10 Controle en Opsporing, Terugvordering en Verhaal  
10.1 Controle  
10.1.1 Huisbezoek  
10.1.1.1 Klant aanwezig?  
10.1.1.2 Klant verschenen?  
10.1.1.3 Vraag de klant uit  
10.1.1.4 Onaangekondigd huisbezoek  
10.1.1.5 Rapporteer en adviseer  
10.2 Opsporing  
10.2.1 Opsporingsonderzoek  
10.2.1.1 Aanvullende gegevens  
10.2.1.2 Onderzoek met dwangmiddelen  
10.2.1.3 Onderzoek zonder dwangmiddelen  
10.2.1.4 Controle proces-verbaal, rapport en procedure  
10.3 Terugvordering  
10.3.1 Start invordering  
10.3.2 Besluit tot terugvordering  
10.3.3 Kwijtschelding  
10.4 Verhaal  
10.4.1 Vaststellen onderhoudsplicht  
10.4.2 Incassoprocedure onderhoudsplichtige  

10             Controle en Opsporing, Terugvordering en Verhaal

10.1 Controle

10.1.1 Huisbezoek

Het afleggen van huisbezoek, om de rechtmatigheid van de woon- en leefsituatie vast te stellen, vindt plaats als een risico-inschatting daar aanleiding toe geeft. Zo’n risico-inschatting kan gedaan worden met behulp van de Scorekaart. Zie verder uitvoeringsbericht 2011/05 “Nieuwe Werkwijze Groen en rood spoor”.

10.1.1.1 Klant aanwezig?

Uitstel huisbezoek als er wel een specifieke aanleiding is voor het huisbezoek:
Er is een specifieke aanleiding voor het huisbezoek als er sprake is van een redelijk vermoeden dat de klant onjuiste inlichtingen heeft gegeven over zijn woon- of leefsituatie. Er moet sprake zijn van concrete, objectieve feiten en omstandigheden, waardoor redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van de verstrekte inlichtingen. Een verzoek van de klant om het huisbezoek te verschuiven naar een later tijdstip willig je dan in principe niet in. De klant kan dan immers de woonsituatie wijzigen. Alleen bij zeer dringende reden is uitstel mogelijk. Acute opname in het ziekenhuis of een sollicitatiegesprek zijn voorbeelden van dringende redenen. Een bezoek aan de huisarts is geen dringende reden voor uitstel.
Als een huisbezoek wordt afgelegd naar aanleiding van een risico-inschatting of een anonieme klik is er onvoldoende grond om te spreken van een redelijk vermoeden van onjuiste inlichtingen over de woon- of leefsituatie.

Uitstel huisbezoek als er geen specifieke aanleiding is voor het huisbezoek:
Zonder specifieke aanleiding voor het huisbezoek zijn er geen directe consequenties voor de uitkering als de klant het huisbezoek weigert. Het heeft dan ook geen zin heel strak om te gaan met een verzoek van de klant om uitstel. Met andere woorden: als er specifieke geen aanleiding is voor het huisbezoek moet soepeler worden omgegaan met een verzoek van de klant om uitstel van het huisbezoek.

Weigering huisbezoek als er wel een specifieke aanleiding is voor het huisbezoek:
Als de klant weigert toestemming te geven voor het huisbezoek dan gaat het niet door! Vraag naar de reden van weigering en neem die op in je rapport, samen met de datum en het tijdstip van het bezoek. Je deelt de klant mee dat de weigering zal leiden tot het afwijzen van de aanvraag dan wel het beëindigen van de uitkering. Als de klant bij zijn weigering blijft wordt de aanvraag afgewezen dan wel de lopende uitkering beëindigd indien er een specifieke aanleiding voor het huisbezoek is. Zonodig ga je over tot een omgevinginterview, zie 10.1.1.4 Onaangekondigd huisbezoek

Weigering huisbezoek als er geen specifieke aanleiding is voor het huisbezoek:
De weigering van een huisbezoek heeft geen consequenties als er géén specifieke aanleiding is voor het huisbezoek. Wel is de weigering aanleiding voor het instellen van nader onderzoek. Daarbij wordt diepgaand onderzoek gedaan in registraties die nog niet of slechts oppervlakkig zijn geraadpleegd. Denk aan de registers van de Kamer van Koophandel, het Kadaster en historische gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens. Ook kan een omgevinginterview worden afgenomen. Als uit de verzamelde gegevens aanwijzingen komen dat de klant onjuiste / onvolledige informatie heeft verstrekt over zijn woon- en/of leefsituatie, dan heeft de herhaalde weigering van het huisbezoek als consequentie de afwijzing van de aanvraag of de beëindiging van de uitkering.

