Een zelfstandige volgens artikel 1 Bbz 2004 is de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die:
De zelfstandige moet voor de voorziening in het bestaan zijn aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep. Dit betekent dat hij het inkomen uit het bedrijf of zelfstandig beroep nodig heeft om in het levensonderhoud te voorzien. Dat kan volledig zijn of voor een deel. Als hij, of zijn echtgenoot, buiten bedrijf een toereikend inkomen heeft wordt hij geacht niet te zijn aangewezen op het bedrijf of zelfstandig beroep en is bijstandsverlening op grond van het Bbz 2004 niet mogelijk.
Het bedrijf of zelfstandig beroep moet hier te lande worden uitgeoefend. Dat wil zeggen dat het bedrijf in Nederland moet zijn gevestigd en dat de werkzaamheden hoofdzakelijk in Nederland moeten plaatsvinden.
Het bedrijf of zelfstandig beroep moet voldoen aan wettelijke vereisten. Voor iedere zelfstandige geldt dat hij moet zijn ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Verder gelden wetten en regels die verschillen per branche. Zie de website van de Kamer van Koophandel onder het kopje Verplichtingen en vergunningen. De activiteiten mogen niet in strijd zijn met een lokaal bestemmingsplan.
De zelfstandige moet voldoen aan het urencriterium van de Wet inkomstenbelasting. Dat wil zeggen dat hij minimaal 1225 uur in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep werkzaam moet zijn. Als de zelfstandige ook in loondienst werkt dan moet het aantal uren in het eigen bedrijf of beroep meer zijn dan 50% van het totaal aantal gewerkte uren. Dit laatste geldt overigens niet voor de beginnende en de beëindigende zelfstandige. Een beginnende zelfstandige die in de loop van een kalenderjaar start wordt geacht aan het urencriterium te voldoen als hij minimaal 1225 uur werkt op jaarbasis. Een zelfstandige die zijn bedrijf in het begin van een kalenderjaar beëindigt wordt geacht aan het urencriterium te hebben voldaan.
De zelfstandige moet alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep hebben en de financiële risico’s dragen. Een zelfstandige die enig directeur is van een BV (directeur groot aandeelhouder, afgekort DGA) moet minimaal 51% van het aandelenkapitaal bezitten. Als er meerdere directeuren zijn moeten zij tezamen minimaal 51% van het aandelenkapitaal bezitten.
Inhoudelijk zijn er geen grote verschillen tussen Bbz en Bbz 2004. Om die reden is bij het Bbz 2004 slechts een beknopte toelichting opgenomen. Voor een nadere inhoudelijke toelichting wordt in het Bbz 2004 verwezen naar de toelichtingen bij de Abw en het Bbz oud.
Artikel 11 WWB geldt ook voor zelfstandigen zij het dat de beginnende of gevestigde zelfstandige slechts recht op bijstand heeft als het bedrijf of zelfstandig beroep dat hij uitoefent levensvatbaar is. Levensvatbaar betekent dat na bijstandsverlening het inkomen uit bedrijf, samen met het overige inkomen (van de zelfstandige en diens echtgenoot) toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of beroep en voor de voorziening in het bestaan. Ook investeringen en reserveringen moeten kunnen worden verricht. Bijstand wordt aan de zelfstandige verleend in de vorm van Bbz-uitkering of bedrijfskapitaal.
Bij de beoordeling of de zelfstandige recht op bijstand heeft wordt in de eerste plaats gekeken naar de middelen waarover hij beschikt of kan beschikken. Onder middelen wordt verstaan het vermogen en het inkomen van de zelfstandige én zijn echtgenoot.
Zowel in de WWB als in het Bbz 2004 zijn artikelen opgenomen die een rol spelen bij de vaststelling en de beoordeling van het vermogen. Onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden (artikel 34.1 WWB).
Het vermogen speelt niet alleen een rol bij de boordeling of de zelfstandige recht heeft op bijstand maar ook of de bijstand die als geldlening wordt verstrekt kan worden omgezet in bijstand ‘om niet’.
Voor de zelfstandige geldt geen vrijlating van een bescheiden vermogen zoals dat geldt voor andere bijstandsgerechtigden. De zelfstandige heeft geen recht op bijstand als uit de beoordeling blijkt dat hij over voldoende middelen beschikt.
Als het bedrijf of beroep in de vorm van een rechtspersoon of samenwerkingsverband wordt uitgeoefend moet onder vermogen mede worden verstaan het vermogen van de andere vennoten / leden (artikel 9 Bbz 2004). Dit stuit in de praktijk op grote bezwaren. Voor een aanvrager is het vaak niet mogelijk om informatie over het privévermogen van de anderen te verkrijgen cq af te dwingen. Bovendien loopt het voortbestaan van het bedrijf gevaar als de anderen met hun privé-vermogen het levensonderhoud van de aanvrager moeten bekostigen. Daarom wordt in de praktijk niet de hand gehouden aan deze bepaling.
In het algemeen wordt de waarde van bezittingen (activa) vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer, dat is de waarde die de meest biedende koper onder normale omstandigheden bereid is te betalen. Niet altijd kan worden uitgegaan van de waarde van de bezittingen zoals die op de bedrijfsbalans staan vermeld. Soms is de waarde van de bezittingen hoger dan op de balans staat aangegeven. Dit kan zijn veroorzaakt door prijsstijgingen (bijvoorbeeld van het bedrijfspand in eigendom) of de wijze van afschrijving op de duurzame bedrijfsmiddelen. Soms ligt de werkelijke waarde lager dan op de balans staat vermeld. Voor het bepalen van de waarde van de bezittingen worden de vermogensbestanddelen daarom geherwaardeerd.
Alleen de bezittingen die direct met het bedrijf of beroep te maken hebben zullen op de balans staan. Zo zal een los van het bedrijf of beroep staande woning niet zijn opgenomen, evenmin als bijvoorbeeld een spaarrekening en de privé-hypotheek. Bij de vermogensvaststelling wordt hiermee wel rekening gehouden. Het gaat om de werkelijke waarde en niet om de aankoopwaarde.
Volgens vaste jurisprudentie is het niet in strijd met de redelijkheid om van een bijstandsklant te vergen dat hij de contante waarde van koopsompolissen, lijfrente- en levensverzekeringen etc. te gelde maakt als de polisvoorwaarden zich daartegen niet verzetten. Het is aanvaardbaar dat dit niet wordt geëist als het om een relatief laag bedrag gaat in verhouding tot de kosten die er mee gemoeid zijn.
Schulden worden opgenomen tegen de nominale waarde. Een correctie op de schulden kan hierbij nodig zijn. Er kan alleen rekening worden gehouden met schulden die kunnen worden aangetoond en waar een betaalverplichting op rust.
Niet als vermogen wordt aangemerkt bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn (artikel 34.2.a WWB). Vergoedingen voor immateriële schade worden evenmin tot het vermogen gerekend (artikel 34.2.e WWB). Zie hoofdstuk 6.3.4 voor verdere informatie over de beoordeling van vermogensbestanddelen.
Ook het Bbz 2004 kent een artikel over vermogen dat niet in aanmerking wordt genomen.
Artikel 7 Bbz 2004 luidt: Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep noodzakelijke vermogen waaronder mede begrepen het vermogen gebonden in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf.
Dit artikel moet als volgt worden begrepen. Van de zelfstandige wordt gevergd dat hij alle vermogensbestanddelen inzet voor de bestaansvoorziening. De in de WWB geldende vrijlating van een bescheiden vermogen geldt niet voor zelfstandigen. Echter, vermogen dat bestemd is voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep of gebonden is in de door de zelfstandige of zijn gezin in eigendom bewoonde woning met bijbehorend erf, hoeft niet te worden ingezet voor de bestaansvoorziening. Evenmin wordt in aanmerking genomen het vermogen dat is gereserveerd met het oog op een belastingaanslag en het vermogen dat in redelijkheid niet te gelde kan worden gemaakt.
In artikel 1.h. Bbz 2004 is bepaald wat moet worden verstaan onder totaal vermogen. Het gaat om alle bezittingen waarover de zelfstandige beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met bezittingen die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel gelet op de persoonlijke omstandigheden, noodzakelijk zijn. Ook bepaalde vergoedingen voor immateriële schade worden in mindering gebracht op het totaal van de bezittingen. In hoofdstuk 6.3.4 en verder is meer informatie te vinden over wat wel en niet als vermogen wordt aangemerkt.
Op het totaal van alle hergewaardeerde bezittingen worden de vastgestelde schulden in mindering gebracht. Wat resteert is het eigen vermogen. Er is sprake van een negatief eigen vermogen als de schulden de bezittingen overtreffen. In deze paragraaf wordt uitgegaan van een positief eigen vermogen.
