6 Middelen  
6.1 Definitie middelen, inkomen, vermogen  
6.2 Inkomen  
6.2.1 Geen middelen in de zin van de WWB  
6.2.1.1 Heffingskortingen  
6.2.1.2 Persoonsgebonden budget en mantelzorgcompliment  
6.2.1.3 Vrije vergoedingen en verstrekkingen  
6.2.1.4  Inkomsten van kinderen  
6.2.1.5 Rente over vermogen en spaargeld  
6.2.1.6 Premies en onkostenvergoeding  
6.2.1.7 Uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade  
6.2.1.8 Giften  
6.2.1.9 Tegemoetkoming aan Anw-gerechtigden  
6.2.2 Wel middelen in de zin van de WWB  
6.2.2.1 Algemene Ouderdomsvoorziening (AOV)  
6.2.3 Inkomensvrijlating en premies voor deeltijdwerk  
6.2.3.1 Inkomstenvrijlating WWB  
6.2.3.2 Deeltijdpremie voor doelgroepen  
6.2.4 In aanmerking te nemen inkomen  
6.2.4.1 Vaststellingsperiode van de bijstand  
6.2.4.2 Verrekenen van inkomsten  
6.2.4.3 Vaststellingsperiode bijstand bij hoge inkomsten  
6.2.4.4 Bijstand over achterliggende periode  
6.2.4.5 Bruto/netto  
6.2.4.6 Spaarloon en pc-privé-regeling  
6.2.4.6.1 Levensloopregeling  
6.2.4.7 Vakantietoeslag  
6.2.4.8 Niet-rechthebbende echtgenoot  
6.2.4.9 Inkomen in natura, studiefinanciering (WSF), onderverhuur  
6.2.4.10 Noppes  
6.2.4.11 Vrijlating oudedagsvoorziening  
6.2.4.12 Toeslagenwet (TW)  
6.2.4.13 Ontslagvergoeding  
6.2.5 Werkzaamheden op bescheiden schaal  
6.2.5.1 Doel en doelgroep van de bescheidenschaalregeling WWB/IOAW  
6.2.5.2 De voorwaarden van de bescheidenschaalregeling  
6.2.5.3 Aanvraag en beslissing over zelfstandig werk  
6.2.5.4 Bijstandsonafhankelijkheid  
6.2.5.5 Verrekening inkomsten op jaarbasis  
6.2.5.6 Tussentijdse controle en definitieve verrekening  
6.2.5.7 Belastingaanslag achteraf  
6.2.5.8 Belastingteruggave  
6.2.5.9 Groei naar Bbz  
6.2.5.10 Startersfaciliteiten Bbz  
6.2.5.11 Ondernemingsplan startende ondernemer  
6.2.5.12 Adressen KvK, Belastingdienst en Team Zelfstandigen  
6.2.6 Belastingen  
6.2.6.1 Heffingskortingen  
6.2.6.2 Overzicht van de heffingskortingen  
6.2.6.3 Algemene heffingskorting (AHK)  
6.2.6.3.1 Algemene heffingskorting minstverdienende partner (AHKmp)  
6.2.6.4 Arbeidskorting (AK)  
6.2.5.5 Ouderenkorting (OK)  
6.2.6.6 Alleenstaande ouderenkorting  
6.2.6.7 Jonggehandicaptenkorting  
6.2.6.8 Kindgebonden budget  
6.2.6.9 Alleenstaande-ouderkorting (AOK)  
6.2.6.10 Aanvullende alleenstaande-ouderkorting (AnAOK)  
6.2.6.11 Inkomensafhankelijke combinatiekorting  
6.2.6.12 Verrekening van heffingskortingen met loonbelasting  
6.2.6.13 Toepassing van de loonheffingskorting  
6.2.6.14 Aanvragen heffingskortingen via voorlopige aanslag  
6.2.6.14.1 Fiscaal partnerschap 2011  
6.2.6.14.2 Afwijzing voorlopige aanslag door de Belastingdienst  
6.2.6.15  Klanten met recht op voorlopige aanslag  
6.2.6.16 Werkwijze Belastingdienst  
6.2.6.17 Uitbetaling voorlopige aanslag heffingskortingen  
6.2.6.17.1 Rangorde heffingskortingen  
6.2.6.18 Persoonsgebonden aftrek  
6.2.6.19 Verschillen in definitie tussen belasting en bijstand  
6.2.6.20 Consequenties van definitieverschillen  
6.2.6.21 Heffingskortingen als middel  
6.2.6.22 Minstverdienende partner verblijft in buitenland  
6.2.6.23 Aanvragen heffingskortingen  
6.2.6.24 Niet opgeven van ontvangen heffingskortingen  
6.2.6.25 T-biljet  
6.2.6.26 Aangiften en aanslagen  
6.2.6.27 Gevolgen van een aanslag  
6.2.6.28 Heffingsrente  
6.2.6.29 Gevolgen van een te betalen aanslag  
6.2.6.30 Voorbeelden  
6.2.6.31 Overige regelingen  
6.2.6.32 Aandachtspunten  
6.2.6.33 Terugvordering en terugvorderingsgronden  
6.2.6.34 Verrekening met de uitkering  
6.2.6.35 Informatieverstrekking door de Belastingdienst  
6.2.6.36 Invulinstructie Verzoek of wijziging voorlopige aanslag 2011  
6.2.6.37 Tabel belastbaar inkomen 2011  
6.2.6.38 Vragen en antwoorden over heffingskortingen  
6.3 Vermogen  
6.3.1 Vermogensvrijlating  
6.3.2 Bezittingen  
6.3.3 Schulden  
6.3.4 Wel of geen vermogen  
6.3.4.1 Auto, boot, caravan en tuinhuisje  
6.3.4.2 Luxe huisraad, sieraden, kunst en verzamelingen  
6.3.4.3 Spaargelden opgebouwd tijdens de bijstandsperiode  
6.3.4.4 Aandelen en obligaties  
6.3.4.5 Afkoopwaarde van koopsompolis, levensverzekering  
6.3.4.5.1 Afkoop pensioenreserveringen van ex-zelfstandigen  
6.3.4.6 Vermogen bestemd voor begrafeniskosten  
6.3.4.7 Uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade  
6.3.4.8 Onroerende zaken, woonschepen en woonwagens  
6.3.4.9 Spaarrekening van kinderen  
6.3.5 Niet-rechthebbende echtgenoot en co-ouder  
6.3.6 Vaststelling van het vermogen  
6.3.6.1 Vermogensvaststelling bij aanvang  
6.3.6.2 Mutaties in het vermogen tijdens de bijstandsperiode  
6.3.6.3 Gevolgen van mutaties voor het recht op bijstand  
6.3.6.4 Verzwegen vermogen  
6.3.6.5 Voorbeelden van vermogensvrijlating  
6.3.6.6 Vermogensvrijlating bij normwijziging  
6.4 Eigen woning, krediethypotheek en pandrecht  
6.4.1 Gemeentelijk beleid bij eigen woning  
6.4.1.1 Waardevaststelling eigen woning  
6.4.1.2 Wanneer is krediethypotheek of pandrecht aan de orde  
6.4.1.3 De overwaarde in de woning is meer dan € 46.900 waard  
6.4.1.4 Medewerking  
6.4.1.5 Bewijsstukken eigen woning  
6.4.1.6 Verschil tussen krediethypotheek en pandrecht  
6.4.1.7 Berekening maximumbedrag van de geldlening  
6.4.1.8 Diverse hypotheekvormen  
6.4.1.9 Vestiging krediethypotheek of pandrecht  
6.4.2 Appartementsrecht en bijzondere situaties  
6.4.3 Krediethypotheek of pandrecht niet mogelijk  
6.4.4 Einde bijstand in de vorm van geldlening  
6.4.4.1  Einde krediethypotheek of pandovereenkomst  
6.4.4.2 Nota’s voor taxaties enz. voor rekening van klant  
6.4.4.3 Aflossing geldlening  
6.4.4.4 Rente  
6.4.4.5  Informatie over registergoederen  

6.       Middelen

Achtergrond en doelstelling
Dit hoofdstuk gaat over inkomen en vermogen, en behandelt de belastingen en de eigen woning. De Dienst Werk en Inkomen verleent bijstand aan mensen die niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

6.1                         Definitie middelen, inkomen, vermogen

De wet verstaat onder het begrip middelen: inkomen en vermogen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Iedereen is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor zijn levensonderhoud. Iemand krijgt pas bijstand op het moment dat hij zelf geen voldoende middelen heeft.

De wet rekent tot middelen:

Redelijkerwijs
Wat moet je verstaan onder het begrip redelijkerwijs kunnen beschikken? Het gaat om het kunnen beschikken over inkomen of vermogen als:

Inkomen
Onder inkomen verstaat de WWB:

Het inkomen heeft altijd betrekking op de periode waarover een klant bijstand aanvraagt.

Vermogen
Vermogen is in de definitie van de WWB: de waarde van bezittingen, minus de aanwezige schulden. Bezittingen zijn zowel geld als goederen, die een bepaalde waarde vertegenwoordigen.

Woning
Onder een woning verstaat de WWB ook woonwagens en woonschepen.

6.2                  Inkomen

In de volgende paragrafen komt aan de orde wat volgens de WWB wel en niet tot de middelen gerekend wordt, hoe de inkomensvrijlating bepaald wordt, het in aanmerking te nemen inkomen, de regels rondom werkzaamheden op bescheiden schaal en belastingen.

6.2.1                         Geen middelen in de zin van de WWB

De WWB somt een aantal inkomsten op die niet tot de middelen horen. Zie Artikel 31. Middelen, lid 2 WWB. De belangrijkste zijn:

Let op: vaak gelden er voor vrijlatingen beperkende voorwaarden.
Hieronder vind je de toelichting op deze inkomsten.