10.1.1.2 Klant verschenen?

Klant verschijnt niet:
Indien de klant niet verschijnt op een herhaalde uitnodiging wordt de aanvraag afgewezen dan wel de lopende uitkering beëindigd.

10.1.1.3 Vraag de klant uit

Verklaring van de klant op kantoor:
Van het gesprek met de klant maak je een verklaring op. Je wijst de klant op zijn inlichtingenplicht. De klant is op grond van artikel 17 WWB verplicht noodzakelijke inlichtingen te verstrekken en de noodzakelijke medewerking te verlenen. Indien de klant ook na het verstrijken van een hersteltermijn geen, onvolledige of onjuiste informatie verstrekt dan wel onvoldoende meewerkt kan de aanvraag worden afgewezen dan wel de lopende uitkering worden beëindigd.

Je neemt de verklaring van de klant zoveel als mogelijk in diens eigen woorden op. Tijdens het gesprek wordt de klant geconfronteerd met de bevindingen die het onderzoek reeds heeft opgeleverd. Je vraagt de klant zijn verklaring te ondertekenen. Het huisbezoek vindt direct na het gesprek plaats.

Zie ook het gestelde onder ‘Uitstel' in paragraaf 10.1.1.1 Klant aanwezig?

Tijdens het gesprek met de klant kan nieuwe informatie bekend worden die relevant is voor het vaststellen van het recht op uitkering. Het is dan noodzakelijk nader onderzoek te doen.

10.1.1.4 Onaangekondigd huisbezoek

Huisbezoek (onaangekondigd):
Voor het vaststellen van de woon- en leefsituatie van een klant is het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek noodzakelijk. Het huisbezoek heeft ook als doel zorgbehoefte van de klant of belemmeringen bij de re-integratie te signaleren. Bij een redelijk vermoeden van in de woning aanwezig vermogen of werkzaamheden thuis is huisbezoek ook geëigend. Je legitimeert je eerst (ook als daar niet om gevraagd wordt) en je legt het doel van het bezoek uit. Als de klant de brochure ‘Het huisbezoek’ nog niet heeft ontvangen dan overhandig je deze bij het begin van het huisbezoek. In de brochure staan de rechten en plichten vermeld van de klant bij het huisbezoek. Huisbezoek op het adres waar de klant woont heeft geen zin als de klant daarbij niet aanwezig is.
Het huisbezoek vindt plaats met toestemming van de klant. Deze toestemming wordt schriftelijk vastgelegd. Ook heb je toestemming nodig voor het betreden van kamers binnen het huis en voor het kijken in bijvoorbeeld laden en kasten.
Bij het huisbezoek probeer je vast te stellen of de woning bewoond is en wie de woning bewoont. Indien de in de woning aangetroffen situatie overeen komt met de eerdere opgave van de klant kan je volstaan met minder diepgravend onderzoek en is het niet nodig een situatieschets te maken. Als de situatie in de woning afwijkt van de eerdere opgave gaat het onderzoek verder. Daarbij kijk je naar de in de woning aanwezige personen. Stel de identiteit vast van de klant en de andere aanwezigen in de woning (kinderen, onderhuurder, mogelijke partner). Let op de inrichting van de woning, het gebruik van de kamers, de aanwezige kleding, de aanwezigheid van persoonlijke bezittingen (post!), het gebruik van koelkast en toilet en de aanwezigheid van planten en huisdieren (is de woning bewoond of niet?). Als het gebruik van de woning daar aanleiding toe geeft maak je een situatieschets van de woning. De situatieschets wordt bij het rapport gevoegd.

Verklaring klant in de woning:
Je neemt een (zo mogelijk ondertekende) verklaring van de klant op over de aangetroffen woon- en leefsituatie. Je wijst de klant op zijn inlichtingenplicht en indien van toepassing op het afwijzen van de aanvraag dan wel het terugvorderen van ten onrechte genoten bijstand en op de mogelijke beëindiging of verlaging van de uitkering. Vraag de klant zonodig of hij tot terugbetalen bereid is (is van belang bij een latere strafrechtelijke procedure). De klant is op grond van artikel 17 WWB verplicht noodzakelijke inlichtingen te verstrekken en de noodzakelijke medewerking te verlenen. Indien de klant onvoldoende meewerkt kan dat leiden tot beëindiging of terugvordering van de uitkering. Indien de klant bijvoorbeeld geen afdoende verklaring geeft over zijn luxe bestedingspatroon kan de aanvraag worden afgewezen dan wel de lopende uitkering worden beëindigd.