Het eigen vermogen heeft als functie het opvangen van bedrijfsrisico's en de financiering van het bedrijf of zelfstandig beroep. Bij de vaststelling van het eigen vermogen wordt geen onderscheid gemaakt tussen privé- en bedrijfsvermogen. Zo vervult het vermogen belegd in een eigen huis, een essentiële functie bij het aantrekken van vreemd vermogen ten behoeve van het bedrijf. Voor de zelfstandige betekent dit dat de waarde van de privé-bezittingen en de in het bedrijf of zelfstandig beroep aanwezige activa tezamen moeten worden genomen om de hoogte van het totaal vermogen te kunnen bepalen.
In artikel 3 Bbz 2004 staan grenzen voor het eigen vermogen die bepalend zijn voor het recht op bijstand ‘om niet’. Er is een bovengrens (artikel 3.1.a. Bbz 2004) en een ondergrens (artikel 3.1.b Bbz 2004). In artikel 3.2 Bbz 2004 is een afwijkende grens voor het eigen vermogen opgenomen voor oudere zelfstandigen.
Als het vaste netto inkomen buiten bedrijf van de zelfstandige en zijn echtgenoot gelijk is aan of meer is dan de overeenkomstige maandelijkse bijstandsnorm, inclusief eventuele toeslagen en bijzondere bijstand voor woonkosten en arbeidsongeschiktheidsverzekering, bestaat géén recht op bijstand, ook niet als het bedrijf in financiële problemen verkeert. Tijdelijke inkomsten worden bij deze beoordeling buiten beschouwing gelaten. Een WW-uitkering wordt bij deze toets als tijdelijk inkomen aangemerkt.
Personen die een WW-uitkering ontvangen kunnen maximaal 26 weken recht op hun WW-uitkering behouden. De WW-uitkering wordt dan als voorschot verstrekt en na 2 jaar definitief vastgesteld onder verrekening van de bedrijfsinkomsten. De WW-uitkering wordt in mindering worden gebracht op de Bbz-uitkering of staat deze (tijdelijk) in de weg. De starter die maximaal 26 weken WW-uitkering behoudt komt wel in aanmerking voor Bbz-bedrijfskapitaal.
De mogelijkheid om bij een bank geld te lenen geldt als voorliggende voorziening. Dit kan met name het geval zijn als de zelfstandige zekerheden aan de bank kan bieden.
Personen met een gedeeltelijk arbeidsongeschiktheidsuitkering die een eigen bedrijf of zelfstandig beroep beginnen kunnen een beroep doen op de startersvoorzieningen van het UWV.
Nadat is vastgesteld dat de zelfstandige recht heeft op bijstand volgt de toetsing aan de vermogensgrenzen van artikel 3 Bbz 2004. Afhankelijk van de grootte van het eigen vermogen’ wordt beslist of bijstand ‘om niet’ kan worden toegekend of dat de lening sowieso moet worden terugbetaald.
Als het eigen vermogen lager is dan de ondergrens van artikel 3.1.b Bbz
2004 is in principe bijstand ‘om niet’ mogelijk, namelijk wanneer
het inkomen lager is dan de bijstandsjaarnorm.
Dit geldt ook bij een eigen vermogen tussen de vermogensgrenzen van artikel 3.1.b Bbz 2004, mits het eigen vermogen niet meer bedraagt dan 30% van het totaal vermogen.
Bij toekenning van de Bbz-uitkering wordt aan de zelfstandige meegedeeld dat na afloop van het boekjaar een nadere beslissing zal worden genomen op basis van het behaalde inkomen (artikel 12 Bbz 2004). Als het inkomen lager is geweest dan de bijstandsjaarnorm wordt bijstand ‘om niet’ toegekend onder verrekening van de eerder als geldlening verstrekte Bbz-uitkering.
Bij toekenning van bedrijfskapitaal aan de gevestigde zelfstandige wordt aan de zelfstandige meegedeeld dat de verleende bijstand (het bedrijfskapitaal) wordt omgezet in een bedrag ‘om niet’ als het inkomen in het jaar van aanvraag of in het jaar voorafgaand aan de aanvraag, lager is geweest dan de bijstandsjaarnorm (artikel 21.1 Bbz 2004).
Als het eigen vermogen hoger is dan de grenzen van artikel 3 Bbz 2004, moet de als lening verstrekte Bbz-uitkering worden terugbetaald. Dit geldt ook voor een als renteloze lening verstrekt bedrijfskapitaal aan de oudere zelfstandige.
De lening moet met ingang van het jaar volgend op het (laatste) jaar van de bijstandsverlening worden afgelost met minimaal 10% van het verstrekte bedrag per jaar (artikel 13 Bbz 2004).
De jaarnorm is de tot een bedrag per boekjaar omgerekende som van de bijstandsnorm verhoogd met bijzondere bijstand voor (met name) hoge woonkosten en verschuldigde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Er is sprake van een verkort boekjaar, en dus van een lagere jaarnorm, als het bedrijf of zelfstandig beroep niet een heel jaar is uitgeoefend. Dit kan het geval zijn bij de beginnende zelfstandige en de beëindigende zelfstandige.
De jaarnorm is van toepassing bij de definitieve vaststelling van de Bbz-uitkering, de berekening van de bijstand ‘om niet’ en de berekening van de rentekwijtschelding.
Bovendien vormt de jaarnorm een indicatie voor het minimaal benodigde inkomen van de zelfstandige bij de beoordeling of het bedrijf levensvatbaar is.
In ieder geval geldt de verplichting om naar behoren een administratie te voeren en die binnen 6 maanden na afloop van ieder toepasselijk boekjaar te overleggen (artikel 38.2 Bbz 2004).
Aan de zelfstandige die ten minste een half jaar geen bedrijf of beroep uitoefent worden arbeidsverplichtingen opgelegd (artikel 38.3 Bbz 2004).
Aan de verstrekking van een geldlening kunnen verplichtingen worden verbonden die gericht zijn op meerdere zekerheid tot nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen (artikel 39.3 Bbz 2004). De meest gebruikelijke zekerheid is hypotheek. Pand en cessie behoren ook tot de mogelijkheden.
De rechtspersoon en alle vennoten of leden van een rechtspersoon moeten zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor nakoming van de verplichtingen die worden opgelegd bij de toekenning van een bedrijfskapitaal (artikel 30 Bbz 2004). Omdat bij een gezin de bijstand aan beide echtgenoten wordt toegekend, zijn de echtgenoten in ieder geval beiden hoofdelijk aansprakelijk
15.6.1 Beginnende zelfstandigen
15.6.2 Beginnende zelfstandigen met arbeidsbeperkingen
15.6.3 Gevestigde zelfstandigen
15.6.4 ‘Marginale’ zelfstandigen
15.6.5 Oudere zelfstandigen
15.6.6 Beëindigende zelfstandigen
15.6.7 (gedeeltelijk) Arbeidsongeschikte zelfstandigen
15.6.8 Bijstandsklanten in de voorbereidingsperiode
In artikel 2 lid 3 Bbz 2004 is bepaald welke zelfstandigen in aanmerking komen voor bedrijfskapitaal:
- beginnende zelfstandige
- gevestigde zelfstandige en marginale zelfstandige
- oudere zelfstandige
Bijstandsklanten in de voorbereidingsperiode zijn in tegenstelling tot alle andere rechthebbenden (nog) geen zelfstandige. Hoewel zij tot de kring van rechthebbenden van het Bbz 2004 worden gerekend ontvangen zij als werkloze een WWB-uitkering.
Een persoon (of de echtgenoot van die persoon) die uit hoofde van werkloosheid een uitkering ontvangt (bijvoorbeeld een WWB- of WW-uitkering) of die een inkomensvoorziening heeft op grond van de WIJ, heeft recht op Bbz-uitkering als hij aansluitend aan de WWB, WW of WIJ een eigen bedrijf of zelfstandig beroep begint dat levensvatbaar is (artikel 2.1.b Bbz 2004). Een persoon die met werkloosheid wordt bedreigd en in een uitkeringssituatie dreigt te geraken wordt ook tot de doelgroep van de beginnende zelfstandigen gerekend. Niet tot de doelgroep worden gerekend personen voor wie direct een functie in dienstbetrekking beschikbaar is of die nog in dienstbetrekking werkzaam zijn en die niet werkloos dreigen te raken. Personen die zelf ontslag nemen worden niet tot de doelgroep gerekend omdat voor hen een functie in dienstbetrekking beschikbaar was en omdat zij niet met werkloosheid werden bedreigd.
