenaars die de WWIK ontvangen op basis van een krediethypotheek kunnen de AHK niet vergelden via de WWIK. Omdat het gaat om een lening, is over deze WWIK-uitkering namelijk geen belasting verschuldigd.

Kunstenaars die gebruik maken van de fiscale artiestenregeling kunnen de LHK niet vergelden via de inkomsten onder die regeling. De belastingheffing voor die regeling wordt namelijk vastgesteld door een marginaal tarief. De AHK kan dan wel via de WWIK of via de definitieve belastingaanslag worden vergolden.

Wie de AHK kan vergelden via de arbeidsinkomsten bij een vaste inhoudingsplichtige werkgever, heeft het voordeel dat hij ook de AK geheel of gedeeltelijk via de arbeidsinkomsten kan laten vergelden. Dat is gunstiger dan vergelding via de WWIK.

Hetzelfde geldt voor de kunstenaar die als zelfstandige beroepsbeoefenaar maandelijks of per kwartaal voorlopige aanslagen ontvangt van de Belastingdienst. Ook hierop kan hij de LHK laten vergelden.

Als de kunstenaar de AHK via de WWIK wil laten vergelden, loopt hij de maandelijkse AK via de werkgever of de voorlopige aanslag mis. Dit kan overigens weer worden rechtgezet bij de definitieve belastingaanslag.

Bij een belastbaar inkomen uit arbeid van ca. € 7.500 (bruto inkomen van ca. € 585,- per maand) is de AK op jaarbasis overigens slechts € 144,-. Maar bij een hoger inkomen tot het sociaal minimum kan de AK oplopen tot ca. € 1200,- per jaar (<58 jarigen).

Een kunstenaar die kiest voor vergelding AHK via de andere vaste inkomsten, kan bij het wegvallen van deze verdiensten met een nieuw loonbelastingformulier alsnog kiezen voor vergelding via de WWIK. Dat kan al op het moment dat de verdiensten wegvallen.

Bij welk neveninkomen kan de kunstenaar de AHK niet meer volledig op de WWIK laten vergelden?

Uit de volgende globale berekening blijkt het omslagpunt:

Ook als niet de gehele AHK op de WWIK-uitkering te vergelden zou zijn wegens de hoogte van de eigen inkomsten, ontstaat er geen financiële noodsituatie als toch wordt doorgegaan met (gedeeltelijke) vergelding van de AHK via de WWIK. De kunstenaar beschikt dan immers over een totaal inkomen van  ca. 125% van het sociaal minimum.

Uit een oogpunt van sociaal minimumbeleid is het daarom niet nodig dat DWI de vergelding van de AHK wijzigt. De kunstenaar kan de rest van de LHK immers vergelden bij de belastingaanslag, of zelf met een nieuwe loonbelastingverklaring verzoeken de AHK niet meer via de WWIK te laten vergelden, maar via de andere vaste inkomensbron.

Wel moet je vooraf duidelijk maken dat keuze voor vergelding via de WWIK inhoudt dat de kunstenaar de AHK en AK (LHK) dan niet via andere bronnen kan laten vergelden, maar alleen nog via de belastingaangifte en -aanslag achteraf. Hij loopt dan de (maandelijkse) AK via de werkgever of voorlopige aanslag mis.

16.5 De hoogte van de WWIK-uitkering   

De WWIK-uitkering wordt direct in de vorm van een bruto-uitkering verstrekt. De hoogte van de uitkering  is afgestemd op het specifieke karakter van deze regeling (Artikel 15 WWIK (Hoogte van de uitkering). De WWIK biedt geen bestaansgarantie, maar een zekere mate van bestaanszekerheid. Uitgangspunt is het niveau van de netto uitkeringsnorm:

a) voor een alleenstaande: 70 procent van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder en van de in artikel 25 van de WWB genoemde maximale toeslag

b) voor een alleenstaande ouder: de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder en de in artikel 25 van de WWB genoemde maximale toeslag, minus het verschil tussen de bijstandsnorm voor een alleenstaande, inclusief toeslag, en het netto WWIK-bedrag voor een alleenstaande.

c) voor een gezin: de bijstandsnorm voor een gezin, minus het verschil tussen de bijstandsnorm voor een alleenstaande, inclusief toeslag, en het netto WWIK-bedrag voor een alleenstaande.

