9 Bijzondere Bijstand  
9.1 algemeen  
9.2 Te doorlopen stappen  
9.2.1 Tips  
9.3 Wettelijke kaders en het gemeentelijk beleid  
9.3.1 Wettelijke kaders  
9.3.1.1 Kring van rechthebbenden  
9.3.1.2 Niet noodzakelijke kosten  
9.3.1.3 Voorliggende voorziening  
9.3.1.4 Individualisering  
9.3.1.5 Recht op bijzondere bijstand  
9.3.1.6 Vorm van de bijstand  
9.3.1.7 Terugvordering van bijzondere bijstand  
9.3.2 Gemeentelijk beleid  
9.3.2.1 Drempel  
9.3.2.2 Ondergrens wettelijke eigen bijdrage  
9.3.2.3 Draagkracht uit vermogen  
9.3.2.4 Draagkracht uit inkomen  
9.3.2.5 Schema draagkracht  
9.3.2.6 Langdurigheidstoeslag / Plusvoorziening 65+  
9.3.2.7 Draagkrachtperiode  
9.3.2.8 Bijzondere bijstand en eigen verantwoordelijkheid  
9.3.2.9 Vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand  
9.3.2.10 Pro forma nota's  
9.3.2.11 Overmaken aan leveranciers  
9.4 Ziekte, handicap of psychosociale problemen  
9.4.1 Voorliggende voorzieningen  
9.4.2 Medische advisering  
9.4.2.1 De medische adviesaanvraag  
9.4.2.2 Het advies van GGD  
9.4.3 Ziektekostenverzekering  
9.4.3.1 Specifieke groepen  
9.4.3.2 Rekenregels voor ziektekostenvergoeding  
9.4.4 Kosten eigen bijdrage voorliggende voorzieningen  
9.4.4.1 Wettelijke eigen bijdragen  
9.4.4.2 Uitzonderingen en specifieke regels  
9.4.4.2.1 Eigen bijdrage Voorschool  
9.4.4.3 Premies en contributies  
9.4.5 Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten  
9.4.5.1 Landelijke regeling chronisch zieken en gehandicapten  
9.4.5.2 De gemeentelijke Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg)  
9.4.5.2.1 Algemeen  
9.4.5.2.2 Samenstelling Atcg  
9.4.5.2.3 Patiëntgroepen  
9.4.5.2.4 GGD advies  
9.4.5.2.5 Klanten in een instelling  
9.4.5.2.6 Hogere uitgaven  
9.4.5.2.7 Eigen bijdrage maaltijdvoorziening  
9.4.5.2.8 Inkomenstoets  
9.4.5.2.9 Tot slot  
9.4.6 Brillen en lenzen  
9.4.7 Tandartskosten en orthodontie  
9.4.7.1 Voorliggende voorziening  
9.4.7.2 Vergoeding tandheelkundige kosten  
9.4.8 Kosten van behandeling van dyslexie  
9.4.8.1 Voorliggende voorzieningen  
9.4.8.2 Indicatiestelling, behandelaars en vergoedingen  
9.4.8.3 Dyslexie en reïntegratie  
9.4.9 Dieetkosten en voedingkosten  
9.4.10 Was- en kledingkosten  
9.4.11 Telefoonkosten  
9.4.11.1 Hulpverlening en alarmering  
9.4.11.2 Sociale contacten  
9.4.11.3 Indicatiestelling  
9.4.12 Deelname sociale activiteiten  
9.4.13 Bevallings- en kraamkosten  
9.4.13.1 Kosten van bevalling  
9.4.13.2 Indicatiestelling  
9.4.13.3 Vergoeding  
9.4.13.4 Kraamkosten  
9.4.14 Jeugdhulpverlening/ouderbijdragen  
9.4.14.1 Omgangshuis  
9.4.15 Psychische hulpverlening  
9.4.16 Cannabis op medische basis  
9.5. Woonkosten en verhuiskosten  
9.5.1 Huurtoeslag  
9.5.2 Subsidiejaar wordt berekeningsjaar  
9.5.3 Introductie actueel inkomen  
9.5.4 Correctie op verzamelinkomen vervalt  
9.5.5 Vermogenstoets  
9.5.6 Diverse onderwerpen  
9.5.7 Bijzondere bijstand voor woonlasten  
9.5.8 Woonkosten bij woning in eigendom  
9.5.9 Kosten rond verhuizing  
9.5.9.1 Voorliggende voorzieningen  
9.5.9.2 Algemene regels  
9.5.9.3 Bijzondere situaties  
9.5.9.4 Eerste huur, administratiekosten en borg  
9.5.9.5 Verhuiskosten  
9.5.9.6 Inrichtingskosten  
9.5.10 Ouderen en noodzakelijke verhuizing  
9.6 Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen  
9.6.1 Voorliggende voorzieningen  
9.6.2 De Knipkaart  
9.6.3 Leenbijstand  
9.6.4 Regeling woninginrichting dak- en thuislozen  
9.6.5 De babyuitzet  
9.7 Bijzondere bijstand voor overige kostensoorten  
9.7.1 Aanvulling voor voormalige alleenstaande ouders  
9.7.2 Aanvullende bijstand voor jongeren tot 21 jaar  
9.7.3 Vaste lasten tijdens detentie  
9.7.3.1 Vaste lasten tijdens verblijf in een inrichting  
9.7.4 Suppletie voor aflossing aan de GKA  
9.7.5 Kinderopvang  
9.7.6 Kosten van rechtsbijstand  
9.7.6.1 Eigen bijdrage klant  
9.7.6.2 Griffierecht en proceskosten  
9.7.6.3 DWI als wederpartij  
9.7.7 Reis- en vervoerskosten  
9.7.7.1 De hoogte van de vergoeding  
9.7.7.2 Deelname maatschappelijk verkeer  
9.7.7.3 Bezoek aan naaste familie in inrichting of tehuis  
9.7.7.4 Begrafenis familie- of gezinslid  
9.7.7.5 Weekendverlof vanuit een inrichting  
9.7.7.6 Vervoer van en naar inrichting  
9.7.7.7 Vervoer vanuit detentie  
9.7.7.8 Bezoek aan familie in detentie  
9.7.7.9 Vervoer kinderen van en naar school  
9.7.7.10 Schoolreisjes  
9.7.8 Uitvaartkosten  
9.7.9 Bewindvoering  
9.7.9.1 Inkomensbeheer  
9.7.9.2 Vrijwillige bewindvoering  
9.7.9.2.1 WSNP  
9.7.9.3 Mentorschap en curatorschap  
9.7.9.4 Valkuilen  
9.8 Schulden  
9.8.1 Signalering en preventie  
9.8.1.1 Bedreigende schuldsituaties  
9.8.1.2 Werkwijze bij verschillende schuldsituaties  
9.8.1.3 Wanneer verwijzen naar schulhulpbureaus  
9.8.2 Schuldhulpverlening  
9.8.2.1 De schuldhulpverleningsbureaus  
9.8.2.2 Eropaf  
9.8.2.3 De Gemeentelijke Kredietbank (GKA)  
9.8.2.4 De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP)  
9.9 Bijlagen  
9.9.1 Prijslijst Bijzondere Bijstand  
9.9.2 Noodzakelijkheidsverklaring Voorschool  
9.9.3 Specifieke zorgkosten  

 

9. Bijzondere Bijstand

9.1 Algemeen

Achtergrond en doelstelling

Bijzondere bijstand is het sluitstuk van het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel. Bijzondere bijstand wordt in individuele gevallen verstrekt: incidenteel of periodiek; om niet of als leenbijstand. Bijzondere bijstand wordt alleen gegeven voor de meest eenvoudige, passende, noodzakelijke voorziening. De hoogte van de bijstand is afhankelijk van de aard van de kosten, eventuele andere vergoedingen en de financiële situatie van de aanvrager. Leenbijstand wordt slechts in uitzonderlijke situaties verstrekt. Vaak voorkomende kosten worden in dit hoofdstuk beschreven.

 

Let op:
Re-integratiekosten komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. De kosten van re-integratie dienen te worden verstrekt uit het Participatie budget. Om technische redenen worden deze kosten in Socrates verwerkt in de module Diensten onder bijzondere bijstand, soort verstrekking 3.131, Re-integratie. Dit kan alleen eenmalig.

9.2 Te doorlopen stappen

Bij elke aanvraag voor individuele bijzondere bijstand dienen de volgende stappen doorlopen te worden:

9.2.1 Tips

Tip 1:    In “Sociaal Info” is een uitgebreide lijst met alle mogelijke kostensoorten en bijbehorende voorliggende voorzieningen opgenomen. Kosten die onder het bereik van een passende en toereikende voorliggende voorziening vallen komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Wat een voorliggende voorziening is staat in art. 5, onder e, WWB.
Of een voorliggende voorziening passend en toereikend is wordt bepaald door de aard van de voorliggende voorziening.
Als een voorliggende voorziening passend en toereikend is, wordt er geen bijzondere bijstand verstrekt. Dit staat in art. 15, 1ste lid van de WWB.

Bij de beschrijving van specifieke kosten wordt ook ingegaan op mogelijke passende en toereikende voorliggende voorzieningen. In 9.3.1.3 staan de algemeen geldende regels.

Tip 2: Let bij een aanvraag voor bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening op het volgende:

9.3 Wettelijke kaders en het gemeentelijk beleid

9.3.1 Wettelijke kaders

In deze paragraaf staan de wettelijke kaders voor de bijzondere bijstand. Uitwerking en de gemeentelijke invulling zie je terug in het tweede deel van deze paragraaf.

9.3.1.1 Kring van rechthebbenden

In Artikel 11. Rechthebbenden WWB staat beschreven wie recht heeft op bijstand. Artikel 12. Onderhoudsplicht ouders WWB geeft een beperking voor 18, 19 en 20-jarigen. In Artikel 13. Uitsluiting van bijstand WWB staat wie van het recht op algemene en bijzondere bijstand  is uitgesloten.

9.3.1.2 Niet noodzakelijke kosten

Voor kosten die niet noodzakelijk zijn, wordt geen bijstand gegeven. Artikel 14. Niet-noodzakelijke kosten WWB somt de niet-noodzakelijke kosten op:

Ook andere kosten kunnen gezien hun aard, in principe niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Voorbeelden daarvan zijn de kosten die samenhangen met het aanschaffen van legitimatiebewijzen, rijbewijzen en vreemdelingendocumenten. Deze kosten horen uit het inkomen of de uitkering betaald te worden. Dit geldt ook voor de kosten van naturalisatie. Deze kosten zijn niet noodzakelijk en voorzienbaar.

Ten aanzien van vreemdelingendocumenten en naturalisatie is nog van belang dat de tarieven door de Minister van Immigratie en Asiel zodanig worden vastgesteld, dat ze kostendekkend zijn. Van vreemdelingen mag een (financiële) inspanning worden verwacht. In het beleid is opgenomen dat de financiële inspanning voor Asielgerechtigden (die noodgedwongen in Nederland verblijven) lager is dan voor overige vreemdelingen.

Het is niet de bedoeling dat het landelijk beleid doorkruist wordt door het bijzondere bijstandsbeleid.

9.3.1.3 Voorliggende voorzieningen algemeen

Voorliggende voorziening
Een voorliggende voorziening is elke voorziening waarop de aanvrager aanspraak kan maken. (Art. 5, onder e, WWB)  Het gaat dan om regelingen die bedoeld zijn om (deels) in bepaalde kosten te voorzien. De aanvrager kan er rechten aan ontlenen of ontvangt die zonder aanvraag op grond van wettelijke regels.
Particuliere fondsen vallen buiten deze omschrijving, maar kunnen wel aanvullend werken.


Passend en toereikend

Artikel Artikel 15. Voorliggende voorziening WWB  bepaalt dat er geen recht op bijstand is als de klant een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, die passend en toereikend moet worden geacht voor bepaalde kosten.

Een voorbeeld: Voor huurlasten die hoog zijn in verhouding tot het inkomen is er binnen bepaalde marges Huurtoeslag mogelijk. Voor huurlasten is dit een passende en toereikende voorliggende voorziening. Bijzondere bijstand voor die kosten is dan niet mogelijk.


Niet noodzakelijke kosten

Voor kosten die bij de voorliggende voorziening als niet-noodzakelijke worden beschouwd kan geen bijzondere bijstand gegeven worden. Als bepaalde vergoedingen of verstrekkingen uit een voorliggende voorziening gehaald worden, is het niet de bedoeling dat de bijzondere bijstand dat dan overneemt.

Voorliggende voorzieningen waarmee je in de uitvoering veel te maken hebt zijn:

Landelijk:

* Deze regeling valt onder de werking van de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR)


Gemeentelijk:

Let op: Aanvullende verzekeringen voor ziektekosten zijn niet echt te beschouwen als voorliggende voorzieningen. Toch wordt ervan uitgegaan dat mensen hierin hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Daarin wordt het beleid van de rijksoverheid gevolgd. Zorg kost geld. Daar moeten mensen zich van bewust zijn. Het past dan niet om mensen die hun verantwoordelijkheid niet nemen te belonen. Voor klanten die niet aanvullend verzekerd zijn, geldt dat zij tekortschieten in het nemen van de eigen verantwoordelijkheid. Dat is een reden om de bijstand als lening toe te kennen onder voorwaarde dat klant zich alsnog aanvullend verzekert, of de aanvraag af te wijzen.

Afwijzen doe je als er sprake is van herhaald tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Andere verzekeraars dan AGIS

·         Bijzondere bijstand is ook mogelijk als klant niet is aangesloten bij de collectieve verzekering van AGIS, maar wel bij een andere verzekeraar. Het gaat dan om een vergelijkbaar, aanvullend pakket waarvoor de verzekeraar de kosten niet vergoedt, of een lagere vergoeding geeft. In dat geval kun je dezelfde all-in bedragen vergoeden als bij de AV (Plus) Amsterdam vergoeding of het verschil tussen de feitelijke vergoeding van het pakket en wat de AV Amsterdam vergoedt. Kun je geen vergelijking maken tussen pakketten, neem dan de premiehoogte als leidraad.

Belastingteruggave Bij sommige kostensoorten (specifieke zorgkosten) bestaat de mogelijkheid om belastingteruggave aan te vragen. Dat kan ook in de vorm van voorlopige teruggave vooraf.

 

Belastingteruggave vragen is niet verplicht. Als er teruggave is verleend voor kosten waarvoor eerder bijzondere bijstand is verleend, dient de verstrekte bijstand tot het bedrag van de teruggave teruggevorderd te worden. Zie hiervoor bij 9.3.1.7.
Meer informatie is te vinden in bijlage 3 achter dit hoofdstuk.

9.3.1.4 Individualisering

De bijstand wordt afgestemd op de omstandigheden van persoon en gezin. Bij aanvragen voor bijzondere bijstand is dit essentieel. Of kosten bijzonder en noodzakelijk zijn, bekijk je individueel. Zie verder de paragrafen over kostensoorten.

9.3.1.5 Recht op bijzondere bijstand

Volgens Artikel 35. Bijzondere bijstand WWB heeft het gezin of de alleenstaande recht op bijzondere bijstand bij noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het gaat om gevallen dat een klant deze kosten niet kan voldoen:

·         uit de bijstandsnorm;

·         uit het vermogen voorzover dat het vrij te laten vermogen te boven gaat, tenzij het gaat om duurzame gebruiksgoederen (9.6.1)  en

·         uit het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

9.3.1.6 Vorm van de bijstand

Bijstand wordt verstrekt om niet, tenzij de wet anders aangeeft. In de wet staat dat de gemeente de vrijheid heeft om hier in een aantal situaties van af te wijken:

·         bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen in de vorm van een geldlening of om niet;

·         bijzondere bijstand voor een waarborgsom of voor schuldaflossing in de vorm van een lening of borgtocht;

·         bijzondere bijstand in de vorm van een lening of borgtocht bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Het beleid van de gemeente Amsterda staat in paragraaf 9.3.2 en verder beschreven.

9.3.1.7 Terugvordering van bijzondere bijstand

Leenbijstand

Wanneer de klant bijzondere bijstand heeft gehad in de vorm van een geldlening, moet hij de lening terugbetalen zoals in de leenovereenkomst (akte van schuldbekentenis) en in het toekenningsbesluit is bepaald. Na 36 termijnen aflossing wordt het restant van een lening kwijtgescholden.
Als de klant zich niet aan de afspraken houdt, kan de lening volledig worden teruggevorderd. Dit gebeurt door het team Handhaving.


Bijstand met een bepaalde bestemming

Bijzondere bijstand met een bepaalde bestemming kun je in twee gevallen terugvorderen:

·         de klant ontvangt naderhand vergoedingen of tegemoetkomingen voor die bestemming;

·         de klant heeft het bedrag niet aan de bepaalde bestemming besteed.

9.3.2 Gemeentelijk beleid

In deze paragraaf staan de regels van de gemeente Amsterdam  voor de bijzondere bijstand met uitleg over specifieke kosten. Kijk op Intranet voor het bijzondere bijstandsbeleid dat is vastgelegd in de Beleidsregels inkomensvoorzieningen WWB, IOAW, IOAZ, WWIK.
Het gemeentelijke beleid wordt toegepast nadat de stappen zijn doorlopen die voor het landelijk beleid gelden. Die staan bij 9.2.

Aanvraag

Bijzondere bijstand dient vooraf aangevraagd te worden. De aanvraag moet schriftelijk worden ingediend. Vraagt een klant met een lopende uitkering bijzondere bijstand aan, dan dient de klant als bewijs van zijn financiele situatie bankafschriften over de laatste maand te overleggen. Betreft het een niet-klant dan dienen bankafschriften over de laatste 3 maanden te worden overlegd.

Uitzonderingen

Voor kleine bedragen geldt een uitzondering. Die kunnen worden opgespaard tot een totaalbedrag van € 100,- is bereikt. Voor dat bedrag is een aanvraag voor bijzondere bijstand mogelijk tot maximaal 12 maanden nadat de eerste kosten zijn gemaakt. De beoordeling van de noodzaak vindt dan achteraf plaats.

 

In sommige situaties is het onmogelijk om vooraf aan te vragen.

Voorbeeld 1: Het kan voorkomen dat de hoogte van de eigen bijdrage thuishulp pas enkele maanden na een wijziging schriftelijk wordt meegedeeld.

In zo’n situatie kan dan een aanvraag bijzondere bijstand achteraf gedaan worden. Er dient dan rekening gehouden te worden met de individuele omstandigheden om te bepalen wat nog een redelijke termijn van indienen is.

Voorbeeld 2: Het kan voorkomen dat iemand fysiek niet is staat is om tijdig aan te vragen omdat hij bijvoorbeeld is opgenomen in een ziekenhuis. Als aannemelijk is dat er geen gemachtigde kon worden ingeschakeld, moet een aanvraag met terugwerkende kracht mogelijk zijn.

 

Toekenningsdatum

Periodieke bijzondere bijstand wordt in principe voor volledige maanden toegekend. Als er een aanvraag wordt gedaan op 16 maart, gaat de toekenning in per 1 maart. Als er sprake is van de verrekening van draagkracht kan het voorkomen dat er over een gedeelte van een maand een vergoeding wordt verstrekt, maar ook hier geldt het uitgangspunt dat de ingangsdatum waarmee gerekend wordt, de 1ste dag van de maand van aanvragen is. 

Let op: bepaal vooraf of de kosten noodzakelijk zijn. Als de klant de rekeningen zelf al heeft betaald, kun je later hooguit vaststellen dat hij over voldoende middelen beschikte.

Let op: aanvragen is een recht. Dus als een aanvrager aandringt, moet je hem die mogelijkheid bieden. Ook als je geen kans op toekenning ziet.

9.3.2.1 Drempel

Artikel 35. Bijzondere bijstand, lid 2 WWB geeft de gemeente de mogelijkheid een drempel te stellen. De gemeente Amsterdam hanteert geen drempel.

9.3.2.2 Ondergrens wettelijke eigen bijdrage

 

Voor veel voorzieningen geldt een wettelijke eigen bijdrage. (Zie 9.4.4.1 Wettelijke eigen bijdragen) Bijvoorbeeld de eigen bijdrage in de thuiszorg. Vergoeding van deze eigen bijdragen is mogelijk. Er is wel een grens. Voor de cumulatieve eigen bijdragen is € 50,- op jaarbasis de ondergrens. Dat bedrag dient de klant in ieder geval zelf betalen. Dit is gebaseerd op de gemeentelijke Beleidsregels inkomensvoorzieningen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK.  Zijn de kosten hoger dan de ondergrens of maakt de klant gebruik van meer voorzieningen met een eigen bijdrage, dan is vergoeding van het meerdere uit de bijzondere bijstand mogelijk.

Let op!: Voor de eigen bijdrage die soms betaald moet worden voor de “Voorschool” geldt de ondergrens niet.

9.3.2.3 Draagkracht uit vermogen

Uitgangspunt is dat de klant voor de betaling van noodzakelijke bijzondere kosten al het vermogen boven het vrij te laten vermogen gebruikt.

Tel bij verstrekking van bijzondere bijstand voor noodzakelijke algemene kosten (bijvoorbeeld hoge huur en kosten voor duurzame gebruiksgoederen), ook het vrij te laten vermogen mee bij de draagkracht. Laat alleen een gebruikelijk bedrag voor levensonderhoud vrij.


Let op!: Klanten die in een instelling verblijven bouwen regelmatig vermogen op. Let hierop bij aanvragen bijzondere bijstand. Dit komt vaak voor bij klanten met een ander inkomen dan bijstand (Wajong).

 

9.3.2.4 Draagkracht uit inkomen

Draagkracht leid je af van het inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm plus de toeslag woonsituatie.

Uitzondering:
Als iemand een wettelijk of een minnelijk schuldsaneringtraject traject doorloopt, wordt al het meerinkomen en 5% van de toepasselijke bijstandsnorm aangewend voor de aflossing van schulden. Er blijft dan 95% van de geldende bijstandsnorm over om te besteden. In die gevallen wordt het deel van het inkomen dat wordt gebruikt voor schuldaflossing niet meegerekend bij het vaststellen van de draagkracht. Daardoor zal de draagkracht meestal op 0 uitkomen.

Vrijlating van inkomsten

·        Inkomsten die genoemd staan in artikel 31 lid 2 WWB, zoals kindertoeslag, kinderbijslag, toeslag kinderopvang, huurtoeslag en zorgtoeslag, Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) worden niet tot de middelen gerekend waarmee rekening gehouden wordt en dus niet gekort op de uitkering.
Deze inkomsten kunnen niet buiten beschouwing blijven bij een aanvraag bijzondere bijstand voor hetzelfde doel. Zo neem je bijvoorbeeld de ontvangen toeslag voor kinderopvang wel mee bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van kinderopvang en een ontvangen tegemoetkoming Wtcg bij een aanvraag voor bijzondere bijstand in aanvulling op de gemeentelijke Atcg. Deze vergoedingen worden in mindering gebracht op de te maken kosten.

·         De inkomsten uit een particuliere oudedagsvoorziening, zoals genoemd in artikel 33 lid 5 WWB, blijven buiten beschouwing voor:
- een alleenstaande of alleenstaande ouder tot een bedrag van € 18,40 per maand (Per 1-7-2011);

- gehuwden tot € 36,80 per maand (Per 1-7-2011).

 

Huurtoeslag en zorgtoeslag die wordt misgelopen als het inkomen hoger is dan het geldend minimum, mag op de netto ruimte in mindering gebracht worden.

Voorbeeld draagkracht uit inkomen (fictief)

 

Huidig inkomen incl. vakantiegeld

€ 1.200,-

Norm inclusief toeslag en vakantiegeld   

€    800,00 -/-

Netto ruimte

€    400,00

Misgelopen huurtoeslag

€     ....., .. -/-

Vrijlating

€    100,-           -/-

 

€    300,00

X 25 %

€          75,00


De draagkracht per maand is in dit geval € 75,00.

De jaardraagkracht is € 75,00 X 12 is € 900,00.

 

 

Noodzakelijk te maken meerkosten

€ 150,-

Ontvangen vergoedingen (landelijk en/of gemeentelijk)

€   50,-

In aanmerking te nemen kosten

€ 100,-

 

Op jaarbasis 12 X € 100 = € 1200
Indien wettelijke eigen bijdrages: ondergrens  50,-
In aanmerking te nemen kosten 1150,-
Te vergoeden: € 1150,- minus € 900 (jaardraagkracht)= € 250,-
Vergoeding per maand bij periodieke kosten € 250,- : 12 = €

 

9.3.2.5 Schema draagkracht


‘Draagkracht'

Waarvoor?

Op welke basis?

Ontvangen, vergoedingen, tegemoetkomingen, of toeslagen.

Specifieke kosten

Volledig in mindering brengen op de kosten waarvoor ze zijn verstrekt.

Het volledige

meer-inkomen.

a. aanvullingen op norm voor de alge­meen noodzakelijke kos­ten van levensonderhoud (voorm. all.ouder; wkt hoge huur; jongerentoeslag);
b. kosten ter vermindering bijstandsbehoefte/bevordering zelfstandige bestaansvoorziening, waaronder inkomensbeheer.

B&W nemen geheel [=100%] in aanmerking het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm en niet wordt aangewend voor een wettelijk of minnelijk schuldsaneringstraject.

Inkomen: 25% van het meerdere van (de bijstandsnorm plus € 100,-)

Vermogen: 100% van het meervermogen.

Alle overblijvende bijzondere kosten

B&W nemen geheel [=100%] in aanmerking het in aanmerking te nemen vermogen en gedeeltelijk het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm plus € 100,- als dit niet wordt aangewend voor een minnelijk of wettelijk schuldsaneringstraject.

plus: actuele

bescheiden vermogen, dat wil zeggen alle reserve buiten het normale maandbudget, zoals norm +

kinderbijslag + huurtoeslag

a. voorzieningen waarvoor leenbijstand kan worden verleend (bijstand als gevolg van ontoereikend of tekortschietend besef van verantwoordelijkheid)

b. niet-noodzakelijke kosten (m.n. suppleties t.b.v. GKA-aflossingen)

Verschillende redeneringen kunnen van toepassing zijn:

- het gaat om kosten die kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm;

- spaargeld c.q. een bescheiden vermogen is juist bedoeld voor zulke uitgaven;

- waar voldoende bescheiden vermogen is, is geen sprake van ‘zeer dringende redenen‘.

plus: verdere inkomsten

Uitgesloten groepen (m.n. gedetineerden, stakers, minderjarigen)

Waar voldoende inkomen is, is geen sprake van ‘zeer dringende redenen

9.3.2.6 Langdurigheidstoeslag / Plusvoorziening 65+

Deze toeslagen tellen niet mee voor de draagkracht bij een aanvraag om bijzondere bijstand. De Knipkaart is bestemd voor duurzame gebruiksgoederen. De LDT en de Plusvoorziening 65+ hebben geen harde bestedingsbestemmingbeperking, maar verwacht mag worden dat ze nuttig besteed worden.

9.3.2.7 Draagkrachtperiode

Draagkracht bereken je voor een jaar. Het jaar gaat in op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere bijstand is aangevraagd. De toekenning van periodieke bijstand gaat ook in op de eerste dag van de maand waarin is aangevraagd.