Gedeeltelijk arbeidsongeschikten die een eigen bedrijf of zelfstandig beroep willen beginnen kunnen een beroep doen op de startersvoorzieningen van het UWV. WW-uitkeringsgerechtigden kunnen onder voorwaarden maximaal 26 weken recht op hun WW-uitkering behouden. De mogelijkheden van het UWV gelden als voorliggende voorziening ten opzichte van het Bbz 2004.
De Bbz-uitkering duurt maximaal 36 maanden na beëindiging van de werkloosheidsuitkering of de inkomensvoorziening op grond van de WIJ (artikel 23 Bbz 2004). Als de Bbz-uitkering later wordt aangevraagd gaat dat ten koste van de maximale duur van 36 maanden.
De Bbz-uitkering wordt verstrekt als renteloze geldlening (artikel 11.1 Bbz 2004). Na afloop van het boekjaar wordt het recht op bijstand definitief vastgesteld waarbij de lening kan worden om gezet in bijstand ‘om niet’ als er een ontoereikend inkomen was. Deze omzetting is niet mogelijk als het eigen vermogen de vermogensgrenzen van artikel 3 Bbz 2004 overschrijdt (artikel 11.2 en 12 Bbz 2004).
Behalve Bbz-uitkering kan de beginnende zelfstandige ook bedrijfskapitaal ontvangen. Bijstand voor bedrijfskapitaal wordt verstrekt als rentedragende geldlening (artikel 24 Bbz 2004). De hoogte van het bedrijfskapitaal is eveneens vermeld in artikel 24 Bbz 2004. Het rentepercentage is vermeld in artikel 15 Bbz 2004.
Ook bestaat de mogelijkheid om op grond van het Bbz 2004 borg te staan voor een lening bij de bank maar deze mogelijkheid wordt in de praktijk vrijwel niet benut. De beginnende zelfstandige kan geen bedrijfskapitaal ‘om niet’ ontvangen.
Bijstand wordt alleen verleend als het bedrijf of zelfstandig beroep naar verwachting levensvatbaar is. Bij uitzondering kan voor zes maanden uitkering worden toegekend als geen betrouwbare begroting kan worden opgesteld vanwege het ontbreken van een goed inzicht in de marktsituatie. Na de periode van 6 maanden wordt dan alsnog de levensvatbaarheid beoordeeld. Zo'n periode van bijstandsverlening telt wel mee voor de maximale termijn. In deze situatie kan geen bedrijfskapitaal worden verstrekt (zie de toelichting bij artikel 12 Bbz oud).
De zelfstandige die met behulp van een Bbz-uitkering start, wordt gedurende de eerste 3 jaar na de start als beginnende zelfstandige aangemerkt. Hij moet zich houden aan de gebruikelijke voorschriften en tarieven in de branche waarin hij werkzaam is.
In artikel 23 Bbz 2004 is bepaald dat de beginnende zelfstandige ten hoogste 36 maanden Bbz-uitkering kan ontvangen maar dat verlenging van die termijn mogelijk is als de zelfstandige om redenen van medische of sociale aard niet volledig beschikbaar is voor de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep. Door de beperkte inzetbaarheid kan vaak niet binnen 36 maanden of daarna een toereikend inkomen worden behaald.
Het bedrijf of zelfstandig beroep moet in beginsel levensvatbaar zijn, dat wil zeggen dat een toereikend inkomen zou worden behaald als de starter zich wel volledig zou kunnen inzetten. Als dit het geval is en als de zelfstandige voldoet aan het urencriterium zoals genoemd in artikel 1sub b Bbz 2004, kan de uitkering voor het levensonderhoud worden gecontinueerd zolang de beperking van kracht blijft.
Een gevestigde zelfstandige is iemand die een redelijke termijn werkzaam is in eigen bedrijf of zelfstandig beroep (artikel 2.1.a Bbz 2004). Als redelijke termijn geldt in het algemeen een periode van 1,5 jaar. Beginnende zelfstandigen die bij de start Bbz-uitkering ontvangen worden echter pas na 3 jaar als gevestigde zelfstandige aangemerkt.
Bbz-uitkering wordt aan de gevestigde zelfstandige verstrekt als renteloze geldlening (artikel 11.1 Bbz 2004). De uitkering duurt maximaal 12 maanden. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk als de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard (artikel 18 Bbz 2004). Het gaat hier om omstandigheden die niet het gevolg zijn van een gebrek aan levensvatbaarheid van het bedrijf zelf. Denk bijvoorbeeld aan slechte bereikbaarheid wegens een wegopbreking.
Na afloop van het boekjaar wordt het recht op bijstand definitief vastgesteld waarbij de lening kan worden om gezet in bijstand ‘om niet’ als er een ontoereikend inkomen was. Deze omzetting is niet mogelijk als het eigen vermogen de vermogensgrenzen van artikel 3 Bbz 2004 overschrijdt (artikel 12 Bbz 2004).
Bedrijfskapitaal wordt aan de gevestigde zelfstandige verleend in de vorm van een rentedragende geldlening, heeft een looptijd van maximaal 10 jaar en kent een maximum bedrag (artikel 20.1 Bbz 2004). Het rentepercentage is vermeld in artikel 15 Bbz 2004. Als naast bedrijfskapitaal bijstand voor het levensonderhoud nodig is wordt daarvoor een bedrag opgenomen in het bedrijfskapitaal (artikel 20.2. Bbz 2004).
Ook kan borgtocht worden verleend maar in de praktijk wordt van deze vorm van bijstandsverlening niet of nauwelijks gebruik gemaakt.
Na verstrekking van een rentedragende geldlening of borgtocht bestaat ambtshalve recht op een bedrag ‘om niet’ als het inkomen in het jaar van aanvraag of in het daaraan voorafgaande jaar lager was dan de bijstandsjaarnorm (artikel 21.1 Bbz 2004). Omdat de zelfstandige zelf kan overzien in welk jaar de bijstandsbehoefte het grootst is wordt de keuze aan de zelfstandige overgelaten. Het keuzejaar kan bij de aanvraag worden aangegeven maar ook op het moment dat het inkomen van de zelfstandige over beide jaren bekend is.
Het bedrag ‘om niet’ wordt gebruikt voor aflossing van het bedrijfskapitaal. Het wordt verleend met ingang van de eerste dag die volgt op het gekozen boekjaar. Vanaf deze dag wordt de rente herberekend. Ook hier moet rekening worden gehouden met de vermogensgrenzen.
Als het bedrijfskapitaal in de vorm van borgtocht is verstrekt, wordt het bedrag ‘om niet’ aan de belanghebbende uitgekeerd, die dit bedrag moet gebruiken voor aflossing en betaling van rente van de banklening waarvoor de borgtocht geldt.
Als de zelfstandige in het keuzejaar ook een Bbz-uitkering heeft ontvangen wordt eerst de definitieve uitkering vastgesteld. Als de bijstand ‘om niet’ daarbij wordt gemaximeerd naar de periode dat de uitkering was toegekend, kan de rest van het inkomenstekort ten opzichte van de jaarnorm worden toegekend als bijstand ‘om niet’ op grond van artikel 21.1 Bbz 2004.
De totale bijstand ‘om niet’ mag niet méér bedragen dan de jaarnorm. Het bedrag ‘om niet’ mag ook niet meer zijn dan het verstrekte bedrijfskapitaal.
Over het eerste en tweede (boek)jaar na het jaar van aanvraag bestaat recht op ambtshalve kwijtschelding van rente (artikel 21 lid 2 en 3). Bij borgtocht bestaat de kwijtschelding uit een verstrekking van bijstand ‘om niet’ die moet worden aangewend voor betaling van rente en aflossing aan de bank.
Het bedrag van de kwijtschelding is zo groot als het verschil tussen de bijstandsjaarnorm en het inkomen in het jaar van de rentekwijtschelding maar mag niet hoger zijn dan de renteverplichting in het betreffende jaar. Als in hetzelfde jaar ook Bbz-uitkering is verstrekt, mogen de rentekwijtschelding en de definitieve bijstand ‘om niet’ tezamen niet meer bedragen dan de jaarnorm.
Er zijn gevestigde zelfstandigen die duurzaam een inkomen beneden bijstandsniveau hebben maar die er toch in slagen hun beroep of bedrijf in stand te houden zonder ernstige schulden op te bouwen, de zgn. ‘marginale zelfstandigen’. Het gaat hierbij om personen, die bijvoorbeeld vanwege hun leeftijd, kennis en ervaring niet in staat zijn het bedrijf of beroep te verbeteren, terwijl een andere mogelijkheid om in het bestaan te voorzien nauwelijks voorhanden is.
