De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) is een inkomensvoorziening en vult het (gezins-)inkomen aan tot bijstandsniveau.
De IOAW geldt voor personen die vóór het ingaan van de werkloosheid de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt en gaat in na het einde van de volledige uitkeringsduur van de WW. Voorwaarde is dat de WW-uitkeringsduur meer dan drie maanden is.
De IOAW geldt ook voor personen die na het bereiken van de 50-jarige leeftijd recht hebben gekregen op een WGA-uitkering. Het recht ontstaat na beëindiging van deze WGA-uitkering wegens vermindering van de arbeidsongeschiktheid.
Zie verder paragraaf 13.1 Recht op uitkering (doelgroep per 1 januari 2008) .
De IOAW is de laatste jaren meermalen gewijzigd, met name wat betreft de doelgroep. Voor een overzicht van de wijzigingen;
zie paragraaf 13.2 Belangrijke wijzigingen in de IOAW
vóór 1 januari 2008.
Verschillen en overeenkomsten met de WWB
De IOAW kent overeenkomsten en verschillen met de WWB. De belangrijkste zijn:
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)
Met ingang van 1 december 2009 is de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) in werking getreden. Door de IOW zal geen nieuwe instroom in de IOAW meer plaatsvinden van werklozen die na 1 oktober 2006 en voor 1 juli 2011 werkloos zijn geworden en op dat moment 60 jaar of ouder zijn.
De klant heeft recht op een IOAW-uitkering, als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
De klant is werkloos geworden op of na de leeftijd van 50 jaar en heeft de maximale uitkeringsduur van de WW doorlopen. Onder maximale uitkeringsduur wordt bedoeld: de uitkeringduur van meer dan drie maanden . Dit is het geval als naast de wekeneis, die recht geeft op een basisuitkering van drie maanden, is voldaan aan de jareneis. Deze jareneis houdt in dat de klant minstens vier van de vijf voorgaande kalenderjaren voldoende gewerkt moet hebben (het jaar waarin hij werkloos wordt, telt niet mee). Een kalenderjaar telt mee als in dat jaar over 52 of meer dagen loon is ontvangen.
Beperking van de maximale uitkeringsduur WW als gevolg van ZW (waardoor het recht op WW is uitgesloten) beïnvloedt het recht op IOAW niet. Maar de klant wiens WW-uitkering op grond van een maatregel blijvend geheel is geweigerd heeft géén recht op een IOAW-uitkering.
De klant heeft op of na de leeftijd van 50 jaar recht gekregen op een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) als bedoeld in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) . Het recht op IOAW gaat in na beëindiging van deze WGA-uitkering om reden van verlaging van de arbeidsongeschiktheid tot minder dan 35%.
13.2.1 IOAW per 1 januari 2004
13.2.2 Doelgroep over periode 29 december 2005 tot 1 oktober 2006
13.2.3 Doelgroep over de periode 1 oktober 2006 tot 1 januari 2008
Met de invoering van de WWB is de IOAW ook op een paar onderdelen aangepast. De rechten en plichten, die centraal staan in de nieuwe WWB, zijn overgenomen in de nieuwe opzet van de IOAW.
Op de volgende gebieden is de IOAW identiek aan de WWB:
Hoewel de re-integratieverplichtingen niet letterlijk gelijk zijn aan de WWB-bepalingen, moet je ze wel op dezelfde manier toepassen.
Onveranderd:
1. Oude doelgroep
Vóór 29 december 2005 kende de IOAW de volgende doelgroep:
2. Doelgroep per 29 december 2005
Met de komst van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 29 december 2005 geldt de IOAW niet meer voor de bij 3. en 4. genoemde doelgroepen, de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
De reden van de aanpassing van de IOAW is dat de Toeslagenwet (TW) vanaf 29 december 2005 de uitkering WAO/WIA, Wajong, Wamil, WW, ZW etc. kan aanvullen tot het sociaal minimum. Voor die tijd was de TW gemaximeerd tot 30% van het relevant sociaal minimum. Door deze verruiming hoeven uitkeringsgerechtigden geen beroep meer te doen op de IOAW. (zie ook paragraaf 6.3.3.12 Toeslagenwet (TW).
Het voorgaande houdt in dat personen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn en op of na hun 50ste werkloos zijn geworden nog wel tot de doelgroep van de IOAW worden gerekend. Maar door de wijziging van de Toeslagenwet (zie hoofdstuk 6) zullen deze personen na de beëindiging van de WW-uitkering een (hogere) toeslag via de TW ontvangen, waardoor het totale inkomen (TW en arbeidsongeschiktheidsuitkering) gelijk zal zijn aan de IOAW-grondslag. Toetreding in de IOAW is dan niet mogelijk.
Voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemer die al op 28 december 2005 een IOAW-uitkering ontving en geen recht heeft op een (verhoogde) toeslag blijft de IOAW gelden.