6.2.1.1                             Heffingskortingen

Voor een alleenstaande ouder met een kind onder de vijf jaar zijn de volgende inkomsten geen inkomen in de zin van de WWB:

Daarnaast is de jonggehandicaptenkorting geen inkomen.

Zie voor (andere) heffingskortingen 6.2.6 Belastingen.

6.2.1.2                             Persoonsgebonden budget en mantelzorgcompliment

Geen inkomen in de zin van de WWB is het Persoonsgebonden Budget (PGB). Dit is geld dat mensen krijgen als ze recht hebben op verpleging of verzorging via de AWBZ. Ze betalen daarmee zelf hun hulpverlener.

Let op: voor de hulpverlener is het uitbetaalde geld uiteraard wel inkomen (zie voor meer informatie www.svb.nl).

De hulpverlener kan hiernaast op grond van de WMO een uitkering ontvangen ter waardering van zijn werk (mantelzorgcompliment). Deze uitkering is ten hoogste 250 euro en wordt één keer per jaar uitbetaald door de SVB. Het mantelzorgcompliment is geen inkomen in de zin van de WWB.

6.2.1.3                             Vrije vergoedingen en verstrekkingen

Hieronder wordt verstaan de verstrekkingen zoals genoemd in Hoofdstuk IIA (artikelen 15-17a) van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals:
consumpties tijdens werktijd behalve maaltijden;
werkkleding;
vakliteratuur;

Voor een overzicht zie de betreffende wet via www.wetten.nl.

6.2.1.4                             Inkomsten van kinderen

Zolang een kind tot last komt van de ouder(s), heeft inkomen uit arbeid van dat kind geen invloed op de bijstand van de ouder(s). Volgens de WWB is een ten laste komend kind jonger dan 18 jaar, waarbij de ouders aanspraak kunnen maken op kinderbijslag (zie ook 5.2.3.1 Wel/niet ten laste komend kind). Ontvangt een kind bijvoorbeeld een pensioenuitkering (bijv. na overlijden van een ouder met een nabestaandenpensioenverzekering) dan is dit wel een middel dat je op de uitkering van de ouder(s) moet korten.

6.2.1.5                             Rente over vermogen en spaargeld

Niet onder de middelen vallen:
r
ente over vermogen dat beneden de vrijlatingsgrens blijft;
rente over geld dat is gespaard tijdens de bijstandsperiode; ook niet als dat spaargeld de vrijlatingsgrens overschrijdt.

Zie ook 6.3.1 Vermogensvrijlating en verder.

6.2.1.6                             Premies en onkostenvergoeding

Geen inkomen is:

Het hierboven beschrevene gaat over premies en vergoedingen die DWI moet vrijlaten wanneer DWI zelf of een andere organisatie deze aan de klant verstrekt. Voor de forfaitaire vergoeding voor trajectkosten die de DWI aan zijn klanten kan betalen (zie 1.5 Premies en onkostenvergoedingen) en de deeltijdpremie voor doelgroepen zie 6.2.3.2 Deeltijdpremie voor doelgroepen.

6.2.1.7                             Uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade

De volgende uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade zijn geen middelen in de zin van de WWB zijn o.a. (zie artikel 7 Regeling WWB):
Uitkeringsregeling Hulpfonds Gedupeerden Bijlmerramp;
Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers;
Uitkeringsregeling Fonds Slachtoffers Legionella-epidemie;
individuele uitkeringen in het kader van tegoeden Tweede Wereldoorlog aan leden van de Joodse, Sinti, Roma en Indische gemeenschappen;
toeslag o.g.v. artikel 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). Deze toeslag is bedoeld voor de verbetering van de levensomstandigheden of voor de dekking van de noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling en verpleging van de belanghebbende;
een tegemoetkoming uit het DES-fonds aan personen die door DES-gebruik (medicijn dat in de periode van ±1947 tot medio de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd voorgeschreven aan zwangere vrouwen) een zogenaamde DES-aandoening hebben gekregen. DES-aandoeningen kunnen voorkomen bij zowel moeder als kind.

N.B.: Een periodieke uitkering zoals de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) kan niet worden aangemerkt als een vergoeding voor materiële of immateriële schade. Het bedrag van deze uitkering wordt gerekend tot de middelen waarover iemand beschikt en dient met de bijstand te worden verrekend.

Voor overige vergoedingen voor materiële en immateriële schadevergoeding geldt dat deze niet tot de middelen worden gerekend voor zover de schadevergoeding naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

Schadevergoeding voor het verlies van arbeidsvermogen
Als de schadevergoeding is bedoeld als compensatie voor het verlies van arbeidsvermogen, dan wordt de schadevergoeding aangemerkt als inkomsten en dient deze met de bijstand te worden verrekend. De vergoeding komt naar zijn aard overeen met een periodiek te ontvangen bedrag aan inkomsten in verband met arbeid dat kan worden ingezet voor levensonderhoud.

Voor verdere mogelijkheden om vergoedingen voor materiële en immateriële schade niet als middel te beschouwen, zie 6.3.4.7 Uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade.

6.2.1.8                             Giften

Giften neem je niet in aanmerking als dit uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dat geldt zowel voor de hoogte als de bestemming van de gift. Er is geen verschil tussen giften van instellingen of personen. Of je een gift in aanmerking neemt bepaal je individueel. Bij de beoordeling of iets een gift is, maakt het niet uit of de gift eenmalig of periodiek is.

Bij de beoordeling of iets een gift is, maakt het niet uit of de gift eenmalig of periodiek is. Punten die aanleiding kunnen zijn om de gift wel in aanmerking te nemen zijn:

6.2.1.9                             Tegemoetkoming aan Anw-gerechtigden

Met ingang van 1 januari 2006 krijgen alle Anw-gerechtigden een tegemoetkoming van het Rijk. Met ingang van 1 januari 2007 heeft de tegemoetkoming structureel plaatsgekregen in de Anw. De betaling van de tegemoetkoming geschiedt tezamen met de betaling van de Anw-uitkering. De tegemoetkoming is geen middel in de zin van de WWB, en moet dus niet worden gekort op de uitkering. Om recht te doen aan de door het kabinet beoogde verbetering van de koopkracht van de doelgroep, wordt de tegemoetkoming ook niet in aanmerking genomen bij de verlening van bijzondere bijstand. Met ingang van 1 januari 2008 is de tegemoetkoming € 15,61 bruto per maand. De normkaartjes van de afdeling Functioneel Beheer vermelden zowel het netto Anw-bedrag dat de klant ontvangt als het nettobedrag dat op de WWB gekort dient te worden, normkaartje Jan 2008.

6.2.2                            Wel middelen in de zin van de WWB

6.2.2.1 Algemene Ouderdomsvoorziening (AOV)

Bewoners van de Nederlandse Antillen hebben vanaf hun 60ste jaar recht op de Algemene Ouderdomsvoorziening (AOV). Deze AOV is een middel onder de WWB en moet volledig worden gekort op de bijstandsuitkering. Doet een Antilliaan van 60 jaar of ouder een beroep op bijstand, controleer dan eerst of hij/zij AOV ontvangt of hier eventueel recht op heeft.

De AOV moet 6 maanden voordat iemand 60 jaar wordt, worden aangevraagd. Dit kan bij het Kabinet van de Nederlandse Antillen, telefoonnummer 070-3066111. Klant ontvangt dan een aanvraagformulier. Dit nummer kun je ook bellen, als je wilt weten of klant een AOV ontvangt.

Bewoners uit Aruba hebben vanaf hun 60 ste jaar ook recht op de AOV. Hierbij geldt het volgende:

  1. Personen die in aanmerking komen voor een pensioenuitkering van Aruba zijn diegenen die na de status aparte (1986) het eiland hebben verlaten. Voor een aanvraag moeten zij contact opnemen met het Arubahuis, telefoonnummer 070-3566200
  2. Personen die vóór de status aparte zijn vertrokken van Aruba, komen in aanmerking voor een Nederlands Antilliaanse pensioen. Voor een aanvraag moeten zij zich wenden tot de SVB van de Nederlandse Antillen. Voor meer informatie kun je het Kabinet van de Nederlandse Antillen bellen op telefoonnummer 070-3066111.

6.2.3                         Inkomensvrijlating en premies voor deeltijdwerk

De inkomstenvrijlating is in de WWB beperkt. In deze paragraaf wordt uitleg gegeven over de afbouw van de inkomensvrijlating die gold onder de Abw en de vrijlatingsregel die voor de WWB geldt.
Ook komt de eenmalige deeltijdpremie aan bod die de gemeente Amsterdam op 1 april 2005 heeft ingevoerd voor arbeidsgehandicapten en alleenstaande ouders met een jong kind (< 5 jaar).

6.2.3.1                             Inkomstenvrijlating WWB

Inkomstenvrijlating WWB
In de WWB is inkomstenvrijlating beperkt mogelijk. Bovendien zijn er geen doelgroepen meer zoals onder de Abw.

Op welke inkomsten is de WWB-vrijlating van toepassing?

De regels voor inkomstenvrijlating:

De inkomstenvrijlating geeft een hoger belastbaar inkomen. Dat kan gevolgen hebben voor huurtoeslag, kwijtscheldingsregelingen enz.

Dit alles is aanleiding om de inkomstenvrijlating onder de WWB slechts met instemming van de klant toe te passen, en er ook een expliciete beslissing over te nemen. De instemming van de klant kan blijken uit een aanvraag.

Let op: de inkomstenvrijlating hoeft niet te worden aangevraagd.

6.2.3.2                            Deeltijdpremie voor doelgroepen

De gemeente Amsterdam heeft een deeltijdpremie ingevoerd voor 2 doelgroepen:
arbeidsgehandicapten
alleenstaande ouders met een kind jonger dan 5 jaar.

Deze werkaanvaardingspremie kan eenmalig aan iemand worden toegekend gedurende een bijstandsperiode en bedraagt € 250. De premie is onbelast en heeft dus geen gevolgen voor huursubsidie, kwijtschelding lokale heffingen e.d.