Bij zulke bedrijven is een enkele financiële tegenslag al gauw fataal. In zo'n geval kan bijstand ‘om niet’ worden verstrekt voor bedrijfskapitaal, wanneer verder ook het vermogen beneden de grens ligt en de kredietbehoefte niet groter is dan het maximumbedrag van artikel 22 Bbz 2004.
De marginale zelfstandige kan ook Bbz-uitkering ontvangen als deze maximaal zes maanden nodig is. De uitkering wordt direct ‘om niet’ verstrekt op grond van artikel 19 Bbz 2004. In zo'n geval moet er geen sprake zijn van seizoensinvloeden e.d. maar van regelmatig gevormd inkomen, waardoor bij benadering vooruit te zeggen valt hoe hoog het jaarinkomen (en dus de bijstand) zal gaan uitvallen.
Een oudere zelfstandige volgens artikel 2.1.c Bbz 2004 is 55 jaar of ouder, hij heeft voorafgaand aan de aanvraag het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar uitgeoefend en het bedrijf of zelfstandig beroep is niet levensvatbaar.
De oudere zelfstandige heeft recht op Bbz-uitkering als hij een inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep haalt dat voldoet aan een in artikel 25 Bbz 2004 gesteld minimumbedrag. Wanneer het inkomen anders dan incidenteel onder dat niveau daalt moet de uitkering worden beëindigd. De uitkering wordt verstrekt als geldlening die na afloop van het boekjaar definitief wordt vastgesteld (artikel 11 en 12 Bbz 2004) tenzij het eigen vermogen hoger is dan de grens van artikel 3..2 Bbz 2004.
De oudere heeft recht op een bedrijfskapitaal waarvan het maximumbedrag is vermeld in artikel 26 Bbz 2004.
De grens voor het eigen vermogen van de oudere zelfstandige is ruim omdat het vermogen niet alleen voor het bedrijf is bestemd, maar ook voor een oudedagsvoorziening (zie punt 4 van de algemene toelichting Bbz-oud). Als het eigen vermogen groter is dan het toegestane maximum is bijstand ‘om niet’ uitgesloten. De Bbz-uitkering en het bedrijfskapitaal worden dan verstrekt als renteloze lening die na de bijstandsperiode moet worden afgelost met tenminste 10 procent per jaar (artikel 3.2, 13 en 26, Bbz 2004).
In Amsterdam geldt sinds vele jaren dat ander vermogen dan vermogen in het bedrijf en in het eigen huis, niet aan bijstandsverlening aan de oudere zelfstandige in de weg staat zolang het eigen vermogen lager is dan de vermogensgrens voor de oudere zelfstandige.
Een zelfstandige van 55 jaar of ouder met een levensvatbaar bedrijf, is geen oudere zelfstandige volgens artikel 2.1.c Bbz 2004. Het recht op bijstand moet dan getoetst worden aan de voorwaarden die gelden voor de gevestigde zelfstandige.
Een zelfstandige die zijn bedrijf of zelfstandig beroep gaat beëindigen kan in aanmerking komen voor Bbz-uitkering als zijn bedrijf niet levensvatbaar is. Hij moet het bedrijf of beroep zo spoedig mogelijk beëindigen, in elk geval binnen 12 maanden (artikelen 27 Bbz 2004). De termijn kan met maximaal 12 maanden worden verlengd als beëindiging binnen 12 maanden absoluut niet mogelijk is. Als het bedrijf niet wordt beëindigd wordt de verstrekte uitkering, ongeacht het behaalde bedrijfsresultaat, volledig teruggevorderd.
Een zelfstandige van 55 jaar of ouder die het bedrijf noodgedwongen moet beëindigen heeft mogelijk na de bedrijfsbeëindiging recht op Ioaz-uitkering. De Ioaz-aanvraag moet vóór de bedrijfsbeëindiging worden ingediend.
Op grond van artikel 2.1.e.en artikel 28 Bbz 2004 heeft een zelfstandige die wegens arbeidsongeschiktheid een Waz-uitkering heeft aangevraagd recht op Bbz-uitkering. Aangezien de Waz niet meer open staat voor zelfstandigen die na 30 september 2004 arbeidsongeschikt zijn geworden, is het vrijwel uitgesloten dat nog Bbz-aanvragen op grond van dit artikel zullen worden gedaan.
Dat wil niet zeggen dat zelfstandigen die (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geraken geen beroep kunnen doen op het Bbz 2004. Een zelfstandige kan bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor Bbz-uitkering in aanmerking komen als de verwachting is dat hij tijdens en in ieder geval na afloop van de arbeidongeschiktheid zijn bedrijf of beroep kan voortzetten en als het bedrijf dan nog levensvatbaar is. De termijn van bijstandsverlening aan de gevestigde zelfstandige die arbeidsongeschikt is, is maximaal 12 maanden met de mogelijkheid van maximaal 24 maanden verlenging als de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard. Arbeidsongeschiktheid kan als externe omstandigheid van tijdelijke aard worden beschouwd omdat de bijstandsbehoefte niet is gelegen in de wijze van bedrijfsvoering. Wel moet worden bedacht dat de vaste lasten van het bedrijf tijdens de arbeidsongeschiktheid doorgaan. Het kan nodig zijn om daarvoor bedrijfskapitaal toe te kennen. In dat geval moet de bijstand voor levensonderhoud worden meegefinancierd in het bedrijfskapitaal. Bij langdurige arbeidsongeschiktheid kunnen de vaste lasten de levensvatbaarheid in de weg staan.
Als duidelijk is dat het bedrijf op termijn niet levensvatbaar is of dat de arbeidsongeschiktheid blijvend is, moet de zelfstandige de keuze worden voorgehouden: doorgaan met het bedrijf zonder bijstandssteun, of beëindigen van het bedrijf met Bbz-uitkering als beëindigende zelfstandige.
Voor een beginnende zelfstandige die arbeidsongeschikt raakt tijdens de start blijft gelden dat het bedrijf of zelfstandig beroep uiterlijk 36 maanden na de start levensvatbaar moet zijn.
Personen die een WWB-uitkering ontvangen en die een bedrijf of zelfstandig bedrijf willen starten kunnen gedurende een voorbereidingsperiode van ten hoogste 12 maanden algemene bijstand blijven ontvangen. Bovendien is in artikel 29 Bbz 2004 bepaald dat zij in aanmerking komen voor een renteloze geldlening voor kosten die met de voorbereiding samenhangen.
Als in aansluiting op de voorbereidingsperiode geen bedrijf of zelfstandig beroep wordt gestart wordt de renteloze geldlening omgezet in bijstand ‘om niet’. Als in aansluiting op de voorbereidingsperiode wel een bedrijf of zelfstandig beroep wordt gestart wordt de renteloze geldlening omgezet in een rentedragende geldlening. De rente is gelijk aan de rente die geldt voor bedrijfskapitalen (artikel 15 Bbz 2004). Als de starter een bedrijfskapitaal heeft aangevraagd wordt de geldlening zo mogelijk meegefinancierd in het bedrijfskapitaal.
De aanvrager moet als zelfstandige arbeid verrichten door het vervoeren of opslaan van goederen met een schip dat bestemd is voor (of wordt gebruikt voor) het vervoer van goederen op Nederlandse binnenwateren. Onder binnenwateren worden mede begrepen de Waddenzee, de Dollard en het IJsselmeer maar niet de Noordzee of overige grote vaart. De aanvrager kan ook sleper of duwer zijn, mits hij een daartoe bestemde boot heeft. Als de schipper op het moment van aanvraag verblijft in de provincie Noord-Holland moet hij de aanvraag indienen in Amsterdam. Voor de andere provincies zijn andere gemeenten aangewezen.
Het gaat niet om de ligplaats van het schip maar om de verblijfplaats van de schipper. De ligplaats van het schip is doorslaggevend wanneer de binnenvaartondernemer daar ook feitelijk verblijft maar elders een postadres heeft. De bijstand heeft mede betrekking op de gezinsleden, ook als die elders verblijven.
Artikelen die specifiek betrekking hebben op de ondernemer in de binnenvaart zijn: artikel 1.k, 36, 48.2 en 50 Bbz 2004.
De Bbz-uitkering vormt een aanvulling op het gezinsinkomen. Tezamen mogen gezinsinkomen en uitkering in een jaar niet hoger zijn dan de jaarnorm. Door inkomensschommelingen kan het exacte inkomen niet tijdens het jaar worden bepaald en daarom wordt de maandelijkse uitkering gebaseerd op een schatting.
