Achtergrond en doelstelling
De klant die een uitkering ontvangt, moet de wettelijke verplichtingen van de WWB, IOAW, IOAZ en Bbz naleven.
Als de klant deze verplichtingen niet of onvoldoende naleeft, kan de DWI de uitkering verlagen. In de verordening spreken we van het opleggen van een maatregel. Voorheen hanteerden we in de werkvoorschriften de term afstemming. In de verordening spreken we nu van het opleggen van een maatregel. In onderstaande tekst worden de begrippen afstemming en maatregel beide gehanteerd.
Kern van het maatregelenbeleid is het toepassen van een verlaging met een duidelijk voelbaar karakter wanneer de betrokkene verplichtingen niet is nagekomen of in andere opzichten is tekortgeschoten (zoals tekortschietend besef in de periode voorafgaand aan een aanvraag).
In de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen worden 3 categorieën maatregelen genoemd, namelijk:
In geval van herhaling (recidive) gelden aanvullende regels:
2a. in geval van een herhaalde afstemmingswaardige gedraging van tekortschieten binnen 12 maanden, vindt een verlaging met 100% gedurende 1 maand plaats;
2b. in geval van een tweede herhaling van tekortschieten binnen dezelfde 12 maanden, vindt een verlaging met 100% gedurende 2 maanden plaats
3a. in geval van een herhaalde afstemmingswaardige gedraging van tekortschieten binnen 12 maanden, vindt een verlaging met 100% gedurende 2 maand plaats;
3b. in geval van een tweede herhaling van tekortschieten binnen dezelfde 12 maanden, vindt een verlaging met 100% gedurende 3 maanden plaats
Zie verder onder paragraaf 8.1.1.4 Opnieuw zich verwijtbaar gedragen
Het opleggen van een maatregel is een instrument in handen van de klantmanager tegenover klanten die hun verplichtingen niet zijn nagekomen. Bij de beoordeling of iemand is tekortgeschoten wegen de mate van verwijtbaarheid, persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden mee. Ook gedragingen, verricht voorafgaand aan de aanvraag van een uitkering wegen mee.
De Maatregelverordening somt allerlei onwenselijke gedragingen op; soms is dit gebeurd in algemene bewoordingen, die niet altijd letterlijk zijn terug te vinden in de diverse wetteksten. Het opleggen van een maatregel is (pas) aan de orde wanneer de klant, alles bijeen genomen, verwijtbaar is tekortgeschoten in zijn verplichtingen .
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de verschillende stappen in het proces afstemming.
De WWB/IOAW/IOAZ hebben een aantal uitgangspunten. Een centraal uitgangspunt is dat iemand in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is om in zijn bestaanskosten te voorzien en niet nodeloos een beroep op uitkering moet doen. Een ander is dat hij, als hij een beroep doet op uitkering meewerkt aan het onderzoek door het UWV WERKbedrijf en de gemeente, en relevante informatie en bewijsstukken verschaft.
Volgens artikel 9 WWB en artikel 37 IOAW/Z (Plicht tot arbeidsinschakeling):
Volgens artikel 17 Inlichtingenplicht WWB, artikel 38 Bbz en artikel 13 IOAW/IOAZ is de klant verplicht DWI inlichtingen te verstrekken.
Door het geven van voorlichting, tijdens het aanvraagproces, in de beschikking en in latere contacten met de klant is het zaak zo goed mogelijk duidelijk te maken wat van hem of haar wordt verwacht. Zo worden mogelijke (onbedoelde) misstappen voorkomen en kan gedrag ook worden bijgestuurd zonder dat een afstemmingstraject hoeft te worden ingezet.
De WWB/IOAW/IOAZ/Bbz zijn wetten met veel aspecten waarbij bovendien een intensief contact kan bestaan tussen gemeente en belanghebbende. In een dergelijke relatie kunnen van beide kanten dingen scheeflopen. Voor zover dit ligt aan de betrokkene bestaat binnen deze wetten de mogelijkheid om diens uitkeringsrecht hierop af te stemmen. Dit hoeft niet te gebeuren bij elke gelegenheid waarbij er iets misgaat, maar, zo stelt de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen, pas als iemand naar het oordeel van het college tekortschiet in het naleven van zijn verplichtingen. Als zich een aanleiding voor het opleggen van een maatregel voordoet, dus als er sprake lijkt van een tekortschieten van de klant, zijn de volgende aspecten van belang. Elk aspect wordt uitgewerkt en zonodig toegelicht in een subparagraaf:
a. beschrijving van wat er is gebeurd (zie 8.1.1.1 Aanleiding om af te stemmen)
b. in welk opzicht schoot de klant tekort?