Je neemt de verklaring van de klant over de aangetroffen woon- en leefsituatie zoveel als mogelijk in diens eigen woorden op. Tijdens het gesprek wordt de klant geconfronteerd met de bevindingen die het onderzoek reeds heeft opgeleverd. Je vraagt de klant zijn verklaring te ondertekenen. De klant ontvangt een doorslag van zijn verklaring. Tijdens het gesprek met de klant kan nieuwe informatie bekend worden die relevant is voor het vaststellen van het recht op uitkering. Het is dan noodzakelijk nader onderzoek te doen.

Omgevinginterview:
Het omgevinginterview kan worden verricht als het vermoeden bestaat dat de klant onjuiste / onvolledige inlichtingen over zijn woon- en/of leefsituatie heeft gegeven. Dit vermoeden kan blijken uit het vooronderzoek, tijdens het huisbezoek of bij de beoordeling van stukken op kantoor. Een omgevinginterview houdt in dat bij directe buren informatie wordt gevraagd omtrent de woon- en leefsituatie van de klant. Een omgevinginterview is een ingrijpend middel van onderzoek. Het wordt niet ingesteld als er alleen sprake is van weigering huisbezoek, zonder dat er een vermoeden is dat de klant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt. Ook als een klant voldoet aan de kenmerken van een risicoprofiel is er nog geen sprake van een vermoeden van het verstrekken van onjuiste inlichtingen.

Als er echter wél een redelijk vermoeden bestaat dat de klant de inlichtingenplicht heeft geschonden inzake zijn opgave van de woonsituatie of de leefsituatie, en de klant weigert huisbezoek, dan heeft die weigering tot gevolg dat de uitkering wordt beëindigd dan wel de aanvraag wordt afgewezen. Ook dan is een omgevinginterview dus niet nodig. Bij een redelijk vermoeden moet sprake zijn van concrete, objectieve feiten en omstandigheden, waardoor redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid van de verstrekte inlichtingen.
Je gebruikt het omgevinginterview alleen in situaties waarin sprake is van een vermoeden van het geven van onjuiste inlichtingen inzake de woonsituatie of leefsituatie, maar als dit vermoeden onvoldoende is om direct consequenties te verbinden aan de weigering van het huisbezoek.
Ook kan een omgevinginterview plaatsvinden als een afgelegd huisbezoek onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over de woonsituatie of leefsituatie van de klant.
Het omgevinginterview moet beperkt van aard zijn. Er mag niet meer dan een beperkte inbreuk gemaakt worden op de persoonlijke levenssfeer van de klant. Het inwinnen van informatie mag geen stelselmatig karakter dragen.
Als de woonsituatie of leefsituatie op een minder ingrijpende manier vastgesteld kan worden, dan heeft dat de voorkeur. Overleg altijd met de teammanager voordat je een omgevinginterview verricht.

Het spreekt vanzelf dat de medewerkers zich eerst legitimeren en dat aan de buren duidelijk wordt uitgelegd wat het doel is van de gevraagde informatie. De buren zijn niet verplicht een verklaring af te leggen. Zo mogelijk wordt een schriftelijke verklaring opgenomen en de buren wordt gevraagd deze te ondertekenen. Wordt er wel een verklaring gegeven, maar weigert men om deze te ondertekenen, dan telt de verklaring toch mee als bewijs. Er wordt getracht van tenminste twee ondervraagden een verklaring te verkrijgen. Als de twee verklaringen belastend zijn en overeenkomen, wordt opnieuw een poging gedaan om het huisbezoek af te leggen, nu met de mededeling dat een vermoeden van fraude de aanleiding is. Weigert de klant opnieuw, dan wordt aan de klant meegedeeld dat de uitkering zal worden beëindigd dan wel dat de aanvraag van een uitkering zal worden afgewezen.

10.1.1.5 Rapporteer en adviseer

Deelrapport om bij de afwijzende beschikking te voegen naar aanleiding van huisbezoek:

Als je in het rapport naar aanleiding van het huisbezoek adviseert de aanvraag af te wijzen dan wel de lopende de uitkering te beëindigen of de norm lager vast te stellen dan is een grondige motivering vereist bij de ‘afwijzende' beschikking. De conclusies / bevindingen van het rapport (ook wel ‘standpunt DWI / Handhaving' genoemd) en het advies uit het rapport worden opgenomen in een apart deelrapport. Dit deelrapport wordt bij de afwijzende beschikking gevoegd.