Doorgaans wordt de uitkering in de vorm van een renteloze lening verstrekt.
Uitzondering daarop is de uitkering aan de gevestigde zelfstandige met een
duurzaam laag inkomen en een kortdurende bijstandsbehoefte van maximaal 6 maanden.
Aan hem wordt de Bbz-uitkering direct ‘om niet’ verstrekt.
Ook kan bij hoge uitzondering aan de gevestigde of beëindigende zelfstandige Bbz-uitkering direct ‘om niet’ worden
verstrekt als volstrekt duidelijk is dat het jaarinkomen niet tot terugvordering
van (een deel van) de uitkering kan leiden.
Als het eigen vermogen hoger is dan de vermogensgrenzen van artikel 3 Bbz 2004 moet de als geldlening verstrekte Bbz-uitkering worden terugbetaald ongeacht het behaalde inkomen (artikel 13 Bbz 2004). De terugbetaling start met ingang van het jaar dat volgt op het laatste jaar van bijstandsverlening. De looptijd van deze renteloze geldlening is maximaal tien jaar. Artikel 13 Bbz 2004 is ook van toepassing op het aan een oudere zelfstandige als geldlening verstrekte bedrijfskapitaal (artikel 26 Bbz 2004).
In alle andere gevallen wordt na afloop van het boekjaar de definitieve bijstand berekend aan de hand van de informatie en de gegevens die de zelfstandige over het boekjaar moet leveren. Met name de jaarrekening van het bedrijf en de aangifte inkomstenbelasting zijn hierbij van belang.
Als het jaarinkomen lager is dan de jaarnorm wordt voor het verschil – het inkomenstekort – definitieve bijstand ‘om niet’ toegekend. De eerder verstrekte Bbz-uitkering wordt daarmee verrekend. Een eventueel tegoed wordt nabetaald, teveel verstrekte uitkering wordt teruggevorderd. Als het jaarinkomen hoger is dan de jaarnorm wordt de verstrekte Bbz-uitkering volledig teruggevorderd (artikel 12 Bbz 2004).
Als de Bbz-uitkering is toegekend over een deel van het jaar mag de definitieve bijstand niet meer bedragen dan de naar evenredigheid van de toegekende periode berekende jaarnorm: de uitkering wordt ‘gemaximeerd’.
De bijstand ‘om niet’ wordt belast in het jaar waarin de definitieve vaststelling wordt geboekt, niet in het jaar waarover de uitkering is verleend. Als de zelfstandige hierdoor fiscaal in de problemen komt kan hij bij de Belastingdienst om middeling verzoeken.
Als de zelfstandige ook na herhaald verzoek geen jaarcijfers en overige gegevens overlegt wordt de verstrekte Bbz-uitkering volledig teruggevorderd op grond van artikel 45.1.b. Bbz 2004.
Als de zelfstandige hoge woonkosten heeft en geen recht op huurtoeslag, dan wordt naast de Bbz-uitkering bijzondere bijstand voor hoge woonkosten (woonkostentoeslag) toegekend. Bbz-uitkering, en dus ook woonkostentoeslag, wordt doorgaans alleen verstrekt als het bedrijf van de aanvrager levensvatbaar is. Van levensvatbaarheid is slechts sprake als de zelfstandige na de bijstandsverlening volledig in de noodzakelijke kosten van het bestaan, dus ook in zijn hoge woonkosten, kan voorzien.
Er wordt geen verhuisverplichting opgelegd omdat de verwachting is dat de aanvrager na een korte, tijdelijke periode van bijstandsverlening de hoge woonkosten weer zelf kan betalen. Daarbij komt dat de woonkostentoeslag evenals de Bbz-uitkering als geldlening wordt verstrekt. Het is goed mogelijk dat bij de definitieve vaststelling van de uitkering blijkt dat het inkomen op jaarbasis toereikend is geweest. De verstrekte uitkering en de woonkostentoeslag worden dan volledig teruggevorderd. Ook om die reden wordt vooraf geen verhuisverplichting opgelegd.
Bbz-uitkering aan de oudere zelfstandige wordt in principe toegekend tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Gelet op de langere duur van de bijstandsverlening kan in dat geval wel een verhuisverplichting worden opgelegd.
Woonkostentoeslag voor een eigen woning heeft fiscale consequenties. Na overleg met het ministerie is besloten daar als volgt mee om te gaan:
Om te bevorderen dat de klant fiscaal correct handelt wordt aan hem meegedeeld dat hij de bijstand ‘om niet', zoals hiervoor beschreven, in mindering moet brengen op de aftrekpost eigen woning. Dit staat vermeld in het besluit waarin de bijstand ‘om niet' wordt toegekend.
Het bedrijfskapitaal kan bestemd zijn voor betaling van schulden en voor uiteenlopende investeringen. Herfinanciering van langlopende bankleningen is niet mogelijk tenzij de bank bereid is de lening voor een belangrijk deel kwijt te schelden onder voortzetting van normale bankfinanciering. Herfinanciering van kortlopende leningen is mogelijk voor zover de financiële lasten van deze leningen niet kunnen worden nagekomen. Herfinanciering van een familielening is slechts mogelijk als die lening in afwachting van de beslissing op een Bbz-aanvraag beschikbaar is gesteld.
Aangezien bijstand in een gezinssituatie aan beide echtgenoten wordt toegekend is de echtgenoot/partner van de zelfstandige hoofdelijk aansprakelijk voor nakoming van alle verplichtingen die uit de bijstandsverlening voortvloeien.
De looptijd van de lening is maximaal 10 jaar (artikel 15.1.b Bbz 2004). In het algemeen wordt een kortere looptijd aangehouden, gekoppeld aan bijvoorbeeld de te verwachten levensduur van het aan te schaffen goed. Onder looptijd wordt de periode verstaan die ligt tussen de datum van verstrekking en de laatste aflossingstermijn. In verband met het risico dat de zelfstandige niet voldoet aan de rente- en aflossingsverplichtingen kan het gewenst zijn om zekerheden te bedingen.
Meestal heeft het bedrijfskapitaal de vorm van een rentedragende lening (artikel 15 Bbz 2004). Bij uitzondering wordt bedrijfskapitaal direct ‘om niet’ verstrekt, als renteloze geldlening of in de vorm van borgtocht.
Bedrijfskapitaal wordt direct ‘om niet’ verstrekt aan:
Bedrijfskapitaal in de vorm van een renteloze lening wordt verstrekt aan de oudere zelfstandige met een vermogen dat hoger is dan het bedrag genoemd in artikel 3.2 Bbz 2004 (bedrijfskapitaal oudere zelfstandige artikel 26 Bbz 2004).
Bedrijfskapitaal kan ook in de vorm van borgtocht worden toegekend maar in de huidige praktijk komt dat niet voor (artikel 16 Bbz 2004). De inning van rente en aflossing geschiedt in zo’n geval door de bank. De gemeente moet met de bank een borgtochtovereenkomst aan gaan. Nadeel van deze wijze van financieren voor de zelfstandige is dat afsluitprovisie en soms iets hogere rente betaald moet worden, welke kosten buiten de borgtocht vallen
Wanneer de bijstandsverlening voor bedrijfskapitaal een samenwerkingsvorm betreft, geldt als voorwaarde dat alle vennoten of leden zich hoofdelijk aansprakelijk stellen voor nakoming van de verplichtingen die uit de bijstandsverlening voortvloeien. Dit geldt ook voor de rechtspersoon als het bedrijf in de vorm van een besloten vennootschap of coöperatieve vereniging WA wordt uitgeoefend. Bovendien geldt de eis dat de medevennoten, als zij als rechthebbenden op bijstand kunnen worden aangemerkt, ieder naar rato een aanvraag voor bedrijfskapitaal indienen in de eigen woonplaats.
Het komt voor dat de kredietbehoefte groter is dan de maximale bedrijfskapitalen op grond van het Bbz 2004. Als de verwachting is dat de ontbrekende financiering kan worden verkregen bij een bank of op andere wijze, dan kan het Bbz-bedrijfskapitaal worden toegekend onder de opschortende voorwaarde dat die externe financiering rond komt.
In artikel 14 lid 2 Bbz 2004 is bepaald dat op een bedrijfskapitaal geen voorschot mag worden verstrekt. Als een gevestigde zelfstandige zowel bijstand voor levensonderhoud als bedrijfskapitaal heeft aangevraagd, wordt voor het levensonderhoud een bedrag opgenomen in het bedrijfskapitaal. Voor de component levensonderhoud in het bedrijfskapitaal mogen dan wel voorschotten worden verleend.