Voorwaarden zijn:
bij aanvang van de werkzaamheden heeft de klant een WWB-, IOAW- of IOAZ-uitkering en behoort hij tot een van de doelgroepen voor de premie
de betrokkene werkt 12 maanden (al dan niet aaneengesloten) voor het aantal uren dat hij of zij sollicitatieplichtig is.

Verder geldt:
de begindatum van de 12 maanden ligt op 1 april 2005 of later
maanden waarover de klant gebruik maakte van de WWB-inkomstenvrijlating tellen niet mee.
een aanspraak op de deeltijdpremie kan niet tegelijk worden opgebouwd met een trajectvergoeding, een trajectpremie voor daklozen of een reïntegratiepremie.

Bij de beoordeling of iemand voldoende dagdelen gewerkt heeft kunt u de volgende vuistregels hanteren:
elke € 100 die aan verdiensten met de uitkering zijn verrekend geldt als 1 gewerkt dagdeel;
inkomsten over maanden waarin de betrokkene heeft gewerkt mogen worden gemiddeld (tenzij er sprake zou zijn van verwijtbaar ontslag e.d.).

6.2.4                         In aanmerking te nemen inkomen

Je neemt inkomen in aanmerking als het om een periode gaat waarover de klant een beroep doet op bijstand.

Twee tijdstippen zijn van belang: het moment waarop de klant heeft gewerkt en het moment waarop de klant zijn inkomsten krijgt:
bij arbeidsinkomsten gaat het om de periode waarin klant gewerkt heeft, en niet om de periode waarin klant het inkomen ontvangt;
bij uitkeringen zoals pensioen, alimentatie, studiefinanciering sociale zekerheidsuitkering e.d., gaat het om de periode waarvoor de uitkering bestemd is;
het moment van ontvangst is van belang bij het verrekenen van de inkomsten.

Inkomen over eerdere periode of na beëindiging bijstand
als een klant tijdens de bijstandsperiode inkomen ontvangt over een eerder tijdvak zonder bijstand, merk je dat aan als vermogen en niet als inkomsten.
als klant na beëindiging van de bijstand nog inkomen ontvangt over de bijstandsperiode neem je dat alsnog als inkomsten in aanmerking;
als er dan geen of onvoldoende tegoed is om te verrekenen, vorder je terug.

                             Vaststellingsperiode van de bijstand

6.2.4.1 Inkomstenvrijlating WWB

De datum waarop je bijstand vaststelt, of beëindigt, of weer opnieuw toekent is van belang bij de berekening.

Voorbeeld 1

Een klant gaat op 16 augustus aan het werk waardoor de bijstand stopt. Op 6 september – dus binnen 30 dagen - is de klant alweer werkloos en vraagt opnieuw bijstand aan. Werkwijze:

Voorbeeld 2

Een klant werkt langer dan 30 dagen, bijvoorbeeld van 16 augustus tot 16 september. Er is dan 31 dagen geen recht op uitkering. Werkwijze:

Voorbeeld 3

De klant is een alleenstaande ouder die wegens te lang verblijf in het buitenland in de maand augustus gedurende 7 dagen wordt uitgesloten van het recht op bijstand. De klant heeft inkomsten uit werk van € 580,- netto per maand, inclusief vakantietoeslag en ontvangt de alleenstaande ouderkorting van € 79 per maand. De te korten inkomsten over augustus bedragen:

6.2.4.2 Verrekenen van inkomsten

Inkomsten stel je net als bijstand  per kalendermaand vast.Als een klant zijn inkomsten niet per maand, maar per week ontvangt, of per 4 weken, dan kijk je op welke maand zijn inkomsten betrekking hebben. Werkwijze:

Pro memorie: teveel verstrekte bijstand door een te hoge norm of te lange vakantie wordt niet gerekend tot de in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen zoals bedoeld in WWB art. 58 lid 3. In zulke gevallen is verrekening niet mogelijk. De uitkering dient herzien of ingetrokken te worden en teruggevorderd.

Voorbeeld
Een klant geeft op dat hij in augustus inkomsten ontvangt over vier maanden: januari, februari, maart en april.Je kijkt voor toetsing aan de norm eerst naar de vier maanden waarin de inkomsten zijn verworven: dus januari, februari, maart en april.

Als je gaat verrekenen kijk je naar het moment van ontvangst, dus de maand augustus. Je verrekent de uitkering dan als dat nog kan met augustus, en anders met september, en zo nodig met oktober en november.

Voorbeeld 2
Als de feitelijke inkomsten bekend zijn, wordt er niet omgerekend naar een maandbedrag, maar worden deze inkomsten gekort op de uitkering van de betreffende maand.

Een klant heeft vier weken gewerkt bij een uitzendbureau. Uit de toegezonden loonspecificaties blijkt, dat klant de volgende inkomsten uit arbeid heeft ontvangen:

week 2009-12 € 140,-
week 2009-13 € 175,-
week 2009-14 € 175,-
week 2009-16 € 210,-

De weken 12 en 13 vallen volledig in de maand maart '09; week 14 valt echter nog twee dagen in maart en de overige vijf dagen in april. Van de inkomsten van week 14 wordt 2 / 7 e deel (€ 50,-) gekort op de uitkering van de maand maart en 5 / 7 e deel (€ 125,-) op de uitkering van de maand april. Dit betekent in dit voorbeeld dat in maart eenmalig (€ 140 + € 175 + € 50 =) € 365 aan inkomsten gekort dient te worden en in april eenmalig (€ 125 + € 210 =) € 335.

6.2.4.3                             Vaststellingsperiode bijstand bij hoge inkomsten

Soms verdient iemand in één maand met bepaald soort werk meer dan de bijstandsnorm. Bijvoorbeeld een fotomodel. Op grond van Artikel 45. Vaststelling en betaling , lid 2 WWB stel je de bijstand dan af over meerdere maanden.

Voorbeeld:
Klant verdient 1.500 euro in januari en heeft een norm van 500 euro. Dan ken je 1,5 keer de norm toe aan januari en als er geld overblijft 1,5 keer de norm aan februari. Als je uitgaat van: norm x 1,5 = y en hoogte inkomsten = hi, dan luidt de rekenregel hi:y = aantal maanden. In het voorbeeld betekent dit 1500 (is hi) : 750 (is y) = 2 maanden.

6.2.4.4                             Bijstand over achterliggende periode

De uitvoering van een beslissing in bezwaar of beroep, leidt soms tot verstrekking van bijstand over achterliggende maanden of zelfs jaren. Hoe je dan rekening houdt met middelen staat in hoofdstuk 11.4.1 Uitbetaling bijstand na bezwaar- of beroepsprocedure.

6.2.4.5                             Bruto/netto

Inkomsten neem je in aanmerking na aftrek van:

Onderdeel van de inkomsten zijn:

Niet tot de inkomsten horen:

Werkt klant in deeltijd in loondienst buiten Amsterdam en de werkgever geeft geen vergoeding voor de reiskosten, dan mag de klant de kosten vanaf een station in Amsterdam naar het station van de plaats waar hij werkt, aftrekken van zijn inkomsten. Dit kan gevolgen hebben voor de huur- en zorgtoeslag. Informeer klant hierover. Let goed op dat het daadwerkelijk gemaakte en niet vergoede onkosten betreft (kijk bijvoorbeeld altijd naar de salarisspecificatie van de klant om na te gaan welke reiskosten wel vergoed zijn). De opgegeven reiskosten kun je checken via 9292ov.nl

Het is belangrijk dat bij de loonbelasting over de inkomsten zo veel mogelijk de loonheffingskorting wordt toepast (zie 6.2.6 Belastingen en verder):

6.2.4.6                              Spaarloon en pc-privé-regeling

Een klant mag gebruik maken van de spaarloonregeling, of meedoen met een pc-privéregeling.

Bij de spaarloonregeling stort de werkgever een deel van het loon op een geblokkeerde spaarrekening. Deze inhouding is een onderdeel van het inkomen. Er zou een ingewikkelde berekening nodig zijn om te bepalen wat het nettoloon is zonder spaarloonregeling. Ter vereenvoudiging hanteer je voor spaarloon en voor pc-privéregelingen de 60%-berekening:

6.2.4.6.1 Levensloopregeling

Sinds januari 2006 is in de WWB opgenomen dat het opgebouwde tegoed van een levensloopregeling niet als middel voor de WWB wordt aangemerkt (art 31, lid 2 onder q WWB). Maar komt de levensloop tot uitbetaling, dan geldt het opgebouwde tegoed als uitgesteld loon en wordt het bedrag wel als middel beschouwd. Verplichte opname van het spaartegoed is niet mogelijk.

De deelname aan een levensloopregeling is gelijk aan die van een spaarloonregeling. Hanteer voor de levensloopregeling dan ook dezelfde berekening als bij de spaarloonregeling (zie paragraaf 6.2.4.6 Spaarloon en pc-privé-regeling).

6.2.4.7                             Vakantietoeslag

Bij inkomsten telt vakantietoeslag ook mee. Socrates voert die berekeningen uit als je bij invoer aangeeft dat er over de inkomsten aanspraak op vakantietoeslag bestaat.

Als er geen recht bestaat op vakantietoeslag, zoals bij freelance inkomsten of de ziektewetuitkering van de Uvi, voer je dat zo in bij Socrates, dat vervolgens de gegevens zonder vakantietoeslag berekent.

6.2.4.8                             Niet-rechthebbende echtgenoot

Het begrip niet-rechthebbende echtgenootgaat over:

Pas bij niet-rechthebbende echtgenoten de volgende regels toe:

Voorbeeld
Twee personen (zonder kinderen) voeren een gezamenlijke huishouding en vragen een WWB-uitkering aan. De een heeft geen inkomsten. De partner studeert, krijgt studiefinanciering en heeft geen andere inkomsten. Voor de klant geldt de norm voor een alleenstaande. De studerende partner is niet-rechthebbend.