·         Bij eenmalige kosten verreken je de hele jaardraagkracht ineens;

·         Bij periodieke kosten verreken je de hele jaardraagkracht over de toegekende periode.

Periodieke bijzondere bijstand moet je elk jaar opnieuw overwegen. Jaarlijks stel je de draagkracht vast. Hiervan kun je afwijken als de aanvrager bijstand ontvangt. Voor deelnemers aan de Regeling Chronisch zieken en gehandicapten gelden aparte regels. Zie daarvoor 9.4.5 Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

9.3.2.8 Bijzondere bijstand en eigen verantwoordelijkheid

Bij sommige kostensoorten wordt de bijzondere bijstand verstrekt in de vorm van een lening. Dat gebeurt slechts in uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld als er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en de bijstandsverlening noodzakelijk is.
Voor kosten die voorzienbaar zijn, en waarvoor gereserveerd moet worden, zoals de vervanging van duurzame gebruiksgoederen, wordt in principe geen leenbijstand verstrekt. Die kosten zijn opgenomen in de bijstandsnorm zodat er desnoods achteraf gespreid betaald kan worden. Om mensen die langdurig een laag inkomen ontvangen tegemoet te komen is er de Langdurigheidstoeslag.

Let op: verantwoordelijkheidsbesef staat los van de noodzaak van de kosten en heeft alleen invloed op de vorm van de bijstand. Verstrek je leenbijstand vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, dan is de vorderingsidentiteit 8140.

Voorbeeld 1

Iemand heeft een bril nodig en is niet afdoende verzekerd voor ziektekosten. Goed verzekerd zijn hoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Omdat de bril wel noodzakelijk is, verleen je in dit geval bijstand in de vorm van een lening.

Voorbeeld 2

Iemand heeft een bril nodig en is wel afdoende verzekerd. Maar vanwege bijzondere omstandigheden is vaker een bril nodig dan de voorliggende voorziening vergoedt. In zo’n geval verstrek je de bijstand om niet. De kosten komen niet voort uit onverantwoordelijk gedrag.

9.3.2.9 Vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand

Om de hoogte van de bijzondere bijstand vast te stellen kun je hulpmiddelen gebruiken.

Duurzame gebruiksgoederen
Kijk voor duurzame gebruiksgoederen in de ‘prijslijst bijzondere bijstand’. Daar staan de prijzen van de noodzakelijke kosten. Deze prijslijst wordt jaarlijks aangepast met het wettelijk indexeringspercentage voor alimentatie en zit als bijlage achter in het hoofdstuk. De prijslijst is leidend, behalve bij bijzondere situaties.

Dieetkosten
Kijk voor dieetkosten in het overzicht van de Belastingdienst (bijlage 9.9.3) Daar staat per dieetsoort een bedrag per jaar genoemd.
Voor andere kosten, zoals energie en of bewassing gelden de normen die NIBUD hanteert. Die staan in de betreffende paragrafen vermeld.
In het algemeen zal de GGD geen bedragen noemen maar alleen vaststellen of bepaalde meerkosten een medische oorzaak hebben.

 

9.3.2.10 Pro forma nota´s

Om een indicatie te krijgen van wat de klant nodig heeft en wat de kosten zullen zijn, kunnen er pro forma nota’s of offertes gevraagd worden waar dat redelijk is.

In een situatie waarbij de noodzaak voor het verstrekken van een volledige inrichting vaststaat, zoals bij daklozen of bij vrouwen na crisisopvang het geval kan zijn, kan volstaan worden met een algemene indicatie van de verwachte uitgaven en een verantwoording achteraf als dat wenselijk wordt geacht.

9.3.2.11 Overmaken aan leveranciers

Alleen als de klant ermee akkoord gaat, maak je de bijstand rechtstreeks over aan de leverancier. Neem de overmaking aan leverancier op in het besluit en motiveer de noodzaak.

9.4 Ziekte, handicap of psychosociale problemen

Deze paragraaf handelt over kosten die verband houden met ziekte, handicap of psychosociale problemen. Je vindt uitleg over de voorliggende voorzieningen voor dit soort kosten. Ook wordt de procedure over medische advisering door de GGD toegelicht.

9.4.1 Voorliggende voorzieningen

De Zorgverzekeringswet (ZVW) (met het Besluit Zorgverzekering en de Regeling Zorgverzekering) is een passende en toereikende voorliggende voorzieningen voor medische behandelingen, medicijnen en hulpmiddelen. Jaarlijks wordt door de minister van Volksgezondheid vastgesteld welke zorg noodzakelijk is, welke medicijnen voorgeschreven kunnen worden en welke hulpmiddelen tot de noodzakelijke zorg horen.
Al deze noodzakelijke zorg wordt opgenomen in de basisverzekering. De Zorgverzekeraars die de Zorgverzekeringswet uitvoeren hebben hier geen eigen beleidsvrijheid in. Als noodzakelijke zorg geweigerd wordt, staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.
Op grond van art. 15 eerste lid WWB bestaat er geen recht op bijstand voor kosten die onder de werking van deze en de hieronder beschreven voorliggende voorzieningen vallen.

Naast de basisverzekering zijn er aanvullende verzekeringen. Dit is geen wettelijke voorliggende voorziening, maar een particuliere verzekering voor kosten waarin mensen zelf horen te voorzien. Het wordt wel verwacht van mensen dat ze zich aanvullend verzekeren.


Het beleid ten aanzien van de volksgezondheid wijzigt regelmatig. De stelregel is dat alleen kosten die in de basisverzekering zijn opgenomen noodzakelijk zijn. Kosten die buiten de basisverzekering gelaten worden zijn uit het oogpunt van de volksgezondheid niet noodzakelijk.

 

De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voorziet in langdurige verpleegzorg.
Deze voorziening is passend en toereikend voor de zog die samenhangt met opname in een verzorg- of verpleeghuis.
 
De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) voorziet in vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen. Deze wet is passend en toereikend voor voorzieningen voor gehandicapten. . Aanvragen en indicering van deze voorzieningen lopen via Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). http://www.ciz.nl. De WMO wordt uitgevoerd door de Dienst Wonen, Zorg en Samenleven (WZS).

De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) biedt alle benodigde voorzieningen aan gehandicapten om werken mogelijk te maken.

 

Let op!
In Amsterdam geldt een aparte regeling binnen de WMO voor fietsen met lage instap of met hulpmotor. Strikt genomen zijn dit algemeen gebruikelijke voorzieningen. Omdat het stadsbestuur vindt dat er aan mensen met een laag inkomen toch zo'n fiets moet worden verstrekt heeft de Dienst Wonen, Zorg en Samenleven een aparte regeling gemaakt.

Omdat WZS voor de uitvoering van de WMO geen draagkrachtberekening kent, is de (oude) regeling gekoppeld aan de Regeling chronisch zieken en gehandicapten (Rcz) of de Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) die DWI uitvoert.

Klanten die chronisch ziek zijn en een vergoeding krijgen van DWI hebben óf geen draagkracht in hun inkomen, óf de aanwezige draagkracht is verrekend. Daarmee horen ze precies tot de doelgroep die bereikt moet worden door WZS. Een DWI besluit Atcg is voor WZS het bewijs dat er sprake is van een laag inkomen.


De aanvraag voor een fiets met lage instap of hulpmotor wordt bij het CIZ gedaan.

De afgesproken regeling kan verwachtingen of verwarring wekken. Het is van belang dit te onderkennen als een klant zich bij DWI meldt met een aanvraag voor een fiets met lage instap of hulpmotor. Bespreek dit met de klant. Neem altijd een aanvraag Atcg in, ook als een klant alleen om een fiets vraagt. Beoordeel zorgvuldig of er kosten zijn die onder de Atcg kunnen worden vergoed. (EB thuiszorg bijvoorbeeld) Neem zo nodig contact op met WZS.

Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat DWI (GGD) de noodzaak van de fiets gaat beoordelen. DWI verstrekt ook geen bijstand voor dit soort fietsen omdat de WMO een passende en toereikende voorliggende voorziening is.

Zie ook 9.4.5 Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.


Zeer dringende redenen
Al deze regelingen samen vormen een passend en toereikend systeem voor de noodzakelijke gezondheidszorg. Bijstandverlening voor medische kosten zal dan ook maar zelden nodig zijn omdat de kosten die buiten deze regelingen zijn gelaten niet noodzakelijk worden geacht.
Alleen als er sprake is van zeer dringende redenen kan er afgeweken worden van deze basisregels. Er moet dan sprake zijn van een acute noodsituatie waarbij blijvend letsel of invaliditeit dreigt en waarbij geen enkele andere oplossing mogelijk is. Het enkele feit dat iemand onvoldoende financiële middelen heeft, is niet als zo'n situatie aan te merken.

Voorbeeld 1: Omdat de kosten van alternatieve geneeswijzen doelbewust niet in de basisverzekering zijn opgenomen kunnen ze niet als noodzakelijke kosten worden beschouwd. Er dient dan ook geen bijzondere bijstand voor alternatieve of antroposofische geneeswijzen verstrekt te worden. Soms worden deze kosten uit een aanvullende ziektekostenverzekering vergoed. De pakketten van aanvullende verzekeringen komen mede tot stand door de vraag van consumenten. Opname van bepaalde kosten in aanvullende verzekeringen betekent niet dat het om medisch noodzakelijke kosten gaat.


Voorbeeld 2: Voor medicijnen is het GVS een passende en toereikende voorziening. Regelmatig past de Minister van Volksgezondheid het GVS aan. Medicijnen die niet zijn opgenomen zijn niet noodzakelijk. Bijstand voor medicijnen is dan ook niet mogelijk. Omdat voor elke aandoening meerdere medicijnen zijn opgenomen waarvoor geen bijbetaling is verschuldigd, is het niet nodig bijstand te verstrekken voor medicijnen waarvoor wel een eigen bijdrage gevraagd wordt. Er zijn altijd voldoende alternatieven.

9.4.2 Medische advisering

Advisering en indicering door een deskundige kan nodig zijn wanneer de klant te maken krijgt met extra kosten van medische, medisch-sociale of psychosociale aard die buiten de werking van een voorliggende voorziening vallen.
Na een positief advies ken je periodieke bijzondere bijstand voor maximaal een jaar toe, tenzij het gaat om de Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten. Die wordt voor langere tijd toegekend. Geeft het advies een langere periode aan, dan hoef je bij een vervolgaanvraag alleen de financiële kant opnieuw te bekijken. Niet de noodzaak van de kosten.

 

Zie ook 9.4.5 Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

9.4.2.1 De medische adviesaanvraag

Stuur de adviesaanvraag altijd op tijd en volledig ingevuld naar de GGD. Gebruik de standaardcorrespondentie, en vraag om de noodzaak van de voorziening. Geef altijd in grote lijnen aan wat de problematiek van de klant is.

Te late advisering

Heb je het advies niet binnen de beslistermijn voor de bijstandsaanvraag ontvangen, dan is dat geen geldige reden voor opschorting van die termijn. Tenzij er sprake is van gebrek aan medewerking van de klant. Je neemt dan een besluit op basis van op dat moment bekende gegevens. Kijk naar het vorige advies als het gaat om een vervolgaanvraag.

Medische gegevens zoals doktersverklaringen horen niet in een bijstandsdossier. Voor de advisering zijn ze wel van belang. De klant moet bewijsstukken over zijn medische situatie tonen bij de GGD. Neem de gegevens eventueel zelf in, en stuur ze als voorinformatie mee met de adviesaanvraag.

De vraagstelling op de adviesaanvraag kent drie varianten:

Het is niet gewenst om adviesaanvragen te sturen met de vraag of de GGD wil beoordelen of er soms meerkosten zijn, als het gaat om mensen die niet een duidelijk ziektebeeld hebben of zelf niet kunnen aangeven dat ze meerkosten hebben. De GGD ontvangt dit soort adviesaanvragen vaker voor ouderen. Maar oud zijn is geen ziekte en ouderdom alleen levert geen meerkosten op.

Vraag dus alleen om advisering als daar een goede reden voor is.Tips bij formulering van de aanvraag:

·         bij de tweede en derde mogelijkheid (problematiek, handicap, ziekte) kan een opsomming van kosten retour komen. Bijvoorbeeld over zaken die in het contact tussen de klant en de dienst niet aan de orde zijn geweest. Houd daar van tevoren al rekening mee door de aanvraag ruim te formuleren: eenmalige en periodieke kosten met voor allebei een omschrijving als: ‘alle (meer)kosten die ik moet maken in verband met mijn ziekte (aanduiding ziekte)’; 
vermeld in de adviesaanvraag of een huisbezoek noodzakelijk is of verzoek om de aanvraag met voorrang te behandelen. Doe dit alleen in bijzondere gevallen als de (medische) situatie van klant daar aanleiding toe geeft.

Gewijzigde procedure adviesaanvragen GGD
Let op: Huisbezoeken kosten veel tijd, zeker als bij een eerste bezoek geen gehoor gegeven wordt. Daarom is afgesproken dat adviesaanvragen van klanten tot 70 jaar via de standaardaanvraag worden behandeld. Dit betekent in het algemeen dat deze klanten niet thuis worden bezocht, maar bij de GGD worden opgeroepen. Mocht het noodzakelijk zijn dat de klant toch thuis wordt bezocht, dan moet deze noodzaak duidelijk omschreven worden op de adviesaanvraag.

Zijn er bijzonderheden waarmee rekening gehouden moet worden, meldt dit dan ook duidelijk op de adviesaanvraag zodat de GGD zich kan voorbereiden.


Hou er rekening mee dat de GGD voor huisbezoek of een voorrangsbehandeling een hoger tarief berekent aan DWI dan voor een standaardadviesaanvraag.


De GGD kan ook op eigen initiatief aanbevelingen doen als het om medische kosten gaat voor zover deze niet vallen onder een voorliggende voorziening, of daar juist in uitgesloten worden.

9.4.2.2 Het advies van GGD

Het advies geeft een oordeel over de noodzaak van de gevraagde voorzieningen en mogelijke alternatieve oplossingen. Waar nodig wordt ook de hoogte van de kosten aangegeven.


Let op: DWI doet een beroep op deskundigheid bij de GGD. Alleen op zeer zwaarwegende gronden wijk je af van het GGD advies. Een beslissing ten nadele van de klant moet je goed onderbouwen en toelichten in het besluit.


N.B.
Door de ombudsman is de aanbeveling gedaan om medische adviezen die dienen ter ondersteunen van een besluit, als bijlage bij dit besluit aan de klant mee te sturen. Omdat de besluiten uit Socrates centraal worden verstuurd, moet hiervoor dus een apart briefje naar de klant worden gestuurd waarin wordt verwezen naar het besluit waarbij een kopie van het GGD advies wordt meegezonden.
De GGD is van deze werkwijze op de hoogte.

 

9.4.3 Ziektekostenverzekering

Op 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet (ZVW) ingevoerd. De ZVW verplicht iedere inwoner van Nederland een zorgverzekering (basisverzekering) af te sluiten.

Premies voor zorgverzekeringen (en andere verzekeringen) komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Van mensen mag verwacht worden dat ze naast de basisverzekering een aanvullende verzekering afsluiten.

DWI biedt twee collectieve pakketten aan, de AV Amsterdam en de AV Plus Amsterdam.

In deze pakketten is het verplicht eigen risico van € 170,- dat geldt voor de basisverzekering herverzekerd.

Let op:
Mensen met een laag inkomen hebben recht op een zorgtoeslag. Die kan aangevraagd worden bij de Belastingdienst Toeslagen. Wijs klanten hier zonodig op.

9.4.4 Kosten eigen bijdrage voorliggende voorzieningen

Veel voorliggende voorzieningen kennen eigen bijdragen. Soms is voor eigen bijdragen een beroep op bijzondere bijstand mogelijk, meestal niet. Naast eigen bijdragen bestaan er ook voorzieningen waarvoor de gebruiker op een andere manier moet betalen, zoals premies en contributies (zie 9.4.4.3 Premies en contributies).

9.4.4.1 Wettelijke eigen bijdragen

Wettelijke eigen bijdragen, ook wel retributies genoemd, komen voor bij (para-)medische voorzieningen en zorgvoorzieningen. Een eigen bijdrage is meestal óf een bedrag aan de voet (bijvoorbeeld de eerste € 50,- ), óf een percentage van de kosten. (Zie 9.4.4.2 Uitzonderingen en specifieke regels voor niet-wettelijke eigen bijdrages).

Onder de wettelijke eigen bijdragen vallen onder andere:

·         thuiszorg (ook wel Zorg zonder Verblijf of WMO-bijdrage genoemd, zie onder);

·         verblijf in een AWBZ-instelling (ook wel Zorg met Verblijf genoemd, zie onder);

·         kraamzorg;

·         psychotherapie.

Wie gebruik maakt van meerdere voorzieningen moet telkens een eigen bijdrage betalen. Deze cumulatie van eigen bijdragen is voor de draagkracht van mensen met een minimuminkomen een probleem.

Wettelijke eigen bijdragen kun je vergoeden als bijzondere bijstand, als het totaal van de eigen bijdragen binnen een periode van 12 maanden boven de € 50,- (de ondergrens) uit komt.

Sommige eigen bijdragen zijn inkomensafhankelijk, andere niet. De meeste voorzieningen houden geen rekening met eigen bijdragen die klanten ergens anders al betaalden. Daarom is de optelling van de verschillende eigen bijdragen toegestaan.

Er is voor een ondergrens gekozen, omdat het betalen van een eigen bijdrage geen bijzonderheid is. Ook mensen met een minimuminkomen hebben enige ruimte voor deze kosten. Bovendien kan de eigen bijdrage beleid zijn binnen de voorliggende voorziening om het aantal aanvragers omlaag te brengen. Je mag dit beleid niet doorkruisen.

Verrekening van de ondergrens eigen bijdrages gebeurt bij voorkeur aan het begin van de periode waarover bijstand wordt verstrekt. Als het om praktische redenen de voorkeur heeft om het bedrag over een langere periode te verrekenen dan kan dat.

Let op: bij (para-)medische verstrekkingen met een eigen bijdrage is in de regel de noodzaak al vastgesteld. Het is dus niet nodig een apart medisch advies aan te vragen.

Eigen bijdrage(n) Zorg zonder Verblijf/Zorg met Verblijf en bijzondere bijstand.
In tegenstelling tot de eigen bijdrage Zorg zonder Verblijf (thuiszorg), komt de eigen bijdrage Zorg met Verblijf (voor klanten die in een AWBZ-instelling verblijven), NIET voor vergoeding via de bijzondere bijstand in aanmerking!

Met een afwijzing van DWI wegens niet noodzakelijk kan een klant zich wenden tot de zorgverzekeraar voor kwijtschelding (zie circulaire 04/27 van 26/05/04 van het College van Zorgverzekeringen).

 

Let op:

De eigen bijdrage Zorg zonder Verblijf (thuiszorg) voor een periode langer dan een jaar komt niet in aanmerking voor vergoeding uit de bijzondere bijstand, maar is onderdeel van de Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg). Zie 9.4.5.2 De gemeentelijke Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg).

 

9.4.4.2 Uitzonderingen en specifieke regels

Uitzonderingen gelden bij:

 

Besparingskosten

Besparingskosten zijn kosten, die de aanvrager ook zou moeten maken als er geen bijzondere omstandigheden waren. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor het eigen aandeel in de kosten, ga je na of er ook nog besparingskosten zijn.


Van besparingskosten is bijvoorbeeld sprake bij orthopedisch schoeisel. Want iedereen besteedt van tijd tot tijd geld aan schoenen. Je vergoedt dus alleen de meerkosten. Het bedrag van de besparingskosten wordt ten hoogste vastgesteld op tweederde gedeelte van het toepasselijke richtbedrag. (zie voor richtbedragen van standaardartikelen de prijslijst in de bijlage). (Houd bij deze kosten ook rekening met vergoedingen uit aanvullende verzekeringen)


Een ander voorbeeld van besparingskosten is de eigen bijdrage voor een gehandicapten parkeervergunning. Parkeervergunningen worden door de stadsdelen verstrekt. De Stadsdelen vragen meestal een eigen bijdrage voor een parkeervergunning voor gehandicapten. Omdat met de vergunning overal gratis geparkeerd kan worden is het redelijk om van gehandicapten een kleine bijdrage te vragen. Immers niet-gehandicapte Amsterdammers dienen veelal ook te betalen voor een parkeervergunning en voor parkeren in het algemeen.


Bij 9.4.5.2 De gemeentelijke Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) wordt ingegaan op de besparingskosten bij de maaltijdvoorziening.

 

Maximumvergoeding

Als een klant zelf bedragen moet betalen, omdat de maximumvergoeding in de voorliggende voorziening is overschreden, kun je alleen bijzondere bijstand verstrekken als de vergoeding van de basisverzekering als niet toereikend is te beschouwen, en de hogere kosten dus noodzakelijk zijn.

 

Periodieke vergoedingen

Er zijn vergoedingen die maar één keer per periode vergoed worden. Brillen bijvoorbeeld worden in de AV(plus) Amsterdam slechts 1 keer per drie jaar vergoed. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn waardoor iemand vaker een bril nodig heeft. Vergoeding uit de bijzondere bijstand is dan mogelijk.


Niet-wettelijke eigen bijdrages
Aanvullende verzekeringen kennen soms een gedeeltelijke vergoeding toe. De verzekerde dient dan een deel van de kosten zelf te betalen. In het spraakgebruik wordt dit eigen aandeel wel een eigen bijdrage genoemd. Dit soort eigen bijdrages komt, in tegenstelling tot een aantal wettelijke eigen bijdrages, in het algemeen niet voor bijstandsverlening in aanmerking.

Bij een aanvraag om bijstand beoordeel je eerst of je de voorziening volgens de algemene regels zou kunnen vergoeden. Als dat niet zo is, vergoed je niet. Er wordt dan ook geen advies aan de GGD gevraagd.


Voorbeeld:

Alternatieve geneeswijzen worden bewust buiten de basisverzekering gelaten, maar kunnen wel (deels) vergoed worden via de aanvullende verzekering. Kosten die niet of niet volledig vergoed worden, komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking, omdat ze bewust buiten de dekking van de basisverzekering zijn gelaten. (artikel 15 lid 1 WWB).

In de AV (Plus) Amsterdam zitten vergoedingen voor eigen bijdrages van:


Deze zaken worden, na toestemming vooraf van AGIS, volledig vergoed tot een maximum.

Voor psychische hulpverlening, tandartskosten en ouderbijdrage jeugdhulpverlening is er specifiek beleid. Zie de betreffende paragrafen.

9.4.4.2.1 Eigen bijdrage Voorschool

De Voorschool
De Voorschool is de algemeen gebruikelijke term voor de voor- en vroegschoolse educatie (VVE).
De voorschool is bedoeld voor kinderen tussen de 2 en 6 jaar oud, die een achterstand dreigen op te lopen ten opzichte van leeftijdsgenootjes, op het gebied van de taal- en de sociaal-emotionele ontwikkeling.
In de meeste gevallen gaat het om kinderen waarvan de ouders een laag opleidingsniveau hebben.
De Voorschool is bedoeld om de achterstand van deze kinderen door speciale programma's weg te werken, zodat de kinderen op het moment dat ze naar het basisonderwijs gaan, een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau hebben als andere leeftijdgenootjes.
Gedurende de tijd dat kinderen deelnemen aan het Voorschoolprogramma worden ze in hun ontwikkeling gevolgd door de afdeling Jeugdgezondheidszorg (JGZ) van de GGD, of de Amsterdamse Thuiszorg (AT).
De ouders volgen speciale activiteiten die binnen de Voorschool plaatsvinden en krijgen zonodig extra ondersteuning.


Programma en eigen bijdrage
In de praktijk gaan kinderen 4 dagdelen per week bij een peuterspeelzaal naar de Voorschool en doorlopen gedurende 4 jaar een vast ontwikkelingsprogramma. De ouders zijn voor de deelname van hun kind een eigen bijdrage verschuldigd. De hoogte van de eigen bijdrage verschilt per stadsdeel.
De bedragen kunnen afhankelijk van de duur van de opvang en de hoogte van het inkomen variëren tussen de € 10,00  en €  65,00 per maand.
In sommige gevallen vormt de eigen bijdrage die voor deelname van de kinderen aan de Voorschool gevraagd wordt, een drempel voor deelname. Om te voorkomen dat kinderen vanwege financiële problemen van de ouders niet kunnen deelnemen, kan er voor de eigen bijdrage bijzondere bijstand verstrekt worden. Hierbij zijn de geldende draagkrachtregels van toepassing.
De ondergrens eigen bijdrages van € 50,00 wordt niet meegenomen bij deze kostensoort.


Indicatie Voorschool
De indicatie voor de Voorschool wordt gedaan door de consultatiebureaus van de afdeling Jeugdgezondheidszorg van de GGD of AT. De Jeugdgezondheidszorg vormt een vast onderdeel binnen de Ouder-en-Kindcentra in Amsterdam. Voor de toetsing en plaatsing van kinderen wordt een protocol gebruikt dat door de DWI is onderschreven. Er hoeft dan ook geen aparte keuring plaats te vinden. Een indicatie voor een kind is 4 jaar geldig.


Aanvragen zullen vergezeld gaan van een verklaring van een consultatiebureau arts of een sociaal verpleegkundige van het Ouder-en-Kindcentrum. Een voorbeeld is opgenomen als bijlage.


De vergoedingen worden geboekt onder componentcode 440, eigen bijdrage voorschool.

9.4.4.3 Premies en contributies

Verzekerden betalen een nominale premie voor de basisverzekering. Daarnaast kunnen zij zich aanvullend verzekeren voor bijvoorbeeld tandartskosten. Premies en contributies horen niet tot de eigen bijdragen. Ze komen niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking. Het zijn normale, algemeen voorkomende kosten. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de klant om zich afdoende te verzekeren.

Let op:
Mensen met een laag inkomen kunnen voor de nominale premie van de basisverzekering een zorgtoeslag aanvragen. Let erop dat mensen dat ook doen. Bij tussentijdse wijzigingen kan de zorgtoeslag aangepast worden.

9.4.5 Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten


9.4.5.1 Landelijke regeling chronisch zieken en gehandicapten

Op 1 januari '09 is de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) in werking getreden.

Chronisch zieken en gehandicapten ontvangen zonder dat daarvoor een aanvraag hoeft te worden gedaan, op basis van bestandsvergelijkingen, van de rijksoverheid een forfaitaire vergoeding van minimaal 150 en maximaal 500 euro per jaar, voor kosten die samenhangen met ziekte of handicap. De vergoeding wordt afgestemd op de mate van zorggebruik. 65+-sers krijgen lagere vergoedingen dan jongere chronisch zieken, maar worden daarvoor op andere wijze gecompenseerd.