De normbedragen zijn inclusief vakantie-uitkering. Deze netto bedragen worden verhoogd met de daarover verschuldigde loonheffing, waarbij rekening is gehouden met de algemene heffingskorting voor de kunstenaar en voor zover van toepassing de algemene heffingskorting voor de echtgenoot of de alleenstaande-ouderkorting. De uitkering wordt per kalenderjaar (achteraf) vastgesteld, maar wel maandelijks uitbetaald. De vakantie-uitkering wordt niet gereserveerd en jaarlijks uitbetaald, maar direct uitgekeerd bij de maandelijkse betaling van de uitkering.

16.5.1 Co-ouderschap en WWIK   

Het begrip co-ouderschap is niet vastgelegd in de WWIK. Een co-ouder kan niet worden aangemerkt als een alleenstaande ouder als bedoeld in de WWIK, omdat de ouder niet de volledige verzorging over één of meer kinderen heeft. De co-ouder kan ook niet worden aangemerkt als een alleenstaande als bedoeld in de WWIK, omdat de co-ouder wél tot zijn of haar laste komende kinderen heeft.

De co-ouder ontvangt daarom naast de norm alleenstaande een toeslag over het aantal dagen dat de co-ouder daadwerkelijk de verzorging over de kinderen heeft. De toeslag is het verschil tussen de WWIK-norm van een alleenstaande en de WWIK-norm van een alleenstaande ouder over het aantal verzorgingsdagen per week. Deze toeslag wordt definitief vastgesteld volgens Artikel 16 WWIK (Definitieve vaststelling).

De toeslag is dus niet alleen aan de orde bij de betaling van de maandelijkse uitkering, maar ook bij de definitieve afrekening: de toeslag is dan het verschil tussen de 125%-norm van een alleenstaande ouder en een alleenstaande over het aantal dagen dat de co-ouder de kinderen verzorgt. Als het inkomen van de kunstenaar, inclusief de WWIK-uitkering én –toeslag, uitkomt boven de 125%-norm, inclusief toeslag, dan wordt het onverschuldigd betaalde deel van de uitkering inclusief de toeslag teruggevorderd van de kunstenaar.

16.6 De uitbetaling van de WWIK-uitkering   

De WWIK-uitkering wordt maandelijks achteraf uitbetaald, inclusief vakantiegeld.

De WWIK kent géén mogelijkheid van gesplitste uitbetaling bij echtparen. Alleen als beide echtgenoten WWIK-gerechtigd zijn, wordt de uitkering apart ‘behandeld’ en kan in overleg de uitkering volgens de gezinsnorm 50/50 aan beide partners worden toegekend.

Als van tevoren al bekend is dat de kunstenaar en zijn gezin bij het verlenen van uitkering over een bepaald inkomen beschikken - bijvoorbeeld inkomsten uit een dienstbetrekking – dan moet je dit meteen bij de maandelijkse verstrekking verrekenen. Niet pas achteraf bij de definitieve vaststelling van de uitkering.

De kunstenaar mag bijverdienen tot 125% van de bijstandsnorm, inclusief de uitkering WWIK, voordat je de inkomsten moet verrekenen. Bij de inkomensvaststelling reken je  niet sec naar een bepaalde maand toe, maar naar een gemiddeld bedrag in een kalenderjaar.

Een incidentele hoge verdienste leidt niet noodzakelijk tot een inkomstenkorting op de WWIK-uitkering. Op jaarbasis kan het inkomen dusdanig laag zijn, dat een korting achterwege moet blijven. Vooraf is vaak nog niet bekend of de kunstenaar en zijn gezin bij het verlenen van uitkering over een bepaald inkomen zullen beschikken. Dit geldt vooral voor inkomsten buiten dienstbetrekking (schnabbels, verkoop van werk). Als de kunstenaar verwacht dat hij niet meer inkomsten zal genieten in dat kalenderjaar, kun je besluiten om bij inkomsten die in een bepaalde maand worden genoten toch géén korting op de uitkering van die maand toe te passen – ook al komen de inkomsten uit boven de verdienruimte die in het kalenderjaar tot en met die maand is opgebouwd.