Om na te gaan of het inkomen van de studerende niet rechthebbende partner invloed heeft op de uitkering van de klant, tel je de inkomens van de partners bij elkaar op.

Het inkomen uit studiefinanciering bepaal je op basis van het normbedrag voor levensonderhoud (art. 33 WWB). Normen in onderstaand voorbeeld zijn van 1 juli 2008.

klant

WWB alleenstaande, zelfstandig wonend, met woonkosten

€   891,36

partner

Inkomsten normbedrag WSF uitwonend (circulaire Ministerie)

€   535,11

gezamenlijk inkomen

€ 1426,47

Voorzover dit bedrag de gehuwdennorm overschrijdt, wordt dit verrekend met de uitkering van klant.

Dus:

gezamenlijk inkomen

€  1426,47

Gezinsnorm, met woonkosten

€  1273,37

Overschrijding

€    153,10

Resultaat voor de uitkering:

norm alleenstaande

€   891,36

>€   153,10

uitkering klant

€   738,26

6.2.4.9                             Inkomen in natura, studiefinanciering, onderverhuur

Inkomen in natura
Bij inkomen in natura gaat het om de waardebepaling van in natura verkregen zaken. De klant “offert” een deel van zijn inkomen op voor vergoeding in natura (het “opgeofferde bedrag”). Soms staat inkomen in natura als inhouding op een loonstrook gespecificeerd. Is dat niet het geval, dan blijft de vraag: wat is de tegenwaarde van de zaken in natura uitgedrukt in geld?

Let bij inkomen in natura op de volgende zaken:

WSF-studerenden die bijstand aanvragen
Het inkomen uit WSF kan van belang zijn bij de verlening van bijzondere bijstand aan studerenden en de verlening van algemene bijstand aan een gezamenlijke huishouding waarvan één van de partners studiefinanciering ontvangt. Zie voor het recht op bijstand van 4.3 studerenden. Voor wat betreft het bepalen van het inkomen uit WSF geldt het volgende.
In artikel 33, lid 2 van de WWB is vastgelegd welke bedragen op de WWB gekort moeten worden voor een studerende met inkomen uit WSF. Bij de vaststelling van deze normbedragen voor levensonderhoud is al rekening gehouden met een eventuele rentedragende lening en de ouderlijke bijdrage. Die bedragen moeten dan ook niet nog een keer worden gekort. Inkomsten uit arbeid van de studerende moeten wel op de uitkering worden gekort, tenzij deze al op de WSF zijn gekort.

WSF-studenten die bij ouder(s) inwonen
Bijstandsgerechtigde ouders bij wie een kind van 18 jaar of ouder inwoont dat studiefinanciering en/of andere inkomsten ontvangt tot ten hoogste € 604,15 (bedrag 2010), komen in aanmerking voor een gemeentelijke toeslag van 20% (of een verlaging van 0%) (zie par. 5.1.4 Verhoging en verlaging basisnorm 21 - 65 jarigen).

Let op: voor de berekening van de aanvulling voormalige alleenstaande ouders zie hoofdstuk 9.7.1 Aanvulling voor voormalige alleenstaande ouders.

Inkomen uit onderverhuur/kostganger
Bij inkomsten uit onderverhuur/kostganger handel je als volgt: pas geen inkomstenkorting toe bij één onderhuurder/kostganger, omdat je met deze inkomsten al rekening houdt in het toeslagenbeleid.

Bij meerdere onderhuurders/kostgangers pas je naast een 10% toeslag (of verlaging) een inkomstenverrekening toe:

6.2.4.10                   Noppes

De vereniging Noppes heeft in 1993 een puntensysteem opgezet. De leden van Noppes ontvangen deze punten (noppes) door het uitwisselen van goederen en diensten, zoals klussen, oppassen, tekstschrijven, computerhulp, etc. Een noppes is niet om te zetten in geld, maar staat volgens de vereniging gelijk aan 1 euro. De punten die worden verdiend, kunnen aan een andere dienst of tweedehands goederen worden besteed. Noppes hanteert een richtlijn van 5 á 7 noppes per uur.
De verdiende noppes hebben in principe geen gevolgen voor de uitkering, maar kunnen wel richtinggevend zijn voor de reïntegratie. Uit de uitgevoerde diensten kan namelijk de interesse en mogelijkheden van de klant blijken. Dit kan reden zijn om reïntegratieverplichtingen op te leggen of te wijzigen. Het kan ook voorkomen dat vanwege de duur en aard van de werkzaamheden van klant kan worden gevraagd de werkzaamheden voor geld i.p.v. noppes te verrichten.

6.2.4.11                   Vrijlating oudedagsvoorziening

Klanten van 65 jaar en ouder hebben vaak naast hun AOW nog een eigen pensioenvoorziening. Dat kan een lijfrentepolis of een werkgeverspensioen zijn. Laat zulke aanvullende pensioenuitkering buiten beschouwing (bedragen per 1-1-2011):

6.2.4.12                  Toeslagenwet (TW)

De TW kent nu nog maar één maximeringsbepaling, namelijk: iemand die minder verdiende dan het relevante sociaal minimum, krijgt geen volledige toeslag. De TW en de uitkering (WW, WAO etc.) samen kunnen namelijk niet hoger zijn dan het laatstverdiende inkomen. Geen recht op TW heeft:

Het aanvraagformulier ‘Toeslag aanvragen’ kan gedownload worden van www.uwv.nl. De code van het formulier is WW14001700.

6.2.4.13 Ontslagvergoeding

Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld LJN AX8728 en AU9495) moet een ontslagvergoeding worden aangemerkt als inkomsten bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na het ontslag, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft. Het kan zijn dat de duur waarop de ontslagvergoeding betrekking heeft al blijkt uit de brief van de werkgever of de uitspraak van de rechter. Als dat niet het geval is en de vergoeding bestemd is voor opvang van de loonderving na het ontslag, dan bereken je de periode door het netto bedrag van de ontslagvergoeding te delen met het verschil tussen het loon vóór en de uitkering ná ontslag. Stel dat de ontslagvergoeding € 4.000 is, het voorheen ontvangen loon netto € 1.500 en de uitkeringshoogte € 1.100 is, dan is de periode 4.000/(1.500 - 1.100) = 10 maanden.

6.2.5                         Werkzaamheden op bescheiden schaal

Zelfstandigen
Bijstandsverlening aan zelfstandigen is gebaseerd op de WWB, maar geregeld in het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). De WWB zelf kent het begrip “zelfstandigen” niet en kent geen bepalingen over bijstandsverlening aan zelfstandigen.
Mensen die als zelfstandig ondernemer bijstand nodig hebben, kunnen een beroep doen op het Bbz 2004 onder de volgende voorwaarden:

Zelfstandige werkzaamheden van bescheiden omvang.
Mensen die op bescheiden schaal werkzaamheden voor eigen rekening en risico verrichten, dat wil zeggen minder dan gemiddeld 23,5 uur per week, en een bescheiden inkomen verdienen kunnen aanvullende bijstand via de WWB, dan wel een aanvullende IOAW-uitkering krijgen als zij voldoen aan de voorwaarden die de gemeente Amsterdam daaraan verbindt.

De basis voor deze regeling is artikel 5.2 van de Beleidsregels WWB. Daarin staat dat de bijstand per kalenderjaar kan worden vastgesteld ten aanzien van de persoon die op bescheiden schaal bedrijfs- of beroeps¬matige werkzaamheden voor eigen rekening verricht. De persoon mag geen ondernemer zijn in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, dat wil zeggen dat het aantal uren dat aan de werkzaamheden wordt besteed minder dan 1.225 per kalenderjaar moet zijn.
Bij de jaarvaststelling wordt het jaarinkomen uit die werkzaamheden omgerekend naar een gemiddeld maandbedrag, dat in aanmerking wordt genomen ¬over de maanden waarin de klant recht had op algemene bijstand. Op dit jaarinkomen vindt eerst aftrek plaats van de daarover verschuldigde inkomsten¬belasting, premies volksverzekering, alsmede de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet.
Deze regeling is niet bedoeld voor werklozen die al feitelijk een eigen bedrijf beginnen. Deze starters kunnen bij het Team Zelfstandigen terecht mits zij het bedrijf of zelfstandig beroep starten vanuit een werkloosheidssituatie. Klanten met een bijstandsuitkering, die (naast de werkzaamheden op bescheiden schaal) begeleiding nodig hebben om op termijn zelfstandig ondernemer te worden kunnen een beroep doen op het zogenaamde Voorbereidingstraject zelfstandig ondernemerschap. Dit traject, dat maximaal één jaar mag duren, wordt op de Werkpleinen uitgevoerd.
Starters met een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering via UWV kunnen bij UWV terecht voor het voorbereidingstraject en financiële ondersteuning vanaf de start van het bedrijf, inclusief een startkrediet.

6.2.5.1                             Doel en doelgroep van de bescheidenschaalregeling WWB/IOAW

Onlangs is besloten dat de bescheidenschaalregeling is bedoeld voor klanten die gebruikmaken van de voorbereidingsperiode en voor klanten die deelnemen aan het project Eigen Werk. De regeling biedt deze klanten de zekerheid van een vast maandelijks inkomen. De bescheidenschaalregeling werkt met een maandelijkse korting die is gebaseerd op een schatting van de jaarinkomsten. Met deze manier van inkomstenkorting kan de zelfstandige zijn bedrijfslasten over het hele jaar in mindering brengen op de omzet.

6.2.5.2                             De voorwaarden van de bescheidenschaalregeling

Een klant kan gebruik maken van de regeling onder de volgende voorwaarden:

Bovenstaande voorwaarden gelden ook voor klanten die geen gebruik maken van de bescheidenschaalregeling, maar die hun inkomsten maandelijks op de IV opgeven. Deze klanten moeten echter per maand de opbrengsten (verkopen) verantwoorden en kunnen de beroepskosten niet van de opbrengsten aftrekken.