(zie 8.1.1.2
Verwijtbare gedragingen)
c. afstemming blijft achterwege (zie 8.1.1.3 Wanneer blijft het opleggen van een maatregel achterwege)
d. is er sprake van opnieuw zich verwijtbaar gedragen na een eerdere sanctie? (zie 8.1.1.4 Opnieuw zich verwijtbaar gedragen);
e. horen van de betrokkene (zie 8.1.1.5 Horen van de betrokkene)
f. bepaal de hoogte van de maatregel; pas evt. matiging toe
(zie 8.1.1.6 Hoogte van de afstemming/matiging)
g. stel een besluit op (zie 8.1.1.7 Het besluit tot afstemming)
h. uitvoering van de maatregel
(zie 8.1.1.8 Uitvoering van de maatregel (en ‘draaideursituaties’))
Vervolg: handelt de klant nu wel in overeenstemming met zijn verplichtingen?
Wanneer een gedraging als tekortschieten is aan te merken hangt af van alle relevante omstandigheden, eventueel ook andere gedragingen van de betrokkene. Met name voor minder ernstige situaties is de maatregel in de vorm van een schriftelijke waarschuwing geïntroduceerd.
Een belangrijk aandachtspunt bij tekortschietend gedrag van de klant kan zijn wat er achter zijn gedrag ligt. Dit kan een bepaalde problematiek zijn, die de klant bijvoorbeeld eerst zou moeten overwinnen, wil hij beter kunnen functioneren en/of een baan vinden. Het kan ook gaan om omstandigheden die van belang zijn voor de rechtmatigheid van de uitkering, bijvoorbeeld het doen van (zwart) werk waardoor iemand minder actief deelneemt aan een traject dan wenselijk is. Het kan ook gaan om een bepaalde woon- of middelensituatie die door de klant wordt verzwegen.
Soms is afstemmen dan meer een reactie op een symptoom, terwijl bij verder doorvragen of verder onderzoek andere zaken aan het licht kunnen komen. Waarop je doorvraagt of nader onderzoek doet en hoe, hangt uiteraard af van de omstandigheden.
Soms zal de keuze eerder zijn om het onderzoek voort te zetten of uit te breiden, en de klant te vragen hieraan mee te werken, dan om direct af te stemmen. Bij onvoldoende medewerking aan dit onderzoek is het uiteraard mogelijk een hersteltermijn te bieden onder opschorting van het recht op uitkering.
De eerste stap is het beoordelen welk van de gedragingen die de verordening noemt, de betrokkene te verwijten is. Deze gedragingen staan hieronder genoemd. In de meeste genoemde gedragingen zit overigens een element van onvoldoende c.q. geen medewerking door de klant. Naast of in plaats van afstemming kan het een zinvolle keuze zijn het onderzoek naar de situatie van de klant te verdiepen. Zo nodig onder het bieden van een hersteltermijn en opschorting van het uitkeringsrecht. Het gaat om de volgende gedragingen:
Let op: Bij zeer ernstige misdragingen, zonder dat een andere verplichting behorend bij de uitkering is geschonden, volgt géén maatregel. Als het schenden van een van de verplichtingen al een maatregel van de tweede categorie oplevert, dan leidt zeer ernstig misdragen daarbij niet tot een nog zwaardere maatregel.
Bij samenloop van gedragingen, die in verschillende categorieën vallen, wordt de maatregel opgelegd die behoort tot de hoogste categorie.