Op grond van artikel 38 Bbz 2004 leggen wij verplichtingen op die te maken hebben met een doelmatige bedrijfs- of beroepsuitoefening. Voorbeelden hiervan zijn:
In artikel 39 lid 1 en 2 Bbz 2004 is bepaald wat in ieder geval in de toekenningsbeschikking van een bedrijfskapitaal moet zijn opgenomen:
Op grond van artikel 39.3 Bbz 2004 kunnen wij verplichtingen aan de lening verbinden die gericht zijn op meerdere zekerheid voor de nakoming van de rente- en aflossingsverplichtingen. Wij maken daar gebruik van door de zelfstandige een akte bedrijfskapitaal te laten ondertekenen alvorens de lening te verstrekken. Bovendien kan de zelfstandige worden verplicht om mee te werken aan het vestigen van hypotheek of pandrecht als hij over onroerende respectievelijk roerende zaken beschikt. Voor het vestigen van hypotheek wordt een notaris ingeschakeld. Het recht op pand wordt geregistreerd bij de belastingdienst.
Als de zelfstandige niet in staat is om aan de betaalverplichting van de lening te voldoen, kan hij een met redenen omkleed verzoek om uitstel of verlaging indienen (artikel 41 Bbz 2004). In het verzoek moet de zelfstandige aangeven waarom uitstel of verlaging nodig is en voor hoe lang. Hij moet aangeven hoe hij de betalingsonmacht gaat aanpakken en aannemelijk maken dat hij na de periode van uitstel of verlaging weer aan de betaalverplichting zal kunnen voldoen.
Uitstel kan worden gegeven als de zelfstandige niet in staat is om rente noch aflossing te voldoen. Uitstelwordt voor een periode van ten hoogste één jaar verleend. Deze periode kan twee keer met een periode van ten hoogste één jaar worden verlengd. Aldus kan maximaal drie jaar uitstel van betaling worden verleend (artikel 41.2 Bbz 2004).
Er zijn drie mogelijkheden voor verlaging:
In artikel 41 Bbz 2004 is geen maximale termijn gegeven voor verlaging van de betaalverplichting. Dit betekent dat langer dan drie jaar verlaging van betaling kan worden verleend zolang nog (een deel van de) rente wordt betaald, tenzij moet worden aangenomen dat de zelfstandige duurzaam niet aan zijn verplichtingen kan voldoen.
Als de zelfstandige, al dan niet verwijtbaar, verplichtingen van de lening niet nakomt, wordt de lening opgeëist en/of teruggevorderd.
In de akte bedrijfskapitaal worden een aantal redenen genoemd voor het opeisen van het bedrijfskapitaal, o.a:
Als de lening is opgeëist is de zelfstandige verplicht om de lening zo spoedig mogelijk volledig af te lossen.
Bij beëindiging van het bedrijf of beroep moet de lening volledig worden terugbetaald (artikel 43.1 Bbz 2004).Hiertoe wordt de lening opgeëist per beschikking. In de beschikking wordt een onderzoek naar de bedrijfsbeëindiging
aangekondigd.
Alle middelen die beschikbaar komen door de bedrijfsbeëindiging moeten worden aangewend om de lening en de eventuele rente-achterstand per datum bedrijfsbeëindiging,
te voldoen. Aanvaardbaar is dat een huurachterstand van de bedrijfsruimte bij
voorrang wordt voldaan uit de liquidatie-/verkoopopbrengst als de verhuurder
bereid is om het huurcontract voortijdig te ontbinden.
Als hypotheek is gevestigd op de eigen woning kan de zelfstandige verzoeken om de rentedragende lening te handhaven. De hoogte van de aflossing is dan gebaseerd op het Uitvoeringsbesluit Wwik.
Als uit het beëindigingsonderzoek blijkt dat de zelfstandige de beschikbare middelen heeft aangewend om de lening af te lossen en een eventuele rente-achterstand te voldoen, wordt het resterende deel van de lening renteloos gemaakt. Vanaf de datum bedrijfsbeëindiging geldt voor deze renteloze lening gedurende 5 jaren een aflosverplichting van 50% van het inkomen boven bijstandsniveau. Zolang het inkomen op of onder bijstandsniveau ligt is geen aflossing verschuldigd (artikel 43.2 Bbz 2004).
Het resultaat van het beëindigingsonderzoek en het bedrag van de aflosverplichting dan wel het ontbreken van een actuele aflosverplichting, wordt per beschikking aan de gewezen zelfstandige meegedeeld.
Als uit het onderzoek blijkt dat de zelfstandige beschikbare middelen niet heeft aangewend voor terugbetaling van de lening, is hij de verplichtingen van de lening niet of niet behoorlijk nagekomen. Dit is ook het geval als bedrijfsmiddelen niet te gelde zijn gemaakt. De lening blijft voor het deel dat ten onrechte niet is terugbetaald rentedragend en wordt voor dat deel teruggevorderd (artikel 47 Bbz 2004).
Het resultaat van het beëindigingsonderzoek wordt per beschikking aan de gewezen zelfstandige meegedeeld. De vordering die uit het besluit voortvloeit wordt overgedragen aan de afdeling Handhaving.
In artikel 44.1 Bbz 2004 is bepaald dat kosten van bijstand op grond van het Bbz 2004 worden teruggevorderd in de gevallen en naar de regels van artikel 12.2.c Bbz 2004 (Bbz-uitkering na definitieve vaststelling) en de hoofdstukken V en VI Bbz 2004. Voor wat betreft het bedrijfskapitaal zijn in hoofdstuk V de artikelen 40 (terugvordering bedrijfskapitaal na aanmaning), 41.4 (terugvordering bedrijfskapitaal wegens duurzame betalingsonmacht) en 41.5 (terugvordering achterstallige rente- en aflossing) van toepassing. In hoofdstuk VI is artikel 47 van toepassing op het bedrijfskapitaal (terugvordering bedrijfskapitaal wegens het niet nakomen van verplichtingen die uit de geldlening voortvloeien).
Als de zelfstandige niet aan de rente- en aflossingsverplichtingen voldoet stuurt Team Zelfstandigen een brief waarin de zelfstandige opnieuw wordt gemaand te betalen (de eerdere aanmaning is automatisch verstuurd). Als de zelfstandige na de aanmaningsbrief niet betaalt en evenmin uitstel of verlaging van de betaalverplichting verzoekt, wordt de lening teruggevorderd (artikel 40 Bbz 2004).
De vordering wordt door Team Zelfstandigen overgedragen aan de afdeling Handhaving van DWI. Na terugvordering is artikel 60 WWB van overeenkomstige toepassing. Dat houdt in dat invordering kan plaatsvinden bij dwangbevel, dat verrekend kan worden met uitkeringen, dat beslag kan worden gelegd en dat de vordering preferent is.
Als de zelfstandige duurzaam niet aan zijn betalingsverplichting kan voldoen of al drie jaar uitstel van betaling heeft gehad, wordt de lening teruggevorderd (artikel 41.4 Bbz 2004).
De vordering wordt door Team Zelfstandigen overgedragen aan de afdeling Handhaving van DWI. Na terugvordering is artikel 60 WWB van overeenkomstige toepassing. Dat houdt in dat invordering kan plaatsvinden bij dwangbevel, dat verrekend kan worden met uitkeringen, dat beslag kan worden gelegd en dat de vordering preferent is.
Als een zelfstandige niet aan zijn betaalverplichting voldoet terwijl hij daar wel toe in staat is, kunnen de achterstallige rente- en aflossingsbedragen worden teruggevorderd (artikel 44.5 Bbz 2004). In de praktijk maken wij weinig of geen gebruik van deze mogelijkheid omdat in die situatie meestal de gehele lening wordt teruggevorderd wegens wanbetaling.
Bij 15.9.13.1 zijn een aantal redenen genoemd die aanleiding zijn om de lening op te eisen. Als de zelfstandige de lening niet terugbetaalt nadat deze is opgeëist, komt hij de verplichtingen van de lening niet of niet behoorlijk na. De lening wordt dan teruggevorderd op grond van artikel 47 Bbz 2004.
De zelfstandige kan zijn schuldeisers in twee situaties verzoeken om mee te werken aan een schuldregeling of aan een akkoord (artikel 42 Bbz 2004):
Onder een schuldregeling wordt verstaan een regeling waarbij schuldeisers, gezien de zwakke positie van de zelfstandige, bereid zijn (een gedeelte van) de schuld kwijt te schelden of voorlopig niet in te vorderen.
Onder een akkoord wordt verstaan gedeeltelijke betaling van de schulden tegen finale kwijting.