6.2.5.3                             Aanvraag en beslissing over zelfstandig werk

Zelfstandig ondernemen met behoud van uitkering
Een klant met bijstand of IOAW moet vooraf toestemming vragen om met behoud van uitkering als zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal te verrichten. Hij moet aantonen dat hij aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoet.

6.2.5.4                             Bijstandsonafhankelijkheid

Centraal staat de kortste weg naar onafhankelijkheid van de bijstand. Bij een verzoek om toestemming is dus steeds de vraag of zelfstandig ondernemerschap voor de klant de meest aangewezen manier is om bezig te zijn.

Jonge en oudere aspirant zelfstandigen
Voor een jongere met goede kansen op de arbeidsmarkt kan werken als zelfstandig ondernemer een belemmering zijn voor zijn herintreding.

Kijk bij een jongere of er geen snellere manier is om uit de bijstand te raken, bijvoorbeeld door een korte opleiding te volgen of door algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

 Voor een oudere werkloze met een medische beperking kan het verrichten van enige werkzaamheden als zelfstandige juist zin geven aan het bestaan.

Toestemming

6.2.5.5                             Verrekening inkomsten op jaarbasis

Voorlopige inkomstenkorting
DWI verrekent de inkomsten uit zelfstandige arbeid op jaarbasis, in verband met de jaarlijkse belastingaangifte. Om een onverwachte vordering aan het eind van het jaar te voorkomen, stel je een maandelijkse korting vast, gebaseerd op de geschatte jaarwinst.

Inschatten van de jaarwinst
Bij het schatten van de jaarwinst ga je als volgt te werk:

Inkomstenverklaring
De klant geeft zijn inkomsten op met de inkomstenverklaring. Als de inkomsten erg afwijken van het vaste kortingsbedrag, neem je contact op met de klant. Je kijkt of je de gemaakte afspraken moet herzien.

Andere inkomsten (arbeid in loondienst, uitkeringen)
De klant die een beroep doet op de bescheidenschaalregeling kan daarnaast ook inkomsten uit loondienst hebben, of andere inkomsten zoals bijvoorbeeld een WAO-uitkering. Deze inkomsten kort je apart onder de eigen componentcode.

6.2.5.6                             Tussentijdse controle en definitieve verrekening

Tussentijdse controle
Bekijk halverwege het lopend boekjaar wat de werkelijke inkomsten zijn. Als ze hoger zijn dan aanvankelijk geraamd, pas je de maandelijkse, voorlopige korting aan. Daarmee voorkom je dat de klant aan het eind van het jaar met een hoge eenmalige verrekening zit. In de beschikking wordt geadviseerd aan de klant direct contact op te nemen als hij denkt dat zijn inkomsten hoger zullen zijn dan het geschatte bedrag.

Definitieve verrekening van de inkomsten
De definitieve verrekening vindt altijd plaats na afsluiting van het boekjaar met de winst- en verliesrekening, die ook nodig is voor de belastingaangifte. Werkwijze:

Recht op inkomstenvrijlating
De klanten die van de bescheidenschaalregeling gebruik maken, hebben ook recht op de inkomstenvrijlating (artikel 31 lid 2 sub o WWB). Tenzij ze vallen onder de afbouwregeling.

Je berekent de vrijlating over de definitieve jaarinkomsten als volgt:

6.2.5.7                             Belastingaanslag achteraf

Als een klant achteraf een belastingaanslag ontvangt, volg je de regels die staan in 6.2.4.5 Bruto/netto.

6.2.5.8                             Belastingteruggave

Belastingteruggave in verband met geleden verlies
Als er in een boekjaar verlies is geleden, kan dat leiden tot belastingteruggave over dat jaar. Deze belastingteruggave mag je niet met de uitkering verrekenen.

Belastingteruggave en bijzondere bijstand
Belastingteruggave voor posten die op de W/V-rekening voorkomen en waarvoor bijzondere bijstand is verstrekt, verreken je wel met de uitkering.

Belastingteruggave en zelfstandigen- of startersaftrek
Als uit de belastingaanslag blijkt dat de klant zelfstandigenaftrek of de startersaftrek heeft gekregen, heeft hij zich niet gehouden aan het urencriterium van de bescheidenschaalregeling.

6.2.5.9                             Groei naar Bbz

Een klant die meer dan 23,5 uur per week werkt, of inkomsten heeft die hoger zijn dan  € 7.198,-  per jaar (bedrag 2011), moet binnen een redelijke termijn beslissen hoe hij verder gaat. Zijn mogelijkheden zijn:

hij staakt de werkzaamheden of brengt ze terug tot bescheiden schaal. In dat geval kan je de bijstand continueren.

6.2.5.10                             Startersfaciliteiten Bbz

Het Bbz kent voor beginnende zelfstandigen de volgende faciliteiten:

6.2.5.11                         Ondernemingsplan startende ondernemer

Om voor Bbz in aanmerking te komen moet de klant een goed ondernemingsplan hebben. De risico’s van een eigen bedrijf zijn groot. Niet iedereen is hiervoor geschikt. Een ondernemingsplan is essentieel en bevat:

Verwijs klanten met de bescheidenschaalregeling zo snel mogelijk naar de collectieve startersvoorlichting van het Team Zelfstandigen voor nadere informatie. Deze voorlichting vindt elke dinsdagmiddag plaats bij het Team Zelfstandigen Werkplein Noord, Klaprozenweg 91. Geïnteresseerden moeten zich melden bij de portier om 14.15 uur.

Je kunt de klant ook attent maken op andere instanties die advies en scholing aanbieden aan mensen die een eigen bedrijf willen starten.

6.2.5.12                             Adressen KvK, Belastingdienst en Team Zelfstandigen

6.2.6                         Belastingen

De invoering van de Wet Inkomstenbelasting 2001 betekende een belangrijke wijziging voor de klanten van de Dienst Werk en Inkomen. De diverse tariefgroepen en de belastingvrije sommen werden vervangen door heffingskortingen. Heffingskortingen zijn kortingen op de te betalen belasting en premies volksverzekering.

Er zijn twee soorten heffingskortingen:

  1. Loonheffingskortingen (verrekend met de loonbelasting) zijn (zie ook 6.2.6.14 Aanvragen heffingskortingen via voorlopige aanslag):
    • algemene heffingskorting (ontvangt iedere klant, via het loon/uitkering), zie uitzondering bij punt 2
    • arbeidskorting (ontvangt degene die werkt)
    • ouderenkorting (> 65 jaar)
    • alleenstaande ouderenkorting (> 65 jaar)
    • jonggehandicaptenkorting (geen middel)
    Deze kortingen worden dus niet bij de Belastingdienst aangevraagd.
  2. Heeft klant uitsluitend bijstand, dan verrekent de Dienst Werk en Inkomen de gehele algemene heffingskorting bij de afdracht van loonbelasting en premies volksverzekeringen aan de Belastingdienst na afloop van het jaar. Dit geldt ook voor de partner, aangezien zij beiden bijstand ontvangen. De Dienst Werk en Inkomen functioneert in deze situatie als “werkgever”. De klant merkt hier niets van.

    Heeft klant naast de bijstand inkomsten of een andere uitkering, dan vraagt klant met een het formulier ‘Opgaaf gegevens voor de loonheffingen’, zie 6.2.6.31 Overige regelingen de werkgever of andere uitkerende instantie om de loonheffingskorting toe te passen (in dit geval de algemene heffingskorting en de arbeidskorting). Hierdoor ontvangt de klant een hoger netto inkomen en hoeft er minder aanvullende bijstand te worden verstrekt.

  3. Heffingskortingen die rechtstreeks (na aanvraag) via een voorlopige aanslag van de Belastingdienst worden ontvangen:
    • algemene heffingskorting minstverdienende partner, indien de netto bijstand van de minstverdienende zo laag wordt dat over de bijstand niet de gehele algemene heffingskorting benut kan worden. Dit ontstaat wanneer één van de partners naast de bijstand extra loon of een andere uitkering ontvangt (middel)
    • alleenstaande ouderkorting (middel)
    • het inkomensafhankelijk deel van de alleenstaande ouderkorting (geen middel als klant werkt en kind
    < 5 jaar)
    • inkomensafhankelijke combinatiekorting (geen middel als alleenstaande ouder werkt en kind < 5 jaar)

Heffingskortingen via een voorlopige aanslag worden onder bepaalde voorwaarden alleen ontvangen door alleenstaande ouders en (echt)paren.

Een alleenstaande ontvangt in principe nooit een voorlopige aanslag, tenzij de alleenstaande ouder onder de belastingwetgeving als alleenstaande ouder wordt aangemerkt (alleenstaande en kind boven de 18 jaar, zie ook 6.2.6.21 Heffingskortingen als middel.

Zie voor meer uitgebreide informatie de relevante paragrafen in dit hoofdstuk.

6.2.6.1                             Heffingskortingen

De algemene heffingskorting geldt voor alle klanten. Bovenop de algemene heffingskorting kunnen ook nog één of meer heffingskortingen komen. Voor de klanten van de Dienst Werk en Inkomen hangt dat af van hun persoonlijke situatie.

Een voorbeeld: klanten van 65 jaar en ouder hebben een lagere heffingskorting. Dit komt omdat zij vrijgesteld zijn voor de AOW-premieheffing.

Let op: het totale bedrag aan heffingskortingen kan nooit hoger zijn dan het bedrag dat een klant aan belasting moet betalen.

Hieronder staat een overzicht van de heffingskortingen die via de loonbelasting lopen. Hun verzamelnaam is de loonheffingskorting (LHK):

* Soms wordt de algemene heffingskorting niet via de loonheffing verrekend
** In bijzondere situaties, bijvoorbeeld bij Alfahulpen, kan de arbeidskorting via de voorlopige aanslag lopen.