Hierna volgt een overzicht van maatregelwaardige gedragingen en de daarbij behorende maatregelen.
| Omschrijving gedragingen | Standaard | bij recidive | bij 2e recidive |
| Niet (tijdig) registreren bij UWV Werkbedrijf | waarschuwing | 30% 1 maand | 100% 1 maand |
| Niet tijdig verlengen inschrijving UWV Werkbedrijf | waarschuwing | 30% 1 maand | 100% 1 maand |
| Niet tijdig verstrekken gegevens, geen benadeling | waarschuwing | 30% 1 maand | 100% 1 maand |
| Niet tijdig opgeven vakantie, geen benadeling | waarschuwing | 30% 1 maand | 100% 1 maand |
| Niet verschijnen, inlichtingenplicht | waarschuwing | 30% 1 maand | 100% 1 maand |
| Niet verschijnen, onderzoek arbeidsmogelijkheden | waarschuwing | 30% 1 maand | 100% 1 maand |
| Niet verschijnen, medisch onderzoek | 30% 1 maand | 100% 1 maand | 100% 2 maanden |
| Niet verschijnen, re-integratiebedrijf / banenmarkt | 30% 1 maand | 100% 1 maand | 100% 2 maanden |
| Niet verschijnen, traject (o.a. voortgang) | 30% 1 maand | 100% 1 maand | 100% 2 maanden |
| Tekortschietend besef / schending inlichtingenplicht, nadeel < €4000 | 30% 1 maand | 100% 1 maand | 100% 2 maanden |
| Niet / onvoldoende meewerken aan onderzoek naar arbeidsmogelijkheden | 30% 1 maand | 100% 1 maand | 100% 2 maanden |
| Onvoldoende wegnemen belemmeringen / weigeren voorziening | 30% 1 maand | 100% 1 maand | 100% 2 maanden |
| Onvoldoende solliciteren | 30% 1 maand | 100% 1 maand | 100% 2 maanden |
| Niet aanvaarden algemeen geaccepteerde arbeid | 100% 1 maand | 100% 2 maanden | 100% 3 maanden |
| Weigeren gesubsidieerde arbeid | 100% 1 maand | 100% 2 maanden | 100% 3 maanden |
| Weigeren participatieplaats / stageplek | 100% 1 maand | 100% 2 maanden | 100% 3 maanden |
| Niet meewerken aan voorziening (uitspraak CRvB) | 100% 1 maand | 100% 2 maanden | 100% 3 maanden |
| Gedrag waardoor (uitzend)baan niet tot stand komt | 100% 1 maand | 100% 2 maanden | 100% 3 maanden |
| Door eigen toedoen verliezen van werk / stage / vrijwilligerswerk | 100% 1 maand | 100% 2 maanden | 100% 3 maanden |
| Tekortschietend besef / schending inlichtingenplicht, nadeel > €4000 | 100% 1 maand | 100% 2 maanden | 100% 3 maanden |
| Zeer ernstige misdragingen (agressie) in combinatie met het niet voldoen aan voorgaande verplichtingen |
100% 1 maand | 100% 2 maanden | 100% 3 maanden |
Wanneer een geconstateerd fraudebedrag (door het verzwijgen van middelen of anderszins) boven de aangiftegrens uitkomt, moet aangifte worden gedaan. De aangiftegrens ligt ingaande 1 januari 2009 op € 10.000. Bij fraude die kan blijken uit bestandsvergelijkingen is de aangiftegrens € 35.000. Bij een tweede geconstateerde fraude binnen vijf jaar ligt de grens voor het totaal van beide fraudebedragen op € 10.000. Aangifte kan bij elk fraudebedrag gedaan worden als afstemming van de uitkering niet meer mogelijk is.
Een en ander is neergelegd in de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude van het College van procureurs-generaal, registratienummer 2008A019 (Staatscourant 23-12-2008, 2373). De aanwijzing is geldig tot en met 31 december 2012. Aangifte wordt ambtshalve gedaan middels het opmaken van proces-verbaal voor het Openbaar Ministerie door het team Opsporing van de RVE Handhaving.
Een maatregel wordt niet opgelegd zolang het openbaar ministerie een aangifte van een strafbaar feit onderzoekt, die verband houdt met het niet nakomen van de inlichtingenplicht of medewerkingplicht.