Chronisch zieken en gehandicapten kunnen voor bepaalde kosten ook gebruik maken van de teruggave specifieke zorgkosten. Kosten die onder bepaalde voorwaarden voor deze belastingteruggave in aanmerking komen zijn: Genees- en heelkundige hulp, medicijnen, bepaalde hulpmiddel en, vervoer, dieet, extra kleding en beddengoed, reiskosten ziekenbezoek. Deze teruggave kan ook vooraf aangevraagd worden!
Voor sommige van die kosten zoals dieet, bewassing en stookkosten kan bijzondere bijstand verleend worden. Kijk daarvoor in de betreffende paragrafen van dit hoofdstuk.

Met de invoering van de Wtcg is ook de Tbu regeling vervangen door de Tsz regeling. Deze regeling, die door de Belastingdienst wordt uitgevoerd, zorgt ervoor dat minima die minder belasting betalen dan ze aan bijzondere kosten maken een eventueel ongebruikt deel van de heffingskortingen zonder aanvraag krijgen vergoed.


De Wtcg vergoedt de noodzakelijke kosten van chronisch zieken en gehandicapten voor een belangrijk deel. Maar de forfaitaire vergoeding komt pas achteraf tot uitbetaling.

De vergoeding over 2010 wordt pas vanaf november 2011 uitbetaald. Dat kan niet eerder omdat de gegevens over het zorggebruik pas na afloop van een kalenderjaar kunnen worden verzameld en verwerkt. Deze taak ligt bij het CAK*.

De hier bovengenoemde forfaitaire vergoeding en de jaarlijkse tegemoetkoming van € 350 zijn geen middelen onder de WWB volgens artikel 11, lid 4 van de Wtcg. Ze worden dus niet in mindering gebracht op de WWB uitkering. Omdat het vergoedingen zijn voor de extra kosten die chronisch zieken en gehandicapten maken, dient er wel rekening mee gehouden worden bij het vaststellen van de mate waarin bepaalde kosten daadwerkelijk gemaakt worden. Dit is gebaseerd op art. 3.2, tweede lid, Beleidsregels Inkomensvoorziening WWB, IOAW, IOAZ WWIK.

9.4.5.2 De gemeentelijke Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg)

9.4.5.2.1 Algemeen

De gemeentelijke Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten is op 28 april 2009 door het college vastgesteld. De regeling heeft de Regeling chronisch zieken en gehandicapten die vanaf 2011 bestond vervangen.
De bedoeling van de Atcg is om chronisch zieken en gehandicapten vooraf voor aannemelijk te maken meerkosten forfaitaire vergoedingen te geven.
Voor de gemeentelijke tegemoetkoming geldt een inkomensgrens die gelijk is aan de grens van het gemeentelijk armoedebeleid, 110 % van het sociaal minimum.
De inkomensgrens is afhankelijk van het huishoudtype. Er worden aparte toetsbedragen gehanteerd voor alleenstaanden, voor alleenstaande ouders en voor echtparen. Er wordt getoetst aan de maximale norm per huishoudtype volgens de tabellen die bij de overige armoedevoorzieningen worden gehanteerd. Die worden jaarlijks gepubliceerd door Functioneel beheer. Voor 65+-sers gelden andere toetsbedragen dan voor 65--ners. De hoogte van de vergoeding is voor beide groepen gelijk in de gemeentelijke regeling.

Een aanvraag hoeft slechts eenmaal te worden ingediend. Er vindt iedere 5 jaar een herbeoordeling plaats van de medische situatie en het inkomen en vermogen van de chronisch zieke. Tussentijds kan er een herbeoordeling plaatsvinden als de aanvrager daarom verzoekt.
Het inkomen wordt getoetst over het laatst afgesloten volledige kalenderjaar. Dus om in aanmerking te komen voor een vergoeding over 2011 dient het inkomen van 2010 getoetst te worden. Bij een inkomen uit arbeid moet er jaarlijks een inkomenstoets plaatsvinden.
Voor WWIK-kers en zelfstandigen geldt een inkomenstoets over het laatst door de belastingdienst vastgesteld fiscaal jaar.

9.4.5.2.2 Samenstelling Atcg

Hoe ziet de gemeentelijke tegemoetkoming eruit?
De (nieuwe) gemeentelijke regeling verschilt in veel opzichten van de oude: het betreft een forfaitaire vergoeding bestaande uit minimaal 1 en maximaal 8 modules:

 

Iedere module kent een vergoeding van € 20.00 per maand. Deze vergoedingen zullen in de meeste gevallen de extra kosten voldoende dekken.
De 8 modules zijn ook zo gekozen dat ze de meest voorkomende en (vanuit bijstandsperspectief) noodzakelijk geachte kostensoorten omvatten.

Het kan voorkomen dat mensen hogere kosten maken. Het kan dan om kostensoorten gaan die in de Atcg worden vergoed en om andere kosten.
Voor die kosten dient een individuele bijzondere bijstandsaanvraag gedaan te worden.

Bij zo’n aanvraag dienen de gevraagde meerkosten aangetoond te worden. (Zie verder bij paragraaf 9.4.5.2.6 Hogere uitgaven)

Voor periodieke kostensoorten die niet in de Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten zijn opgenomen geldt het gebruikelijke bijzondere bijstandsbeleid. Dit betekent echter niet dat deze kosten altijd kunnen worden vergoed. Soms kunnen er zeer dringende redenen zijn voor een aanvraag: zie dan de tekst in hoofdstuk 9.4.1 Voorliggende voorzieningen over dit onderwerp.
Zie verder ook de beschrijving van afzonderlijke kostensoorten in de verschillende paragrafen van dit hoofdstuk. Bij twijfel over (de hoogte van de) vergoeding via bijzondere bijstand van een kostensoort kan de helpdesk uitvoeringspraktijk bevraagd worden.

 

9.4.5.2.3 Patiëntgroepen

De mogelijkheid om voor bepaalde patiëntgroepen vaste vergoedingen te verstrekken blijft bestaan. Deze vergoedingen zijn ingepast in het (nieuwe) modulaire systeem:
Nierpatiënten komen in aanmerking voor 7 modules: maaltijdvergoeding, wettelijke eigen bijdrages, (tele)communicatie, energie, bewassing, kledingslijtage en dieet.
Rolstoelgebruikers komen in aanmerking voor 4 modules: bewassing, energie, kledingslijtage en wettelijke eigen bijdrages.
Reumapatiënten komen in aanmerking voor 4 modules: maaltijdvergoeding, wettelijke eigen bijdrages, (tele)communicatie en energie.
Sikkelcelpatienten komen in aanmerking voor 2 modules: energie en bewassing.

Tussen DWI, de GGD en patiëntverenigingen zijn afspraken gemaakt over de criteria die gehanteerd worden om iemand tot een doelgroep te rekenen.
Voorbeeld: Om als nierpatiënt aangemerkt te worden moet iemand gedialyseerd worden, in de pre-dialysefase verkeren (nierfunctie van 20% of minder) of een niertransplantatie achter de rug hebben.
 

9.4.5.2.4  GGD advies

De samenstelling van de totale vergoeding wordt vastgesteld na inwinning van advies bij de GGD over de noodzaak.
Naar aanleiding van het advies van de GGD over het aantal noodzakelijke modules wordt dan een eindbedrag vastgesteld, bijv. 3 kostensoorten = € 60.00 per maand.
Wettelijke eigenbijdrages voor bijvoorbeeld thuiszorg hoeven niet aan de GGD worden voorgelegd voor advies als daarvoor een langdurige indicatie door het CIZ is afgegeven. Met een CIZ besluit  is de noodzaak al vastgesteld.
Voor nierpatiënten volstaat de vraag of de klant hoort tot de groep nierpatiënten. Voor rolstoelers hoeft geen advies gevraagd te worden als ze een WMO toekenningsbesluit voor een rolstoel kunnen overleggen.
Sikkelcelpatienten die een verklaring van het AMC overleggen hoeven niet aan de GGD te
worden voorgelegd als de standaardvergoeding van 2 modules wordt aangevraagd. Vraagt men meer modules aan, dan moet wel een advies aan de GGD worden gevraagd.

N.B.:  De Tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende Gehandicapte kinderen (TOG regeling) heeft geen invloed op de forfaitaire vergoedingen van de gemeentelijke regeling!

 

9.4.5.2.5  Klanten in een instelling

Klanten die in een instelling  (inrichting/tehuis) verblijven  komen in aanmerking voor maximaal 2 modules: (tele)communicatie, als er bijvoorbeeld sprake is van het gebruik van een mobieltje in verband met sociale contacten met kinderen buiten de gemeente en wettelijke eigen bijdrages. Voor deze klanten is geen GGD advies nodig.
(De GGD stelt dat er nooit een medische noodzaak is voor extra communicatie, de sociale noodzaak stel je zelf vast.)
Mensen in een instelling komen niet in aanmerking voor de modules maaltijdvergoeding en energie omdat deze kosten niet voorkomen. Kledingslijtage komt volgens de GGD eigenlijk nooit voor.
Als er een medische noodzaak is voor pedicure/manicure, dieet en bewassing, dan dient de instelling daarin te voorzien op grond van de AWBZ.
In instellingen is het gebruikelijk dat mensen zelf betalen voor het wassen, stomen, drogen en strijken van kleding etc.. Daarvoor betaalt men in de meeste gevallen ongeveer € 45.00 per maand. Hier wordt geen bijstand voor verstrekt.
Als er in verband met ziekte extra moet worden gewassen, dan wordt dit vanuit de AWBZ gefinancierd.

 

9.4.5.2.6  Hogere uitgaven

Mocht het voorkomen dat chronisch zieken en gehandicapten meer kosten maken voor de 8 modules die onder de gemeentelijke regeling vallen, dan er door de verschillende regelingen worden vergoed, dan kan er op individuele basis bijzondere bijstand worden aangevraagd voor de overgebleven kosten. Die kosten moeten dan worden aangetoond met bewijsstukken. Er dient rekening gehouden te worden met reeds verstrekte vergoedingen (gemeente en vooraftrek belastingteruggave). Zie ook bij 9.4.5.1 Landelijke regeling chronisch zieken en gehandicapten.
De praktijk heeft uitgewezen dat dit sporadisch voorkomt. Om die reden staan geen uitgebreide rekenvoorbeelden bij dit onderdeel. Bij de helpdesk uitvoeringspraktijk kan in voorkomende gevallen ondersteuning gevraagd worden.  
Voor kosten die onder de Atcg vallen kan vooraf of achteraf een aanvraag gedaan worden. Achteraf betekent tot uiterlijk 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de kosten gemaakt zijn.
Voor andere kosten, dus kosten die buiten de Atcg vallen, geldt het algemene beleid zoals beschreven in paragraaf 9.3.2 Gemeentelijk beleid. Die kosten kunnen maar heel beperkt met TWK aangevraagd worden.

Klanten kunnen zelf de keuze maken of ze vooraf of achteraf aanvragen. Kosten waarvoor bijstand is verleend mogen niet nog eens als specifieke zorgkosten bij de belastingdienst worden opgevoerd. Dat kan betekenen dat de drempel voor teruggave van andere specifieke zorgkosten niet gehaald wordt. Wijs klanten daarop.

 

9.4.5.2.7  Eigen bijdrage maaltijdvoorziening

Voor de eigen bijdrage maaltijdvoorziening bestaan geen andere vergoedingsmogelijkheden dan de bijzondere bijstand. Er kan daarom vooraf aangevraagd worden.  
* Let op:
Chronisch zieken en gehandicapten die volledig afhankelijk zijn van de maaltijdvoorziening maken meer kosten. Zij krijgen maandelijks een nota van Cordaan voor de verstrekte maaltijden. De tarieven zijn ca € 5,00 voor diepgevroren maaltijden en ca € 6,00 voor verse warme maaltijden. Er dient rekening gehouden te worden met besparingskosten van € 2,50 per maaltijd. De meerkosten die de ondergrens eigen bijdrages (€ 50,00 per draagkrachtjaar) te boven gaan kunnen vergoed worden.
Voorbeeld: Er worden in een maand 30 diepvries maaltijden geleverd. Daarvoor betaalt de klant 30 X € 5,00 = € 150 euro. De besparingskosten waarmee rekening gehouden moet worden bedragen dan 30 X € 2,50 = € 75,00. De te vergoeden kosten bedragen in het voorbeeld € 150,00 - € 75,00 = € 75,00. Er is reeds vergoed bij de Atcg € 20,00. Voor bijzondere bijstand komt dan € 75,00 - € 20,00 = € 55,00 in aanmerking. Omdat voor deze kosten de ondergrens eigen bijdrage geldt, kan de eerste € 50,00 in een draagkrachtjaar niet vergoed worden. De eerste maand wordt er dus € 5,00 vergoed en daarna 11 maanden € 55,00 per maand.

 

Zie verder 9.4.5.1 Landelijke regeling chronisch zieken en gehandicapten voor alle vergoedingsmogelijkheden.

 

9.4.5.2.8  Inkomenstoets

Nieuwe aanvragers met een hoger inkomen dan 110% van het wettelijk sociaal minimum. 
Aanvragers met een hoger inkomen dan 110% van het wettelijk sociaal minimum  zijn uitgesloten van deelname aan de nieuwe gemeentelijke regeling. De landelijke regeling wordt voldoende geacht. Het inkomen wordt getoetst over het laatst afgesloten volledige kalenderjaar.

 

Toetsbedragen (bruto) 31 december 2010

2010

Huishoudens jonger dan 65 jaar

2010

(Echt)paren (een of beide partners jonger dan 65 jaar

€ 21.609

Alleenstaande ouders

€ 20.894

Alleenstaanden

€ 16.619

 

Huishoudens ouder dan 65 jaar*

 

2010

(Echt)paren (beide partners 65 of ouder)

20.497

Alleenstaande ouders

18.520

Alleenstaanden

14.705


* Het sociaal minimum voor 65 +-sers ligt hoger dan dat voor 65--ners. De bruto toets bedragen voor 65 plussers zijn lager omdat zij aanzienlijk minder belasting en premies betalen.

Voor de groep met een hoger inkomen geldt dat er een aanvraag bijzondere bijstand kan worden gedaan voor de kosten die binnen de werking van de gemeentelijke regeling vallen.
De kosten dienen aangetoond te worden met bewijsstukken. Er dient bij de draagkrachtberekening rekening gehouden te worden met ontvangen vergoedingen (Wtcg, Belastingdienst, bijdrage van patiëntenvereniging) voor de kosten. De overgebleven kosten kunnen dan eventueel achteraf na de uitbetaling van de Wtcz en belastingteruggaaf, vergoed worden, rekening houdend met de draagkracht.

 

9.4.5.2.9 Tot slot

N.B. 1: Het CAK is de afkorting van Centraal Administratie Kantoor. Het CAK heeft een taak in de administratie en registratie van de eigen bijdrage AWBZ, en in de financiering van AWBZ- instellingen. Daarnaast heeft het CAK sinds 1 januari 2007 een rol binnen de eigen bijdrageregeling Wet maatschappelijke ondersteuning en de compensatie aan chronisch zieken voor het verplicht eigen risico.

 

N.B.2:  Vanaf 1 mei 2010 worden de aanvragen voor de Atcg centraal afgehandeld door Team Voorzieningen.  Aanvragen die na 1 mei 2010 bij de werkpleinen binnenkomen, kunnen met een interne envelop worden doorgezonden naar de afdeling Voorzieningen.
Klanten die een aanvraag Atcg willen doen kunnen zich melden bij het callcenter tel.nr. 020-3463684.
Klanten kunnen ook aangemeld worden door medewerkers van de werkpleinen bij Voorzieningen door het zenden van een e-mail naar DC.voorzieningen@dwi.amsterdam.nl onder vermelding van de NAW-gegevens van de klant.

 

N.B.3:  Team Voorzieningen behandelt geen aanvragen voor (aanvullende) individuele bijzondere bijstand! 

 

N.B.4: Naast het afhandelen van de aanvragen verricht Team Voorzieningen ook de herbeoordelingen en de jaarlijkse inkomenstoets.  

 

9.4.6 Brillen en lenzen

Voorliggende voorziening

In de collectieve aanvullende verzekering voor Amsterdamse minima AV Amsterdam en AV Plus Amsterdam zit een vergoeding voor brillen en contactlenzen. De AV en AV Plus vergoeden brillen en lenzen eenmaal per 3 jaar. De maximale vergoeding is afhankelijk van de soort glazen. De verzekerde bepaalt zelf hoe hij dit bedrag verdeelt over montuur en glazen, of contactlenzen. De maximumbedragen zijn:


Naast deze dekking kan er gekozen worden voor een complete enkel- of dubbelfocus bril zonder bijbetaling bij een landelijke opticien keten.

Let op:

Het is niet de bedoeling om voorschotten te verstrekken in afwachting van de vergoeding van AGIS, of om mensen met pro-forma nota's naar het AGIS te sturen. AGIS betaalt zo spoedig mogelijk na declaratie op basis van de originele nota en garandeert verwerking binnen 10 werkdagen.


Vergoeding extra brillen

Bijzondere bijstand is mogelijk als de klant om een bijzondere reden vaker een nieuwe bril nodig heeft dan de regeling in de AV (Plus) Amsterdam toestaat. Bijzondere opties, geïndiceerd door een oogarts komen ook voor vergoeding in aanmerking, mits van tevoren aangevraagd.

Voor klanten die niet aanvullend verzekerd zijn, geldt dat zij tekortschieten in het nemen van de eigen verantwoordelijkheid. Dat is een reden om de aanvraag af te wijzen, of bijstand als lening toe te kennen, onder voorwaarde dat klant zich alsnog aanvullend verzekert.


Let op: afwijzen doe je als er sprake is van herhaald tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.


Andere verzekeraars dan AGIS

Bijzondere bijstand is ook mogelijk als klant niet is aangesloten bij de collectieve verzekering van AGIS, maar wel bij een andere verzekeraar. Het gaat dan om een vergelijkbaar, aanvullend pakket waarvoor de verzekeraar de kosten niet vergoedt, of een lagere vergoeding geeft. In dat geval kun je dezelfde all-in bedragen vergoeden als bij de AV (Plus) Amsterdam vergoeding of het verschil tussen de feitelijke vergoeding en wat de AV Amsterdam vergoedt. Kun je geen vergelijking maken tussen pakketten, neem dan de premiehoogte als leidraad voor de pakketvergelijking.


Lenzenvloeistof en onderhoud

Onderhoudsmiddelen en lenzenvloeistof komen alleen voor vergoeding uit de bijzondere bijstand in aanmerking bij medische noodzaak voor het dragen van lenzen. Als een bril ook een optie is zijn de onderhoudsmiddelen en de vloeistof niet als noodzakelijke kosten te beschouwen.


9.4.7 Tandartskosten en orthodontie

Bijzondere bijstand voor tandartskosten is in de regel niet mogelijk.

Een klant moet zich afdoende verzekeren voor tandartskosten. In de basisverzekering is een aantal voorzieningen opgenomen. Uitgebreidere voorzieningen zitten in aanvullende (tandarts)verzekeringen.


9.4.7.1 Voorliggende voorziening

Basisverzekering

Noodzakelijke tandheelkundige behandelingen zijn geregeld in de Zorgverzekeringswet en het Besluit Zorgverzekering (art. 2.7) . De voorzieningen voor jongeren en volwassenen zijn in beginsel passend en toereikend om een goede mondgezondheid te behouden.
De voorzieningen voor jongeren tot 18 jaar zijn uitgebreider dan voor volwassenen. Volwassenen zijn zelf verantwoordelijk voor de staat van hun gebit. Saneringskosten horen dus tot de eigen verantwoordelijkheid

De voorzieningen voor jongeren tot 18 jaar zijn uitgebreider dan voor volwassenen. Volwassenen zijn zelf verantwoordelijk voor de staat van hun gebit. Saneringskosten horen dus tot de eigen verantwoordelijkheid

De verstrekkingen van de basisverzekering voor volwassenen zijn beperkt tot:

·         chirurgische tandheelkundige hulp (uitgezonderd paradontale chirurgie en het aanbrengen van tandheelkundige implantaten);

·         röntgenonderzoek door kaakchirurg;

·         gewone volledige onder- en/of bovenprotheses (hiervoor geldt een eigen bijdrage, maar die is gedekt in de AV (Plus) Amsterdam).

Niet, of onder voorwaarden, zijn in de basisverzekering opgenomen:

·         verwijderen van tandsteen;

·         tandheelkundige hulp en voorzieningen, zoals kronen en bruggen, frames protheses en orthodontie voor volwassenen. Kronen en bruggen worden alleen uit de basisverzekering vergoed na een strenge medische beoordeling van de noodzaak. Dit gebeurt door de behandelend tandarts in overleg met de zorgverzekeraar. Voor kronen en bruggen en framesprotheses wordt geen bijzondere bijstand verstrekt omdat de basisverzekering daarvoor een passende en toereikende voorziening heeft, namelijk een prothese.

Cosmetische overwegingen zijn geen reden om bijstand te verlenen. Als de kosten van een behandeling niet worden vergoed uit de basisverzekering, zijn het niet-noodzakelijke kosten. Een adviesaanvraag aan de GGD sturen voor tandartskosten is niet aan de orde.

Aanvullende verzekeringen

Het basispakket van de zorgverzekering voorziet in de noodzakelijke tandheelkundige kosten. Vanuit aanvullende pakketten, zoals de AV Amsterdam en de AV Plus Amsterdam, worden andere kosten, zoals saneringskosten, (gedeeltelijk) vergoed. Het gaat dan om tandheelkundige kosten die tot de eigen verantwoordelijkheid van verzekerden behoren. De keus om wel of niet een aanvullende verzekering af te sluiten, is aan de klant. Voor het eigen aandeel in de kosten van behandelingen die de dekking te boven gaan wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.


9.4.7.2  Vergoeding tandheelkundige kosten

Een vergoeding voor tandartskosten zal zelden nodig zijn. Alleen als er sprake is van zeer dringende redenen kan er bijstand worden verleend. De bijstand dient dan aan te sluiten bij de vergoedingen die de basisverzekering zou geven. In de praktijk is een (gedeeltelijke) prothese dan de aangewezen voorziening. Verwaarlozing van het gebit en onverzekerdheid zijn niet aan te merken als bijzondere omstandigheden, maar als onvoldoende besef van verantwoordelijkheid.


Voor orthodontie bij kinderen is een eigen bijdrage verschuldigd. In de meeste gevallen zal de dekking van de collectieve verzekering die kosten dekken.        

Tip:
Bij onduidelijkheden over (onderdelen) van tandheelkundige behandelingen kun je telefonisch informatie inwinnen bij het Tandheelkundig Informatie Punt (TIP) via nummer 88 012. Uitgebreide informatie vind je op www.tandartsennet.nl.

9.4.8 Kosten van behandeling van dyslexie

Dyslexie, ook wel leesblindheid genoemd, is een leerstoornis die in verschillende gradaties voorkomt. Soms is extra aandacht op school voldoende, vaak is er meer nodig. Behandeling is duur en kan meerdere jaren noodzakelijk zijn.

Vanaf 1 januari 2010 is de Zorgverzekeringswet aangepast: bij kinderen die op 1 januari 2010 zeven of acht jaar oud zijn bestaat vergoeding voor behandeling van ernstige dyslexie.  


De vergoedingsregeling voor ernstige, enkelvoudige dyslexie geldt in het primair en het speciaal onderwijs voor leerlingen van 7 jaar en ouder. De regeling wordt geleidelijk, over een aantal jaren, ingevoerd. Dat betekent dat in 2010 diagnostiek en behandeling worden vergoed voor alle leerlingen waarbij de zorg (inclusief diagnostiek) start op de leeftijd van 7 of 8 jaar. Elk jaar wordt de leeftijdsgrens met een jaar opgetrokken totdat in 2013 alle leerlingen van 7 jaar en ouder in het primair en speciaal onderwijs in aanmerking komen voor vergoede zorg in het kader van deze regeling, mits zij voldoen aan de voorwaarden die de regeling stelt.
Wat de leeftijdsgrenzen betreft is dus het moment waarop de zorg (inclusief diagnostiek) aanvangt bepalend. De regeling geldt niet voor leerlingen in het voortgezet onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.

Jaar

Leeftijd bij aanvang van de zorg

2010

7 of 8 jaar

2010

7, 8 of 9 jaar

2010

7 t/m 10 jaar

2012

7 t/m 11 jaar

2013

7 jaar of ouder


9.4.8.1 Voorliggende voorzieningen

·         Voor kinderen in het primair (basis) onderwijs ligt de verantwoordelijkheid in de eerste plaats bij het onderwijs. Een vaste regel voor vergoeding van behandeling ontbreekt. Tussen scholen bestaan grote verschillen in aanpak en beschikbaar budget om behandeling buiten de school te financieren;

·         bij jonge kinderen kan een logopedische behandeling zinvol zijn. Wanneer logopedie zuiver gericht is op behandeling van dyslexie, is vergoeding door de zorgverzekering uitgesloten;

·         voor leerlingen in het voortgezet onderwijs bestaat een financieringsregeling vanuit het Ministerie van Onderwijs. De criteria zijn zwaar en de vergoeding is verre van kostendekkend;

·         voor volwassenen bestaan geen voorliggende voorzieningen.

Behandeling van dyslexie is grotendeels uitgesloten bij voorliggende voorzieningen. Toch kan een behandeling noodzakelijk zijn. Bij een noodzakelijke behandeling van dyslexie kan de klant dus bijzondere bijstand aanvragen.

9.4.8.2 Indicatiestelling, behandelaars en vergoedingen

Het Advies- en Begeleidingscentrum voor het Amsterdamse onderwijs (het ABC) is gespecialiseerd in behandeling van dyslexie. Het ABC verwijst zo nodig naar het IWAL (Instituut voor Woordblindheid en Andere Leerstoornissen), de Stichting Taalhulp, of het Paedologisch Instituut Duivendrecht. De behandelmethoden en tarieven van deze instellingen verschillen:

  • het IWAL kent een hoog en een laag tarief, afhankelijk van de hoogte van het inkomen. Let op: je vergoedt alleen het lage tarief;
  • ook het ABC brengt kosten in rekening. Het ABC bekijkt welke methode het beste past. Voor de financiering zal het ABC altijd eerst de school aanspreken.

Op welke voorwaarden krijgen kinderen in de leerplichtige leeftijd een behandeling buiten school uit de bijzondere bijstand vergoed?

  • bij de aanvraag zit een goed onderbouwd advies van het ABC. Daarin staat welke behandeling het beste past en hoe lang de behandeling naar verwachting zal duren;
  • het staat vast dat de school geen budget heeft voor betaling van de behandeling.


Deze vergoedingen voer je in als “overige paramedische hulp”.

9.4.8.3 Dyslexie en reïntegratie 

Volwassenen kunnen op de arbeidsmarkt ernstig hinder ondervinden door hun dyslexie. Vanuit dit perspectief verwijst het UWV/WERKbedrijf soms naar het IWAL. Niet als arbeidsmarktgerichte scholing, maar als noodzakelijke opstap naar werk. Daarvoor kan dan een vergoeding gegeven worden. Ook dan moet je een verwijzing goed onderbouwen.

Deze vergoedingen verwerk je als ‘werk- of scholingskosten’.