De heffingskortingen die via een voorlopige aanslag rechtstreeks door de Belastingdienst worden uitbetaald, zijn:

6.2.6.2                             Overzicht van de heffingskortingen

De actuele bedragen van heffingskortingen vind je op intranet onder mijnwerk→systemen→NUS-OP→uitkeringsnormen→heffingskortingen.

6.2.6.3                             Algemene heffingskorting (AHK)

Elke belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting (AHK). De werkgever of uitkerende instantie verrekent de AHK met de verschuldigde loonbelasting.

6.2.6.3.1                             Algemene heffingskorting minstverdienende partner (AHKmp)

Partners met weinig of geen inkomen
(echt)paren waarbij één van de twee partners naast de uitkering ook nog een inkomen heeft uit loon of een andere uitkering, dan heeft de ander recht op de algemene heffingskorting minst verdienende partner. Deze heffingskorting wordt door de Belastingdienst rechtstreeks aan de partner uitbetaald.

Werkt of gaat één van beide partners werken dan bestaat recht op de AHKmp als het belastbaar inkomen van de minst verdienende partner minder dan € 6.420 per jaar (gemiddeld € 535 per maand) bedraagt. De partner is geboren voor 1-1-1972 of na 31-12-1971 en er is een inwonend kind dat op 31-12-2010 jonger is dan 6 jaar.

Gaat het om een jongere minstverdienende partner dan bestaat recht als het belastbaar inkomen van de minst verdienende partner minder dan € 5.076 per jaar (gemiddeld € 423 per maand) bedraagt. De partner is geboren na 31-12-1971 en er is geen inwonend kind dat op 31-12-2010 jonger is dan 6 jaar.

Toepassing in de praktijk
Er is recht op een voorlopige aanslag van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner met alleen bijstand als de netto WWB-uitkering voor die partner lager is dan ongeveer € 488 gemiddeld per maand.

Let op: een bijstandsuitkering moet je voor gelijke delen aan elk van beide partners toerekenen.

Voorbeeld:

WWB-gehuwdennorm

€ 1.000,-

af: WAO klant

€    600,-

netto WWB-uitkering

€    400,-

Het inkomen van de klant bedraagt:

 € 600,- + € 200,- (de helft van € 400,-) = € 800,-.

Het WWB-inkomen dat aan de partner wordt toegerekend, bedraagt:

 € 200,- (de helft van € 400,-).

De partner moet dus een verzoek voorlopige aanslag algemene heffingskorting minst verdienende partner indienen. Hij geeft daarbij zijn geschatte jaarinkomen op. Als dat moeilijk is te schatten, bijvoorbeeld omdat de inkomsten van de klant of de partner onregelmatig zijn, kan de teruggaaf na afloop van het jaar via een T-biljet worden aangevraagd. Bewaak dit wel.

6.2.6.4                             Arbeidskorting (AK)

Doel van de arbeidskorting is om betaald werk aantrekkelijker te maken. De arbeidskorting is bestemd voor werkenden in loondienst en voor zelfstandigen. De hoogte van de arbeidskorting is afhankelijk van het totale bedrag aan inkomsten uit huidige arbeid.

6.2.6.5                             Ouderenkorting (OK)

Mensen van 65 jaar of ouder, komen in aanmerking voor de ouderenkorting. Op welk moment in het jaar een klant jarig is, doet er niet toe. Ook als de klant bijvoorbeeld in het begin van het jaar 65 wordt, dan heeft hij toch over dat hele jaar recht op de ouderenkorting.

6.2.6.6                           Alleenstaande ouderenkorting

De alleenstaande ouderenkorting komt in 2006 in de plaats van de aanvullende ouderenkorting. Voor deze korting geldt in tegenstelling tot de aanvullende ouderenkorting geen maximum inkomensgrens. Iemand heeft recht op de alleenstaande ouderenkorting als hij recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaande of alleenstaande ouder.

6.2.6.7                           Jonggehandicaptenkorting

Jongeren met een Wajonguitkering komen in aanmerking voor een jonggehandicaptenkorting. De instelling die de Wajonguitkering uitbetaalt, geeft een extra aftrek op de in te houden loonheffing. Hierdoor gaat de netto uitkering omhoog.
Deze korting is geen middel in de zin van de WWB.

6.2.6.8                             Kindgebonden budget

Het kindgebonden budget is een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van kind(eren). Vanaf 2009 vervangt het kindgebonden budget de kindertoeslag. De kinderbijslag blijft gewoon bestaan.

Als klant kinderen heeft onder de 18 jaar, kan hij misschien een kindgebonden budget krijgen. Klant krijgt in ieder geval kinderbijslag. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van:

Het kindgebonden budget is geen middel in de zin van de WWB.
Het kindgebonden budget kan worden aangevraagd via www.toeslagen.nl/aanvragen.

6.2.6.9                         Alleenstaande-ouderkorting (AOK)

In 2011 zijn de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting samengevoegd. Deze heffingskorting heet voortaan de alleenstaande-ouderkorting en bestaat uit één bedrag
Een klant kan voor de alleenstaande-ouderkorting in aanmerking komen onder de volgende voorwaarden:

N.B: een alleenstaande ouder die inwoont bij de ouders of een kamer huurt, heeft alleen recht op de alleenstaande ouderkorting als hij/zij beschikt over een eigen keuken en eigen badkamer.

Wat wil zeggen een kind “in belangrijke mate onderhouden”?

Wanneer kan een kind in zijn eigen levensonderhoud voorzien?

De hoogte van de alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 947,00 in 2012. Dit bedrag wordt vermeerderd met 4,3% van het verdiende inkomen maar maximaal met € 1.319,00 per jaar als het te onderhouden kind op 1 januari 2012 nog geen 16 jaar is.

Als het jongste kind nog geen 5 jaar is, is het inkomensafhankelijke deel van de  alleenstaande-ouderkorting geen middel in de zin van de WWB. In andere gevallen is het wel een middel en moet je het korten op de uitkering.

Gezien deze voorwaarden hebben vrijwel alle (werkende) alleenstaande ouders met een uitkering van de Dienst Werk en Inkomen recht op de alleenstaande-ouderkorting. Zie voor uitzonderingsgevallen 6.2.6.20 Consequenties van definitieverschillen.
De AOK is een middel voor de WWB, en wordt gekort op de uitkering.

Let op: de alleenstaande-ouderkorting wordt vrijwel altijd volledig uitbetaald (zie hiervoor ook bij “indikken” in hoofdstuk 6.2.6.17 Uitbetaling voorlopige aanslag heffingskortingen). Als kinderalimentatie een substantieel deel van het inkomen uitmaakt, is minder belasting verschuldigd, en kan het bedrag van de alleenstaande ouderkorting lager uitvallen. Dit kan ook het geval zijn als de alleenstaande ouder naast de bijstand inkomen uit arbeid heeft en hierdoor eventueel de inkomensafhankelijke combinatiekorting ontvangt. De lagere alleenstaande ouderkorting wordt op de uitkering in mindering gebracht.

6.2.6.10                            Aanvullende alleenstaande-ouderkorting (AnAOK)

In 2011 zijn de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting samengevoegd. Deze heffingskorting heet voortaan de alleenstaande-ouderkorting en bestaat uit één bedrag. Zie verder onder paragraaf 6.2.6.9 Alleenstaande-ouderkorting (AOK).

6.2.6.11 Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Ouder(s) met een jong kind krijgen de inkomensafhankelijke combinatiekorting als zij met inkomen uit werk of winst uit onderneming in hun bestaan voorzien. Het maakt niet uit of de ouder alleenstaand is of niet.

De voorwaarden zijn:
Het inkomen moet inclusief vakantietoeslag hoger zijn dan € 4.814 per jaar = € 407,17 per maand. Dit kan zijn winst uit onderneming, loon of resultaat uit (overige) werkzaamheden;
in het kalenderjaar maakt het kind ten minste 6 maanden deel uit van het huishouden;
op 1 januari van het kalenderjaar is het kind jonger dan 12 jaar;
het kind staat al die tijd op hetzelfde adres ingeschreven.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt maximaal € 2.133 in 2012. De korting bestaat uit een basisbedrag van € 1.024 bij een inkomen van minimaal € 4.814 en een percentage van 4% van het inkomen boven € 4.814.

Gezien deze voorwaarden hebben alle alleenstaande ouders met inkomsten uit loon, winst uit onderneming of resultaat uit werkzaamheden recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Voor echtparen geldt dat als de inkomsten uit loon, winst uit onderneming of resultaat uit werkzaamheden ontvangen van beiden even hoog zijn, de oudste belastingplichtige recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Zijn beide inkomsten niet even hoog, dan heeft de minst verdienende partner recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Als het jongste kind nog geen 5 jaar is, is bij alleenstaande ouders de inkomensafhankelijke combinatiekorting geen middel in de zin van de WWB. In andere gevallen is het wel een middel en moet het gekort worden.
Als het kind overlijdt in het kalenderjaar en het daardoor niet 6 maanden op het adres van de ouder(s) staat ingeschreven, wordt m.b.t. tot dat jaar wel aan de termijn voldaan,

6.2.6.12                         Verrekening van heffingskortingen met loonbelasting

Met het formulier ‘Opgaaf gegevens voor de loonheffingen’, zie 6.2.6.31 Overige regelingen vraagt een klant om de loonheffingskorting bij de werkgever of andere uitkerende instantie toe te passen. De werkgever of andere uitkerende instantie verwerkt de loonheffingskorting zodat de klant het juiste netto inkomen krijgt.
Het formulier ‘Opgaaf gegevens voor de loonheffingen’, zie 6.2.6.31 Overige regelingen blijft geldig tot het moment dat klant een nieuwe invult. Dit gebeurt als zijn omstandigheden gewijzigd zijn.

Alleen bijstand
Als een klant uitsluitend bijstand ontvangt, verrekent de Dienst Werk en Inkomen de loonheffingskorting bij de afdracht aan de Belastingdienst na afloop van het jaar. De Dienst Werk en Inkomen functioneert in deze situatie als “werkgever”.