Een maatregel blijft definitief achterwege als een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, of door het voldoen aan een schikkingsvoorstel van het openbaar ministerie het recht tot strafvervolging is vervallen.
Wanneer tevens aangifte wordt gedaan van het gedrag zou dit in combinatie met het opleggen van een maatregel kunnen leiden tot tweemaal bestraffen van hetzelfde feit. Een maatregel heeft onder omstandigheden namelijk een punitief ofwel straffend karakter, zo oordelen rechters. Dubbele vervolging/strafoplegging voor hetzelfde feit is in strijd met de uitgangspunten van het Nederlandse strafrecht.
Stem dus, wanneer aangifte wordt gedaan uitsluitend af op grond van rechtmatigheids- of -doelmatigheidsaspecten in het gedrag van de klant die gelegen zijn buiten het gedrag waarvoor aangifte wordt gedaan.
Bijvoorbeeld: je spreekt de klant aan op onvoldoende solliciteren en er volgt een incident waarvan aangifte wordt gedaan. Je kunt dan afstemmen op grond van het onvoldoende solliciteren, niet van het incident.
Wanneer een klant binnen 12 maanden na het nemen van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw zich verwijtbaar gedraagt, wordt volgens het stelsel van recidive een maatregel opgelegd.
Dit betekent dat wanneer de tweede of derde gedraging in dezelfde of in een lichtere maatregelcategorie valt, een maatregel volgt volgens de recidivesystematiek uit respectievelijk dezelfde dan wel die lichtere maatregelcategorie.
- Was als eerste maatregel een schriftelijke waarschuwing gegeven dan volgt bij recidive in dezelfde categorie een maatregel van 30%;
- Was de klant eerst een arbeidsverplichting onvoldoende nagekomen, 30% maatregel gedurende een maand, en de tweede verwijtbare gedraging is een lichtere misdraging dan wordt een maatregel opgelegd volgens categorie indeling van artikel 7 eerste lid onder a van de maatregelverordening. Dit betekent dat voor de tweede misdraging ook een maatregel wordt opgelegd van 30% gedurende een maand.
Is evenwel de tweede of derde gedraging ernstiger dan de eerste of tweede: dan wordt dit gezien als een eerste gedraging in een zwaardere categorie en is er géén sprake van recidive. Dit betekent bijvoorbeeld indien eerst sprake was van onvoldoende nakomen van een verplichting (30% verlaging ) en vervolgens het niet nakomen van een verplichting ( 100% verlagen), dat dan de maatregel van 100% blijft gelden gedurende één maand, omdat is bepaald dat hier geen sprake is van recidive.
Voordat besloten wordt tot het opleggen van een maatregel is het horen van de betrokkene nodig. Hierbij komen mogelijk omstandigheden naar voren waardoor diens misdragingen uiteindelijk toch niet aan de klant verweten kunnen worden. Ook kunnen omstandigheden blijken die leiden tot het oordeel dat de betrokkene onredelijk zwaar wordt getroffen. Het horen van de klant kan er ook aan bijdragen dat hij in de toekomst beter gevolg geeft aan zijn verplichtingen.
Als een klant niet reageert op de uitnodiging voor de hoorgelegenheid, dan kan tot het opleggen van een maatregel worden besloten.
De Algemene wet bestuursrecht maakt het in bepaalde situaties mogelijk om af te zien van het horen van de klant. Dit geldt bijvoorbeeld als de beschikking steunt op gegevens die de belanghebbende zelf heeft verstrekt (art. 4:8 Awb). Op die grond kun je ervan afzien een aparte hoorgelegenheid te bieden voorafgaand aan een afstemmingsbesluit op grond van gedragingen van de betrokkene die plaatsvonden in het bijzijn van een behandelend ambtenaar.
Een aparte hoorgelegenheid is ook niet nodig als de klant al in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen bij een eerder besluit (bijv. voor een beslissing op een bijstandsaanvraag of over het aanbieden van een voorziening) of bij een ander bestuursorgaan (bijv. bij het UWV/WERKbedrijf). Als zich naderhand nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, is horen weer wel nodig (art. 4:11 Awb).
Na de beoordeling van de gedraging volgt het bepalen van de hoogte van de maatregel.