Bij de invoering van de nieuwe WW op 1 oktober 2006 zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een IOAW-uitkering gewijzigd. Vóór 1 oktober 2006 was er een groep werklozen van 50 jaar of ouder die aan zowel de wekeneis als de jareneis van de WW moest voldoen en een groep 57,5-jarigen en ouder die alleen aan de wekeneis van de WW hoefde te voldoen, om na hun WW-uitkering voor IOAW in aanmerking te komen.
De IOAW is een uitkering op het niveau van het sociaal minimum, maar dat geldt niet voor de klant die werkloos is geworden uit een parttime dienstverband. Als die klant na de WW-periode recht krijgt op IOAW, dan is de uitkeringshoogte van de IOAW niet meer dan het voorheen verdiende parttime loon. Dat is als volgt geregeld. De bruto IOAW-uitkering mag niet hoger zijn dan het daarvoor ontvangen bruto bedrag WW én TW (Toeslagenwet) samen. Let op: het gaat om de bruto uitkering IOAW en niet om de bruto grondslag IOAW. De bruto uitkering IOAW is het verschil tussen die grondslag en het in aanmerking genomen inkomen van de klant en partner. De berekening van deze maximering wordt in NUS/OP ondersteund door invoering van het bruto WW-/TW-bedrag in het verplichte veld toetsbedrag bij opvoer van de uitkering.
De IOAW is bedoeld voor oudere en (gedeeltelijk arbeidsongeschikte), werkloze werknemers. De IOAW is een bruto-uitkering waarover de Dienst Werk en Inkomen premies en belasting betaalt. Het begrip Middelen is in de wet onderverdeeld in Inkomen en Vermogen. Onderliggende paragrafen gaan verder in op:
Van het inkomen dat de klant naast de IOAW-uitkering ontvangt, zijn de volgende (gezins)inkomsten vrijgelaten:
Inkomsten uit arbeid of inkomsten die verband houden met arbeid worden niet vrijgelaten.
Voorbeelden hiervan zijn:
Voor de IOAW wordt onder loon verstaan het bruto loon, minus de verplichte pensioen- of VUT-premie, maar inclusief de bijdrage voor de levensloopregeling en de sociale verzekeringspremies (zoals awf-premie, WW-sectorpremie, WAO/WIA-premie, pseudo WW-premie).
Het gaat niet alleen om de inkomsten uit of in verband met arbeid van de klant, maar ook om die inkomsten van de partner.
Let vooral ook op het juiste bedrag bij inkomstenkorting WAO, WIA en WW, inclusief de eventuele aanspraak op een toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Bij de IOAW houd je rekening met inkomen uit arbeid en het overig inkomen. In het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen staat de definitie van deze begrippen. Dat is onder andere loon (Artikel 3, eerste lid) en loon dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten ( Artikel 7, lid 1, onder g ). Voorbeelden van dat laatste zijn periodieke uitkeringen, die voortvloeien uit een stamrecht dat als schadeloosstelling voor gederfd inkomen is toegekend.
Uitzonderingen:Vraagt de ex-werknemer een IOAW-uitkering aan, dan moet hij een werkgeversverklaring overleggen, waarin vermeld staat dat:
Bovendien moeten de gelden, die als een eenmalige uitkering zijn bedoeld, al uitgekeerd zijn vóór zowel de WW- als de IOAW-periode. Is dat niet het geval, dan is de betaling die tijdens de IOAW-periode wordt ontvangen wél aan te merken als inkomsten in verband met arbeid.
Inkomsten uit arbeid kunnen gedurende 6 aaneengesloten maanden gedeeltelijk worden vrijgelaten, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Werk en Inkomen bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. De maximale vrijlating bedraagt € 294,76 bruto per maand (bedrag geldt vanaf januari 2011), zie verder 6.2.2 Inkomensvrijlating en premies voor deeltijdwerk.
In tegenstelling tot de WWB heeft vermogen geen invloed op de IOAW-uitkering. Het vermogen in een huis in eigendom, een erfenis krijgen, of het winnen van een prijs heeft dus geen invloed op het recht op IOAW.
In de IOAW is net als in de WWB de bevoegdheid tot terugvordering geregeld. De gemeenten hebben een grote beleidsvrijheid. De IOAW wordt bruto teruggevorderd, omdat de uitkeringsgrondslag ook bruto is.
De IOAW kent geen verhaalsmogelijkheden.
De IOAW kent echter niet de mogelijkheid die de WWB
wel geeft om bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank een spoedvoorziening aan te vragen zolang de beslissing niet is genomen
of de beslistermijn niet is verstreken.
Verder is de rechtsbescherming in de IOAW op dezelfde wijze geregeld als in de WWB, zie Hoofdstuk 11 Rechtsbescherming.
De IOAW kan om meerdere redenen worden beëindigd. Bijvoorbeeld omdat de klant of de partner aan het werk gaat bij een werkgever of een vrijheidsstraf ondergaat. Als de klant of partner dan weer werkloos wordt, of uit detentie wordt ontslagen, ontstaat opnieuw recht op een IOAW-uitkering.
Per 29 december 2005 is hier verandering in gekomen.