9.4.9 Dieetkosten en voedingkosten

Er zijn twee categorieën dieetkosten:


In de meeste gevallen zullen mensen die in aanmerking komen voor dieetkosten, chronisch ziek zijn. Breng deze mensen dan onder in de Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg). In veel gevallen is de forfaitaire vergoeding afdoende.
 
Wijs mensen erop dat ze met een indicatie van de huisarts van de Belastingdienst geld terug kunnen vragen voor de meest gangbare diëten. Belasting terugvragen is niet verplicht.
Er kan ook in aanvulling op de Atcg vergoeding individuele bijzondere bijstand worden aangevraagd. Kosten waarvoor bijzondere bijstand is verstrekt mogen niet als specifieke zorgkosten bij de belastingaangifte betrokken worden.
Dat kan gevolgen hebben voor andere aftrekbare kosten omdat de drempel die voor teruggave geldt niet of nauwelijks wordt overschreden. zodanig overschreden worden dat ook andere kosten, waar geen bijzondere bijstand voor wordt verstrekt, voor aftrek in aanmerking komen.
Die overweging dient de klant zelf te maken.

 

Op de internetpagina van de Belastingdienst worden alle diëten genoemd en de meerkosten die daar mee gemoeid zijn. Dit overzicht specifieke zorgkosten is ook als bijlage 3 opgenomen achter dit hoofdstuk.
Voor een aanvraag om aanvullende bijzondere bijstand volstaat de verklaring van de huisarts als die een dieet noemt dat op de lijst van de belastingdienst voorkomt. Er is dan geen GGD indicatie nodig. 
Bij de beoordeling of er aanvullende bijzondere bijstand mogelijk is wordt rekening gehouden met vergoedingen uit andere bron.

 

Zieken of gehandicapten die langdurig gebruikmaken van maaltijdvoorziening (thuisbezorgde maaltijden), kunnen ondergebracht worden in de Atcg.
Als mensen langer dan 8 weken gebruik willen maken van maaltijdvoorziening is er een indicatie van het CIZ nodig. Als die indicatie er is hoeft er geen GGD advies gevraagd te worden.

9.4.10 Was- en kledingkosten

Een ziekte of handicap kan leiden tot hogere uitgaven voor wassen of vervangen van kleding en beddengoed dan gebruikelijk is. Dat kan veroorzaakt worden door bijvoorbeeld ongewoon vochtverlies of slijtage door protheses. Ook kan iemand in een relatief korte periode zo sterk afvallen of aankomen, dat een nieuwe garderobe nodig is.

Advisering

Vraag bij een ziekte of gebrek altijd eerst advies bij de GGD:

·         is er een medische oorzaak voor een meer dan normale kledingslijtage, gewichtsaf- of toename?

·         is er een medische reden voor extra waskosten?

Denk ook hier aan de Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

Vergoeding

·         voor extra kosten als gevolg van plotselinge gewichtsafname of -toename is bijzondere bijstand mogelijk als het gaat om minimaal 2 maten groter of kleiner in een zeer korte tijd.

Aanschaf of vervanging van kleding op niet-medische gronden (bijvoorbeeld na ontslag uit detentie) komt niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Uitzonderingen zijn denkbaar. Gebruik voor bedragen de prijslijst in dit hoofdstuk.

9.4.11 Telefoonkosten en alarmering

Een vaste telefoonaansluiting en gewone gesprekskosten reken je tot de normale uitgaven binnen een minimuminkomen. Voor de aanschaf en de gesprekskosten van mobiele telefoons wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.
Door concurrentie op de telefoniemarkt en de opkomst van internet zijn de kosten de laatste jaren steeds verder gedaald.
Alleen in uitzonderlijke situaties kan er een vergoeding voor een deel van de gesprekskosten vergoed worden.

Zie verder 9.4.5.2 Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg).

9.4.11.1 Hulpverlening en alarmering

Als er een medische noodzaak is voor een persoonlijk alarm dan vergoedt de zorgverzekeraar de kosten. Is er een sociale noodzaak dan vergoedt de gemeente op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) de kosten.

Is er sprake van een eigen bijdrage in de kosten van alarmering, dan kan deze vergoed worden via de Atcg : de module Wettelijke eigen bijdrages. Zie 9.4.5.2 De gemeentelijke Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg).

Een bijzondere vorm van sociale alarmering is het Aware systeem.

Dit systeem is specifiek bedoeld voor slachtoffers van huiselijk geweld en wordt geplaatst op indicatie door het Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld. Door dit systeem kan bij bedreiging politie snel ter plekke zijn. De kosten van een abonnement bedragen ongeveer € 45,- per maand. Een abonnement duurt 6 maanden. Eenmalige verlenging voor 6 maanden is mogelijk.
Het bedrag kan worden vergoed via bijzondere bijstand zonder advies van de GGD.
Andere bijkomende kosten worden niet vergoed.

Voor meer info kan contact worden opgenomen met het Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld Amsterdam, tel.020-6116022.

9.4.11.2 Sociale contacten

Zieken en gehandicapten ondervinden soms problemen bij het onderhouden van sociale contacten. Wie door ziekte of handicap vervoersproblemen heeft, kan vergoedingen vanuit de WMO (in geld of in natura) krijgen. De WMO-vergoeding is dan voor het onderhouden van sociale contacten de voorliggende voorziening.

Gesprekskosten
Wie door ziekte of handicap aan bed of huis gebonden is, kan gemakkelijk in een sociaal isolement raken. Mensen kunnen zodanig aan bed of huis zijn gekluisterd dat vervoer onmogelijk is. Ze zijn dan uitsluitend op de telefoon aangewezen. Voor de gesprekskosten is een vergoeding van 20,- per maand mogelijk binnen de Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (9.4.5.2 De gemeentelijke Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg)).

9.4.12 Deelname sociale activiteiten

Deelname aan sociale activiteiten is iets anders dan sociale activering. Bij sociale activiteiten gaat het om vormen van ontspanning. In de regel is voor de kosten van ontspanning geen extra bijstand mogelijk. Wel is korting te krijgen op vertoon van een Stadspas. Deze algemene regels gelden ook voor vakantieactiviteiten.

Voorbeelden van uitzonderingen:

  • de klant is door bijzondere omstandigheden aangewezen op een ontspanning, die meer kost dan hij redelijkerwijs kan bekostigen. Dat kan zowel periodiek (abonnementen, periodieke deelname aan bepaalde activiteiten) als incidenteel (aanschaf hulpmiddel, eenmalige activiteit) zijn;
  • de klant houdt een volkstuin aan. Begin jaren negentig stelde de Gemeenteraad van Amsterdam vast dat een volkstuin in een bijzondere situatie als noodzakelijk kan worden beschouwd op grond van medische of psychosociale factoren. Vindt de adviserende instantie dat ook, dan kun je de huur en andere vaste lasten vergoeden.


De meeste hulpmiddelen en aanpassingen worden betaald vanuit voorliggende voorzieningen, zoals sportrolstoelen (WMO), aangepaste computers en tv-loepen (Regeling zorgverzekering). Wanneer geen enkele voorliggende voorziening tegemoetkomt aan de specifieke behoefte van de klant, dan moet je beoordelen of andere vormen van (betaalbare of onder een voorliggende voorziening vallende) ontspanning mogelijk zijn. Slechts bij hoge uitzondering verstrek je dan bijzondere bijstand.


Indicatiestelling
Vooral hier geldt dat een individuele beoordeling noodzakelijk is. Een advies van de GGD of van CIZ kan daar deel van uitmaken als de kosten uit ziekte of handicap voortvloeien.

9.4.13 Bevallings- en kraamkosten

Kosten van bevalling en kraamverzorging kunnen uiteenlopen. Dat is afhankelijk van de situatie van moeder en kind. Welke zorg noodzakelijk is, moet je per geval beoordelen. Hieronder staan enkele algemene richtlijnen. In veel gevallen vergoedt een aanvullende verzekering het merendeel van de kosten. De AV Amsterdam en de AV Plus Amsterdam kennen uitgebreide vergoedingen, ook voor niet noodzakelijke poliklinische bevallingen.

9.4.13.1 Kosten van bevalling

De kosten van een bevalling hangen af van de plaats: thuis of in het ziekenhuis. Een ziekenhuisbevalling is duurder. De zorgverzekering vergoedt een ziekenhuisbevalling alleen volledig bij een medische indicatie.

In aanvullende verzekeringen is meestal een dekking opgenomen voor deze kosten.

Als een vrouw zonder medische indicatie toch in een ziekenhuis wil bevallen, verstrek je geen bijzondere bijstand, tenzij sprake is van een sociale indicatie.


Voorbeelden daarvan:

  • de staat van de woning laat thuis bevallen niet toe;
  • de vrouw verblijft in een opvanghuis met onvoldoende faciliteiten;
  • er zijn redenen van psychosociale aard.

9.4.13.2 Indicatiestelling 

Stel zelf de noodzaak vast als de bevalling nog moet plaatsvinden zonder medische indicatie. Je beoordeelt op grond van:

  • de informatie van klant;
  • de visie van de vroedvrouw, de huisarts en/of andere behandelaars op de woon- en gezinssituatie;
  • de psychische toestand van de vrouw of eventuele andere bijzondere omstandigheden.

Bij een aanvraag achteraf stelt het ziekenhuis de medische noodzaak vast. Beoordeel ook of er sprake was van een sociale indicatie.

9.4.13.3 Vergoeding

Bij een positief oordeel ga je over tot toekenning van de kosten die niet door een (aanvullende) verzekering worden gedekt.

De definitieve vaststelling van de kosten is soms pas achteraf mogelijk. Er kunnen voor, tijdens of na de bevalling complicaties optreden, waardoor alsnog een medische indicatie ontstaat. De zorgverzekeraar zal dan alsnog tot vergoeding overgaan. Uitbetaling (bij voorkeur aan het ziekenhuis) volgt om die reden pas na het overleggen van de definitieve nota.

9.4.13.4 Kraamkosten

Wanneer betaalt iemand een eigen bijdrage bij kosten voor kraamzorg in het ziekenhuis?

  • geen eigen bijdrage bij medische indicatie;
  • wel eigen bijdrage bij sociale indicatie.

Kosten van de eigen bijdrage vergoed je uit de bijzondere bijstand.


Let op: de wettelijke eigen bijdrage voor zorg na vrijwillige bevalling in het ziekenhuis bedraagt € 31,00 (2011) per dag. Als een klant aanvullend verzekerd is, vergoedt de zorgverzekeraar vaak de eigen bijdrage.

Mate van kraamzorg

De Zorgverzekeringswet bepaalt dat kraamzorg thuis minimaal 24 uur en maximaal 64 uur kan beslaan over een periode van 10 dagen. Er geldt een wettelijke eigen bijdrage van € 3,90 per uur (2011). De mate waarin kraamzorg binnen het wettelijk kader noodzakelijk is wordt bepaald door de kraamvrouw.


Dat is afhankelijk van:

  • de conditie van de vrouw na de bevalling;
  • de (on)ervarenheid van de vrouw (en eventueel haar partner);
  • aanwezigheid van oudere kinderen;
  • beschikbaarheid van mantelzorg.

Let op: Soms is er sprake van “uitgestelde kraamzorg”. Die zorg wordt gegeven na thuiskomst van couveusekindjes. Veel aanvullende verzekeringen vergoeden die zorg.

9.4.14 Jeugdhulpverlening/ouderbijdragen

Kosten voor jeugdhulpverlening en de overige kosten die de ouder moet maken voor het kind verschillen sterk. Er bestaat residentiële en semi-residentiële hulp. Opname in residentiële hulpverlening kan gevolgen hebben voor de norm en voor de kinderbijslagrechten. Dit heeft weer consequenties voor de beoordeling van een aanvraag bijzondere bijstand. In deze paragraaf staan de meest voorkomende situaties.

Voor kinderen in residentiele jeugdhulpverlening is een inkomensonafhankelijke onderhoudsbijdrage verschuldigd.

Het LBIO Gouda int deze ouderbijdragen voor de verschillende vormen van jeugdhulpverlening.


Op http://www.lbio.nl valt te lezen dat:

In enkele gevallen kan buiten invorderingstelling worden verleend. De Minister heeft ons een aanwijzing gegeven om in vier specifieke gevallen uw schuld buiten invordering te plaatsen.
Het LBIO kan de verschuldigde ouderbijdrage (voor zover deze nog niet is betaald) buiten invordering stellen indien een bijdrageplichtige: 

  • algemene bijstand ontvangt, norm alleenstaande (zonder kinderen) op grond van de Wet werk en bijstand;
  • een verstrekking ontvangt op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 en geen ander inkomen heeft;
  • zak- en kleedgeld ontvangt op grond van artikel 41 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden;
  • rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Op de webpagina van het LBIO staan ook de verschuldigde bedragen.


Residentiële hulp

Residentiële hulp betekent dat het kind permanent in een instelling voor jeugdhulpverlening is opgenomen.


Op grond van de ouderbijdrage bestaat in sommige gevallen recht op kinderbijslag. Dit betekent niet dat het kind meetelt bij de toepassing van de bijstandsnorm. Volgens artikel 4 sub b WWB moet de ouder dan de volledige zorg hebben voor het kind. Bij een residentiële opname is daarvan geen sprake. Bij opname van het enige kind of alle kinderen van een alleenstaande ouder in de residentiële jeugdhulpverlening geldt de norm voor een alleenstaande. Volgens de richtlijnen van het LBIO kan in die situaties de ouderbijdrage buiten invordering gesteld worden. Daardoor ontbreekt de noodzaak om aan alleenstaanden bijstand te verlenen voor deze kosten.

Als er andere minderjarige kinderen thuis wonen en in de norm zijn begrepen, kan er een vergoeding verstrekt worden voor de ouderbijdrage voor zover die niet uit de kinderbijslag kan worden voldaan.


De kinderbijslag is niet altijd toereikend, maar moet wel voor dit soort kosten gebruikt worden. Je kunt bijzondere bijstand verstrekken, voor de overblijvende kosten. Behalve de ouderbijdrage zijn er kosten van weekendopvang thuis (berekening als bij co-ouderschap), reiskosten en kledingkosten.


Semi-residentiële hulp

Semi-residentiële hulp wordt in Amsterdam gegeven door ALTRA op indicatie van bureau jeugdzorg. Deze hulpverlening vindt plaats op werkdagen, maar het kind woont thuis. De ouders hebben de volledige zorg. Kinderbijslag is regel.
Meer info: http://www.altracollege.nl


Voor deze opvang is soms een inkomensonafhankelijke ouderbijdrage verschuldigd. Je kunt niet zonder meer de ouderbijdrage wegstrepen tegen de besparingskosten, al zijn deze kosten maatgevend geweest bij de vaststelling van de hoogte van de ouderbijdrage. Soms krijgen kinderen een warme maaltijd. Daar staan weer andere kosten tegenover zoals de bijdrage voor speciaal vervoer van en naar de instelling. Vaak zijn er extra kosten thuis voor verzorging of hulpverlening. Verstrek zonodig bijzondere bijstand op grond van individuele omstandigheden.

9.4.14.1 Omgangshuis

Het komt voor dat gescheiden ouders om diverse redenen niet tot een goede omgangsregeling met hun kinderen komen. Het Omgangshuis biedt dan een oplossing.
Ouders kunnen daar onder begeleiding met hun kind(eren) ontmoetenverblijven.
Als de problemen tussen ouders zo groot zijn dat het kind er ernstige opvoed en groeiproblemen door ondervindt wordt de omgang gefinancierd door Jeugdzorg.
Als de problemen nog niet zo ernstig zijn maar de rechter oordeelt dat er een kans bestaat dat dit gaat gebeuren, vergoedt jeugdzorg niet. Er kan dan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten die het Omgangshuis rekent voor de omgangsregeling, waarbij rekening gehouden wordt met de draagkracht van de bezoekende ouder.
Na aanmelding bij het Omgangshuis moeten de kosten voor het intakegesprek vooraf betaald worden, anders vindt er geen intake plaats.
Daarom is het van belang dat deze kosten met spoed rechtstreeks worden overgemaakt door DWI.
Dit is met het Omgangshuis afgesproken.
In het intakegesprek worden verdere afspraken gemaakt over het realiseren van het contactherstel.
Deze afspraken worden opgenomen in een plaatsingscontract.
Zodra duidelijk is wat de verdere kosten hieraan verbonden zijn, zal er een 2e aanvraag worden ingediend door de ouder.
Ook deze kosten moeten rechtstreeks worden overgemaakt aan het Omgangshuis.

9.4.15 Psychische hulpverlening

Psychische of psychiatrische hulpverlening kan op verschillende manieren plaatsvinden. Dat kan in een inrichting of buiten een inrichting. Deze paragraaf gaat over de hulp buiten een inrichting.


Riagg
De basis (voorliggende)voorziening voor psychische hulp buiten een instelling, is de zorg die via de Riaggs wordt aangeboden. Bij een Riagg werken psychotherapeuten, psychologen, sociaal psychiatrisch verpleegkundigen en psychiaters. Deze hulp kent een wettelijke eigen bijdrage per behandeling. De maximale eigen bijdrage per jaar is € 702,- .
Voor de wettelijke eigen bijdrage psychotherapie via het RIAGG geldt in 2010 een dekking van maximaal € 150.00 in de AV Amsterdam en € 684.00, het wettelijk maximum, in de AV Plus Amsterdam.

Voor klanten met een AV Amsterdam pakket geldt dat er geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor het verschil tussen € 150.00 en € 684.00.


Kortdurende hulp

Een andere manier van psychische hulpverlening is de kortdurende eerstelijns psychologische hulp bij vrijgevestigde behandelaars. Deze hulp is op snel resultaat gericht en kan langdurige RIAGG behandelingen te voorkomen. Vanaf 2010 is deze hulp tot maximaal  8 behandelingen opgenomen in de basisverzekering. Voor die behandelingen is per keer een eigen bijdrage van € 10,- verschuldigd.

Deze eigen bijdrage van maximaal € 80,- (8 x €10) is in de beide Amsterdamse aanvullende pakketten gedekt. Daarnaast zijn in beide AV pakketten ook nog eens 4 extra behandelingen opgenomen, dus deelnemers kunnen nu maximaal 12 behandelingen per jaar krijgen zonder bijbetaling.


Hulp buiten het Riagg

De kosten van psychologische hulp, anders dan hierboven beschreven, die buiten het Riagg om wordt verleend door vrijgevestigde hulpverleners of therapeuten worden niet vergoed.
Alleen als er een verwijzing heeft plaatsgevonden door het Riagg, kan bijzondere bijstand een optie zijn. Er dient dan rekening gehouden te worden met de vergoedingen uit een aanvullende verzekering.

Voor deze zorg is in de dekking van de AV Amsterdam € 300,- opgenomen en in de AV Plus Amsterdam € 500,-.

9.4.16 Cannabis op medische basis.

Wanneer klanten met ernstige pijnklachten om medische redenen cannabis krijgen voorgeschreven kan, in aanvulling op de vergoeding van de Zorgverzekeraar, voor de meerkosten bijzondere bijstand worden verstrekt. De GGD moet dit gebruik indiceren en de hoeveelheid. De bijzondere bijstand wordt per maand voor een periode van 12 maanden toegekend.

9.5 Woonkosten en verhuiskosten

Voor een bijdrage in de woonkosten is de Huurtoeslag een passende en toereikende voorliggende voorziening. Wanneer de aanvrager geen beroep kan doen op deze voorliggende voorziening, is soms bijzondere bijstand mogelijk. Kosten rond een verhuizing komen slechts in uitzonderingssituaties voor bijstandsverlening in aanmerking. Die staan beschreven in deze paragraaf.

9.5.1 Huurtoeslag

Per 1 januari 2006 is de Wet op de Huurtoeslag ingevoerd. De hoogte van de huurtoeslag is gebaseerd op het actuele inkomen in het lopende kalenderjaar. De huurtoelsag valt onder de werking van de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR). Huurtoeslag kan worden aangevraagd tot 1 april van het jaar dat volgt op het jaar waarop de toeslag betrekking heeft. Pas daarna wordt de toeslag definitief vastgesteld aan de hand van het definitief door de belastingdienst vastgestelde inkomen en worden voorschotten verrekend. Er is geen reden om bijstand te verstrekken omdat iedereen krijgt waar recht op is.
Voor gevallen waar toepassing van de AWIR leidt tot onbillijkheid, kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule art.47 AWIR.

 

9.5.2 Subsidiejaar wordt berekeningsjaar

Huurtoeslag wordt berekend over het berekeningsjaar. Dit berekeningsjaar valt samen met het kalenderjaar (1 januari - 31 december). De datum van de jaarlijkse huurverhoging, die meestal per 1 juli plaatsvindt hoeft hiervoor niet te worden gewijzigd. De hoogte van de toegekende huurtoeslag kan tussentijds worden aangepast aan de verhoogde huur.

9.5.3 Introductie actueel inkomen

De hoogte van de huurtoeslag wordt bepaald op basis van het geschat actueel inkomen. Dat is het inkomen dat naar verwachting in een kalenderjaar zal worden verdiend. Als er gedurende het jaar inkomenswijzigingen optreden, dient dat gemeld te worden bij de Belastingdienst Toeslagen. Die past dan de hoogte van de huurtoeslag tussentijds aan. Na afloop van het kalenderjaar wordt aan de hand van het daadwerkelijk verdiende inkomen de huurtoeslag definitief vastgesteld.

Nog niet gemelde inkomensveranderingen kunnen dan leiden tot een hogere of lagere vaststelling.
Er wordt dan of alsnog uitbetaald, teruggevorderd of verrekend met nog uit te betalen toeslagen.
Voor teruggevorderde of verrekende toeslag wordt geen bijstand verleend.

9.5.4 Correctie op verzamelinkomen vervalt

Het inkomensbegrip in de Awir wordt aangeduid met de term 'toetsingsinkomen' en komt overeen met het begrip verzamelinkomen, zoals dat in de inkomstenbelasting wordt gehanteerd. De basis-/normhuurtabellen zijn aan dit gewijzigde inkomensbegrip aangepast.
Net als onder de Huursubsidie, worden de inkomens van de huurder, diens partner en eventuele medebewoners bij elkaar opgeteld. Voor de huurtoeslag bestaat het toetsingsinkomen van het huishouden uit deze inkomstenbronnen.

9.5.5 Vermogenstoets

De vermogenstoets is ook in het nieuwe stelsel gehandhaafd. Er is wel gekozen voor een aangepaste normering die aansluit op het stelsel van de rendementsheffing in box 3 van de inkomstenbelasting. Zo komt de aanspraak op de huurtoeslag te vervallen als het vermogen van de belanghebbende, de partner of een van de medebewoners een zodanige omvang heeft dat daarover belasting verschuldigd is in box 3 van de inkomstenbelasting.
De vermogenstoets vindt plaats op individueel niveau. Dit kan soms nadelig uitvallen voor alleenstaande ouders met een vermogen van meer dan € 20.785, die voorheen wel recht op huursubsidie hadden. Hiervoor is een overgangsmaatregel getroffen.
Voorts is er een hardheidsclausule voor gevallen waarin de onverkorte toepassing van de vermogenstoets tot ernstige onbillijkheid leidt.

9.5.6 Diverse onderwerpen

Omdat de huurtoeslag berekend wordt aan de hand van het geschatte actuele jaarinkomen en wijzigingen in de gezinssituatie of het inkomen, tussentijds kunnen worden doorgegeven aan de Belastingdienst Toeslagen, zijn woonkostentoeslagen ter vervanging van huursubsidie niet meer nodig.


Status huisgenoten
De huisgenoot van een aanvrager kan in het bevolkingsregister staan ingeschreven, ook als hij zonder vergunning in Nederland verblijft. Dit zal voor de aanvrager leiden tot afwijzing van de huurtoeslag.

Bij de beoordeling van een bijstandsaanvraag voor woonkostentoeslag blijven deze huisgenoten buiten beschouwing, behalve qua inkomsten.


Boekingscorrectie
Voorschotten van DWI kunnen geboekt worden in een bepaald jaar, terwijl ze betrekking hebben op een voorgaand jaar. Dit kan leiden tot een hogere jaaropgave van de klant – en vervolgens leiden tot afwijzing of verlaging van de huurtoeslag en van andere Toeslagen

Het is dus van groot belang voorschotten te boeken in het jaar waarop ze betrekking hebben.


Als een klant in de problemen komt omdat DWI de eerste aanvraag LO te traag heeft afgewikkeld, kan er bijzondere bijstand worden verstrekt. Dit zal dan achteraf moeten gebeuren, omdat de definitieve toekenning van Toeslagen pas na 1 april van het jaar volgend op het Toeslagjaar plaatsvindt.

Huurgrens

De huurtoeslag kent een maximale huurgrens. Komt de huur hierboven dan is geen toeslag mogelijk. De grenzen liggen in de huurperiode 2010 op € 647,53 en voor 2010 € 652,52 voor personen ouder dan 23 jaar en op € 357,37 voor 2010 en € 361,66 voor 2010 voor personen onder 23 jaar. Als de maandhuur boven deze grens komt door huurverhoging, en er in het voorgaande tijdvak al huurtoeslag toegekend was, is wel huurtoeslag mogelijk.

9.5.7 Bijzondere bijstand voor woonlasten

Algemene regel is dat mensen geen recht op bijstand hebben als zij de mogelijkheid hebben om beroep te doen op een voorliggende voorziening die toereikend en passend is. DWI verleent geen bijstand:
• voor kosten die in een voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt;
• voor kosten waarvoor na een beroep op een voorliggende voorziening in het geheel geen vergoeding is toegekend.

Let op: dit geldt in het algemeen, tenzij er zeer dringende redenen zijn om toch bijstand te verlenen (artikel 16 WWB).


Gegevens Gemeentelijke Basis Administratie (GBA)

Als de opgave op het aanvraagformulier niet overeenstemt met de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA), krijgt de klant geen huurtoeslag. Na correctie van de GBA-registratie kan alsnog huurtoeslag worden verleend; soms ook met terugwerkende kracht.
Als een aanvraag huurtoeslag wordt afgewezen vanwege onjuiste registratie bij de GBA, let dan bij een bijstandsaanvraag speciaal op drie zaken:

  • wie wonen er werkelijk op het adres?
  • is er sprake van verwijtbaarheid?
  • heeft de klant zijn registratie bij de GBA in overeenstemming gebracht met de werkelijkheid?Zo nee, dan moet de klant dit alsnog doen. Zo ja, dan bestaat er mogelijk recht op huurtoeslag.


Huur boven Toeslaggrens

Voor een woning met een huur boven de huurtoeslag grens kun je alleen bijzondere bijstand voor woonkosten geven onder bijzondere omstandigheden. Voorop staat dat de aanvrager verplicht is op zoek te gaan naar goedkopere woonruimte. Immers: het inkomen laat geen hoge huur toe.


Bij toekenning van bijzondere bijstand is belangrijk te weten waarom een aanvrager in een huis woont met een huur boven de huurtoeslag grens. Drie vragen zijn belangrijk:

  • woonde de aanvrager al op dat adres voordat hij in de bijstand kwam?
  • is er een dringende reden waarom juist deze dure woning wordt gehuurd?
  • was de bijstandsbehoefte al voorzienbaar bij het aangaan van de huurovereenkomst of is er sprake van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid?