Inkomsten naast de bijstandsuitkering
Als een klant bijstand ontvangt, als aanvulling op eigen (loon)inkomsten of een andere uitkering, dan moet de loonheffingskorting (LHK) eerst bij de werkgever of andere uitkeringsinstantie te gelde worden gemaakt. Kan de LHK niet volledig op dat inkomen worden toegepast, dan wordt de resterende LHK op de bijstandsuitkering te gelde gemaakt.

6.2.6.13                             Toepassing van de loonheffingskorting

De gang van zaken bij de toepassing van loonheffingskorting is als volgt:

 Oplossing

De inkomstenspecificatie
Op de inkomstenspecificatie van de klant staat in de meeste gevallen of de loonheffingskorting is gebruikt. Achter de rubriek “loonheffingskorting” staat dan een “1” of een “J” vermeld.

Staat op de inkomstenspecificatie geen rubriek “loonheffingskorting” vermeld, handel dan als volgt:

6.2.6.14                             Aanvragen heffingskortingen via voorlopige aanslag

Met het formulier Verzoek of wijziging voorlopige aanslag kunnen de relevante heffingskortingen worden aangevraagd. Dit formulier moet ook gebruikt worden als er wijzigingen in de woon-, leef- en inkomstensituatie van klant optreden die gevolgen hebben op de voorlopige aanslag.

Teruggaaf kan ook na afloop van het jaar. Kijk voor het krijgen van heffingskortingen via een T-biljet bij 6.3.6.25 T-biljet.

6.2.6.14.1 Fiscaal partnerschap 2011

Sinds 1 januari 2011 gelden de volgende regels voor fiscaal partnerschap. Fiscaal partnerschap is belangrijk voor het aanvragen van heffingskortingen.
Als er namelijk niet sprake is van fiscaal partnerschap, bestaat er geen recht op de algemene heffingskorting minstverdienende partner.
Ongehuwd samenwonenden zijn fiscale partners als aan 1 of meer van de volgende voorwaarden is voldaan:

Gehuwden of geregistreerde partners zijn altijd fiscale partners.
Partners die duurzaam gescheiden leven
Als partners duurzaam gescheiden leven, zijn zij fiscale partners tot het moment dat er een verzoek tot scheiding of scheiding van tafel en bed is ingediend bij de rechter en partners niet meer samen op hetzelfde adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Wordt een dergelijk verzoek niet ingediend, dan kan dat in de volgende situaties gevolgen hebben voor het recht op heffingskortingen.
1. de alleenstaande ouder met thuiswonende kinderen had in 2010 recht op de alleenstaande ouderkorting of de aanvullende alleenstaande ouderkorting. Vanaf 1 januari 2011 bestaat hierop geen recht meer omdat er sprake is van fiscaal partnerschap.
2. de alleenstaande ouder met thuiswonende kinderen had in 2010 recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Vanaf 1 januari 2011 bestaat alleen recht op deze korting als het inkomen in 2011 lager is dan het inkomen van de fiscale partner.

6.2.6.14.2 Afwijzing voorlopige aanslag door de Belastingdienst

Heeft klant één of meer heffingskortingen aangevraagd en er blijkt geen recht te bestaan, dan ontvangt klant geen bericht (afwijzingsbeschikking) van de Belastingdienst.   

6.2.6.15                             Klanten met recht op voorlopige aanslag

Klanten die recht hebben op één of meer heffingskortingen via een voorlopige aanslag zijn:

6.2.6.16                            Werkwijze Belastingdienst

Voor het verkrijgen van een voorlopige aanslag heffingskortingen, hanteert de Belastingdienst voortaan onderstaande werkwijze:

Ontving klant in 2009 een voorlopige teruggaaf en heeft hij in 2010 weer recht op deze voorlopige aanslag, dan ontvangt hij een beschikking voorlopige aanslag 2010 die gebaseerd is op de voorlopige teruggaaf 2009 en overige gegevens die bij de Belastingdienst bekend zijn. 

Wijziging of stopzetting van de voorlopige aanslag moet worden doorgegeven aan de Belastingdienst met formulier Verzoek of wijziging voorlopige aanslag en de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam.

De afdeling Functioneel Beheer ontvangt in januari 2006 net als voorheen van de Belastingdienst een bestand met alle toegekende heffingskortingen. Deze heffingskortingen werden centraal ingevoerd.

Als uit bestandsvergelijking blijkt dat klanten die recht hebben op één of meer heffingskortingen, deze kortingen niet hebben aangevraagd, gebeurt het volgende:

6.2.6.17                             Uitbetaling voorlopige aanslag heffingskortingen

De Belastingdienst verwerkt de aanvragen voor voorlopige aanslag binnen14 dagen. Toekenning van de voorlopige aanslag is periodiek. Deze begint in de kalendermaand die volgt op de datum van de aanvraag.

Voorbeeld:
Als de voorlopige aanslag voor 30 november is aangevraagd, betaalt de Belastingdienst voor het eerst uit op 15 januari en vervolgens in maandelijkse termijnen.

Uitzondering bij maandelijkse betaling
Als het totaalbedrag van de voorlopige aanslag minder is dan € 23,- per maand, betaalt de Belastingdienst dit in één keer uit; in de regel in januari. Zulke bedragen hebben meestal betrekking op de algemene heffingskorting van de minstverdienende partner.

De Belastingdienst betaalt uit in hele euro’s. Daardoor kunnen de bedragen per maand één euro hoger of lager zijn.
De Dienst Werk en Inkomen verrekent tot na de komma. De Dienst Werk en Inkomen deelt het totale jaarrecht door 12 en brengt dit in mindering op de uitkering>.

De uitbetaling van de voorlopige aanslag ziet er als volgt uit:

Aanvraag heffingskortingen ingediend voor 1 december 2005

Klant ontvangt in 2006 met ingang van 15 januari maandelijks 1/12 gedeelte

Aanvraag heffingskortingen ingediend tussen 1 januari 2005 en 1 december 2005

Klant ontvangt in 2005 vanaf de maand na het indienen van de aanvraag maandelijks de heffingskortingen. Door de uitbetaling later in het jaar, wordt het hele jaarrecht over het restant van het kalenderjaar gemiddeld. Dit leidt uiteraard tot een hoger maandbedrag (zgn. indikken).

Klant kan de Belastingdienst ook verzoeken de heffingskortingen in één keer uit te betalen. Dit verzoek om uitbetaling in één keer doet hij aan de Belastingdienst in Amsterdam.

Aanvraag heffingskortingen ingediend na 1 december 2005

Na 1 december 2005 wikkelt de Belastingdienst geen aanvragen over het lopende jaar meer af. In dat geval kan de belastingplichtige alleen nog  een T-biljet indienen.

Voorbeeld van “indikken”

Gegeven situatie:
Met ingang van 1 januari 2008 bestaat er recht op een voorlopige aanslag voor een bedrag van € 100,- per maand. Het jaarrecht is € 1200,-. Aanvraag voorlopige aanslag is ingediend in mei 2008.

Uitbetaling:
Vanaf juni 2008 is de maandelijkse uitbetaling € 100,- + het bedrag over januari t/m mei verdeeld over de resterende 7 maanden (€ 500,- : 7 = € 71,43) is € 171,43.

6.2.6.17.1 Rangorde heffingskortingen

Om te voorkomen dat de belastingplichtige heffingskortingen 'misloopt', is een bepaalde rangorde aangebracht waarbij de loonheffingskortingen voor gaan op de heffingskortingen die via een voorlopige aanslag worden ontvangen.

De rangorde heffingskortingen is als volgt:

Loonheffingskortingen :

- de arbeidskorting
- de algemene heffingskorting
- de ouderenkorting/jonggehandicaptenkorting
- de alleenstaande ouderenkorting

Heffingskortingen via een voorlopige aanslag:

- arbeidskorting*
- inkomensafhankelijke combinatiekorting
- alleenstaande ouderkorting
- algemene heffingskorting minst-verdienende partner

* in uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld bij alphahulpen, kan de arbeidskorting via de voorlopige aanslaglopen.

Let op: de heffingskortingen worden vergolden met het bedrag dat klant aan belasting moet betalen. Is de te betalen belasting laag dan kan het voorkomen dat heffingskortingen die laag op de rangorde staan niet volledig kunnen worden vergolden.

6.2.6.18                             Persoonsgebonden aftrek

De Belastingdienst specificeert in de beschikking de soort heffingskortingen met de bedragen. Ook staat in de beschikking de toegekende persoonsgebonden aftrek in één bedrag, met een verdeling over de boxen. Persoonsgebonden aftrekposten zijn vooral vergoeding voor bijzondere ziektekosten en kosten eigen woning.

De Dienst Werk en Inkomen rekent alleen tot de middelen de teruggave van aftrekposten waarvoor bijzondere bijstand is verleend (artikel 31 lid 2 onder f WWB).

6.2.6.19                             Verschillen in definitie tussen belasting en bijstand

Bij het vaststellen van recht op heffingskortingen kijk je eerst naar de persoonlijke situatie van de klant. De Belastingdienst hanteert lang niet altijd dezelfde definities als de WWB en de Dienst Werk en Inkomen. Vooral de begrippen “partner” en “alleenstaande ouder” kunnen verschillen.

Het begrip partner
Mensen die duurzaam gescheiden leven, zijn voor de belasting en de bijstand geen partners.

De Belastingdienst en de Dienst Werk en Inkomen zijn gelijkluidend in hun definitie over partners als:

In de Wet werk en bijstand zijn ongehuwden elkaars partner vanaf het moment dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Dit geldt voor:

Let op: als er sprake is van “zorgbehoefte” is er geen bijzonder partnerschap tussen broer/zus enz.