Vermijd latere terugvordering van uitkering door rekening te houden met de inkomsten van de kunstenaar en zijn gezin, op basis van de informatie van de kunstenaar.

16.6.1 De vorm van de maandelijkse uitkering

Inkomsten verwerven heeft bij veel kunstenaars een grillig verloop. Soms verkoopt de kunstenaar in één maand één of meer kunstwerken en dan weer maanden niets. Soms heeft een uitvoerend kunstenaar enkele schnabbels, dan weer een maand niets. Bij deze grilligheid past geen inkomsten­verrekening per maand. Om die reden is gekozen voor een inkomstenverre­kening per jaar, waarbij de maandelijkse uitkering het karakter heeft van een voorlopige bruto uitkering.

16.7 De verdienhoogte binnen de WWIK-uitkering   

De kunstenaar mag bijverdienen zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering tot 125 procent van de bijstandsnorm die voor de kunstenaar en zijn gezin geldt. Het gaat hierbij samen opgeteld om:

De bijverdienmogelijkheid geldt voor alle inkomsten van de kunstenaar en zijn gezin.
Let op: De kunstenaar moet wel inkomsten/omzet uit de beroepspraktijk genereren, anders komt hij in de problemen bij de beroepsmatigheidstoets.

16.8 Beroepskosten(aftrek)   

Beroepskosten zijn de kosten ter verwerving van het inkomen als kunstenaar. Bijvoorbeeld:

De kunstenaar mag de beroepskosten aftrekken van de omzet en bruto inkomsten uit de directe uitoefening van het kunstenaarsberoep, maar, met uitzondering van het normbedrag beroepskosten, ook van de bruto-inkomsten van de echtgenoot ( Artikel 17 WWIK en artikel 7 Uitvoeringsbesluit WWIK Beroepskosten).

16.8.1 Normbedrag beroepskosten   

De WWIK kent een vast normbedrag voor de aftrek van de beroepskosten. Dit forfaitaire bedrag is voor alle categorieën kunstenaars even hoog. Dit forfait mag alleen op de omzet of het bruto inkomen van de kunstenaar in mindering worden gebracht en niet op partnerinkomsten.

16.8.2 Werkelijke kosten hoger dan normbedrag beroepskosten   

Als de kunstenaar kan aantonen dat de werkelijke beroepskosten hoger zijn dan het normbedrag, dan mogen de werkelijke kosten worden afgetrokken van de omzet of het bruto inkomen van de kunstenaar én de bruto partnerinkomsten. Als de aantoonbare beroepskosten meer bedragen dan het bedrag aan beroepskosten dat van de eigen (lage) omzet of bruto inkomsten van de kunstenaar kan worden afgetrokken, dan mogen de meerkosten worden afgetrokken van de partnerinkomsten.. (Uitvoeringsbesluit WWIK Artikel 7 Beroepskosten )

16.9 Periodieke onderzoeken

In de WWIK zijn verschillende verplichte periodieke onderzoeken opgenomen. In deze paragraaf worden deze onderzoeken verder uitgewerkt.

16.9.1 Definitieve vaststelling WWIK   

De WWIK-uitkering is een bruto uitkering die netto aan de kunstenaar wordt uitbetaald. Na afloop van het kalenderjaar wordt de WWIK-uitkering definitief vastgesteld ( Artikel 16 WWIK (Definitieve vaststelling).

    1. Als het bij 3. berekende bedrag hoger is dan het bij 4. berekende bedrag dan moet het meerder worden afgetrokken van het bij 2. berekende bedrag. Het restant is het definitieve WWIK-recht.
    1. Is het definitieve recht lager dan de verstrekte uitkering? Vorder dan het verschil van de kunstenaar terug.
    2. Is het bij 5. berekende bedrag hoger dan de verstrekte uitkering? Betaal dan het verschil ambtshalve na aan de kunstenaar.