Kwaliteitseisen aan de rapportage:

10.2 Opsporing

10.2.1 Opsporingsonderzoek

10.2.1.1 Aanvullende gegevens

Aanvullend onderzoek door opsporingsambtenaren
Het betreft hier met name verrijkingen die alleen door opsporingsambtenaren mogelijk zijn, zoals het raadplegen van het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), informatie uit politieregisters en informatie van financiële instellingen. Relevante informatie uit deze bestanden wordt in schriftelijke vorm in de onderzoekmap gevoegd.

10.2.1.2 Onderzoek met dwangmiddelen

Proportionaliteit en subsidiariteit bij het gebruik van dwangmiddelen
De zwaarte van de dwangmiddelen dient in overeenstemming te zijn met de ernst van het gepleegde feit (proportionaliteit) en als waarheidsvinding ook bereikt kan worden met lichtere middelen verdient dat laatste de voorkeur (subsidiariteit). Indien de OvJ geen bevel geeft voor de toepassing van dwangmiddelen gaat het strafrechtelijk onderzoek verder zonder het gebruik van dwangmiddelen. Het gebruik van dwangmiddelen is onder meer toegestaan bij de verdenking van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gebruik van dwangmiddelen verwoord je in het proces-verbaal of een deelverbaal.

Niet-actuele contacten
Het verhoren van niet-actuele getuigen en contacten kan plaatsvinden zonder dat de verdachten dat in de gaten hebben. Dit is in verband met collusiegevaar. Nadat een getuige gehoord is kan die getuige de verdachte op de hoogte brengen, waarna de verdachte bewijsmateriaal kan verbergen of zijn gedrag kan veranderen. Dit bemoeilijkt dan de waarheidsvinding. Niet-actuele contacten zijn bijvoorbeeld de buren op een vorig adres, ex-collega's en getuigen die niet in directe relatie tot de verdachten staan.

10.2.1.3 Onderzoek zonder dwangmiddelen

Observatie, niet stelselmatig of stelselmatig
Observatie is niet stelselmatig als de verdachte daarbij niet meer dan één keer wordt gezien. Voor niet-stelselmatige observatie is géén bevel van de Officier van Justitie (OvJ) vereist, voor stelselmatige observatie wel. Niet-stelselmatige observatie kan gericht zijn op het in een korte periode verifiëren van een binnengekomen fraudemelding. Zo kan je kijken of verdachte in een winkel, achter een marktkraam of in een horecagelegenheid aan het werk is. Ook kan je kijken of de auto van verdachte vaak in de buurt van de woning van de veronderstelde partner geparkeerd staat.

Verhoor getuigen
Je neemt de verklaring van de getuige zoveel als mogelijk in diens eigen woorden op. Getuigen zijn verplicht een verklaring af te leggen. In de praktijk zijn er echter nauwelijks sancties als een getuige weigert te verklaren. Bovendien kunnen familieleden van verdachte tot in de derde graad zich beroepen op hun verschoningsrecht. Indien van toepassing wijs je de getuige op diens verschoningsrecht.

Sommige functionarissen hebben geheimhoudingsplicht. Dit geldt bijvoorbeeld voor medici en advocaten ten aanzien van hun klanten.

Huisbezoek
Zie de procedure 10.1.1 Huisbezoek

Verhoor verdachte
Nadat het noodzakelijke bewijsmateriaal is verkregen volgt het verhoor verdachte. Als er geen bijzondere omstandigheden zijn nodig je verdachte schriftelijk uit om te verschijnen voor verhoor. Het verhoor kan plaatsvinden op het kantoor van Handhaving, een politiebureau of een andere geschikte locatie.

Voorafgaand aan het verhoor stel je de identiteit van verdachte vast. Direct daarna geef je de cautie en deel je de verdachte mee waarvan hij wordt verdacht. Doel van het verhoor is om de verdachte, zoveel als mogelijk in eigen woorden, in de gelegenheid te stellen een verklaring af te leggen over het vermoedelijk gepleegde strafbare feit. Tijdens het verhoor wordt de verdachte geconfronteerd met de bevindingen die het onderzoek reeds heeft opgeleverd. Daarbij kan je omsingelingstechnieken gebruiken.

Het verhoor kan bijdragen aan de waarheidsvinding. Een verhoor alleen heeft echter geen kracht van bewijs.

Aanhouding
Tijdens het verhoor kunnen nieuwe feiten en omstandigheden bekend worden, die ontlastend voor de verdachte maar ook bezwarend kunnen zijn. De verdachte kan nog niet bekende strafbare feiten bekennen. Ook kan het tijdens het verhoor noodzakelijk worden verdachte alsnog aan te houden.