Bij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kun je de bijstand in de vorm van een lening geven.

Toekenning bijstand voor hoge woonkosten
Ken je bijstand toe voor hoge woonkosten, geef dan in het besluit aan dat de klant binnen een bepaalde termijn moet zoeken naar goedkopere woonruimte. Stuur een kopie van het besluit samen met label 0055 naar de Dienst Wonen Amsterdam.

De richtlijn voor een redelijke termijn is zes maanden:

  • na zes maanden vindt in principe geen verlenging plaats. Mocht de klant nog geen vervangende woonruimte hebben gevonden, dan kun je de termijn met drie maanden verlengen;
  • heeft de aanvrager weinig tot geen inspanning verricht om naar vervangende woonruimte te zoeken, bekijk dan of er zich een noodsituatie voordoet;
  • bij een noodsituatie kan verlenging alleen met bijstand in de vorm van een lening. Dan is er namelijk sprake van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.


Rekenregels bijzondere bijstand voor woonkosten

  • alle ruimte in inkomen wordt voor 100% aangewend voor deze kosten;
  • bijstand bereken je over de subsidiabele woonkosten volgens vaste regels;
  • voor woningen in eigendom is een beperkt aantal posten subsidiabel;
  • de bijstand wordt toegekend vanaf de 1ste van de maand van aanvraag voor 6 maanden;
  • als er meer bewoners zijn, deel je de subsidiabele huur door het aantal bewoners. De bijzondere bijstand wordt berekend volgens de formule van de huurtoeslag.


Voorbeeld bij meerdere bewoners

Woont er een klant met één medebewoner (geen gezinslid), dan deel je het subsidiabele huurbedrag door twee.

Bij een subsidiabel huurbedrag van € 500,- : 2 = € 250,-, wordt de bijzondere bijstand berekend over een bedrag van € 250,-.
Gebruik de volgende formule:

  • woonlasten tussen de € 202,95 en € 343,49 worden volledig meegenomen in de berekening;
  • woonlasten tussen € 343,49 en € 491,64 worden voor 75% meegenomen;
  • boven € 491,64 vindt geen vergoeding plaats.


Invoer in berekeningsprogramma voor woonkosten

Voor de berekening van bijstand voor woonkosten gebruik je de berekeningsmodule op je computer:

  • voer administratienummer en geboortedatum in van het gezinslid met het hoogste inkomen;
  • dan verschijnt het menu met het gewenste subsidiejaar, en de gevraagde gegevens;
  • bij de afdruk van de berekening staan mededelingen over verhuisverplichting. Die is altijd afhankelijk van de situatie.


Bij woonkosten voor een huurwoning controleer je de volgende gegevens:

  • het besluit van de Belastingdienst Toeslagen waarin de reden van afwijzing is opgenomen, of gedeeltelijke toekenning van de huurtoeslag;
  • de huurovereenkomst aan de hand van een schriftelijk contract;
  • bij een huurwoning met bedrijfsruimte moet de klant aantonen welk deel van de huur voor de woning is. Als de bedrijfsruimte niet meer in gebruik is, en de aparte netto huren niet aantoonbaar zijn, wordt de totale oppervlakte en apart de oppervlakte van het officiële woongedeelte in m2 berekend. De rekensom van de netto subsidiabele huur is: (woonruimteoppervlak : totale oppervlak) x totale nettohuur; Per 1 januari 2010 is de aftrek die op de rekenhuur plaatsvond voor een garage, bedrijfsruimte of voor onderhuur, afgeschaft.
  • op de huurspecificatie staan meestal de subsidiabele servicekosten. De uitleg van de gebruikte codes op de specificatie, staat op de achterkant van de specificatie;
  • de betalingen zijn aantoonbaar met kwitanties of afschrijvingen;
  • als de huurtoeslagprocedure helemaal is doorlopen, en het gaat om een eerste aanvraag voor een woning van een particuliere eigenaar, informeer dan naar de redelijke huur volgens de uitspraak van de huurcommissie (‘verklaring huurgegevens’). Bij afwijzing van huurtoeslag vermeldt de Belastingdienst Toeslagen dit huurbedrag als subsidiabele huur op het aanvraagformulier. De aanvrager krijgt het formulier terug. Vraag bij (gedeeltelijke) toewijzing deze informatie op bij de Belastingdienst Toeslagen.

Bijzondere bijstand voor woonkosten bij andere woonvormen
Bij het huren van een woonwagen of woonschip gelden dezelfde regels als bij woninghuur.
voor woonwagens en woonschepen in eigendom geldt de rente op de lening als subsidiabele woonkosten;

  • sta- of liggelden gelden als subsidiabele woonkosten;
  • premies brandverzekering voor de inboedel zijn geen subsidiabele woonkosten;
  • de verzekering voor de woonwagen of het woonschip geldt als subsidiabele woonkosten;
  • voor onderhoud geldt een forfait van € 1.134,45 per jaar.


Let op
: Toekenning bijstand voor hoge woonkosten aan klanten met een Bbz-uitkering staat beschreven in hoofdstuk 15.8.1 Toekenning bijstand voor hoge woonkosten aan klanten met een Bbz-uitkering.

9.5.8 Woonkosten bij woning in eigendom

Voor het berekenen van de bijzondere bijstand voor woonkosten bij een woning in eigendom gebruik je het volgende schema:

de hypotheekrente
bij: onroerende zaak belasting, uitsluitend het eigenaarsdeel
bij: de rioolrechten (in 2011 147,93 per jaar) 
bij: premie brand- en opstalverzekering (niet inboedel)
bij: waterschaps- en polderbelasting (eigenaarsdeel)
bij: erfpacht

            bij: toeslagen voor onderhoudskosten en servicekosten

            = subsidiabele woonkosten

Ligt dit bedrag binnen huurtoeslaggrenzen?

            JA:      

            subsidiabele kosten delen door het aantal bewoners

bereken met de formule hoe hoog huurtoeslag bij dit bedrag aan huur zou zijn

= netto bijzondere bijstand

        

NEE:   

            subsidiabele woonkosten

af: maximale subsidiabele huur volgens Wet op de Huurtoeslag

            bij: max. bijzondere bijstand binnen huurtoeslag grenzen

 

            = mogelijke bijzondere bijstand te delen door aantal bewoners

 

Hypotheek aflossing

Hypotheekaflossing komt niet voor vergoeding in aanmerking.
Voor onderhouds- en servicekosten staan vaste bedragen. Het ministerie van VROM geeft hiervoor jaarlijks normbedragen. Deze bedragen zijn per 1 juli 2010:

• algemeen onderhoud vooroorlogse woning € 48,42;
• algemeen onderhoud naoorlogse woning € 41,33;
• centrale verwarming (indien aanwezig) € 6,50;
• lift (indien aanwezig) € 6,08;
• beheer en administratie € 11,75.

In het berekeningsprogramma zijn de standaard- en maximumbedragen verwerkt. De onderhoudskosten zijn afgeleid van het bouwjaar van de woning.

Belastingteruggave bij eigen woning

Iemand met een eigen woning krijgt bijna altijd belastingteruggave. Als deze teruggave kosten betreft waarvoor bijzondere bijstand (woonkostentoeslag) is verstrekt, houd je daar achteraf rekening mee.

Als de klant naast de bijstand ook een vast inkomen heeft, kan hij van tevoren bij de Inspecteur der belastingen een beschikking aanvragen. De belastingteruggave komt dan direct tot uiting in een hoger netto-inkomen, dat op de bijstand wordt gekort.

Bijstand voor eigen woonboten of woonwagens

Als een eigenaar-bewoner van een woonboot of woonwagen bijzondere bijstand aanvraagt voor hoge woonlasten, volg je de berekeningswijze zoals beschreven in de voorgaande paragraaf.

  • reken het gebruikersdeel van de roerende ruimtebelasting niet mee als woonlast. Reden: de woonlastenbijdrage die de klant al van de Dienst Wonen ontvangt, breng je alleen in mindering op de berekende bijzondere bijstand als de bijdrage hoger is dan het gebruikersdeel van de roerende ruimtebelasting;
  • let op: in het nieuwe berekeningsprogramma is het vorige punt niet ingebouwd, omdat maar één gebruiker van de regeling geregistreerd staat.


9.5.9 Kosten rond verhuizing

De kosten voor een verhuizing en woninginrichting komen niet voor bijstandsverlening in aanmerking. De wens om te verhuizen is geen bijzondere omstandigheid. Verhuizingen zijn voorzienbaar en voor de kosten die met een verhuizing en inrichting samenhangen zal dan ook vooraf gereserveerd moeten worden.

Alleen in bijzondere situaties, waar er sprake is van bijzondere medische of sociale redenen die een plotselinge verhuizing noodzakelijk maken, terwijl er geen beroep op een voorliggende voorziening mogelijk is, kan er bijstand voor deze kosten worden verstrekt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de feitelijke verhuiskosten en de kosten van woninginrichting. Hierbeneden staan de verschillende kostensoorten beschreven.

 

9.5.9.1 Voorliggende voorzieningen

Mensen kunnen om diverse redenen bij verhuizing financiële steun nodig hebben. Dat kan via verschillende voorliggende voorzieningen:

  • als verhuizing noodzakelijk is door ziekte of handicap, kan de klant een beroep doen op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Een klant meldt zich daarvoor aan bij het CIZ;
  • de WMO is de voorliggende voorziening als aanpassing van de woning(inrichting) om medische redenen nodig is. Dat is bijvoorbeeld het geval bij woningsanering wegens CARA (aandoeningen luchtwegen). Aanvragen gaan via CIZ.
  • bewoners van 27 aandachtsgebieden stadsvernieuwing kunnen bij (tijdelijke) overlast of ontruiming van hun woning vanwege sloop, technisch onderzoek, renovaties of verbouwingen een tegemoetkoming krijgen. Voor herinrichting na verbouw tijdens bewoning is dat € 500,00 of € 1400,00. Voor noodgedwongen verhuizing bij sloop € 5000,00 € regeling “Van groot naar Beter” tegemoetkoming van € 4500,00 bij verhuizing van een grote naar een kleinere woning is mogelijk. De achtergelaten woning moet een oppervlakte hebben van tenminste 80 m2. De huur van de achtergelaten woning is aan een maximum gebonden (€ 621,78 per 1 juli 2007). De nieuwe woning mag niet groter zijn dan 59 m2 en in Amsterdam liggen, en mag geen koopwoning zijn. Deze regeling wordt door de Dienst Wonen uitgevoerd.


Let op! De gemeentelijke regels kunnen tussentijds wijzigen. Kijk voor actuele informatie op de site van de Dienst Wonen en/of de Stadsdelen.

9.5.9.2 Algemene regels

Bij de beoordeling of er bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor verhuiskosten zijn een aantal criteria bepalend. Allereerst moet duidelijk worden of de verhuizing sociaal of medisch noodzakelijk is. Daarnaast moet duidelijk zijn dat er geen sprake is van voorzienbaarheid.

  • Een sociale noodzaak kan zijn dat er aantoonbaar een conflict is met buren, waardoor de woonsituatie onhoudbaar is geworden.
  • Als er sprake is van medische noodzaak is kan er bijstand worden verstrekt wanneer er aantoonbaar geen beroep kan worden gedaan op voorliggende voorzieningen die bestaan voor verschillende doelgroepen.

Vaak zal het in deze situaties gaan om plotseling noodzakelijk geworden verhuizingen die niet te voorzien waren. Dat maakt bijstandsverlening noodzakelijk.

 
Voorzienbare verhuizingen zijn verhuizingen die voortvloeien uit een wens om van woning of buurt te veranderen, of groter te gaan wonen. In deze gevallen is er geen sprake van een noodzakelijke verhuizing en wordt geen bijstand verstrekt.

Een verhuizing vanuit het ouderlijk huis naar een zelfstandige woning is geen aanleiding om bijzondere bijstand te verstrekken, aangezien zo'n verhuizing is te voorzien. Als het om jongeren gaat, zijn de ouders bovendien nog onderhoudsplichtig. Daarbij geldt ook dat jongeren (studenten) die voor het eerst zelfstandig gaan wonen hun woonsituatie moeten afstemmen op hun financiële middelen. Bijzondere bijstand is hier niet aan de orde.

9.5.9.3 Bijzondere situaties

Soms verkeren mensen in zodanige omstandigheden dat bijstandsverlening noodzakelijk is.

Het kan gaan om:

  • Mensen die uit de crisisopvang komen en opnieuw moeten beginnen, zoals bijvoorbeeld vrouwen die uit een Vrouwenopvang Amsterdam (voorheen Blijf-van-mijn-lijf-huis) komen of mannelijke slachtoffers van eerwraak, mensenhandel of huiselijk geweld die doorstromen uit het Passantenhotel (HVO)
  • Mensen die na langdurige verblijf in een verzorgings- of verplegingshuis weer zelfstandig gaan wonen en onvoldoende middelen hebben.
  • Mensen die na een langdurige detentieperiode een zelfstandige woning betrekken.
  • Mensen die om medische redenen moeten verhuizen en niet door eigen toedoen buiten de werking van de voorliggende voorzieningen vallen.
  • Mensen die vanwege sociale redenen met spoed moeten verhuizen, zonder dat er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.
  • Jongeren die vanuit een crisissituatie zelfstandig gaan wonen (Zie 4.2.3.3 Kosten voor woninginrichting).

Als er geen reserveringen zijn die aangewend kunnen worden, of mogelijkheden om een lening af te sluiten bij de Gemeentelijke Kredietbank, dan kan er bijstand (om niet) worden verstrekt.

 

De mate waarin dat moet gebeuren is sterk afhankelijk van de problematiek en de individuele omstandigheden. Zo zal een vrouw die vanuit een Vrouwenopvang Amsterdam huis naar een nieuwe woning gaat meestal geen huisraad meer hebben of daar niet meer bij kunnen, terwijl iemand die verhuist vanwege bijzondere sociale omstandigheden, nog wel huisraad heeft.
De eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager en een mogelijk gebruik van een voorliggende voorziening moet altijd bij de beoordeling van de aanvraag betrokken worden.
Het enkele feit dat iemand geen geld heeft (niet gereserveerd heeft) is onvoldoende om tot toekenning over te gaan.

Let op: Vluchtelingen die een status hebben gekregen en zelfstandig gaan wonen worden apart beschreven in hoofdstuk 4.1 Vreemdelingen)

Let op: Alle werkzaamheden als gevolg van een verhuizing binnen de gemeente Amsterdam, zoals de adreswijziging, eventuele aanpassing woonkostentoeslag of bijzondere bijstand in verband met hoge huur en, als er sprake is van een medisch of sociaal noodzakelijke verhuizing, de aanvraag voor woninginrichting en verhuiskosten, worden afgehandeld door het oude regiokantoor. Besluiten dienen naar het nieuwe adres gestuurd te worden, zodra dat adres bekend is.

Let op: bij een noodzakelijke verhuizing naar een andere gemeente zijn de inrichtingskosten voor de nieuwe gemeente. De gemeente van vertrek beoordeelt de bijstand voor verhuiskosten.

Let op: voormalig dak-en thuislozen met een WWB-uitkering die in aanmerking komen voor de regeling zoals omschreven in 9.6.4 Regeling woninginrichting dak- en thuislozen moeten niet meer eerst worden verwezen naar de Gemeentelijke Kredietbank.

9.5.9.4 Eerste huur, administratiekosten en borg

Deze en volgende paragrafen gelden als er sprake is van een situatie zoals beschreven wordt in paragraaf 9.5.9.3 Bijzondere situaties.

 

Huur

Bij aanvang van het huurcontract moet meestal de huur vooraf worden betaald. Vaak komen daar ook nog administratie- en contractkosten bij. Het kan zijn dat huur moet worden betaald voor zowel de oude als de nieuwe woning. De huurtoeslag geldt dan slechts voor één woning. Zulke kosten zijn te beschouwen als algemeen gebruikelijk.

Bij dubbele huur is sprake van extra kosten:

  • voor de eerste huur kun je in bijzondere omstandigheden bijstand om niet verstrekken. De periode van dubbele huur houd je zo kort mogelijk;
  • als een klant verhuist van een niet zelfstandige woonsituatie naar een zelfstandige woonsituatie, kan het opbrengen van de eerste huur een probleem zijn. De uitkering is dan meestal afgestemd op het delen van woonlasten of het ontbreken van woonlasten;

 

Administratiekosten

Administratiekosten die de verhuurder in rekening brengt zijn algemene kosten. Is de verhuizing onvoorzienbaar en noodzakelijk, dan kun je hiervoor bijstand “om niet” verlenen. 

Let op: er zijn geen regels over administratiekosten. Wat betreft de hoogte ga je uit van redelijkheid.

Borgsom
Een waarborg bij een huurcontract is gebruikelijk. De hoogte van het bedrag kan variëren. Het geld blijft in principe van de huurder. Bij opzegging van het huurcontract moet de verhuurder dit bedrag terugbetalen. Omdat vaak de borg voor de nieuwe woning al moet worden betaald voor de borg van de oude woning geheel of gedeeltelijk is terugontvangen wordt deze bijstand ook “om niet” verleend.


9.5.9.5 Verhuiskosten

De kosten voor een verhuizing zijn algemene kosten. Als er sprake is van een situatie zoals bij 9.5.9.3 Bijzondere situaties beschreven is, kun je hiervoor bijstand “om niet” verlenen. Let daarbij goed op wat iemand wel of niet zelf kan; bijvoorbeeld met hulp van vrienden of familie in plaats van professionele verhuizers. Opslag van inboedel kan noodzakelijk zijn.

9.5.9.6 Inrichtingskosten

Bij inrichtingskosten gaat het om:

  • behang en schilderwerk;
  • stoffering.


Wat nodig is, hangt af de staat van de te betrekken woning. Ook is van invloed wat de klant aan stoffering van de oude woning kan meenemen. Let hierop bij het bepalen van de hoogte  van de kosten. Als er sprake is van een situatie zoals bij 9.5.9.3 Bijzondere situaties beschreven is, kun je hiervoor bijstand “om niet” verlenen.

9.5.10 Ouderen en noodzakelijke verhuizing

Aanvragers van 65 jaar en ouder die bij een noodzakelijke verhuizing kosten moeten maken, kunnen bijstand om niet krijgen. Dit geldt ook als de partner jonger is dan 65 jaar. Let hierbij op dat ouderen vaak een grote woning achterlaten en naar een kleinere verhuizen. De regeling “Van groot naar Beter kan dan van toepassing zijn.

De voorwaarden voor bijstand zijn:

  • een medische indicatie waarbij de WMO de voorliggende voorziening is;
  • de verhuizing brengt hulpverlening dichtbij;
  • het is een verhuizing naar een verzorgingstehuis;
  • het is een verhuizing vanuit een verzorgingstehuis naar een zelfstandige woning.

Houd bij 65 plussers rekening met de draagkrachtregels. Niet reserveren wordt niet altijd als verwijtbaar beschouwd. Het komt voor dat ouderen een noodzakelijke verhuizing uitstellen omdat ze in hun vertrouwde omgeving willen blijven wonen. Een noodzakelijke verhuizing komt dan plotseling en onvoorzien.

9.6 Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen

Tot de gewone noodzakelijke kosten horen aanschaf en vervanging van duurzame, algemeen gebruikelijke spullen: de ‘duurzame gebruiksgoederen’. Deze duurzame gebruiksgoederen kosten meestal veel geld. Daarom wordt verwacht dat er gereserveerd wordt voor deze kosten. Een overzicht met richtprijzen van deze gebruiksgoederen staat achterin dit hoofdstuk.

 

Kort overzicht van duurzame gebruiksgoederen

Tot de duurzame gebruiksgoederen voor normale woninginrichting rekent DWI:

DWI beschouwt als standaard aan huishoudelijke apparatuur onder normale omstandigheden:

Reserveren of gespreide betaling

Ook als iemand een uitkering heeft wordt hij of zij geacht zelf duurzame gebruiksgoederen te betalen door vooraf te reserveren, te lenen bij de GKA (met rentesubsidie) of door gespreide betaling achteraf. In de bijstandsnorm is daarvoor voldoende reserveringscapaciteit.

Er wordt dan ook geen bijzondere bijstand verstrekt voor de kosten van het aanschaffen of vervangen van duurzame gebruiksgoederen. Alleen in enkele bijzondere situaties kan dat wel. Die situaties staan bij 9.5.9.3 Bijzondere situaties.

Het is niet altijd eenvoudig om te reserveren als mensen langdurig een bijstandsuitkering of een minimuminkomen hebben. Daarom geeft Amsterdam aan mensen die drie jaar of langer in zo'n situatie verkeren de Langdurigheidstoeslag. Als die geen of onvoldoende uitkomst biedt geldt dat er geleend kan worden bij de GKA, of achteraf gespreid betaald kan worden. Er kan dan geen leenbijstand meer verstrekt worden.

  

Mensen die nog geen drie jaar een inkomen van maximaal 110% van het geldend minimum hebben kunnen voor duurzame gebruiksgoederen, voor zover ze niet gereserveerd hebben, tegen een lage rente een lening afsluiten bij de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam, of achteraf gespreid betalen. (Zie 9.6.1 Voorliggende voorzieningen) Bijstandsverlening is hier geen optie.

9.6.1 Voorliggende voorzieningen

De Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA)

Als iemand geen of onvoldoende reservering heeft gedaan, en gespreide betaling is niet mogelijk, dan kan de klant terecht bij Gemeentelijke Kredietbank. De kredietbank verstrekt leningen tegen een lage rente (5,5%). Dat kan door een subsidie van DWI.

Je verwijst niet naar de Gemeentelijke Kredietbank:

·         als de aanvrager een jongerennorm heeft;

·         als de aanvrager verhuist naar een andere gemeente;

·         als er beslag is gelegd op het inkomen van de aanvrager;

·         als er al gebruik gemaakt wordt van de maximale aflossingscapaciteit;

·         als de klant na bemiddeling in een schuldsaneringstraject zit, of in een traject zit van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP);

·         als de toepasselijke norm plus toeslag, langdurig is verlaagd vanwege afstemming van de bijstand.

Het enkele gegeven dat iemand niet terecht kan bij de Kredietbank betekent niet dat dan zondermeer bijstand moet worden verstrekt. Dat kan alleen als er sprake is van zeer dringende redenen en niet uitstelbare noodzakelijke uitgaven.

9.6.2 De Knipkaart

Let op !
Vanaf 1 januari 2010 is de Knipkaart vervallen. Reeds toegekende bedragen kunnen nog tot maximaal 24 maanden na toekenning gedeclareerd worden.
Het verlies van de knipkaart wordt opgevangen door de referteperiode van de Langdurigheidstoeslag te verkorten van 5 naar 3 jaar. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor de Langdurigheidstoeslag zijn versoepeld.


9.6.3 Leenbijstand

Leenbijstand wordt slechts verstrekt in bijzondere situaties. Zie hiervoor bij 9.5.9.3 Bijzondere situaties.

Alleen voor dak- en thuislozen blijft aparte regeling bestaan, zie hoofdstuk 9.6.4 Regeling woninginrichting dak- en thuislozen


Leenbijstand kan wel nog worden verstrekt in uitzonderlijke situaties waarbij de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. (Artikel 48, 2 de lid onder b, WWB). Dit is niet bedoeld als ontsnappingsclausule. Als iemand niet of onvoldoende gereserveerd heeft voor vervangingsuitgaven is dat geen reden om (leen)bijstand te verstrekken.
Het kan alleen gaan om kosten die in bijzondere situaties noodzakelijk zijn, niet uitstelbaar zijn en die onvermijdelijk gemaakt moeten worden waarbij er geen enkel ander beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening.
Voor alle leenbijstand geldt standaard dat na 36 termijnen aflossing, het restant wordt kwijtgescholden. De aflossing is standaard 5% van de norm + vt per maand.

Artikel 45, lid 1 WWB maakt vooruitbetaling van de vakantietoeslag mogelijk voor aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Maak hiervan alleen in zeer bijzondere situaties gebruik.

9.6.4 Regeling woninginrichting dak- en thuislozen

Er is een aparte regeling voor dak- en thuislozen. Zij krijgen wel nog leenbijstand voor woninginrichting. De bedoeling is om het aantrekkelijker voor hen te maken een zelfstandige woning te betrekken. Voor deze groep kun je na 12 maanden het restant van de lening kwijtschelden.


Dak- en thuislozen
Deze doelgroep komt in aanmerking voor de regeling woninginrichting als de klant uit deze doelgroep voldoet aan de volgende criteria:

  • de dakloze heeft minimaal 6 maanden geen vaste woon- of verblijfplaats gehad;
  • de thuisloze verblijft minimaal 3 maanden in een sociaal pension of instelling voor maatschappelijke opvang;
  • de thuisloze is gehuisvest op een project voor begeleid zelfstandig wonen, en heeft een begeleidingscontract of een huurcontract op eigen naam gekregen.

Woning
Een zelfstandige woning is een reguliere woonvorm, waarvoor een geldig, eigen huurovereenkomst is aangegaan.


Voorwaarden voor lening en kwijtschelding

  • voor toekenning van de lening gelden de criteria die in paragraaf 9.5.5 Vermogentoets en verder staan beschreven;
  • inschrijving in het register van Amsterdam;
  • kwijtschelding van het restant van de lening bij betaling huur over twaalf maanden en aflossing lening;
  • afkoping van het restant van de lening na twaalf maanden voor de klant, die een lening bij de GKA heeft afgesloten voor woninginrichting. Dit geldt alleen als aan de voorwaarden is voldaan. Je doet dat met een éénmalige bijstand die je rechtstreeks aan de GKA overmaakt.

Een tweede beroep binnen drie jaar op deze regeling kan alleen als de kans op duurzame huisvesting groter is dan de eerste keer.


Uitvoering regeling woninginrichting dak- en thuislozen

In Socrates verstrek je deze regeling via: Soort dienst: Bijzondere Bijstand > Soort verstrekking: Kosten inrichting en/of huisraad (eenmalig) > Component: Huisraad of inrichtingskosten.

Bij het opvoeren van de component geef je aan dat het gehele bedrag als lening wordt verstrekt. Bij het berekenen van de dienst leidt Socrates je door naar het opvoeren van de vordering “Leenbijstand duurzame gebruiksgoederen’. Bij deze vordering ontvang je normaliter na 36 maanden een werkopdracht. In dit geval voer je daarom een handmatige werkopdracht op voor 12 maanden om te bezien wat er met het restant van de vordering moet gebeuren. 

Is er niet aan de voorwaarden voldaan? Voer dan een nieuwe handmatige werkopdracht in.

 

9.6.5 De babyuitzet

Ook een babyuitzet bestaat uit duurzame gebruiksgoederen. Een aanvraag voor een babyuitzet beoordeel je net als elke reguliere aanvraag voor duurzame gebruiksgoederen. Ook hiervoor hoort gereserveerd te worden en kan alle draagkracht uit inkomen en vermogen gebruikt worden.