Als wij een bedrijfskapitaal hebben verstrekt kunnen wij aan een schuldregeling of akkoord meewerken. Bij voortzetting van het bedrijf kunnen de financiële middelen voor het akkoord verkregen worden uit een nieuw krediet, wat ook een Bbz-bedrijfskapitaal kan zijn. Bij bedrijfsbeëindiging kan het akkoord worden gefinancierd uit de opbrengst van de verkoop van het bedrijf cq de bedrijfsmiddelen. Artikel 43 Bbz 2004 vindt dan geen toepassing meer.
Indien nodig wordt aan een externe deskundige opdracht gegeven voor een bedrijfseconomisch- of een bedrijfstechnisch onderzoek, waaronder begrepen de taxatie van vermogensbestanddelen. Dit onderzoek moet resulteren in een schriftelijk (advies-)rapport.
In artikel 5 lid 2 Regeling financiering en verantwoording Ioaw, Ioaz en Bbz 2004 worden de volgende rapporten onderscheiden:
a. Uitgebreid rapport voor bijstandsverlening aan een gevestigde of beginnende zelfstandige
b. Verkort rapport voor bijstandsverlening aan een gevestigde of beginnende zelfstandige
c. Rapport voor bijstandsverlening aan een oudere of beëindigende zelfstandige
d. Nader of vervolgrapport voor bijstandsverlening aan een zelfstandige
De prijs van een verkort rapport (b) is ongeveer 60% van een uitgebreid rapport (a).
De prijs van een rapport voor de oudere of beëindigende zelfstandige (c) en voor een nader of vervolgrapport is ongeveer 35% van een uitgebreid rapport (a).
Het rijk vergoedt 90% van de kosten van de rapporten aan de gemeente voor zover de kosten niet hoger zijn dan de bedragen die genoemd worden in artikel 5 lid 2 Regeling financiering en verantwoording Ioaw, Ioaz en Bbz 2004.
Sinds 1 januari 2010 worden rapporten voor verlening van Ioaz niet meer door het rijk vergoed. Hetzelfde geldt voor de kosten van managementbegeleiding aan startende zelfstandigen. Deze kosten moeten nu uit het gemeentefonds worden betaald.
De rechtsgrond van de beschikking vervalt zodra de termijn van de opschorting is verstreken en de belanghebbende niet aan de voorwaarden heeft voldaan. De zelfstandige kan echter aan Team Zelfstandigen verzoeken om de termijn te verlengen.
Op het terugvorderingsbesluit is artikel 60 WWB van toepassing (artikel 44.3 Bbz 2004). Dit houdt in dat invordering kan plaatsvinden bij dwangbevel, dat verrekend kan worden met uitkeringen, dat beslag kan worden gelegd en dat de vordering preferent is.
De zelfstandige wordt verzocht om het gevorderde bedrag ineens te voldoen. Het is immers mogelijk dat hij de vordering voorzag respectievelijk hiervoor heeft gereserveerd.
In het terugvorderingsbesluit wordt meegedeeld dat de vordering wordt overgedragen aan de afdeling Handhaving. Als de zelfstandige meent het gevorderde bedrag niet ineens te kunnen voldoen, kan hij afdeling Handhaving verzoeken om een betalingsregeling.
Bij de definitieve vaststelling van de uitkering kan het voorkomen dat (een deel van) de verstrekte uitkering moet worden teruggevorderd wegens het behaalde inkomen (artikel 12.2.c. Bbz 2004).
Als de zelfstandige geen of onvoldoende gegevens levert voor de definitieve vaststelling wordt de verstrekte Bbz-uitkering teruggevorderd op grond van artikel 45.1.b. Bbz 2004.
Als de zelfstandige de informatieplicht schendt wordt de Bbz-uitkering teruggevorderd op grond van artikel 45.1.a. Bbz 2004. In dat geval wordt de uitkering niet meer definitief vastgesteld.
Als de Bbz-uitkering onverschuldigd is verstrekt en de zelfstandige had dit redelijkerwijs kunnen begrijpen, wordt deze teruggevorderd op grond van artikel 45.2. Bbz 2004. Terugvordering op deze grond is niet mogelijk als de uitkering meer dan twee jaar daarvoor is verstrekt (artikel 45.3 Bbz 2004).
Een voorbereidingskrediet wordt teruggevorderd als er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 45.1.c. Bbz 2004). Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de aspirant-zelfstandige zich onvoldoende inzet tijdens de voorbereidingsperiode.
Artikel 44.2 Bbz 2004 biedt de mogelijkheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Dit artikel geldt met name voor bijstand die ‘om niet’ is verstrekt.
Leningen vallen in principe niet hieronder. Immers, als besloten wordt om een lening niet terug te vorderen, is er nog steeds sprake van een - niet teruggevorderde - lening. Pas als deze wordt kwijtgescholden is er daadwerkelijk geen vordering meer. Met uitzondering van de kwijtschelding 5 jaar na bedrijfsbeëindiging, zijn voor het kwijtschelden van Bbz-leningen geen regels gesteld in de WWB, het Bbz 2004 of de gemeentelijke verordening resp. beleidregels.
Nadat een lening is teruggevorderd zijn de gemeentelijke regels over het afzien van invordering dan wel kwijtschelding wel van toepassing. Zie hiervoor artikel 6.3 Invordering en kwijtschelding van de Beleidsregels inkomensvoorzieningen WWB, IOAW, IOAZ en WIK. Afdeling Handhaving gaat hierover. Team Zelfstandigen gaat slechts over de kwijtschelding van het bedrijfskapitaal nadat gedurende 5 jaar na de bedrijfsbeëindiging aan de betaalverplichting is voldaan.
Als het eigen vermogen hoger is dan de vermogensgrenzen van artikel 3 Bbz 2004 moet de als geldlening verstrekte Bbz-uitkering worden terugbetaald ongeacht het behaalde inkomen. De aflossing start met ingang van het jaar dat volgt op het laatste jaar van bijstandsverlening. De looptijd van deze renteloze geldlening bedraagt maximaal tien jaar. Voor het als renteloze geldlening verstrekte bedrijfskapitaal aan de oudere zelfstandige gelden dezelfde aflossingsregels (artikel 13 Bbz 2004).
Alleen als de zelfstandige niet aan de betaalverplichting van de lening voldoet wordt de lening teruggevorderd op grond van artikel 47 Bbz 2004 en vervolgens overgedragen aan afdeling Handhaving.
Amsterdamse zelfstandigen en Amsterdammers die zelfstandige willen worden kunnen terecht bij Team Zelfstandigen van DWI Amsterdam. Informatie kan worden gevonden op de website van DWI Amsterdam (www.dwi.amsterdam.nl) onder bijzondere klanten / team zelfstandigen.
Ook kan worden gebeld naar het telefonisch spreekuur: 020-346 3667, maandag tot en met donderdag van 9.30 tot 11.00 uur.
Bovendien geeft Team Zelfstandigen iedere dinsdagmiddaq voorlichting over de mogelijkheden die DWI kan bieden aan degenen die zelfstandige (willen) worden.
Een beginnende zelfstandige kan voor de start van zijn bedrijf bijstand aanvragen bij Team Zelfstandigen. Als hij tot de doelgroep van het Bbz 2004 behoort kan aan hem bijstand worden verleend in de vorm van Bbz-uitkering en in de vorm van bedrijfskapitaal. De aanvraagprocedure hiervoor start altijd met een bezoek aan de startersvoorlichting. Belangstellenden kunnen zich op dinsdag uiterlijk 14.15 uur aanmelden bij de receptie van Werkplein Noord op adres Klaprozenweg 91, 1033 NN Amsterdam. Verzocht wordt om een legitimatie en zo mogelijk een uitkeringsspecificatie te tonen.
Voor het indienen van een aanvraag is in ieder geval een volledig uitgewerkt ondernemingsplan vereist.
Het streven van Team Zelfstandigen is een aanvraagprocedure van maximaal 6 weken nadat de zelfstandige alle gevraagde gegevens heeft geleverd. Omdat extern advies wordt ingewonnen kan de aanvraagprocedure meer tijd in beslag nemen. Wettelijk is bepaald dat op de aanvraag binnen 13 weken een beslissing moet zijn genomen. Als binnen deze termijn geen beslissing mogelijk is kan de termijn met 13 weken worden verlengd. De aanvrager moet over de verlenging schriftelijk worden geïnformeerd (artikel 35 Bbz 2004).
Als de aanvrager een WWB-uitkering ontvangt kan deze worden voortgezet zolang niet is gestart met het bedrijf. Als de aanvrager al is gestart met het bedrijf moet de WWB-uitkering worden beëindigd en kan Team Zelfstandigen voorschotten verstrekken.