Is de maximale uitkeringsduur van 48 maanden bereikt en is de uitkering beëindigd, dan wordt uitsluitend gekeken naar het inkomen over de periode in het kalenderjaar vóór de beëindigingsdatum, waarbij de beroepskosten over het betreffende kalenderjaar naar rato worden verlaagd.

16.9.2 Progressieve inkomenseis 

De Wet werk en inkomen kunstenaars kent een progressieve minimum bruto inkomenseis. Dit betekent dat de kunstenaar per 12 maanden uitkering aan een hogere inkomenseis moet voldoen. Het moet gaan om inkomsten uit arbeid, al dan niet uit kunst, na aftrek van de beroepskosten. De uitkering wordt beëindigd als niet aan de inkomenseis wordt voldaan ( Artikel 11 WWIK (Beëindigingsgronden) :

Na de eerste 12 maanden is de bruto inkomenseis: € 2.800

Na de tweede uitkeringsperiode van12 maanden: € 4.400

Na de derde uitkeringsperiode van 12 maanden: € 6.000

Als de uitkering is beëindigd omdat niet is voldaan aan de inkomenseis, kan na 6 maanden opnieuw een WWIK-uitkering worden aangevraagd.

Voorwaarde is dan wel dat de kunstenaar aan de laatste van toepassing zijnde inkomenseis voldoet over de 12 kalendermaanden, voorafgaand aan de datum van de nieuwe aanvraag, dan wel aan de datum van afloop van de uitsluitingsperiode (als de nieuwe aanvraag al vóór het einde daarvan wordt ingediend).

Let op: het inkomen hoeft niet alleen met de opbrengst van kunst te worden verdiend. Het kunnen ook de inkomsten zijn uit een bijbaan.

Alle inkomsten uit werk tellen in principe mee, ook die van de echtgenoot.

Als de kunstenaar niet voldoet aan de progressieve inkomenseis, heeft dit niet automatisch beëindiging van de WWIK-uitkering tot gevolg. Meerdere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat hij de eis niet behaalt (door ziekte of door de gemeente of Stichting Cultuur & Ondernemen aangeboden beroepskwalificerende scholing van minimaal vier weken). De eis wordt dan naar evenredigheid verlaagd. Ook is eenmalig ontheffing mogelijk.

16.9.2.1 Eénmalige ontheffing inkomenseis 

Iedere kunstenaar mag éénmalig niet voldoen aan de progressieve inkomenseis, zonder dat dit gevolgen heeft voor het recht op voortzetting van de uitkering. Het kan bijvoorbeeld zijn dat een kunstenaar zich volledig heeft geconcentreerd op een expositie of uitvoering, maar hiervoor pas wordt betaald in het jaar daarop. Maar ook herbezinning op de ingeslagen weg als kunstenaar kan een onderbreking in de inkomensopbouw tot gevolg hebben, terwijl hij nog altijd beroepsmatig kunstenaar is. Wel moet de kunstenaar ook in de periode van ontheffing voldoen aan de eisen van beroepsmatigheid. Dit laatste moet blijken uit het beroepsmatigheidsadvies van Stichting Cultuur & Ondernemen.

Als de kunstenaar gebruik maakt van de ontheffing en hij over een van de volgende peiljaren opnieuw niet voldoet aan de progressieve inkomenseis, dan leidt dit tot beëindiging van de uitkering, ongeacht of de kunstenaar nog kan worden aangemerkt als beroepsmatig kunstenaar.

16.10 Bevorderen van de zelfstandige voorziening in het bestaan 

Het doel van de WWIK is de kunstenaar te ondersteunen bij de opbouw van een renderende beroepspraktijk als kunstenaar. Van de kunstenaar wordt wel een tegenprestatie verwacht, namelijk dat hij op termijn zelfstandig in de kosten van het bestaan kan voorzien. Van de kunstenaar die onvoldoende inkomsten genereert, wordt dan ook verwacht dat hij alternatieve inkomstenbronnen aanboort. Dit om te voorkomen dat hij een beroep moet doen op de bijstand.