De GKA geldt als voorliggende voorziening voor degenen die korter dan 3 jaar een minimuminkomen hebben. Ook hier kan naast een basislening een aanvullende lening door de GKA verstrekt worden als dat noodzakelijk wordt geacht.
Van degenen die 3 jaar of langer een minimuminkomen hebben mag verwacht worden dat zij de Langdurigheidstoeslag gebruiken voor babyuitzet. Is dat onvoldoende dan kan er bij de GKA een (aanvullende) lening worden aangevraagd.

Houd rekening met de volgende zaken:

  • de bedragen in de prijslijst duurzame goederen worden toereikend geacht;
  • als de klant al een kind heeft, mag je ervan uitgaan dat er nog duurzame goederen aanwezig zijn, of hadden moeten zijn; ga dus na of er sprake is van tekortschietend besef;
  • als een alleenstaande moeder of haar vertegenwoordiger de aanvraag indient, onderzoek je de onderhoudsplicht;
  • aanvragers jonger dan 21 jaar moet je naar hun ouders verwijzen voor een bijdrage in deze kosten. Dit is niet afdwingbaar omdat de onderhoudsplicht zich niet uitstrekt tot de kleinkinderen!
  • reserveringen die nog gedaan kunnen worden vanaf de aanvraag tot aan de vermoedelijke bevallingsdatum, neem je mee bij de berekening van het bijstandsbedrag.

 

Bij boekingen ga je als volgt te werk:

  • als het gaat om bijstand om niet, doe je boekingen van de bijstand onder component 505;
  • als het om leenbijstand vanwege tekortschietend besef gaat doe je boekingen onder component 616;
  • gedeeltelijke toekenningen of afwijzingen moet je goed motiveren in je rapportage en het besluit.

9.7 Bijzondere bijstand voor overige kostensoorten

Deze paragraaf gaat over kostensoorten die niet te categoriseren zijn. Je komt hier verschillende kostensoorten tegen zoals reiskosten, kosten voor bewindvoering, situaties zoals bijzondere bijstand voor jongeren, en de voormalig alleenstaande oudere.

9.7.1 Aanvulling voor voormalige alleenstaande ouders

Als het jongste thuiswonende kind van een alleenstaande ouder 18 jaar wordt, heeft de ouder niet langer recht op de alleenstaande oudernorm. Het kind heeft dan recht op WSF, WTOS, een andere eigen uitkering of bijstand als het geen andere inkomsten heeft. De norm van de ouder wordt gewijzigd in alleenstaande en de kinderbijslag komt te vervallen. De normwijziging gaat in op de dag dat het kind 18 wordt. Soms is dit al het geval voor het kind 18 wordt. Dit betekent in veel gevallen voor ouder en kind gezamenlijk een achteruitgang in inkomen. Er is voor gekozen een minimaal niveau van gezamenlijk inkomen te garanderen via een aanvulling. Met deze aanvulling wordt het gezamenlijk inkomen van ouder en kind opgetrokken tot het niveau van de bijstand voor een echtpaar.

De aanvulling wordt uitbetaald aan de ouder.

Bij de berekening van de aanvulling moet met het volgende rekening worden gehouden:

  • Ruimte in het inkomen wordt voor 100% als draagkracht meegenomen.

    Alle inkomsten inclusief vakantietoeslag van ouder en kind tel je bij elkaar op. Dit totaalbedrag trek je af van de norm voor een echtpaar onder aftrek van eventuele verlaging op grond van de Toeslagenverordening (ook inclusief vakantietoeslag). De uitkomst van deze berekening is de aanvullende bijzondere bijstand.

  • Voor de periode vanaf de 18e verjaardag tot de eerste dag van het volgende kwartaal, bereken je een evenredig deel van de kinderbijslag. Dat deel breng je dan in mindering.  Dat betekent, dat er twee berekeningen moeten worden gemaakt: tot de eerste dag van het volgende kwartaal en vanaf de eerste dag van het volgende kwartaal.

  • Voor de omrekening van inkomsten exclusief vakantietoeslag houd je de regels van artikel 31 lid 4 Wwb aan. Bij een kind met WSF geldt het bedrag van artikel 33 lid 2 onder a WWB. Als een kind een tegemoetkoming op basis van de WTOS heeft, gelden artikel 33 lid 3 WWB en artikel 4.3 WTOS.: Dit laatste artikel geeft voor een thuiswonende leerling € 99,64 per maand (1 januari 2010).

  • Is er aan het kind alimentatie toegewezen dan wordt die ook aan het inkomen toegerekend.

  • Heeft het kind geen inkomsten, om welke reden dan ook, dan wordt in de berekening het inkomen van het kind gesteld op de van toepassing zijnde bijstandsnorm + VT.  Dat voorkomt dat de norm eenoudergezin verhoogd wordt tot echtparennorm waar de feitelijke situatie wijzigt naar alleenstaande.

    Berekening

            bij: norm echtpaar  (minus een eventueel toepasselijke gemeentelijke verlaging)

            af:  inkomen ouder (minus een eventueel toepasselijke gemeentelijke verlaging)

            af:  inkomen kind

            = aanvulling bijzondere bijstand

De normwijziging gaat in op de dag dat het kind 18 wordt.

De aanvullende bijstand kan ook ingaan op de dag dat het kind 18 wordt en kan worden toegekend tot de 21e verjaardag van het kind. Wijzigingen in het inkomen van het kind moet je verwerken.

Na toekenning moet met het volgende rekening worden gehouden:

  • Bij studiefinanciering moet je de toekenning in ieder geval na afloop van elk studiejaar opnieuw bezien.
  • Heeft het kind inkomsten uit arbeid, dan bekijk je bij iedere verjaardag opnieuw het inkomen vanwege het met de leeftijd oplopen van het minimumjeugdloon.
  • De toeslag vervalt als het kind het huis verlaat.
  • Wijs de ouder er nadrukkelijk op dat wijzigingen in inkomen of woonsituatie van het kind direct doorgegeven moeten worden. In het besluit is een passage van deze strekking opgenomen.

Als er sprake is van een tweeling dan dient slechts 1 inkomen in de berekening te worden meegenomen. Gaat het om verschillende inkomens, bijv. inkomen uit arbeid en uit WSF, dan moet het hoogste inkomen worden meegenomen.

9.7.2 Aanvullende bijstand voor jongeren tot 21 jaar

Voor jongeren van 18, 19 en 20 jaar zijn aparte normen vastgesteld. Deze normen zijn laag gehouden. Voor wat deze jongeren op de norm tekort komen, worden ze naar hun ouders verwezen. Die hebben onderhoudsverplicht jegens hun kind tot dat 21 jaar is.

Aanvullingen op de bijstand kunnen alleen uit de bijzondere bijstand (Artikel 12. Onderhoudsplicht ouders WWB). Deze aanvulling kan alleen als een beroep op de ouders niet mogelijk of niet afdoende is.

Voor thuiswonende jongeren is de norm toereikend. De ouder kan eventueel bijzondere bijstand aanvragen voor voormalig alleenstaande ouders.


Inkomensaanvulling

Voor een aanvraag voor aanvullende bijzondere bijstand op de jongerennorm moet je de volgende stappen doorlopen:

  • stel de noodzaak van het zelfstandig wonen vast. Bijvoorbeeld bij een verstoorde relatie met de ouders. Dit moet blijken uit een indicatie van een hulpverleningsinstantie;
  • als de jongere voor de bijstandsbehoefte al langer dan 12 maanden zelfstandig woont, is deze indicering niet nodig;
  • bekijk altijd eerst of de ouders aan hun onderhoudsplicht kunnen voldoen;
  • verhaal de verstrekte bijzondere bijstand op de ouders. Dit hangt af van de financiële situatie, maar ook van de relatie ouder-kind.

Bij gehuwde jongeren moeten alle stappen voor beide partners doorlopen worden.

Bij DWI ontbreekt (veelal) de tijd en deskundigheid om de relatie tussen ouders en de jongere te beoordelen. Vraag daarom een verklaring van een hulpverlenende instantie als een jongere bij een bijstandsaanvraag aanvoert dat thuis wonen of een beroep op de ouders niet mogelijk is vanwege een verstoorde relatie.

De verklaring van de instantie kan zich op 3 zaken richten:

  • de noodzaak van het uitwonend zijn van de jongere (crisissituatie, verstoorde relatie enz.);
  • de (on)mogelijkheid dat de jongere zelf een beroep doet op de ouders;
  • de mogelijke nadelige gevolgen voor de jongere of het hulpverleningsproces als DWI de ouders benadert in verband met bijstandsverhaal. Bijvoorbeeld als de jongere op een geheim adres verblijft.

De verklaring hoeft niet uitgebreid te zijn. Wel moeten de eerste twee punten aan de orde komen. Enige persoonlijke informatie is dus wel noodzakelijk.

Als medewerker vorm je een oordeel op grond van alle informatie.

Soms kan een verklaring van een hulpverleningsinstantie achterwege blijven:

  • de ouders zijn overleden (let in dat geval op of de klant ANW rechten heeft);
  • de ouders zijn gedetineerd of opgenomen in een inrichting;
  • de ouders verblijven in het buitenland en contact is niet goed mogelijk;
  • als er al een verklaring is van een deskundige (bijvoorbeeld politierapport);
  • als er voorheen een justitiële maatregel gold.

In deze gevallen is uitwonend zijn een noodzaak. Rapporteer over de onderhoudsplicht.

 

Hoogte van de aanvulling

De aanvullende bijzondere bijstand bedraagt een percentage van de gehuwdennorm art.21 lid c. WWB
 

voor de alleenstaande van 18 jaar: 25%;
voor de alleenstaande van 19 of 20 jaar: 30%:
voor de alleenstaande ouder van 18, 19 of 20: 30%;
voor de gehuwde van 18, 19 of 20 jaar: 15%.

Alle ruimte in het inkomen is draagkracht (dus ook de rechtstreeks ontvangen onderhoudsbijdrage).

Van de standaardbedragen kan op grond van individuele omstandigheden naar boven of beneden afgeweken worden als de hoogte van de woonlasten daartoe aanleiding geven.

 

De bijstand inclusief de aanvulling mag niet hoger zijn dan de bijstand voor personen van 21 jaar of ouder in vergelijkbare woonsituatie.

9.7.3 Vaste lasten tijdens detentie

Gedetineerden zijn uitgesloten van bijstand (Artikel 13. Uitsluiting van bijstand , lid 1 sub a WWB).

 

Het is mogelijk om op grond van bovenwettelijk gemeentelijk beleid toch bijstand te verstrekken, maar dan uitsluitend voor de doorbetaling van de vaste lasten gedurende een periode van 6 maanden. Wel dient er onderzoek te worden verricht naar de noodzakelijkheid van de kosten.

 

Vergoeding

Wat je kunt vergoeden zijn:

  • de huur minus huurtoeslag;
  • energiekosten. Overweeg daarbij of het voordeliger zou zijn de energietoevoer af te laten sluiten. Dit is afhankelijk van de duur van de detentie gezien de afsluit- en aansluitkosten en stookkosten in de betreffende tijd van het jaar.

Er zijn de volgende redenen om (gedeeltelijk) af te wijzen:

  • medebewoning van de woning, waarbij de huurverplichting redelijkerwijs overgenomen kan worden;
  • er zijn nog middelen uit inkomen en vermogen; 
  • vergoeding heeft geen zin, omdat de klant de woning toch dreigt te verliezen, bijvoorbeeld omdat hij flinke betalingsachterstanden heeft;
  • bij detentie in het buitenland wijs je altijd af (territorialiteitsbeginsel).

Is de doorbetaling van de vaste lasten een lening of gift? Om dat te bepalen neem je in overweging:

  • is er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid? Bijvoorbeeld door niet te reserveren of geen andere maatregelen te treffen in de periode tussen veroordeling en tenuitvoerlegging. Geef dan bijstand in de vorm van een geldlening;
  • of er nog middelen te verwachten zijn. Bijvoorbeeld een teruggave van het energiebedrijf door het niet verblijven op de woning. Dit bedrag kan worden gebruikt om de verstrekte bijstand terug te betalen. Vanzelfsprekend moeten de kosten tot een minimum beperkt worden.

9.7.3.1 Vaste lasten tijdens verblijf in een inrichting

Als een alleenstaande klant, of het hele gezin tijdelijk is opgenomen in een inrichting, kun je, voor de periode van de opname, de kosten voor het aanhouden van de woning vergoeden via de bijzondere bijstand. De kosten die je kunt vergoeden zijn:

  • huur minus huurtoeslag;

  • energiekosten

9.7.4 Suppletie voor aflossing aan de GKA

In situaties, waarin de normale aflossingscapaciteit ontoereikend is om een noodzakelijk schuldsaneringskrediet aan te gaan, kan een toeslag op de norm gegeven worden. Deze situatie doet zich voor wanneer iemand in het verleden een krediet is aangegaan op grond van een hoger inkomen en door een daling in inkomen de aflossing niet langer kan opbrengen.

Bij een schuldsaneringskrediet is een bedrag om niet ineens ook mogelijk.

Zo’n toeslag kan ook worden gegeven voor een lening voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen als de aflossingscapaciteit in de norm niet toereikend is.  Bijvoorbeeld als iemand vanuit een Blijf van mijn Lijf huis, zelfstandig gaat wonen en een woning compleet moet inrichten.

Suppleties voor een schuldaflossing bij de GKA worden rechtstreeks aan de GKA uitbetaald. Wanneer de klant zijn aflossingsverplichtingen niet nakomt, doet de GKA een beroep op het borgstellingsdepot. Zie ook 9.8 Schulden over schulden.

De suppletie bedraagt nooit meer dan het verschil tussen de aflossingscapaciteit van klant en de benodigde aflossing volgens opgave van de GKA. De draagkracht wordt gesteld op 100% van de ruimte in het inkomen en het gehele bescheiden vrij te laten vermogen.

9.7.5 Kinderopvang

Op 1 januari 2005 is de Wet Kinderopvang in werking getreden. Hiermee is in principe een passende en toereikende voorziening voor kinderopvang gecreëerd. In hoofdstuk 17 wordt uitgebreid op de Wet kinderopvang ingegaan.

Algemeen geldt dat bijzondere bijstand in relatie tot kinderopvang niet aan de orde is! Financiering moet plaatsvinden op grond van de Wet kinderopvang. Krachtens die wet kan voor de kosten van (erkende en geregistreerde) kinderdagopvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang worden (mede) gefinancierd. Gastouderopvang kan ook plaatsvinden bij de ouder thuis. Als voorwaarde geldt dat de woning van de ouder daarvoor geschikt is verklaard en de opvang plaatsvindt door een gastouder via bemiddeling door een erkend gastouderbureau.


Voor eigen bijdragen die (eventueel) betaald (moeten) worden op grond van de Wet kinderopvang, wordt geen bijzondere bijstand verleend. Dat geldt ook voor situaties dat een ouder een contract heeft ondertekend met hogere uurprijzen voor de opvang dan door de overheid (incl. gemeente) mag worden vergoed. Het wel via de bijzondere bijstand compenseren in die gevallen zou afbreuk doen aan de veronderstelde marktwerking van de WK. Op die manier vervalt de prikkel voor opvangorganisaties hun uurprijzen af te stemmen op de normtarieven van het Rijk. De wetgever heeft bewust gekozen voor de systematiek van de eigen bijdrage, bepaalde doelgroepen uitgezonderd. Daarbij is ook overwogen dat je als ouder besparingen hebt als je kind uithuizig is in verband met opvang.


Sociaal-medisch geïndiceerden (SMI)
Sociaal-medisch geïndiceerden (SMI-ers) behoren niet tot de WK doelgroep. Voor het bedienen van de SMI-ers krijgen de gemeenten jaarlijks een budget van het Rijk. Met dat budget heeft de gemeente een aparte regeling voor SMI-ers in het leven geroepen. De uitvoering van de regeling is opgedragen aan Chikuba als intermediaire organisatie. Nadat de (potentiële) SMI-er zich bij Chikuba heeft gemeld wordt de klant (na screening) voor indicatiestelling doorgestuurd naar de GGD. Bij positieve indicatie voor een SMI-plek, wordt via Chikuba de bemiddeling naar een SMI-plek geregeld en vindt de betaling plaats. Bij de betrokken ouders brengt Chikuba een inkomensafhankelijke eigen bijdrage in rekening.
Hier kan bijzondere bijstand (BB) voor worden verstrekt als aan de algemene voorwaarden voor het verstrekken van BB wordt voldaan.


Mocht op enig moment blijken dat de budgettaire mogelijkheden via Chikuba uitgeput zijn, pas dan is eventuele financiering uit de bijzondere bijstand aan de orde tot aan het eind van een lopend jaar. Kijk wel kritisch naar het aantal benodige uren kinderopvang dat je vergoedt. Verwijs een klant altijd opnieuw terug naar Chikuba voor aanspraak op een SMI-plek met ingang van het volgend jaar!


Overblijfkosten

Basisscholen zijn verplicht een overblijfmogelijkheid aan te bieden. Dit valt buiten de naschoolse en buitenschoolse opvang en daarmee ook buiten de wet Kinderopvang. De ouder betaalt een kleine vergoeding voor het overblijven. Volgt de ouder een traject via DWI dan kan hiervoor de onkostenvergoeding gebruikt worden. Een andere mogelijkheid is om de opvang te betalen uit de Scholierenvergoedingen. Bijzondere bijstand kan alleen worden toegekend als er geen recht bestaat op onkostenvergoeding of Scholierenvergoedingen, of als deze niet toereikend zijn.

Peuterspeelzalen
Let op: peuterspeelzalen (PSZ) zijn geen kinderopvangcentra. Vanuit de Wet kinderopvang zijn er dan ook geen financieringsmogelijkheden. Soms volgt een ouder een korte cursus of training en maakt van de peuterspeelzaal gebruik als opvang gedurende de scholingsuren. Als het gaat om relevante scholing in het kader van een traject, dan kan de eigen bijdrage vanuit de bijzondere bijstand worden vergoed. Zonodig worden voorschotten verstrekt.

Partner in detentie
Als één van beide partner is gedetineerd, en de ander heeft kinderopvang nodig, dan bestaat de mogelijkheid dat het recht op kinderopvangtoeslag komt te vervallen. De partner die kinderopvang nodig heeft, hoort dan niet meer tot de doelgroep van de WK. Kom je een dergelijke situatie tegen waarin de ouder een besluit over afwijzing of beëindiging van de Belastingdienst heeft ontvangen, dan kan er bijzondere bijstand worden verleend waarbij kritisch naar het aantal benodigde uren opvang moet worden gekeken. Met DMO en Chikuba wordt momenteel overlegd of er in deze situatie ook een SMI-plek kan worden gerealiseerd.

9.7.6 Kosten van rechtsbijstand

Kosten van rechtsbijstand zijn alle kosten bij het voeren van een procedure, die voor rekening van de klant komen:

  • griffierecht;
  • eigen bijdrage klant voor kosten advocaat of bureau voor rechtshulp;
  • andere proceskosten, bijvoorbeeld reiskosten, kosten dagvaarding, en kosten van getuigen of deskundigen.

 

Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt met inachtneming van wat hieronder en verderop in dit hoofdstuk staat beschreven. De hoofdregel is dat kosten pas voor vergoeding in aanmerking komen na een positief advies van het Juridisch Loket over nut of noodzaak van een te voeren procedure.
Bij twijfel kan overlegd worden met Juridische zaken.

Kosten van contra-expertise zijn in het algemeen niet noodzakelijk. Mocht het tot een beroepszaak komen dan kan de rechter contra-expertise vorderen. De kosten worden dan door justitie gedragen.

Voorbeeld: In een procedure om een vluchtelingenstatus te verkrijgen wordt door de IND een methode gebruikt om het vluchtverhaal te controleren die Taalanalyse heet. Als de betrokkene het niet eens is met de uitkomst van de Taalanalyse en een contra-expertise laat uitvoeren heeft dat op dat moment geen invloed op het besluit van de IND. Zodra de IND een toelatingsverzoek op basis van Taalanalyse afwijst, kan betrokkene tegen dat besluit in beroep. Indien nodig zal de rechter dan in de beroepsprocedure een nieuwe analyse laten doen.

9.7.6.1 Eigen bijdrage rechtshulp  

Het beleid van het Ministerie van Justitie is erop gericht om nodeloze procedures te voorkomen. Om dit te bereiken wordt het gebruik van het Juridisch Loket bevorderd. Het Juridisch Loket geeft eenvoudige juridische hulp en adviseert over het nut en de noodzaak van verdere procedures. Daarmee fungeert het Juridisch Loket als filter. De hulp van het Juridisch Loket is gratis. Hulp wordt via internet (online chat of via e-mail), via de telefoon of tijdens een persoonlijke afspraak geboden.

Voor rechtshulp die zonder toets door het Juridisch loket tot stand komt is tenminste een eigen bijdrage van 125 euro verschuldigd. Voor hulp die tot stand komt op advies van het Juridisch Loket wordt die bijdrage met 50 euro verlaagd.


Vanaf 1 juli 2011 legt het Juridisch Loket de afspraken vast in een “diagnosedocument”.
Het diagnosedocument speelt een belangrijke rol om vast te stellen of de kosten noodzakelijk zijn. Als de diagnose is dat een verdere procedure noodzakelijk is wordt de verschuldigde wettelijke eigen bijdrage verlaagd. De overblijvende kosten kunnen als bijzonder en noodzakelijk worden beschouwd voor zover ze de ondergrens wettelijke eigen bijdrages overschrijden. Bijstand is dan mogelijk voor het overblijvende deel.


De kosten van eigen bijdrages voor rechtshulp die buiten het Juridisch Loket om, of in afwijking van het diagnosedocument is ingeroepen, kunnen niet als bijzonder en noodzakelijk worden aangemerkt. Deze (hogere) kosten zijn vrijwillig aangegaan en komen niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Dringende redenen daargelaten.


Uitzonderingen
Er zijn een aantal uitzondering op de regel dat eerst het Juridisch Loket geraadpleegd moet worden. Bijvoorbeeld als iemand te maken krijgt met een bestuurlijke sanctie of in een civiele of bestuursrechtelijke zaak naar een hogere instantie (bijvoorbeeld in hoger beroep) gaat.


Zie verder 11.8 Verklaring omtrent inkomen en vermogen (VIV).

De advocaat of rechtsbijstandverlener vraagt een zogenaamde toevoeging aan de Raad voor Rechtsbijstand. Deze beoordeelt dit verzoek en de draagkracht van de rechtzoekende.
Voor sommige procedures is geen advocaat of rechtsbijstandverlener nodig. Als de rechtzoekende dan zonder advocaat of rechtsbijstandverlener procedeert vindt geen toetsing door de Raad voor de Rechtsbijstand plaats en moet DWI dus zelf toetsen of de voorgenomen procedure van de rechtzoekende en de daarmee gepaard gaande kosten noodzakelijk zijn in de zin van de WWB. Ook hier kan het Juridisch Loket een rol spelen. Neem bij twijfel contact op met Juridische Zaken.

9.7.6.2 Griffierecht en proceskosten

Griffierechten moeten altijd vooraf betaald worden. De hoogte van het griffierecht hangt af van de soort procedure. Bijzondere bijstand voor griffierecht is mogelijk als een procedure noodzakelijk is. De noodzaak kan blijken uit het diagnosedocument van het Juridisch Loket of het advies van een advocaat.
Bij een procedure lopen beide partijen het risico om te worden veroordeeld in de proceskosten. Verliest de klant de procedure en wordt hij ook veroordeeld in de proceskosten van de wederpartij, dan vergoedt DWI die proceskosten niet.
Wordt de wederpartij van de klant echter veroordeeld tot betaling van de proceskosten, dan moet de klant DWI daarover inlichten en dan moet hij eerder verstrekte bijzondere bijstand terugbetalen.
Neem bij de toekenning van de bijzondere bijstand daarom ook altijd in het besluit de voorwaarde op dat de klant DWI inlicht over de uitspraak. Stel vast of de klant de proceskosten van de wederpartij vergoed heeft gekregen. Je moet dit zelf bewaken.

9.7.6.3 DWI als wederpartij

Als in een bezwaarprocedure wordt beslist dat de kosten van rechtsbijstand voor rekening van de sociale dienst komen en de klant heeft voor deze kosten al bijzondere bijstand ontvangen, dan moet je de betaling van de kosten rechtsbijstand aan klant of zijn advocaat verrekenen met de hiervoor reeds verstrekte bijzondere bijstand.

De beslissing tot verrekening wordt opgenomen in de beslissing op bezwaar. De medewerker Klachten en Bezwaar gaat na of er bijzondere bijstand is verstrekt en of er verrekening moet plaatsvinden.

In een beroepsprocedure staat de kostenveroordeling in de uitspraak van de rechtbank. Als DWI wordt veroordeeld in de kosten, geeft DWI het griffierecht dat de klant heeft betaald, terug aan de klant of zijn advocaat. Heeft de klant voor deze kosten al bijzondere bijstand ontvangen, dan verrekent de sociale dienst de betaling van de kosten rechtsbijstand aan klant of zijn advocaat, met de hiervoor al uitbetaalde bijzondere bijstand. Hiervoor neemt de concernafdeling Juridische Zaken contact op met het regiokantoor.

De overige kosten rechtsbijstand moet DWI overmaken aan de rechtbank en dus niet rechtstreeks naar de klant. Hier kan de bijzondere bijstand die eerder is verstrekt aan de klant, dus niet worden verrekend met de kosten die DWI aan de rechtbank moet  vergoeden. Het regiokantoor moet dan de verstrekte bijzondere bijstand terugvorderen.

Een actueel overzicht van de eigen bijdragen rechtshulp en de griffierechten is te vinden in Sociaal Info, onder Wet op de Rechtsbijstand.

Let op: de Algemeen Juridische Zaken behandelt verzoeken tot vergoeding van wettelijke rente.

9.7.7 Reis- en vervoerskosten

De volgende situaties kunnen aanleiding zijn voor een aanvraag voor reiskosten:

  • deelname maatschappelijk verkeer van ouderen en gehandicapten;
  • bezoek aan naaste familie in inrichting of tehuis;
  • begrafenis gezins- of familielid;
  • weekendverlof vanuit (medische) inrichting;
  • vervoer van/naar (medische) inrichting;
  • vervoer vanuit detentie;
  • bezoek aan familie- of gezinslid in detentie;
  • vervoer kinderen van en naar school;
  • schoolreisjes.


In de volgende paragrafen worden de voorliggende voorzieningen voor deze situaties beschreven en de mogelijkheden om bijstand te verstrekken.


Reiskosten in verband met scholing, werk of vrijwilligerswerk komen in Hoofdstuk 1 over re-integratie aan de orde. Die kosten komen niet voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking maar dienen uit het participatiebudget verstrekt te worden.

9.7.7.1 De hoogte van de vergoeding

Als je reiskostenvergoeding toekent, dan wordt deze verstrekt op basis van openbaar vervoer 2e klasse vanaf het meest voor de hand liggende NS-station, zo mogelijk met gebruikmaking van kortingskaarten. Er wordt geen vergoeding gegeven voor kosten van openbaar vervoer binnen Amsterdam voor de eerste 2 zones, oftewel 2 abonnementssterren.