Er zijn ingaande 1 oktober 2011 meerdere afstemmingscategorieën, zie 8.1. Opleggen maatregel:
Matiging is aan de orde als de betrokkene door de afstemming onredelijk zwaar wordt getroffen. Een dergelijke individuele beoordeling moet in de beschikking worden gemotiveerd; de verordening geeft geen algemene regels voor het toepassen van matiging. De bewoordingen geven aan dat matiging alleen van toepassing is in bijzondere situaties. Een voorbeeld: een aanmerkelijk deel van het inkomen wordt ingezet voor derdenbeslag. Matiging kun je ook overwegen als er bij een klant problemen te verwachten zijn wanneer hij/zij zelf voor huurbetaling moet zorgen doordat na afstemming te weinig uitkeringsrecht overblijft om bijvoorbeeld de huur- of premie-inhouding te effectueren.
De maatregelverordening maakt het niet mogelijk de afstemming in omvang te verzwaren. Wel is het mogelijk dat bij gelijkblijvend gedrag besloten wordt om opnieuw tot afstemming te besluiten.
Het opleggen van een maatregel wordt neergelegd in een besluit.
De verlaging van de uitkering vanwege een maatregel kan alleen plaatsvinden op een betaling in de toekomst, dus volgend op het verzenden van het besluit. De klant moet het besluit dus eerder hebben dan dat de maatregel wordt uitgevoerd.
In ‘draaideursituaties’ is het mogelijk geworden om de maatregel toe te passen op de opnieuw aangevraagde uitkering. Het gaat dan om gevallen waarin een maatregel niet kan worden uitgevoerd omdat de uitkering intussen is beëindigd. Doet de betrokken klant binnen drie maanden na het maatregelbesluit opnieuw een beroep op uitkering, dan zal de verlaging alsnog toegepast kunnen worden. De nieuwe uitkeringsperiode volgt zo snel op de eerdere periode dat doorwerking van het maatregelbesluit zonder meer te billijken is.
Soms is sprake van een inhouding op de uitkering voor betalingen aan derden, bijvoorbeeld voor huur, energielasten e.d. Daarmee wordt niet het recht lager, maar alleen het bedrag dat de klant zelf op zijn rekening krijgt.
Zie ook onder 8.1.1.6 Hoogte van de afstemming/matiging
De klantmanager is verantwoordelijk voor het vaststellen van afstemming die is gerelateerd aan de re-integratieverplichtingen. De klantmanager is ook zelf verantwoordelijk voor het maken van het afstemmingsbesluit in RAAK. De klantmanager draagt een kopie van het afstemmingsbesluit uit RAAK (i.p.v. een overdrachtsformulier) over aan de inkomensconsulent. De inkomensconsulent is vervolgens verantwoordelijk voor de registratie van de maatregel en het invoeren van de korting op de uitkering in Socrates.
LET OP: Bij het bepalen van de periode waarover de uitkering door de maatregel wordt verlaagd dient de klantmanager rekening te houden met de sluitingsdata van Socrates. Bij het invoeren van een maatregel bij een lopende uitkering bepaalt het systeem namelijk zelf deze periode. Deze periode is afhankelijk van de sluitingsdata. Indien de maatregel wordt ingevoerd voor de maandsluiting wordt de maatregel toegepast over de eerst volgende maand. Indien de maatregel wordt ingevoerd na de maandsluiting dan wordt de maatregel een maand later toegepast.
Voorbeeld 1:
Maandsluiting is 20/09/2011
Invoerdatum maatregel in Socrates is 15/09/2011
Maatregelperiode vastgesteld door Socrates is 01/10/2011 t/m 31/10/2011
Voorbeeld 2:
Maandsluiting is 20/09/2011
Invoerdatum maatregel in Socrates is 25/09/2011
Maatregelperiode vastgesteld door Socrates is 01/11/2011 t/m 30/11/2011
Voor een overzicht met sluitingsdata zie: Planning sluitings- en betaaldata
Omdat de periode door de klantmanager moet worden opgenomen in het maatregelbesluit uit RAAK is vooraf afstemming nodig tussen klantmanager en inkomensconsulent. Indien de inkomensconsulent een maatregelbesluit ontvangt met een onjuiste periode bespreekt hij dit met de klantmanager. De klantmanager is vervolgens verantwoordelijk voor het maken van een nieuw maatregelbesluit met de juiste periode. Dit onder intrekking van het oorspronkelijke besluit.