In de WWIK rust op kunstenaars de verplichting om zich naar vermogen in te spannen om met kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien. De gemeente kan aan een kunstenaar voorwaarden opleggen die zijn gericht op vermindering of beëindiging van zijn beroep op de WWIK.

Stichting Cultuur & Ondernemen voert het flankerend beleid uit, dat zich richt op de ondersteuning en ontwikkeling van de beroepsmatige kunstenaarspraktijk.

Daarnaast biedt de WWIK de mogelijkheid om instrumenten in te zetten waarmee de kunstenaar ander betaald werk buiten de kunst verwerft. Het gaat dan om flexibele en met de kunst verenigbare arbeid.

16.10.1 Activering naar werk naast de kunst 

De hoogste prioriteit ligt bij kunstenaars die dreigen de maximale WWIK-termijn te behalen en na afloop niet in staat zijn om voldoende in het eigen onderhoud te voorzien met hun kunst. Doel is te voorkomen dat deze kunstenaars een beroep gaan doen op de WWB.

16.10.2 Scholing voor klanten in de WWIK

Hieronder wordt onderscheid gemaakt tussen het aanbod van Stichting Cultuur & Ondernemen en overige opleidingen.

Let op: Stichting Cultuur & Ondernemen biedt naast cursussen, ook standaard loopbaangesprekken aan klanten in de WWIK. In deze loopbaangesprekken wordt onder meer de behoefte aan scholing van de kunstenaar vastgesteld. DWI kan alleen besluiten om opleidingskosten te vergoeden als in een loopbaangesprek bij Stichting Cultuur & Ondernemen de noodzaak tot het volgen van een bepaalde opleiding is vastgesteld. De kunstenaar dient een bewijs hiervan te overleggen in het gesprek met de klantmanager.

16.10.2.1 Scholingaanbod door Stichting Cultuur & Ondernemen

Stichting Cultuur & Ondernemen biedt een uitgebreid palet aan cursussen waarvan kunstenaars kosteloos gebruik kunnen maken. Zie voor een overzicht van het aanbod http://www.kunstenaarsenco.nl/producten-en-diensten/cursusprogramma. Het aanbod door Stichting Cultuur & Ondernemen is een voorliggende voorziening.

16.10.2.2 Niet door Stichting Cultuur & Ondernemen aangeboden opleidingen

Kunstenaars kunnen voor deze opleidingen een tegemoetkoming in de kosten ontvangen van Stichting Cultuur & Ondernemen . Deze bedraagt 65% van de kosten met een maximum van € 750. Stichting Cultuur & Ondernemen toetst of de betreffende opleiding bijdraagt aan de verwerving van meer inkomsten door de kunstenaar

Procedure bij gedeeltelijke vergoeding door Stichting Cultuur & Ondernemen
Indien de aanvraag door Stichting Cultuur & Ondernemen wordt gehonoreerd, ontvangt de kunstenaar hiervan een beschikking. DWI kan, indien de kunstenaar hiertoe een verzoek indient bij DWI, overgaan tot vergoeding van de overige kosten. Hiervoor geldt de werkwijze aanvraag Individuele Beroepsgerichte Scholing.

Procedure als Stichting Cultuur & Ondernemen de aanvraag afwijst.
Als Stichting Cultuur & Ondernemen een scholingsverzoek afwijst omdat de scholing niet of onvoldoende bijdraagt aan versterking van de (artistieke) beroepspraktijk, kan DWI niet tot vergoeding overgaan.

Als Stichting Cultuur & Ondernemen afwijst op grond van het feit dat de betreffende kunstenaar de € 750 al heeft ‘opgebruikt', betekent dit dat DWI tot vergoeding kan overgaan.

In alle gevallen waarin DWI tot vergoeding van (een deel van) de scholingskosten kan overgaan, geldt uiteraard dat dit slechts kan met een positief advies van de klantmanager. Daarnaast is Contractbeheer en Inkoop eindverantwoordelijk waar het gaat om vergoeding van Individuele Beroepsgerichte Scholing.