Let op: de vergoeding is op basis van het openbaar vervoer. Dat betekent niet dat de klant verplicht is om met het openbaar vervoer te reizen. Hij mag de vergoeding ook gebruiken om bijvoorbeeld een carpoolpartner te betalen, zolang hij maar aannemelijk maakt dat hij daadwerkelijk reist.

In overleg met de klant kan ook worden besloten een fiets te vergoeden.
Bij vergoeding van een fiets geldt als extra voorwaarde, dat klant een deugdelijk slot moet aanschaffen en een verzekering afsluiten. De totale kosten (fiets + slot + verzekering) kunnen worden vergoed, indien die kosten niet hoger uitvallen dan wat aan openbaar vervoer vergoed had kunnen worden voor hetzelfde reisdoel. Reparaties en overige extra kosten komen voor rekening van de klant.

Aan de bijstandsverlening voor vervoerskosten kun je de voorwaarde verbinden dat klant bewijsstukken overlegt.

9.7.7.2 Deelname maatschappelijk verkeer

Deelname aan het maatschappelijk verkeer is bezoek aan familie, vrienden, culturele en recreatieve activiteiten enz. Voorliggende voorzieningen zijn Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en (aanvullende) verzekering.
De eigen bijdrage van een WMO vervoersvoorziening komt niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Hier geldt dat de voorliggende voorziening als passend en toereikend moet worden beschouwd.
Soms kan de WMO klanten niet tegemoet komen in de vervoerkosten voor deelname aan het maatschappelijke verkeer. Bijvoorbeeld bij een wisselende ziektebeeld, waarbij klanten tijdelijk geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer. Bijzondere bijstand is dan soms mogelijk. Een medisch advies van de GGD is hier vereist.
Het moet dan dus altijd om een tijdelijke situatie gaan.

9.7.7.3 Bezoek aan naaste familie in inrichting of tehuis

In de meeste aanvullende verzekeringspakketten zijn vergoedingen opgenomen voor de reiskosten die gemaakt worden voor ziekenbezoek.

Zo vergoed de AV Amsterdam € 0,20 per kilometer tot maximum € 125,00 per jaar, bij een minimale reisafstand van 40 kilometer.

De AV Plus Amsterdam vergoed tot een maximum van 250,00 per jaar.

Naast deze vergoedingen is er de mogelijkheid om deze kosten terug te vragen bij de belastingdienst. Deze kosten worden beschouwd als specifieke zorgkosten en zijn aftrekbaar.


Opname van een gezinslid in een instelling kan een bijzondere omstandigheid zijn. Bijvoorbeeld: bezoek van de ouder(s) en eventueel ook broers of zussen aan een kind in een tehuis. Of omgekeerd: bezoek van het opgenomen kind onder de 18 jaar aan het ouderlijk huis (reiskosten zijn hier ook voor de ouder, die het kind moet halen en brengen). Soms vergoedt het tehuis de reiskosten van het kind. Als noodzakelijk bezoek een bijzondere omstandigheid is, dan kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt.

Overleg zo mogelijk met de leiding van de instelling en stel vast hoe vaak bezoek wenselijk is.

Reiskosten voor bezoek aan een familielid kunnen vergoed worden voor familieleden tot en met de tweede graad, voor zover ze buiten de stadsgrenzen moeten worden gemaakt.

Eerste graad: Ouders en kinderen.

Tweede graad: Grootouders, broers/zusters, kleinkinderen.

Reiskosten voor ziekenbezoek aan familie in het buitenland komen niet voor vergoeding in aanmerking.

9.7.7.4 Begrafenis familie- of gezinslid

De reiskosten voor het bijwonen van een begrafenis zijn in principe algemeen voorkomende bestaanskosten. In het algemeen is dit geen reden om bijzondere bijstand te verstrekken.

Als een gezins- of familielid buiten Nederland begraven wordt, zijn de reiskosten niet noodzakelijk in de zin van de WWB. Bijstand is immers niet bedoeld voor kosten in het buitenland.

9.7.7.5 Weekendverlof vanuit een inrichting

Voorliggende voorzieningen zijn (aanvullende) Zorgverzekering / AWBZ en WMO.
Na individuele beoordeling op basis van een behandelplan is vergoeding vanuit de bijzondere bijstand mogelijk, bijvoorbeeld bij resocialisatie. Je hebt dan een schriftelijke mededeling van de inrichting nodig, waarin ook staat hoe de klant het verlof krijgt.
Dit is niet van toepassing op gedetineerden in psychiatrische gevangenissen.

9.7.7.6 Vervoer van en naar inrichting

Voorliggende voorzieningen zijn hier (aanvullende) zorgverzekering/AWBZ en WMO.
“Zittend” ziekenvervoer wordt nog maar voor een beperkte groep patiënten vergoed.
Voor een eigen bijdrage aan het “zittend ziekenvervoer” aan personen die dit vervoer deels vergoed krijgen o.g.v. het Besluit Zorgverzekering (art. 2.14 t/m 2.15) kun je bijzondere bijstand verlenen.
In de overige gevallen wordt geen bijstand verleend omdat de kosten door de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden gezien.

Door de belastingdienst worden deze kosten aangemerkt als specifieke zorgkosten. Die kosten zijn fiscaal aftrekbaar.


Bij reiskosten voor een (poliklinische) behandeling buiten Amsterdam, is het de vraag of deze of gelijkwaardige behandeling niet in Amsterdam mogelijk is. Vraag bij twijfel aan de GGD of een vergeliikbare behandeling in Amsterdam mogelijk is.

Prinsenstichting
De Prinsenstichting biedt dienstverlening en verleent zorg aan mensen met een handicap.
De Prinsenstichting is gevestigd in Purmerend. Van oudsher verblijven er ook Amsterdamse klanten in de dagverpleging. De AWBZ-vergoedingen voor het vervoer van en naar het centrum zijn niet toereikend. Inwoners van Amsterdam komen in aanmerking voor bijzondere bijstand voor de meerkosten van vervoer (van de Amsterdamse pupillen) van en naar de Prinsenstichting. Het betreft hier uitzonderingsbeleid van de gemeente Amsterdam. De gebruikelijke draagkrachtregels zijn van toepassing.

De WMO is niet van toepassing op deze kosten.

Bijstandsverlening gebeurt ambtshalve voor de periode van 12 maanden per toekenning. Er wordt betaald aan de Prinsenstichting (gemachtigde) op basis van gespecificeerde, zo nodig toegelichte declaraties.

Let op: met de toekenning is altijd haast geboden. Datum van de plaatsing is afhankelijk van de bijstandsverlening. De noodzaak van de kosten staat zonder meer vast. Je hoeft in deze gevallen dus geen GGD indicatie te vragen.

9.7.7.7 Vervoer vanuit detentie

Voorliggende voorziening bij vervoer tijdens verlof uit detentie zijn de regelingen van het Ministerie van Justitie (op basis van de ‘Penetraire beginselenwet’). Dit geldt voor alle vormen van detentie, ook voor gedetineerden in psychiatrische gevangenissen. Bovendien zijn gedetineerden uitgesloten van bijstand. Bijstandsverlening voor reiskosten is daarom niet aan de orde.

9.7.7.8 Bezoek aan familie in detentie

De kosten van familiebezoek zijn algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Maar detentie van een gezinslid is op te vatten als een bijzondere omstandigheid.

Je kunt bijstand geven voor de reiskosten binnen Nederland voor een bezoek van 1 x per maand per achterblijvend gezinslid.

Dit is anders als de gedetineerde in een halfopen of open inrichting verblijft. In dat geval kan de gedetineerde zelf reizen en is bezoek aan de gedetineerde dus geen noodzaak.

Psychosociale of sociale omstandigheden kunnen aanleiding zijn om de gedetineerde vaker te bezoeken. Dit is een bijzondere omstandigheid die  leidt tot extra noodzakelijke bestaanskosten. Stel de bijstand pas betaalbaar nadat is aangetoond  hoeveel bezoeken er zijn afgelegd.

Je kunt de vergoeding toekennen voor de duur van de detentie. Houd daarbij rekening met de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling en eventuele overplaatsingen.

Reiskosten over de landsgrenzen bij detentie buiten Nederland komen niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de bijstand, omdat bijstand niet bedoeld is voor kosten in het buitenland.

9.7.7.9 Vervoer kinderen van en naar school

Deze kosten zijn in principe algemene bestaanskosten.
Voor kinderen in het voortgezet onderwijs die 3 of meer zones moeten reizen, kan een reiskostenvergoeding bij Team Voorzieningen worden aangevraagd. Die is onderdeel van de “Scholierenvergoedingen”.
Een voorliggende voorziening in bijzondere omstandigheden is de ‘Verordening Leerlingenvervoer gemeente Amsterdam’.
Alleen in zeer bijzondere omstandigheden verleen je bijzondere bijstand.

9.7.7.10 Schoolreisjes

Kosten van schoolreisjes behoren tot de algemeen voorkomende bestaanskosten. Vanuit het gemeentelijk minimabeleid (zie ‘Tips voor de smalle beurs’) is er voor leerlingen in het basisonderwijs een tegemoetkoming in de kosten van de deelname aan schoolactiviteiten zoals schoolreisjes en werkweken. Dit kan per stadsdeel verschillen. Een aanvraagt wordt via de directeur van de school ingediend bij de afdeling Onderwijs van het stadsdeel.
Voor kosten die niet door een stadsdeel worden vergoed kan de Scholierenvergoeding een oplossing bieden. Mensen met een minimuminkomen (110% van de bijstandsnorm) kunnen de Scholierenvergoeding aanvragen bij Team Voorzieningen van DWI.

Voor deze kosten is bijzondere bijstand niet mogelijk.

9.7.8 Uitvaartkosten

De nabestaanden van de overledene zijn verantwoordelijk voor de uitvaart en dragen de kosten daarvan. Elk van de nabestaanden voor een gelijk deel. Nabestaanden zijn de erfgenamen volgens het Burgerlijk recht, of zoals genoemd in het testament, mits zij hun erfdeel niet verworpen hebben. Zijn er geen nabestaanden die de uitvaart regelen, dan doet Team Uitvaarten, dat de Wet op de Lijkbezorging (WOL) uitvoert, dit.

Voor de kosten van een uitvaart (begrafenis of crematie) in Nederland kunnen de nabestaanden bijzondere bijstand aanvragen. Dit kan als hun eigen middelen, verzekeringsgelden en de nalatenschap van de overledene ontoereikend zijn om deze kosten te dekken.

De nabestaanden kunnen ieder voor zich bij hun Werkplein, of in hun woonplaats, bijzondere bijstand aanvragen voor hun aandeel in de kosten.  Het aandeel wordt afgeleid van de richtprijs 9.9.1 Prijslijst Bijzondere Bijstand).

De kosten kunnen echter sterk variëren. Binnen redelijke grenzen houd je rekening met de persoonlijke voorkeur van de betrokkenen.

Houd rekening met de draagkracht van de aanvrager. Kosten van en in verband met uitvaarten in het buitenland komen niet voor bijstandverlening in aanmerking.

9.7.9 Bewindvoering

Inkomensbeheer, vrijwillige bewindvoering (niet WSNP), mentor- en curatorschap zijn meestal bedoeld om schulden te voorkomen. De verschillende vormen van financieel beheer staan hieronder.

9.7.9.1 Inkomensbeheer

Inkomensbeheer is aan de orde als iemand zelf een derde machtigt om zijn inkomen te ontvangen en te beheren. Inkomensbeheer kan deel uitmaken van een schuldhulpverleningstraject of een wettelijk saneringstraject.

Vormen van inkomensbeheer zijn:

  • inhouding van vaste lasten op de uitkering. Dit kan na machtiging van de klant, en is in ieder geval verplicht bij schuldsanering;
  • de afdeling FIBU beheert het inkomen van daklozen en verslaafden die in het bestand van de Centrale Eenheid Daklozen staan;
  • opvanginstellingen, die als voorwaarde hebben dat bewoners hun inkomen laten beheren door een inkomensbeheerder;
    (extern) inkomensbeheer kan deel uitmaken van een minnelijk traject.

Bij de eerste twee vormen verzorgt DWI het inkomensbeheer.
Een externe organisatie is bijvoorbeeld Humanitas of de Stichting Exodus voor klanten die bij Exodus wonen. DWI heeft een overeenkomst met Exodus voor dit inkomensbeheer van waaruit de kosten vergoed worden. Hier komt geen bijzondere bijstand of een aanmelding in RAAK aan te pas.

 

Kosten van inkomensbeheer (budgetbeheer)
Inkomensbeheer is voor personen met een inkomen tot 110% van het Wettelijk Minimum Loon (WML) kosteloos. De klant moet zich wel aanmelden bij een van de twee budgetbeheerders die door de gemeente aangewezen zijn. Dit zijn CAV en Conclusion/Plangroep.
Er wordt geen bijzondere bijstand meer verstrekt voor deze kosten. Klanten met een inkomen hoger dan 110% van het WML kunnen de kosten zelf dragen.
Een uitzondering wordt gemaakt voor de intakekosten van budgetbeheer voor personen die het budgetbeheer zelf moeten betalen. De intakekosten van € 660 (CAV) of € 405 (Plangroep) kunnen wel vergoed worden. Voor personen met een inkomen > bijstandsniveau kan aan de hand van een draagkrachtberekening de hoogte van de vergoeding bepaald worden. Zie hiervoor ook hoofdstuk 9.3.2.3 Draagkracht uit vermogen en 9.3.2.4 Draagkracht uit inkomen.


Personen die toegelaten zijn tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) hebben geen draagkracht en kunnen voor gratis inkomensbeheer verwezen worden naar de vaste partners.


Vaste partners: CAV en Conclusion/Plangroep
Na een aanbestedingsprocedure is het inkomensbeheer gegund aan twee partijen: CAV (www.stichting-cav.nl/index.cfm) en Conclusion/Plangroep (www.plangroep.nl/index.jspx).


Aanmelding

Om voor gratis budgetbeheer in aanmerking te komen, moet het inkomen van de klant beneden 110% WML zijn. Een klant met een verzoek om budgetbeheer kan zich rechtstreeks aanmelden bij een van de twee organisaties waarbij de gemeente Amsterdam budgetbeheer heeft inge kocht, of budgetbeheer aanvragen bij een van de bureaus voor schuldhulpverlening. Zij melden dan de klant met een aanmeldingsformulier aan bij CAV of Conclusion/Plangroep. Deze organisaties beoordelen aan de hand van de door de klant verstrekte informatie of deze in aanmerking komt voor kosteloos budgetbeheer, of dat de klant zelf de kosten moet voldoen. Ook klantmanagers en inkomensconsulenten kunnen klanten verwijzen naar een van de twee aanbieders van budgetbeheer.


Het aanmeldingsformulier kan gedownload worden van de eigen websites van CAV en Conclusion/Plangroep.
CAV en Conclusion/Plangroep declareren de kosten rechtstreeks bij DWI. Hiervoor is geen actie van de inkomensconsulent nodig.


Bij klanten die op dit moment bijzondere bijstand voor budgetbeheer ontvangen kan de bijstand gewoon voortgezet worden tot het einde van de toekenningsperiode. Als na deze periode nog budgetbeheer noodzakelijk is moeten zij verwezen worden naar CAV of Conclusion/Plangroep.

9.7.9.2 Vrijwillige bewindvoering

Vrijwillige bewindvoering is niet hetzelfde als WSNP bewindvoering. De keuze voor vrijwillige bewindvoering komt meestal voort uit iemands onvermogen om zelf zijn financiële zaken te regelen. Er hoeft geen schuldenlast aanwezig te zijn. De kantonrechter spreekt de onder bewindstelling uit en benoemt daarbij een bewindvoerder. Deze bewindvoerder is beschikkingsbevoegd in financiële zaken.

De onder bewind gestelde heeft niet de vrijheid van bewindvoerder te veranderen of het bewind op te heffen. In die zin is er dus geen sprake van vrijwilligheid.


Kosten vrijwillige bewindvoering

De bewindvoerder heeft recht op loon en mag dit in rekening brengen. Dit loon hoort te zijn vastgesteld volgens de richtlijnen van het LOK (Landelijk Overleg Kantonrechters).

Voor 2011 zijn de maximum tarieven exclusief BTW:

Intake (indien verschuldigd) 

1 persoon:

€ 379,00

Jaartarief   

1 persoon:   

€ 1.001,00

Intake (indien verschuldigd)  

2 personen:

€ 455,00
(tarief voor echtparen en samenwonenden)

Jaartarief

2 personen

€ 1.201,00
(tarief voor echtparen en samenwonenden)


Let op: sommige instellingen noemen de intake entreekosten of beredderingskosten!

De definitieve vergoeding stelt de kantonrechter formeel vast nadat de bewindvoerder verantwoording heeft afgelegd over zijn onkosten. Deze vergoedingen zijn exclusief BTW. Als er BTW verschuldigd is kan die ook vergoed worden. In andere gemeenten kunnen kantonrechters tot (licht) afwijkende bedragen komen.

In principe is de vaststelling door de Kantonrechter leidend. Voor Amsterdamse bijstandsklanten mag verwacht worden dat de verantwoording ook bij de Amsterdamse kantonrechter wordt afgelegd.


Bijzondere bijstand bij vrijwillige bewindvoering
De kantonrechter heeft het bewind vastgesteld. De officieel vastgestelde kosten zijn daarom noodzakelijk en komen geheel voor bijzondere bijstand in aanmerking.
De bewindvoerder moet de bijzondere bijstand aanvragen in de gemeente waar de onder bewind gestelde woont, ook als de bewindvoerder ergens anders woont.
Alle ruimte in het inkomen wordt als draagkracht gezien.

Bij de overgang van de activiteiten van de Afdeling Uitvaarten en Inkomensbeheer naar de Stichting CAV, is afgesproken dat voor inkomensbeheer (zonder rechterlijke uitspraak) en vrijwillige bewindvoering de tarieven van het LOK worden gehanteerd. Daarvoor kan bijzondere bijstand worden verstrekt met inachtneming van de draagkrachtregels.

9.7.9.2.1 WSNP

WSNP-bewindvoerders ontvangen hun loon van Justitie, en een deel uit de afloscapaciteit van de klant. Hier is alleen in uitzonderlijke gevallen bijzondere bijstand mogelijk voor bewindvoeringskosten; zie 9.8.2.4 De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP).

9.7.9.3 Mentorschap en curatorschap

Kosten Mentorschap
De kantonrechter stelt een mentor aan. De mentor heeft tot taak beslissingen te nemen voor anderen op het persoonlijk vlak. Het gaat daarbij niet om geld of goederen. Mentorschap wordt niet openbaar gemaakt. Voor mentoren kun je de rechterlijke beschikking volgen. Familieleden ontvangen geen vergoeding. De vergoeding voor vrijwilligers bedraagt:

3. Per 1 januari 2011: maximaal € 277,-- per jaar incl. onkosten.
De vergoeding voor een professionele mentor bedraagt:

1. per 1 januari 2011: maximaal € 825,50 per jaar inclusief onkosten
De genoemde bedragen zijn exclusief BTW

Kosten curatorschap
De arrondissementsrechtbank stelt een curator aan. Daarbij verklaart de rechter de onder-curatele-gestelde tot handelingsonbekwaam. De curator neemt beslissingen op persoonlijk en financieel vlak. De vergoeding die curatoren ontvangen is afhankelijk van hun relatie tot de onder curatele gestelde. Deze tarieven zijn door het Landelijk Overleg Kantonrechters (LOK) vastgesteld. Afwijkende bedragen worden door de Kantonrechter vastgesteld.

De vergoeding komt voor bijzondere bijstand in aanmerking. Al het meerinkomen en al het vermogen wordt als draagkracht aangemerkt.
Tarieven 2011:
a. is de curator een familielid of althans niet beroepsmatig curator, dan in beginsel maximaal € 828,- per jaar (€ 687 loon en € 141 ongespecificeerde kosten);
b. in beginsel niet meer dan € 1238,- exclusief BTW per jaar voor de professional die niet werkzaam is bij een bij de branchevereniging voor professionele bewindvoerders BPBI aangesloten bewindvoerder (waarvan € 211,50 voor ongespecificeerde kosten en € 1026,50 loon exclusief BTW) plus eenmalige intakekosten van € 502,-- exclusief BTW;
c. een maximumtarief voor de professional die werkzaam is bij een bij de branchevereniging BPBI aangesloten bewindvoerder en de curatele werkzaamheden in dat werkverband verricht en zolang hij werkt bij een bij de branche aangesloten bewindvoerder van € 1.496,50 per jaar exclusief BTW plus eenmalige intakekosten van thans € 544,-- excl. BTW.
Curatele dient gepubliceerd te worden in tenminste twee landelijke dagbladen. De kosten daarvan horen gedragen te worden door degene die het verzoek tot onder curatele stelling heeft gedaan. Als dat de onder curatele gestelde zelf is, dient hij zelf die kosten te betalen. Bij onvoldoende middelen is dan bijzondere bijstand mogelijk. Derden kunnen proberen de kosten te verhalen op de onder curatele gestelde.

9.7.9.4 Valkuilen

Inkomensbeheer en bewindvoering worden vaak met elkaar verward, vooral als één organisatie beide werkzaamheden uitvoert, zoals bijvoorbeeld Humanitas.

Bijvoorbeeld: de kosten van bewindvoering werden onterecht afgewezen, omdat ‘er gebruik gemaakt kan worden van Financial Services’.

In een ander geval werden er kosten voor bewindvoering aangevraagd, maar een maandelijkse vergoeding voor inkomensbeheer toegekend.

Stel daarom altijd goed vast, om welke vorm van inkomensbeheer het gaat bij de aanvraag. Neem bij twijfel contact op met de inkomensbeheerder, de bewindvoerder, de curator of de mentor.

9.8 Schulden

Bijzondere bijstand voor schulden is niet mogelijk. Dat is bepaald in artikel 13 1ste lid onder f van de WWB. Deze uitsluiting geldt ook voor huur-, energie-, en zorgverzekeringsschulden.

Er bestaan voldoende voorzieningen voor klanten en niet-klanten met schulden, problematische schulden of dreigende schulden. Diverse instanties houden zich bezig met schuldhulpverlening. Bovendien is er een wettelijk traject waarmee mensen binnen afzienbare tijd van hun schulden kunnen afkomen: de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP).

De schuldhulpverlening in Amsterdam wordt uitgevoerd door een keten van de schuldhulpbureaus en de Gemeentelijke kredietbank in Amsterdam. In de meeste gevallen zijn de schuldhulpbureaus voor de klanten het loket om zich te melden. Voor adressen zie (http://www.dwi.amsterdam.nl/ik_heb_weinig_geld/hulp_bij_schulden/adressen)

DWI heeft voor klanten die een re-integratietraject of sociaal activeringstraject volgen zelf voorrangszorg ingekocht. Bij problematische schulden kan dan binnen twee weken een schuldsanering starten. ( zie voor verdere informatie de trajectenkiezer)
Schulden kunnen worden gesaneerd via een minnelijk- of een wettelijk traject. In het minnelijke traject wordt de schuld gesaneerd  via een saneringskrediet bij de gemeentelijke kredietbank. Indien dit niet lukt dan kan een aanvraag voor een wettelijk schuldsaneringstraject worden ingediend bij de rechtbank

In de volgende paragrafen wordt de Amsterdamse schuldhulpverlening nader toegelicht.

9.8.1 Signalering en preventie

Wees in het contact met klanten altijd alert op het bestaan of dreigen van schulden. Als medewerker bij DWI heb je bij uitstek inzicht in de financiële situatie van klanten. Hoe eerder een schuldsituatie gesignaleerd wordt, des te beter is daar een regeling voor te treffen.

De klant kan zelf zijn schulden aangeven, maar er kunnen aanwijzingen zijn dat er  een schuld bestaat of dreigt te ontstaan, bijvoorbeeld:

·         bij het bepalen van het vermogen blijkt dat de klant schulden, negatieve saldi of betalingsachterstanden heeft;

·         uit de getoonde bankafschriften blijken hoge vaste of variabele lasten of een gebrekkige betalingsdiscipline;

·         bij de intake blijkt dat er een aanzienlijke terugval in inkomsten is of dat er aanmaningen van een of meerdere deurwaarders zijn;

·         een schuldeiser legt beslag op de lopende uitkering van een belanghebbende. Dit betekent, behalve dat er kennelijk een schuld is, ook dat het vrij besteedbare inkomen minder wordt;

·         DWI stelt vast dat de klant bijstandsfraude heeft gepleegd. Vooral het verzwijgen van recente inkomsten kan erop wijzen dat hij in financiële problemen verkeert.

 

Een schuldenlast van meer dan € 1.800,- is ‘problematisch’. Je kunt ervan uitgaan dat de klant dan niet meer in staat is om de schuldenlast binnen drie jaar af te lossen.
Om verdere problemen te voorkomen kun je in overleg met de klant de vaste lasten inhouden op de uitkering. Neem een verzoek van een klant altijd serieus. In het uiterste geval kun je ook zonder machtiging van de klant de vaste lasten inhouden op de uitkering (Artikel 57. Noodzakelijke betalingen en bijstand WWB).

Wijs de klant op nog niet benutte voorzieningen, zoals huurtoeslag, zorgtoeslag, kwijtschelding van gemeentebelastingen, noodfondsen, andere vormen van bijzondere bijstand enz.

Andere middelen om het ontstaan van schulden te voorkomen zijn een budgetteringsregeling, een budgetteringscursus of verwijzing naar de schuldhulpbureaus in de regio.

9.8.1.1 Bedreigende schuldsituaties

Dit zijn schulden die de eerste levensvoorwaarden bedreigen door verlies van de woning, afsluiting van energie of water en onverzekerd zijn voor ziekte.

Een schuld is dreigend indien:
- een woningontruiming is aangekondigd;
- de energie of waterlevering wordt afgesloten;

Premieachterstanden bij Zorgverzekeraars leiden niet tot royement van verzekerden voor de basisverzekering. Dat is afgesproken tussen het ministerie van VWS en de Zorgverzekeraars in afwachting van een wetswijziging die gepland staat voor 1-1 2010. (Verzwaring incassoregime Zorgverzekeringswet)
Verzekerden kunnen wel geroyeerd worden voor aanvullende verzekeringen, maar de noodzakelijke zorg is opgenomen in de basisverzekering.

Bij dreigende schuldsituaties is naast de schuldhulpverlening door de Gemeentelijke Kredietbank en de schuldhulpverleningbureaus, bemiddeling via Eropaf mogelijk. Door goede afstemming tussen deze instellingen kan er een sluitende aanpak bereikt worden.

Woningcorporaties en energiebedrijven bieden bij betalingsachterstanden standaard aan om een regeling te treffen of verwijzen naar de schuldhulp. Het aanbod van schuldhulp is laagdrempelig en de communicatie daarover is van zodanig niveau dat verwacht mag worden dat er tijdig hulp gezocht wordt. (Zie ook bij 9.8.2.2 Eropaf).