10.2.1.4 Controle proces-verbaal, rapport en procedure

Strafrechtelijke en administratieve eisen aan het onderzoek

10.3 Terugvordering

10.3.1 Start invordering

Uitgangspunt bij het vaststellen van de aflossingsverplichting is dat de vordering zo snel mogelijk geïnd wordt doch uiterlijk binnen drie jaar. Wanneer deze vastgestelde aflossingsverplichting op aangeven van de klant niet haalbaar is, dan wordt een lagere aflossingsverplichting vastgesteld op basis van de draagkracht van de klant.

10.3.2 Incassoprocedure

Bij signaal “wanbetaling” treedt de incassoprocedure in werking. De volgende mogelijkheden zijn:

  1. van verdere terugvordering kan op voorhand worden afgezien als het saldo niet meer bedraagt dan € 150,00.
  2. indien er geen executoriale titel voorhanden is, zal deze eerst behaald worden.
  3. vereenvoudigd derden beslag.
  4. indien er geen vereenvoudigd derden beslag mogelijk is, kan de deurwaarder worden ingeschakeld. De verhaalbare kosten die de deurwaarder in rekening brengt, zijn voor rekening van de debiteur en worden niet in mindering gebracht op de vordering. Als gedurende het incassotraject de debiteur weer in de uitkering komt, blijft de vordering onder de deurwaarder. Dit om te voorkomen dat de DWI de kosten van de deurwaarder voor haar rekening moet nemen. Als de preferentie van de DWI in het geding komt haalt de DWI de vordering terug van de deurwaarder.
  5. bij ontbreken van incassomogelijkheden, kan, indien het om een gering bedrag gaat, na een kosten/batenafweging eerder tot afschrijving worden overgegaan dan op grond van de beleidsregels (na 5 jaar) mogelijk is.

10.3.3 Kwijtschelding

Een vordering kan worden kwijtgescholden onder de volgende voorwaarden en regels:

  1. als op basis van draagkracht de vordering niet binnen vijf jaar kan worden afgelost.
  2. de aflossing in de periode die vooraf gaat aan de aflossing op basis van draagkracht, telt mee als aflossing naar draagkracht.
  3. de aflossingsverplichting gebaseerd op draagkracht geldt vanaf de vaststelling van de draagkracht en zolang de draagkracht niet opnieuw is vastgesteld. Een debiteur die zich gedurende die periode aan de vastgestelde aflossingsverplichting houdt, voldoet daarmee aan de eis van aflossing naar draagkracht gedurende die periode.
  4. eens per jaar wordt de draagkracht opnieuw bezien voor debiteuren die geen uitkering WWB, AOW en WIA ontvangen en aannemelijk is dat de feitelijke draagkracht substantieel hoger is dan de eerder vastgestelde draagkracht.
  5. bij vereenvoudigd derdenbeslag of overdracht aan de deurwaarder vindt geen kwijtschelding plaats.
  6. betaling van 60 termijnen binnen 65 maanden wordt gelijkgesteld met onafgebroken betaling binnen vijf jaar.
  7. de genoemde periode van vijf jaar is drie jaar indien de vordering niet het gevolg is van het schenden van de inlichtingenplicht. Daarbij wordt het betalen van 36 termijnen binnen 39 maanden gelijkgesteld met onafgebroken betaling binnen drie jaar.
  8. bij een maandelijkse aflossing die hoger is dan de berekende maandelijkse draagkracht, dan wordt de draagkracht gelijk gesteld aan de maandelijkse aflossing in die maand en wordt de aflossing gezien als één termijn.

10.4 Verhaal

10.4.1 Vaststellen onderhoudsplicht

De mogelijkheid van verhaal van kosten van bijstand wordt getoetst aan de hand van de wettelijke onderhoudsplicht, vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek en de verhaalsartikelen van de WWB. Na de toetsing zal de uitkomst zijn dat:

  1. wordt geconformeerd aan een door de Rechtbank vastgestelde en regelmatig betaalde alimentatie; en/of
  2. wordt getracht, na berekening van een (aanvullende) verhaalsbijdrage een minnelijke regeling met de onderhoudsplichtig te treffen; en/of
  3. er gemotiveerd wordt afgezien van verhaal.

10.4.2 Incassoprocedure onderhoudsplichtige

Indien een onderhoudsplichtige in gebreke blijft:

  1. volgt invordering ex artikel 62b WWB, bij de aanwezigheid van een alimentatiebeschikking van de Rechtbank; en/of
  2. zal de Rechtbank worden verzocht de minnelijk vastgestelde verhaalsbijdrage op te nemen in een beschikking.
  3. zal bij de aanwezigheid van een executoriale titel, tot verdere (dwang)invordering worden overgegaan.