Mocht de kunstenaar een opleiding willen volgen omdat hij zich geheel om wil scholen (en dus niet meer als kunstenaar werkzaam wil zijn), dan kan hij hiervoor een aanvraag indienen bij het team kunstenaars. De algemene regels voor scholing zijn dan leidend.

Zie voor meer bijzonderheden over scholing en Individuele Beroepsgerichte Scholing 1.3.8 Scholing in het algemeen en Individuele Beroepsgerichte Scholing (IBS)

16.11 Verplichtingen WWIK   

De in Artikel 20 WWIK (Verplichtingen verbonden aan de uitkering) genoemde verplichtingen worden in deze paragraaf verder uitgewerkt.

Voeren deugdelijke administratie
De kunstenaar moet een deugdelijke administratie voeren, waaruit de omzet of bruto inkomsten uit de kunstuitoefening blijken evenals de beroepskosten . Deze administratie moet binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar aan het Team Kunstenaars worden overlegd, al dan niet op verzoek van DWI. Deze verplichting geldt ook voor de echtgenoot, voor zover deze zelf arbeid in een eigen bedrijf of zelfstandig beroep verricht.

Inspanningsverplichting zelfstandig in bestaan te voorzien
De kunstenaar is verplicht om zich naar vermogen in te spannen om met kunst zelfstandig in het bestaan te voorzien al dan niet in een gemengde beroepspraktijk (artikel 20 lid 2 onder b WWIK).  Dit betekent dat hij naast inkomsten uit kunst ook inkomsten uit andere bronnen dan kunst moet verwerven. Als de kunstenaar er op termijn niet in slaagt om via de inkomsten uit kunst in de kosten van het  levensonderhoud te voorzien ligt het voor de hand dat hij zich meer zal moeten gaan richten op een gemengde beroepspraktijk. Het doel van deze verplichting is te bevorderen dat een kunstenaar na maximaal 4 jaar WWIK-uitkering een renderende, al dan niet gemengde beroepspraktijk als kunstenaar heeft opgebouwd.

Dankzij de verplichting is de kunstenaar erop aanspreekbaar als hij zich naar het oordeel van de gemeente onvoldoende inspant om dit doel te bereiken.

Inlichtingenplicht
De kunstenaar is verplicht om uit eigen beweging onmiddellijk alle feiten en omstandigheden te melden, die van invloed kunnen zijn op de hoogte, het recht en de duur van de uitkering (artikel 20 lid 2 onder c WWIK).

Legitimatieplicht
De kunstenaar is verplicht zich te legitimeren door middel van een geldig en goedgekeurd legitimatiebewijs (paspoort, Nederlandse identiteitskaart) , voor zover dit nodig is voor de uitvoering van de WWIK (artikel 20 lid 2 onder d WWIK).

Inlichtingenplicht aan Stichting Cultuur & Ondernemen
De kunstenaar is verplicht op verzoek van Stichting Cultuur & Ondernemen of onmiddellijk uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van de taken van Stichting Cultuur & Ondernemen (artikel 20 lid 2 onder e WWIK).

Inspanningsverplichting bij beroep op re-integratievoorzieningen
De kunstenaar is verplicht zich naar vermogen in te spannen om gebruik te maken van de re-integratievoorzieningen waar hij zelf om gevraagd heeft (artikel 20 lid 2 onder f WWIK).

Afstemming
Met ingang van 1 juli 2010 gelden geen landelijke regels meer, maar is de afstemming een bevoegdheid van de gemeente geworden. De afstemming m.b.t. de IOAW/Z en WWIK is net als de WWB-afstemming vastgelegd in de Afstemmingsverordening
Inkomensvoorzieningen. Voor alle aspecten rondom afstemming: zie Hoofdstuk 8.

Pilot ‘loopbaanonderzoek verplicht'
Het loopbaangesprek is een gesprek dat door Stichting Cultuur en Ondernemen (SCO) wordt aangeboden aan alle kunstenaars die instromen in de WWIK. Het is er met name voor bedoeld om vast te stellen welke cursussen de kunstenaar nodig heeft om een renderende gemengde beroepspraktijk op te bouwen. Aan dit gesprek en de door Stichting Cultuur en Ondernemen aangeboden cursussen zijn voor klanten en voor DWI geen kosten verbonden omdat het zogenaamd flankerend beleid betreft dat door het Rijk wordt gefinancierd.