Per 1 januari 2010 is de WSNP zodanig aangepast dat voor dreigende huur-, energie-, en zorgverzekeringspremieschulden extra voorzieningen bestaan, het Moratorium, de Voorlopige voorziening en het Dwangakkoord.

Moratorium:
Een moratorium (ook wel Voorlopige voorziening artikel 287b Rv) is bedoeld om de schuldhulpverleners de tijd te geven een minnelijk traject op te zetten. Een moratorium wordt uitgesproken door de rechtbank. Met een Moratorium wordt de schuldsituatie als het ware bevroren. Er mag gedurende maximaal 6 maanden geen huisuitzetting of energieafsluiting plaats vinden. Binnen die tijd dient een regeling getroffen te worden. Voor elke bedreigende schuld moet apart een moratorium gevraagd worden aan de rechter. Voorwaarde is dat de schuldenaar tijdens een moratorium zijn huur en of energie lasten blijft voldoen.
Door de mogelijkheid een moratorium op te leggen, is er geen noodzaak meer om bijstand voor dreigende schulden te verstrekken.

Voorlopige voorziening
Deze voorziening kan bij de rechtbank worden aangevraagd op het moment dat het minnelijk traject is afgerond en een verzoek tot toepassing Wsnp in het verschiet ligt. Indien de verhuurder dan woning wil ontruimen dan kan een Voorlopige voorziening worden aangevraagd. De schuldeiser kan dan voor bepaalde tijd maar maximaal zes maanden zijn rechten niet uitoefenen,d.w.z. in dit geval niet  ontruimen.

Dwangakkoord:
Een dwangakkoord is een minnelijke regeling die dwingend wordt opgelegd door de rechtbank. Het dwangakkoord is bedoeld om in situaties waarbij een enkele schuldeiser een minnelijke regeling frustreert, die schuldeiser te verplichten akkoord te gaan. Daarmee kan het aantal wettelijke saneringen worden teruggedrongen.

Schuldhulpbureau’s kunnen tot kort (1 à 2 dagen) voor een geplande ontruiming nog een Moratorium en/of een Voorlopige Voorziening aanvragen. In de praktijk zal de Rechtbank dan al ambtshalve een voorlopige uitspraak doen die geldt tot de zittingsdatum.

Als iemand zelf geen enkele poging heeft ondernomen om tot een regeling te komen met schuldeisers, zich heeft onttrokken aan eropaf, zich niet tijdig heeft gemeld bij een schuldhulpbureau en ook recentelijk geen huur of energienota's heeft betaald is er geen aanleiding om bijstand te verstrekken.
Alleen in het uitzonderlijke geval dat iemand buiten eigen toedoen niet (afdoende) geholpen kan worden bij een van bovenstaande voorliggende voorzieningen, kan er overwogen worden om bijstand te verlenen voor de dreigende schulden.

9.8.1.2 Werkwijze bij verschillende schuldsituaties

  • Bij enkelvoudige schulden en schulden die niet groter zijn dan € 1.800,-  verwijs je de klant direct door :

a. naar de schuldeiser voor het treffen van een regeling en als dat niet lukt:
b. naar de GKA voor een lening of
c. naar een schuldhulpbureau.

Geeft een klant aan dat zelf niet te kunnen, dan kan naar de sociaal raadslieden of maatschappelijk werk worden verwezen. Die kunnen ook een aanvraag indienen.

  • Bij elke bedreigende enkelvoudige schuld, (bijvoorbeeld een ontruiming die gepland staat over enkele dagen ) bij meervoudige schulden waarbij ook een (potentiële) bedreigende schuld aanwezig is verwijs je altijd direct naar een schuldhulpbureau voor crisishulpverlening.

Hier krijgt de klant direct ondersteuning bij het voorkomen van de uithuiszetting, afsluiting van water of energie. Tot kort voor een ontruiming kan er een moratorium worden aangevraagd bij de rechtbank. 
  
Bij een bedreigende energieschuld, waarbij nog niet is afgesloten, kan het bureau voor schuldhulpverlening met een fax aan NUON vaak afsluiting voorkomen. De klant moet dan de meterstanden noteren, zodat de schuldhulpverlener die kan doorgeven. Het NUON geeft het bureau voor schuldhulpverlening dan twee maanden om aan een oplossing te werken. Neem dus bij een klant met een dreigende energieschuld altijd contact op met het regionale schuldhulpbureau voor crisishulpverlening.

Verwijs je een klant? Geef dan een verwijsbrief mee (gespreksbevestiging), waarin je kort de problematiek omschrijft en de reden van verwijzing.

9.8.1.3 Wanneer verwijzen naar de schuldhulpbureau's

  • Bij elke bedreigende enkelvoudige schuld, (bijvoorbeeld een ontruiming die gepland staat voor de volgende dag) verwijs je direct naar een schuldhulpbureau voor crisishulpverlening. Hier krijgt de klant direct ondersteuning bij het voorkomen van uithuiszetting, afsluiting van water of energie en openbare verkoop van inboedel. In het uiterste geval kan er een moratorium worden aangevraagd bij de rechtbank.
  • Bij meerdere schulden, als daarbij ook een bedreigende schuld is, wordt de klant verwezen voor crisishulpverlening.
  • Bij meerdere schulden, waaronder ook een ‘bedreigende schuld op termijn’.


Bij een bedreigende energieschuld, waarbij nog niet is afgesloten, kan het bureau voor schuldhulpverlening met een fax aan NUON vaak afsluiting voorkomen. De klant moet dan de meterstanden noteren, zodat de schuldhulpverlener die kan doorgeven. Het NUON geeft het bureau voor schuldhulpverlening dan twee maanden om aan een oplossing te werken. Neem dus bij een klant met een dreigende energieschuld altijd contact op met het regionale schuldhulpbureau voor crisishulpverlening.


Verwijs je een klant? Geef dan een verwijsbrief mee (gespreksbevestiging), waarin je kort de problematiek omschrijft en de reden van verwijzing.

9.8.2  Schuldhulpverlening

DWI werkt nauw samen met de Gemeentelijke Kredietbank (GKA) en de regionale bureaus voor schuldhulpverlening.
Eropaf kan helpen bij het voorkomen van uithuiszetting en bemiddelen naar diverse hulporganisaties
Tenslotte biedt de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) uitkomst.

9.8.2.1 De schuldhulpverleningsbureaus

Amsterdam heeft twaalf schuldhulpbureaus. Deze werken onder de instellingen voor Maatschappelijke dienstverlening (zoals de Blankenbergstichting, Dynamo, Doras, Puur Zuid, enz.). Deze bureaus worden voor 50% betaald door het project Armoedebestrijding DWI en voor de andere helft door de stadsdelen. Alle twaalf bureaus werken volgens hetzelfde protocol.

Voor problematische schulden kan de klant zich aanmelden bij het schuldhulpbureau in de buurt waar hij woont. Hij kan dit uit eigen beweging doen of na verwijzing. De klant krijgt na aanmelding binnen twee weken een eerste informatie- adviesgesprek op het budgetspreekuur. Bij bedreigende schulden, zoals woningontruiming of energieafsluiting, krijgt de klant op werkdagen binnen 24 uur crisisinterventie.

Het bureau bepaalt of iemand voor schuldhulpverlening in aanmerking komt. Eén van de voorwaarden is dat de klant vanaf het moment dat het bureau zijn zaak in behandeling neemt, zijn vaste lasten tijdig betaalt en de schulden niet verder laat oplopen. Bovendien moet de klant voldoende motivatie tonen en volledige openheid van zaken geven.

Een nog actuele verslaving is een afwijzingsgrond voor schuldhulpverlening. Nadat de klant zich onder behandeling heeft gesteld kan hij zich aanmelden. In deze gevallen kan al wel budgetbeheer worden ingezet of directe betaling van de vaste lasten om te voorkomen dat schulden verder stijgen.

Schuldhulpverleners spelen een bemiddelende rol bij het treffen van een betalingsregeling met de schuldeiser(s). Zij moeten zowel de belangen van de klant als van de schuldeisers in het oog houden. Bij aanvang van de schuldhulpverlening maakt de schuldhulpverlener afspraken met de klant. Die afspraken komen in een contract te staan; beide partijen ondertekenen dit contract. Als de klant zich niet aan deze afspraken houdt, wordt in het algemeen de schuldhulpverlening opgeschort.

Bij de intake van het schuldhulpbureau komen aan de orde:

  • een inventarisatie van alle schulden;
  • een inventarisatie van alle inkomsten van de klant en zijn partner;
  • een onderzoek of alle inkomensondersteunende regelingen zijn benut (huurtoeslag, kwijtschelding lokale lasten, bijzondere bijstand, WMO enz.);
  • eventuele psychosociale problemen waardoor de schulden zijn ontstaan;
  • de motivatie van de klant om uit de schulden te raken.

Na de intake maakt de schuldhulpverlener een dossier voor de schuldsaneringsaanvraag bij de GKA (zie volgende paragraaf).


Minnelijk akkoord
Het schuldhulpbureau stelt een dossier samen op basis waarvan de Kredietbank een voorstel tot betaling van een percentage van de schulden aan de schuldeisers voorlegt.
Hoe groot dit percentage is, hangt af van het inkomen van de klant. Aan de hand van de inkomsten en uitgaven wordt de afloscapaciteit berekend op basis van de Gedragscode Schuldregeling van de NVVK (Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet). Deze afloscapaciteit bepaalt welk deel van zijn schulden de klant kan aflossen om nog voldoende middelen over te houden voor het levensonderhoud.

De NVVK-norm: na aftrek van de aflossingsbedragen moet de klant tenminste 95% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhouden.

Wet beslag op loon en uitkeringen: bij beslag op inkomen is de beslagvrije voet 90% van de geldende bijstandsnorm.

Een ‘minnelijk akkoord’ kan alleen slagen als alle schuldeisers met het voorstel instemmen. In dit geval betaalt de Kredietbank het afgesproken percentage uit en dit bedrag wordt omgezet in een lening aan de klant die in drie jaar moet worden terugbelaad. Is een ‘minnelijk akkoord’ niet mogelijk, dan kan de klant een beroep doen op de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). De schuldhulpverlener helpt de klant bij het indienen van een verzoekschrift voor de WSNP. Voordat er een wettelijke sanering plaatsvindt kan er om een dwangakkoord gevraagd worden en zo nodig om een moratorium.

Indien slechts een klein deel van de schuldeisers niet akkoord gaat met het betalingsvoorstel, dan kan er middels een verzoek tot het toepassen van een dwangakkoord bij de rechtbank alsnog een minnelijke regeling worden afgedwongen. De rechter kan besluiten deze schuldeisers te dwingen akkoord te gaan met het minnelijke voorstel. Dat heet dan een “dwangakkoord”.

De schuldhulpverlener helpt de klant bij het indienen van een “dwangakkoord” en of verzoekschrift voor de WSNP.

Schuldhulpverlening betekent ook begeleiding bij het budgetteren van de inkomsten en uitgaven. Naast individuele begeleiding kan het schuldhulpbureau klanten verwijzen naar budgetteringscursussen en inkomensbeheer.

9.8.2.2 Eropaf

Al enkele jaren worden mensen die dreigen te worden uitgezet thuis bezocht in het kader van het project Er op af .

Doelgroep voor Eropaf zijn mensen (met huurschulden) of betrokkenen bij huurders die huurschulden hebben, zoals: hulpverleners, familie, corporaties e.a.. Aanmelding gaat via  het Meldpunt Eropaf bij SOM.(tel 020 561 1296, www.somamsterdam.nl) Klanten dienen woonachtig te zijn en ingeschreven op een adres in Amsterdam.
De hulpverlening varieert van telefonische informatie en advies tot schuldbemiddeling en verwijzing naar een hulpverleningsinstantie. Voor meer informatie: Eropaf.

In 2010 is gestart met het project Vroeg er op af, waarbij mensen met twee maanden achterstand worden benaderd. Aanmelding geschied via de woningverhuurders. Het is de bedoeling dat per 1-1-2010 deze werkwijze in de gehele stad is ingevoerd.

Verder zijn met het Nuon afspraken gemaakt dat mensen, die voor de eerste keer een betalingsachterstand hebben en dreigen te worden afgesloten, ook door het project Eropaf worden benaderd. Nuon levert zelf de namen en adressen aan het meldpunt bij SOM.

9.8.2.3 De Gemeentelijke Kredietbank (GKA)

De GKA, die sinds 1-1-2010 een onderdeel is van DWI, kan een saneringskrediet verstrekken en schuldbemiddeling tot stand brengen.

De schuldintake-afdeling van GKA verifieert de schuldopgave van de aanvrager bij de crediteuren en het Bureau Kredietregistratie. Daarna toetst die afdeling de aanvraag aan de interne richtlijnen voor kredietverlening van GKA. De GKA kan vervolgens:

  • een saneringskrediet verstrekken. De bank biedt aan om een percentage van de schulden direct te betalen tegen finale kwijting van het restant. Het betaalde bedrag wordt omgezet in een lening die de klant in drie jaar terug betaalt;
  • schuldbemiddeling tot stand brengen als sanering niet lukt. Het inkomen van de klant wordt dan op de rekening van de kredietbank gestort, om maandelijks een bedrag voor aflossing te reserveren. Eens per jaar wordt bekeken of het vastgestelde bedrag voor aflossing nog klopt. Na drie jaar wordt het gespaarde bedrag voor aflossing uitbetaald aan de schuldeisers, onder de voorwaarde dat de restschuld kwijtgescholden wordt.


Verwijzen naar GKA

Direct verwijzen naar de GKA heeft alleen zin als het om enkelvoudige schulden gaat die niet hoger zijn dan circa € 1.800,- (zie www.gemeentelijkekredietbankamsterdam.nl).

Verwijs bij meervoudige schulden de klant naar een schuldhulpverleningsbureau.

Verwijs de klant niet naar de GKA:

  • als de aanvrager geen geldige verblijfsvergunning heeft;
  • als de aanvrager geen aflossingscapaciteit heeft;
  • als de klant geen volledige bijstandsnorm ontvangt (alleenstaande tot 23 jaar en gezin tot 21 jaar);
  • als de aanvrager naar een andere gemeente gaat verhuizen;
  • als er sprake is van verslavingsproblematiek;
  • als de aanvrager geen vast inkomen heeft.

Indien er een saneringskrediet wordt gegeven dan stelt DWI zich borg voor het schuldsaneringkrediet. Houdt de aanvrager zich niet aan de aflossingsverplichting, dan kan de GKA de borg uitwinnen. Om dit mogelijk te maken staat er een geldbedrag in depot bij de GKA. Er hoeft dus door het Werkplein geen geld naar de GKA overgemaakt te worden!

De GKA toetst de aanvraag aan de hand van vastgelegde criteria en stelt het Werkplein hiervan meteen op de hoogte. Naast de klantgegevens geeft de GKA de hoogte van het krediet door en de reden waarom de borgstelling van toepassing is.

Ontvang je een dergelijke mededeling van de GKA? Verstuur dan een label 0070b aan de klant om de borgstelling te bevestigen. Dit label is noodzakelijk als toekenning van borg. Wordt de borg uitgewonnen door de GKA, dan vorder je het aangegeven bedrag aan borgstelling terug van de klant.

Let op: als je bij de toekenning van de borg geen label 0070b hebt verstuurd, kun je niet terugvorderen!

De GKA geeft bij uitwinning van de borg op, hoe hoog de schuld is die nog openstaat. Dit bedrag vorder je terug van de klant (Artikel 58. Bevoegdheid terugvordering, lid 1 onder c WWB). Dat doe je als volgt:

·         vordering opvoeren;

·         betaalverplichting invoeren;

·         klant aanschrijven met label 0070c.

Voor de verstrekte saneringskredieten voegt de GKA een machtiging voor inhouding op de uitkering bij. Je kunt dan direct laten inhouden door een schuldrekening op te voeren.

9.8.2.4 De Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP)

Een minnelijk traject voor schuldsanering kan mislukken doordat één of meerdere schuldeisers niet akkoord gaan met het percentagevoorstel. In dit geval kan gebruik worden gemaakt van het wettelijk traject. Dat kan beginnen met een dwangakkoord als maar een van de schuldeisers dwarsligt. (Zie 9.8.1.1 Bedreigende schuldsituaties)
Een WSNP verzoek indienen betekent dat er een verzoek tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) wordt aangevraagd  Bij toelating tot de Wsnp wordt er een saneringsvoorstel dwingend opgelegd aan de schuldeisers. In de meeste gevallen is het  saneringsvoorstel uit het minnelijk traject en wettelijk traject hetzelfde. Het vrij te laten bedrag voor levensonderhoud bedraagt ongeveer 95% van de WWB norm.
De betrokkene krijgt wel een bewindvoerder en een postblokkade van een jaar. Deze laatste maatregel wordt ingesteld om te controleren of er geen onbekende schulden zijn of nieuwe schulden worden gemaakt.
De bewindvoerder is geen curator maar  zorgt ervoor dat de afgesproken aflossing maandelijks wordt gereserveerd en dat er geen nieuwe schulden worden gemaakt.  

Ook wanneer de klant onvoldoende of geen aflossingscapaciteit heeft, kan de klant een beroep doen op het wettelijk traject van de WSNP.

Een ‘wettelijk traject’ is niet verplicht. Maar als een klant niet wil meewerken, wordt er geen bijstand verstrekt.

De klant moet zelf een verzoek indienen bij de rechtbank voor toelating tot de WSNP. Toetreding tot de WSNP heeft de nodige gevolgen. Wijs de klant op de consequenties. De periode voor aflossing van (een deel) van de schuld bedraagt doorgaans drie jaar. Fraudeschulden zijn ‘zeer verwijtbaar’; hier duurt de aflossingsperiode vijf jaar.

Het totale traject voor schuldsanering ziet er zo uit:

  • eerst een verzoek aan GKA voor een schuldsanering;
  • lukt een schuldsanering niet, dan volgt een tweede aanbod aan de schuldeisers voor een schuldbemiddeling door de GKA;
  • als ook schuldbemiddeling niet lukt, omdat een of meerdere schuldeisers het voorstel afwijzen, dan kan het schulphulpbureau een verzoek indienen voor toelating tot de WSNP.

Voordat een wettelijk traject aan de orde is, moet eerst een minnelijk traject zijn geprobeerd. De toeleiding naar de WSNP loopt via de gemeente. In Amsterdam worden de WSNP-dossiers via de Bureaus voor Schuldhulpverlening gestuurd naar:

Afdeling Beleid, coördinator Schuldhulpverlening (Jan van Galenstraat 323 1056 CH Amsterdam).

In bijzondere gevallen, bijvoorbeeld als één van de schuldeisers dwangmaatregelen gaat toepassen (zoals afsluiten energie, beslaglegging of huisuitzetting), kan iemand versneld tot het wettelijk traject toegelaten worden of kan er een Voorlopige voorziening bij de rechtbank worden aangevraagd. Toepassing van het wettelijk traject kan deze maatregelen tegenhouden, mits de klant de schulden niet verder op laat lopen (meestal is dus inkomensbeheer nodig).


Uitvoering WSNP

Besluit de rechter om de klant toe te laten tot de WSNP, dan stelt de rechtbank nog dezelfde dag een bewindvoerder aan.

Deze bewindvoerder legt een huisbezoek af om na te gaan of er in de boedel nog waardevolle goederen aanwezig zijn (auto, caravan, scooter enz.). De bewindvoerder stelt ook een postblokkade in. Alle post van de klant gaat dan eerst naar de bewindvoerder. Bij goed gedrag zal de blokkade ongeveer 15 maanden bedragen.

De bewindvoerder stelt vast hoe hoog het totale schuldbedrag is en berekent de afloscapaciteit. Nu wordt duidelijk welk percentage van de schulden kan worden afbetaald.

In het minnelijk traject en het wettelijk traject gelden de rekenregels van de NVVK (Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet). Er is daardoor nauwelijks verschil tussen de voorstellen van GKA, de schuldbemiddeling en de bewindvoerder. Wel gaat bij WSNP-zaken eerst het bewindvoerderloon van de afloscapaciteit af.

Het voorstel van de bewindvoerder wordt aan de rechtbank voorgelegd en door de rechter getoetst. Zowel de schuldeisers als de schuldenaar zijn aan deze gerechtelijke uitspraak gebonden. Na drie jaar ontvangen de schuldeisers hun deel van de aflossing. De resterende schuld wordt via een natuurlijke verbintenis kwijtgescholden.

De klant mag tijdens de aflossingsperiode absoluut geen nieuwe schulden te maken. Gebeurt dat toch, dan wordt de wettelijke schuldregeling beëindigd en kan de klant de eerste tien jaar geen gebruik meer maken van een wettelijke regeling. Het gevolg is dat de klant in plaats van drie jaar nu tenminste tien jaar zijn schulden moet aflossen of een beslag tot 90% van het minimuminkomen krijgt opgelegd. In de praktijk zal de klant op bijstandsniveau in tien jaar tijd al gauw rond de € 4.500,- meer kwijt zijn aan een schuldregeling buiten de WSNP dan daarbinnen.

 

Let op: de bewindvoerder is geen curator. Hij biedt bijna geen begeleiding aan de klanten en bemoeit zich ook niet met de besteding van het resterende inkomen. De bewindvoerder bepaalt alleen de hoogte van het schuldenpakket, berekent de afloscapaciteit en controleert of er in de aflosperiode (drie of vijf jaar) geen nieuwe schulden ontstaan.

Om te voorkomen dat de klant tijdens een schuldregeling opnieuw

schulden maakt, zijn de volgende maatregelen mogelijk:

  • DWI maakt de vaste lasten rechtstreeks over of de klant maakt gebruik van inkomensbeheer van bijvoorbeeld Financial Services (in 2010 zal via aanbesteding een budgetbeheerder beschikbaar zijn waarnaar kan worden verwezen);
  • de klant volgt een budgetteringscursus (ingekocht bij de Amsterdamse instellingen voor Maatschappelijke dienstverlenin of het bureau voorrangszorg schuldhulpverlening DWI, zie trajectenkiezer);
  • de klant ontvangt individuele begeleiding bij het budgetteren van het schuldhulpbureau of het maatschappelijk werk.

             

Gevolgen WSNP voor de klant

De gevolgen van een WSNP-traject voor een klant zijn ingrijpend.

Na toelating tot de WSNP krijgt de klant een bewindvoerder aangewezen. Deze komt binnen een dag op huisbezoek om na te gaan of er zaken uit de inboedel verkocht kunnen worden.

Verder stelt de bewindvoerder een postblokkade in. Dat betekent dat de bewindvoerder als eerste alle post ontvangt, deze eerst bekijkt en dan pas doorstuurt naar de klant. De klant ontvangt de post dus met enige vertraging. De klant moet zelf met zijn bewindvoerder goede afspraken maken om bijvoorbeeld de post van de sociale dienst tijdig te ontvangen.

Het inkomen of de uitkering wordt in sommige gevallen eerst op een derderekening van de bewindvoerder gestort. De bewindvoerder reserveert het maandelijks bedrag voor de aflossing en maakt daarna het beslagvrije deel over naar de rekening van de klant.

Bijstandsklanten moeten tijdens de regeling van drie jaar (of vijf jaar bij fraudeschulden) na toelating tot de WSNP rondkomen van 95% van het geldende bijstandsniveau. Daarnaast mag de klant beslist geen nieuwe schulden maken.

Let op: licht de klant goed voor over deze gevolgen van de wettelijke procedure. Bijna alle verzoeken voor een wettelijk traject lopen via de schuldhulpbureaus. Ook hier moet de schuldhulpverlener de klant voorlichten.

Een bewindvoerder WSNP heeft recht op salaris. Dit salaris wordt betaald uit het vrij te laten bedrag (VTLB) van de klant. Bijzondere bijstand voor deze kosten is mogelijk als het vrij te laten bedrag te laag is of negatief uitkomt. Vraag altijd naar de berekening van het vrij te laten bedrag die door de bewindvoerder is opgemaakt en door de rechtbank is getoetst. Deze berekening mag door DWI niet ter discussie worden gesteld. De salariskosten voor de klant bedragen afgerond op hele bedragen:
€ 41,00 voor alleenstaanden, en € 49,00 voor gehuwden en samenwonenden. Deze bedragen zijn exclusief BTW (prijspeil juli 2010 tot juli 2010).
€ 42.00 voor alleenstaanden, en € 49.00 voor gehuwden en samenwonenden. Deze bedragen zijn exclusief BTW (prijspeil juli 2010 tot juli 2010).

Indien BTW verschuldigd is kan die ook vergoed worden.

Er zijn onlangs enkele rechterlijke uitspraken geweest (LJN BM 9799 en LJN BM 9804) over het salaris van WSNP bewindvoerders en de (on)mogelijkheid om daarvoor bijstand te verlenen. Deze uitspraken beïnvloeden bovenstaande regels niet, omdat ze ertoe zouden kunnen leiden dat het aanbod van WSNP bewindvoerders zodanig afneemt, dat er een onwerkbare situatie ontstaat.

 

Nazorg bij een WSNP-traject:

  • aanmelden voor een budgetteringcursus;
  • verwijzing schuldhulpbureau;
  • inkomensbeheer en of;
  • inhouding periodieke vaste lasten.

Kijk voor informatie over het wettelijk traject ook op: WSNP (www.wsnp.rvr.org).

9.9 Bijlagen

9.9.1 Prijslijst Bijzondere Bijstand

De bedragen zijn, waar van toepassing, inclusief verwijderingsbijdrage.
Jaarlijks wordt de prijslijst geïndexeerd met het alimentatie indexcijfer.
Bedragen worden afgerond op hele euro’s.

 

» Ga naar de prijslijst.

 

9.9.2 Noodzakelijkheidsverklaring Voorschool

Noodzakelijksheidsverklaring voorschool

 

Deze verklaring wordt afgegeven op grond van afspraken die DWI Amsterdam met de Ouder-en-Kindcentra van de GGD en de Amsterdam Thuiszorg (AT) heeft gemaakt.

 

 

Het Ouder-en-Kindcentrum ………………………………………………(stempel)

van de GGD of AT

 

heeft vastgesteld dat het bezoek aan de voorschool noodzakelijk is voor het kind dat in deze verklaring wordt genoemd.

 

De verklaring is bedoeld om een aanvraag bijzondere bijstand voor de eigen ouderbijdrage voor de voorschool mogelijk te maken.

 

 

Naam kind:              ………………………

Geboortedatum:       ………………………

 

 

Afgegeven door:      ……………………… (naam consultatiebureauarts/

                                               sociaal verpleegkundige)

Handtekening:         ………………………

 

 

In te vullen door plaatser:

 

volgt Voorschool bij peuterspeelzaal:………………………

                       eigen ouderbijdrage  :……………………… 

 

 

 

Bij aanvraag bijzondere bijstand in te vullen door ouders:

 

Naam moeder:         ………………………        Naam vader      …………………….

Geboortedatum:       ………………………        Geboortedatum:….…………………

Adres:                    ………………………        Postcode:         ………………………

 

9.9.3 Specifieke zorgkosten

Link naar site belastingdienst: http://www.belastingdienst.nl/download/2707.html