Gevestigde zelfstandigen met een levensvatbaar bedrijf dat al een redelijke termijn (minimaal 1,5 jaar) is gevestigd, kunnen bijstand aanvragen bij Team Zelfstandigen als zij in financiële problemen verkeren of dreigen te geraken. De bijstand kan worden verstrekt in de vorm van Bbz-uitkering en in de vorm van bedrijfskapitaal. Als de zelfstandige en zijn echtgenoot buiten het bedrijf een toereikend inkomen hebben zijn zij niet aangewezen op het inkomen in het bedrijf en kan geen bijstand worden verleend.
De zelfstandige kan bellen met Team Zelfstandigen tijdens het telefonisch spreekuur. Bij dit gesprek wordt globaal beoordeeld of er mogelijkheden zijn voor het indienen van een aanvraag. Als dat het geval is wordt een afspraak gemaakt voor een vervolggesprek of wordt een aanvraagformulier toegestuurd.
Om de (financiële) situatie van de zelfstandige en de levensvatbaarheid van zijn bedrijf te kunnen beoordelen moet de zelfstandige bij het indienen van de aanvraag onder meer jaarcijfers, financiële prognoses en een doorstartplan leveren.
Het streven van Team Zelfstandigen is een aanvraagprocedure van maximaal 6 weken nadat de zelfstandige alle gevraagde gegevens heeft geleverd. Als extern advies wordt ingewonnen kan de aanvraagprocedure meer tijd in beslag nemen. Wettelijk is bepaald dat op de aanvraag binnen 13 weken een beslissing moet zijn genomen. Als binnen deze termijn geen beslissing mogelijk is kan de termijn met 13 weken worden verlengd. De aanvrager moet over de verlenging schriftelijk worden geïnformeerd (artikel 35 Bbz 2004).
Als een Bbz-uitkering is aangevraagd kunnen, indien noodzakelijk, voorschotten worden verstrekt.
Zelfstandigen die behoren tot de doelgroep van de oudere zelfstandigen van het Bbz 2004, kunnen bijstand aanvragen bij Team Zelfstandigen als zij in financiële problemen verkeren of dreigen te geraken. De bijstand kan worden verstrekt in de vorm van Bbz-uitkering en in de vorm van bedrijfskapitaal. Als de zelfstandige en zijn echtgenoot buiten het bedrijf een toereikend inkomen hebben, zijn zij niet aangewezen op het inkomen in het bedrijf en kan geen bijstand worden verleend.
De zelfstandige kan bellen met Team Zelfstandigen tijdens het telefonisch spreekuur. Bij dit gesprek wordt globaal beoordeeld of er mogelijkheden zijn voor het indienen van een aanvraag. Als dat het geval is wordt een afspraak gemaakt voor een vervolggesprek of wordt een aanvraagformulier toegestuurd.
Om de (financiële) situatie van de zelfstandige en het verwachte bedrijfsinkomen te kunnen beoordelen moet de zelfstandige bij het indienen van de aanvraag onder meer jaarcijfers, financiële prognoses en een doorstartplan leveren.
Het streven van Team Zelfstandigen is een aanvraagprocedure van maximaal 6 weken nadat de zelfstandige alle gevraagde gegevens heeft geleverd. Als extern advies wordt ingewonnen kan de aanvraagprocedure meer tijd in beslag nemen. Wettelijk is bepaald dat op de aanvraag binnen 13 weken een beslissing moet zijn genomen. Als binnen deze termijn geen beslissing mogelijk is kan de termijn met 13 weken worden verlengd. De aanvrager moet over de verlenging schriftelijk worden geïnformeerd (artikel 35 Bbz 2004).
Als een Bbz-uitkering is aangevraagd kunnen, indien noodzakelijk, voorschotten worden versterkt.
Zelfstandigen met een ontoereikend inkomen die hun bedrijf gaan beëindigen, kunnen in de eindfase van hun bedrijf bijstand aanvragen. De bijstand wordt verstrekt in de vorm van een Bbz-uitkering.
Ook kunnen zelfstandigen die de laatste 10 jaar hebben gewerkt, waarvan in ieder geval de laatste 3 jaar als zelfstandige, een Ioaz-uitkering aanvragen. Een Ioaz-uitkering gaat in na de bedrijfsbeëindiging.
Het indienen van een Bbz-aanvraag of een Ioaz-aanvraag door zelfstandigen die hun bedrijf gaan beëindigen heeft slechts zin als dit gebeurt vóórdat het bedrijf is beëindigd.
De zelfstandige kan bellen met Team Zelfstandigen tijdens het telefonisch spreekuur. Bij dit gesprek wordt globaal beoordeeld of er mogelijkheden zijn voor het indienen van een aanvraag. Als dat het geval is wordt een afspraak gemaakt voor een vervolggesprek of wordt een aanvraagformulier toegestuurd.
Het streven van Team Zelfstandigen is een aanvraagprocedure van maximaal 6 weken nadat de zelfstandige alle gevraagde gegevens heeft geleverd. Als extern advies wordt ingewonnen kan de aanvraagprocedure meer tijd in beslag nemen. Wettelijk is bepaald dat op de aanvraag binnen 13 weken een beslissing moet zijn genomen. Als binnen deze termijn geen beslissing mogelijk is kan de termijn met 13 weken worden verlengd. De aanvrager moet over de verlenging schriftelijk worden geïnformeerd (artikel 35 Bbz 2004).
Als een Bbz-uitkering is aangevraagd kunnen, indien noodzakelijk, voorschotten worden versterkt.
De zelfstandige die zijn bedrijf gaat beëindigen of heeft beëindigd kan zich melden bij het UWV WERKbedrijf voor werk en, indien geen werk beschikbaar is, voor een WWB-uitkering. Om het recht op bijstand te kunnen beoordelen moet DWI onder meer vaststellen wat het vermogen (bezittingen en schulden) van de aanvrager is. Daarvoor moet de (ex-)zelfstandige informatie en financiële gegevens overleggen.
Op de slotbalans staan de bezittingen en schulden bij bedrijfsbeëindiging vermeld maar de slotbalans is niet altijd voorhanden. De balans van een voorgaand jaar kan een indicatie geven van de bezittingen en schulden maar is uiteraard niet actueel. Houdt er rekening mee dat een balans niet altijd de werkelijke waarde weergeeft. Er kan sprake zijn van goodwill en stille reserves die niet tot uitdrukking komen op de gepresenteerde balans. Anderzijds kan de waarde van de bezittingen lager zijn dan vermeld op de balans.
Vaak zal de gewezen zelfstandige zijn bedrijfsmiddelen al te gelde hebben gemaakt als hij bijstand aanvraagt: soms heeft hij een koper gevonden voor zijn hele bedrijf, soms heeft hij alleen de bedrijfsmiddelen los kunnen verkopen. In beide gevallen moet de gewezen zelfstandige bewijzen overleggen van de verkoop. Onderzocht kan worden of bijschrijvingen op bankrekeningen overeenkomen met de verkoopbewijzen.
Bij de vaststelling van het eigen (privé)vermogen moet rekening worden gehouden met schulden, lopende verplichtingen en toekomstige verplichtingen zoals bijvoorbeeld belastingverplichtingen die resteren na de bedrijfsbeëindiging. Uit de bankafschriften kan blijken dat schulden zijn voldaan uit de verkoopopbrengst van het bedrijf cq de bedrijfsmiddelen.
Om te kunnen beoordelen of de aanvrager daadwerkelijk is gestopt als zelfstandige kan gevraagd worden naar:
In geval van faillissement moet de zelfstandige correspondentie van de curator en de rechter-commissaris overleggen. Daaruit kan duidelijk worden wat is gebeurd met de bezittingen en de schulden van de failliet. Als een onderhandse schuldregeling of -akkoord tot stand is gekomen moet de aanvrager daarvan ook bewijs overleggen.
Als de zelfstandige een rentedragende lening voor bedrijfskapitaal heeft ontvangen van DWI/Team Zelfstandigen moet hij die bij bedrijfsbeëindiging volledig terugbetalen. In veel gevallen zal de zelfstandige na terugbetaling geen vermogen overhouden. Team zelfstandigen maakt de lening renteloos en int gedurende 5 jaar de aflossingen.
Als de zelfstandige na de bedrijfsbeëindiging in gebreke blijft de lening (deels) af te lossen terwijl hij daar wel de middelen voor heeft, vordert Team Zelfstandigen de lening terug en wordt de vordering overgedragen aan Handhaving.