Per 1 januari 2011 is DWI gestart met een pilot om dit loopbaangesprek verplicht te stellen voor kunstenaars in de WWIK. De gedachte achter de pilot is dat WWIK-ers die geen loopbaangesprek voeren, kansen laten liggen om uit te stromen in een renderende gemengde beroepspraktijk. Dit omdat een loopbaangesprek lacunes in de kennis/vaardigheden aan het licht kan brengen. Deze eventuele lacunes kunnen dan middels een gericht aanbod (van SCO) worden aangevuld.

Aan de kunstenaar wordt zowel mondeling als schriftelijk uitgelegd dat hij verplicht is een loopbaangesprek te voeren bij SCO.

16.12 Opschorten van de uitkering 

In Artikel 25 WWIK (Opschorten) is geregeld dat het recht op uitkering wordt opgeschort als de kunstenaar of zijn echtgenoot verwijtbaar de voor verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt. Het recht op uitkering wordt ook opgeschort als de kunstenaar of zijn echtgenoot op andere wijze onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek.

Uit het oogpunt van rechtszekerheid mag de opschorting van het recht op uitkering volgens de WWIK (artikel 25) niet langer duren dan acht weken. De Dienst Werk en Inkomen stelt de kunstenaar of zijn echtgenoot in de gelegenheid het verzuim, waarvoor tot opschorting is overgegaan, binnen maximaal vier weken te herstellen, zie 11.2 Beslistermijn en hersteltermijn.

Wanneer de kunstenaar of zijn echtgenoot het verzuim niet binnen de daarvoor gestelde termijn herstelt, trekt DWI het recht op uitkering in vanaf de eerste dag waarover het recht op uitkering is opgeschort.

16.13 Beëindiging van de WWIK-uitkering   

De WWIK-uitkering moet worden beëindigd zodra zich een uitsluitingsgrond voordoet, zie 16.4.6 Uitsluitingsgronden.

Als het gezinsinkomen van de kunstenaar in de loop van het jaar wijzigt, vervalt het recht op WWIK vanaf het moment dat de kunstenaar voor de resterende maanden van het jaar over voldoende middelen beschikt, dus over een inkomen beschikt (zonder toepassing van  het kostenforfait) dat gelijk is aan of hoger is dan het sociaal minimum (Artikel 11 WWIK Beëindigingsgronden).
Het niet voldoen aan de progressieve inkomenseis kan ook een reden zijn om de uitkering te beëindigen, zie 16.9.2 Progressieve inkomenseis.

De uitkering WWIK kan ook om andere redenen worden beëindigd of ingetrokken, namelijk:

16.14 Terugvordering WWIK   

In Artikel 28 WWIK (Terugvordering) staat dat de uitkering die ten onrechte, of tot een te hoog bedrag is verleend, of die onverschuldigd is betaald van de kunstenaar kan worden teruggevorderd. Middels art. 6.1 van de Beleidsregels inkomensvoorzieningen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK wordt invulling gegeven aan deze bevoegdheid. Bij dringende redenen kan de Dienst Werk en Inkomen, ambtshalve of op verzoek van de kunstenaar, geheel of gedeeltelijk - op voorhand - afzien van terugvordering (art. 6.1 lid 3 Beleidsregels inkomensvoorzieningen).

Dringende redenen zijn niet zozeer financiële omstandigheden, maar vooral niet- financiële omstandigheden, zoals de (geestelijke) gezondheidssituatie van de kunstenaar of zijn gezin.

Per geval worden de situatie en de omstandigheden van de klant beoordeeld. Artikel 6.1 lid 3 van de Beleidsregels inkomensvoorzieningen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (Afzien van terugvordering bij dringende redenen) biedt echter geen mogelijkheden om algemeen of categoriaal van terugvordering af te zien.