DWI heeft besloten met ingang van 13 september 2011 als pilot een nieuwe werkwijze te gaan hanteren rondom de onderzoeksweek naar arbeidsinschakeling (verder te noemen: onderzoeksweek) zoals die door RBA wordt aangeboden. Het doel van de pilot is ervoor te zorgen dat meer klanten deelnemen aan de onderzoeksweek (verhogen van de ‘nalevingbereidheid'). De pilot zal voorlopig duren tot eind december. Hieronder vind je informatie over deze nieuwe aanpak.
Wat houdt de onderzoeksweek in?
Deze onderzoeksweek is voor klanten die (na de generieke diagnose) door kunnen stromen naar een traject van RBA richting Nijverheid of Diensten. De week dient ertoe nauwkeurig in kaart te brengen over welke vaardigheden de klant al beschikt, en welke vaardigheden de klant (verder) moet ontwikkelen. Ook wordt onderzocht op welk traject bij Nijverheid of Diensten de klant het best op zijn plek is. Het betreft dus een uitgebreide diagnose. De onderzoeksweek duurt vier of zes opeenvolgende dagen en vindt plaats op het Praktijk Leercentrum. Natuurlijk is de week ook bedoeld om de klant kennis te laten maken met het Praktijk Leercentrum. Daarom werd de week vroeger ook wel ‘Introductieweek' genoemd.
Welke klanten vallen onder de nieuwe werkwijze?
Alle klanten die deel moeten nemen aan de onderzoeksweek van RBA vallen onder de doelgroep.
Wat houdt deze nieuwe werkwijze in?
Na de generieke diagnose krijgt de klant een uitnodiging voor de onderzoeksweek . In deze uitnodiging staat vermeld dat niet verschijnen, of niet (voldoende) meewerken aan de onderzoeksweek, gevolgen kan hebben voor de uitkering. Indien de klant vervolgens niet (meer) verschijnt tijdens de onderzoeksweek, wordt de uitkering opgeschort. De klant krijgt hierover een besluit met een tweede uitnodiging voor een volgende onderzoeksweek. Van klanten die op de tweede uitnodiging reageren en voldoende meewerken aan de onderzoeksweek, zal de opschorting na volledige afronding van de week, ongedaan worden gemaakt. Geven klanten ook aan de tweede uitnodiging geen gehoor, dan zal het recht op WWB worden ingetrokken, en wordt de deelname in RAAK ook beëindigd. De klant zal zich daarna voor herstel van zijn uitkering moeten melden bij het Werkplein. Deze klanten zullen weer rechtstreeks worden aangemeld op het Praktijkcentrum.
Enige achtergrondinformatie over de nieuwe werkwijze
Op het moment dat klanten niet verschijnen bij, of onvoldoende meewerken aan, de onderzoeksweek, is DWI niet in staat de WWB naar behoren uit te voeren. Dit komt doordat we dan niet over de noodzakelijke inlichtingen beschikken. Als klanten niet voldoen aan de plicht om alle inlichtingen te leveren die noodzakelijk zijn om de WWB goed uit te kunnen voeren, kan de uitkering van de klant worden opgeschort. De klant krijgt dan alsnog de kans om wel aan zijn verplichtingen te voldoen, namelijk door alsnog deel te nemen aan de onderzoeksweek. Volhardt de klant erin niet (of onvoldoende) deel te nemen, dan wordt het recht op bijstand ingetrokken.
In geval van intrekking is afstemming niet meer aan de orde; er loopt dan immers geen uitkering meer.
Komt het niet tot een intrekking (omdat de klant alsnog op tijd zijn verplichtingen nakomt), dan vindt in het kader van de pilot in het algemeen geen afstemming meer plaats op grond van het eerste verzuim. Wel kan afstemming eventueel later in het vervolgtraject aan de orde komen als klanten niet meewerken aan hun re-integratie.