Indien de kunstenaar in gebreke blijft moet het te vorderen bedrag worden verrekend:

Als de kunstenaar inmiddels is verhuisd, wordt de terugvordering uitgevoerd op de lopende uitkering in de nieuwe (centrum)gemeente. Hiervoor is geen machtiging nodig.

In tegenstelling tot voorheen, levert het besluit tot terugvordering geen executoriale titel op. Dit komt doordat per 1 juli 2009 de vierde tranche Algemene wet bestuursrecht van kracht is geworden. De executoriale titel in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan worden verkregen door het uitvaardigen van een dwangbevel. Het dwangbevel kan ook gelden voor eventuele rente en overige kosten bij gebreke van tijdige betaling.

Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.

De WWIK-uitkering is in de regel lager dan de beslagvrije voet, tenzij het totale vaste inkomen, inclusief WWIK-uitkering uitkomt boven de beslagvrije voet. Ook als de beslagvrije voet – door de woonsituatie en het niet hebben van woonkosten – neerkomt op de WWB-normen met 0% toeslag (bij een alleenstaande of alleenstaande ouder), of 20% korting (bij een gezin), is verrekening mogelijk. Of verrekening met de uitkering WWIK mogelijk is, hangt dus in de regel af van het overige vaste inkomen en de woonsituatie.

Als de WWIK-uitkering als gezinsuitkering wordt verleend, richt de terugvordering zich niet alleen op de persoon aan wie de uitkering is betaald, maar op alle gezinsleden die zijn begrepen in de uitkering (Artikel 33 WWIK Terugvordering gezinsleden)..

Als het voeren van een gezamenlijke huishouding niet tijdig is gemeld, zijn de kosten ook terug te vorderen van de echtgenoot van de kunstenaar. Er is bij het verlenen van de uitkering dan namelijk geen rekening gehouden met de middelen van de echtgenoot, waardoor de uitkering mogelijk geheel of gedeeltelijk ten onrechte is verleend (Artikel 33 WWIK Terugvordering gezinsleden) .

16.14.1 Afzien van verdere invordering WWIK   

De gemeente kent ook een aantal bevoegdheden om geheel of gedeeltelijk van verdere invordering af te zien (art. 6.3, lid 2 van de Beleidsregels inkomensvoorzieningen). Het verschil met het op voorhand afzien van terugvordering, ligt in het feit dat er in dit geval al besloten is tot terugvordering, maar om verschillende redenen op een later moment niet verder ingevorderd zal gaan worden. Dit kan het geval zijn:

16.14.2 Volledige terugvordering

Als de kunstenaar en zijn echtgenoot, ook na een hersteltermijn, de jaarcijfers en andere inkomstenbewijzen over het betreffende kalenderjaar niet hebben overlegd, dan wordt de uitkering die over dat kalenderjaar is verleend, volledig teruggevorderd (Artikel 30 WWIK Terugvordering bij niet voldoen aan de verplichting tot verlenen van inzage in de administratie)

16.14.3 Terugvordering van voorschotten

Verleende voorschotten worden van de kunstenaar teruggevorderd als blijkt dat over de betreffende periode geen recht op WWIK-uitkering bestaat.

Een kunstenaar die voorafgaand aan de WWIK-aanvraag een bijstandsuitkering ontving kan vragen om een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht ter hoogte van de verleende WWIK-voorschotten in het geval de kunstenaar niet in aanmerking komt voor een WWIK-uitkering vanwege onvoldoende beroepsmatigheid.

Wordt de WWIK-uitkering afgewezen vanwege fraude of schending van de inlichtingenplicht, dan worden de voorschotten uiteraard teruggevorderd. Dit geldt ook als achteraf blijkt dat er geen recht op de WWIK-uitkering bestond.

16.15 Bijzondere bijstand en WWIK  

Een kunstenaar die een WWIK-uitkering ontvangt en in Amsterdam woont, kan voor zichzelf en zijn gezinsleden bijzondere bijstand aanvragen als bijzondere omstandigheden tot noodzakelijke extra kosten leiden. Kunstenaars die buiten Amsterdam wonen, vragen bijzondere bijstand in hun woongemeente aan.

De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van:

Zie verder 9. Bijzondere Bijstand.