Voor de belastingwetgeving zijn ongehuwden elkaars partner zodra zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

Partners die aan deze voorwaarden voldoen, moeten elk nieuw belastingjaar steeds opnieuw hun uitdrukkelijke partnerkeuze bevestigen bij de Belastingdienst met de Aangifte inkomstenbelasting of een Verzoek om voorlopige teruggaaf.

Partnerschap en bloedverwanten in eerste en tweede graad
De WWB sluit bloedverwanten in de eerste graad (ouder/kind) uit van het partnerschap.

Nieuw in de WWB is dat ook bloedverwanten in de tweede graad (broer/zus, broers, zussen, grootouder, kleinkind) uitgesloten zijn van partnerschap als er sprake is van zorgbehoefte (artikel 4 lid b). De Belastingdienst merkt ze wel aan als partners.

De belastingwetgeving beschouwt ouders en kinderen als partners onder de voorwaarde dat het kind op 1 januari van het betreffende kalenderjaar 27 jaar of ouder is.

Alleenstaande ouder
De alleenstaande ouder is in de definitie van de Wet werk en bijstand een ouder die in zijn eentje zorgt voor een kind dat jonger is dan 18 jaar waarvoor aanspraak op kinderbijslag bestaat.

Volgens de belastingwetgeving moet de belastingplichtige in het kalenderjaar meer dan zes maanden:

Als dit het geval is, valt de belastingplichtige voor het hele kalenderjaar onder de fiscale wetgeving voor de alleenstaande ouder.

Samenvatting
Samenvattend zijn de volgende zaken op een rij:

Let op: bij de uitleg aan klanten over hun mogelijke rechten op de heffingskortingen moet je uitgaan van de Belastingwetgeving en niet van de Wet werk en bijstand.

6.2.6.20                            Consequenties van definitieverschillen

Verschillen in definities laten in onderstaande voorbeelden zien waartoe dat kan leiden.

Voorbeelden:
Situatie 1         vrouw + kind zijn door man verlaten op 1 maart 2005;
Fiscaal            alleenstaande ouder over héél 2005;
WWB               alleenstaande ouder vanaf 1 maart 2005.

Situatie 2         vrouw + kind zijn door man verlaten op 1 okt. 2005;
Fiscaal            géén alleenstaande ouder in 2005; wel in 2006
WWB               alleenstaande ouder vanaf 1 oktober 2005.

Situatie 3         alleenstaande krijgt kind op 1 maart 2005;
Fiscaal            alleenstaande ouder over héél 2005;
WWB               alleenstaande ouder vanaf 1 maart 2005, tot die tijd alleenstaande.

Situatie 4         alleenstaande ouder is per 1 okt. 2005 alleenstaande; kind gaat uit huis
Fiscaal            alleenstaande ouder over héél 2005;
WWB              alleenstaande ouder tot 1 okt. 2005, vanaf die datum alleenstaande.

Situatie 5:        moeder woont het hele jaar 2005 samen met haar zoon van 24, zijn moeder onderhoudt hem in belangrijke mate;
Fiscaal            moeder aangemerkt als alleenstaande ouder over héél 2005;
WWB              moeder als alleenstaande aangemerkt over héél 2005.

Situatie 6         alleenstaande ouder woont in bij een derde en heeft geen eigen opgang, geen eigen keuken enz.
Fiscaal            geen alleenstaande ouder;
WWB              eventueel aangemerkt als alleenstaande ouder.

Situatie 7         vrouw met jonge kinderen woont samen met niet rechthebbende partner
Fiscaal            geen alleenstaande ouder;
WWB              aangemerkt als alleenstaande ouder.

Situatie 8         man is in detentie, vrouw heeft jonge kinderen
Fiscaal            vrouw geen alleenstaande ouder, tenzij duidelijk is dat het huwelijk duurzaam ontwricht is;
WWB              vrouw aangemerkt als alleenstaande ouder.

6.2.6.21                             Heffingskorting als middel

Heffingskortingen zijn middelen in de Wet Werk en Bijstand als ze voldoen aan de omschrijvingen uit hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (artikel 31 WWB). Als de klant dus beschikt over middelen (of redelijkerwijs kan beschikken), houd je bij de vaststelling van de hoogte van de bijstandsuitkering hier rekening mee; ongeacht de wijze van uitbetalen.

Heffingskorting (als middelen in de WWB) verrekenen
De Dienst Werk en Inkomen brengt de voorlopige aanslag altijd als netto inkomsten in mindering op de uitkering. Je rekent het toe aan de maand waarop de aanslag betrekking heeft. Houd bij het verrekenen met de bijstandsuitkering rekening met het volgende:

Uitzonderingen: geen middelen in de WWB
Geen middelen in de zin van de WWB zijn:

Let op: vanaf de eerste dag ná de maand waarin het jongste kind 5 jaar wordt, worden de hierbovengenoemde kortingen wel als middel aangemerkt. Vanaf die maand moet je ze als inkomen korten. Om de korting tijdig in te voeren ontvangt het Werkplein een signaal van ICT – Functioneel Beheer.

Als een uitkering stopt omdat de klant aan het werk gaat, kan er voor (alleenstaande) ouders recht op het inkomensafhankelijke deel van de alleenstaande ouderkorting en/of inkomensafhankelijke combinatiekorting ontstaan. Deze heffingskortingen spelen geen rol als middel over de daarvoor liggende bijstandsperiode.

6.2.6.22                             Minstverdienende partner verblijft in buitenland

De gehuwde klant met een partner die in het buitenland zit, kan voor die partner de algemene heffingskorting minstverdienende partner aanvragen. Bij toekenning door de Belastingdienst ontvangt de klant het bedrag van de heffingskorting op zijn of haar bankrekening. Deze heffingskorting is geen middel in de zin van de WWB.

6.2.6.23                             Aanvragen heffingskortingen

Niet verplicht in de belastingwetgeving
Volgens de belastingwetgeving is een klant niet verplicht een heefingskortingen aan te vragen. Dat kan ook na afloop van een kalenderjaar met een T-biljet.

Wel verplicht in de WWB
De Wet Werk en Bijstand verplicht de Dienst Werk en Inkomen wel het bedrag aan heffingskorting in mindering te brengen op de uitkering.
Weigert de klant de heffingskorting(en) aan te vragen via voorlopige aanslag of T-biljet, dan breng je het bedrag aan mogelijke heffingskorting toch op de uitkering in mindering, of je vordert het terug. Het gaat immers om middelen waarover een klant redelijkerwijs kan beschikken (Artikel 31. Middelen WWB).

6.2.6.24                            Niet opgeven van ontvangen heffingskortingen

Als een klant de ontvangen gelden van de Belastingdienst niet meldt aan de Dienst Werk en Inkomen, voldoet hij niet aan de inlichtingenplicht. Dan handel je volgens de regels in hoofdstuk 8. Afstemming WWB / IOAW / IOAZ / WWIK. Teveel betaalde bijstand verreken je of vorder je terug.

6.2.6.25                             T-biljet

Er zijn situaties waarbij de klant niet het volledige recht op heffingskorting via een voorlopige aanslag te gelde heeft gemaakt. In dat geval kan de klant het niet benutte deel van deze heffingskortingen met een T-biljet bij de Belastingdienst terugvragen.

Een paar voorbeelden:

Heffingskortingen die via een T-biljet terugkomen, zijn een middel op grond van de WWB. Omdat deze inkomsten het vorig jaar betreffen, reken je deze inkomsten toe aan die periode en vorder ze daarna terug.

6.2.6.26        Aangiften en aanslagen

De Belastingdienst verstuurt in de tweede helft van het jaar aangiften en definitieve aanslagen. Een aanslag kan voorlopig of definitief zijn. Een aanslag kan betekenen dat de belastingbetaler een bedrag terugkrijgt of dat hij moet bijbetalen.

Als de klant zelf zijn aangiftebiljet heeft ingevuld, dan ontvangt hij een voorlopige aanslag. In een later stadium krijgt hij een definitieve aanslag. Neem bij een voorlopige aanslag direct actie. Wacht een definitieve aanslag niet af.

6.2.6.27  Gevolgen van een aanslag

Klant moet bijbetalen
Heffingskortingen waar een klant achteraf gezien geen recht op blijkt te hebben, moet de klant terugbetalen aan de Belastingdienst. Hiervoor geldt geen aanslaggrens. Bij terugbetaling van loonheffingskortingen geldt een aanslaggrens van € 43,- (bedrag 2009).

Klant krijgt geld terug van de belasting
Als een klant geld terugkrijgt van de Belastingdienst, heeft hij te veel bijstand ontvangen, tenzij sprake is van teruggave voor kosten waarvoor geen bijstand is verleend, zoals bijvoorbeeld bijzondere ziektekosten.

Bij belastingteruggave gaat het om de vraag of een klant nog een uitkering krijgt:

6.2.6.28   Heffingsrente

Bij een aanslag zit altijd heffingsrente. Als een klant moet bijbetalen, rekent de Belastingdienst heffingsrente. Krijgt de klant geld terug, dan verhoogt de belasting het bedrag met rente.

Ontvangen rente is een middel in de zin van de WWB, als deze rente betrekking heeft op de heffingskortingen die eerder ook als middel zijn aangemerkt.

DWI vergoedt de te betalen heffingsrente als de dienst de aanslag ook vergoedt.

6.2.6.29   Gevolgen van een te betalen aanslag

Als DWI algemene bijstand verleent voor het betalen van een aanslag, kan dat gevolgen hebben voor inkomensafhankelijke regelingen, zoals bijvoorbeeld huursubsidie. Het gevolg is namelijk dat het belastbaar inkomen stijgt.

Als een klant belasting moet betalen, onderzoek je eerst wat de aanleiding van de aanslag is, en of DWI de aanslag moet betalen. Je verwijst niet standaard voor kwijtschelding naar de Belastingdienst. Onderzoek of:

Als samenwonenden niet hebben gekozen voor fiscaal partnerschap(tot en met 2010 kon men nog kiezen voor fiscaalpartnerschap, vanaf 2011 niet meer), en de klant komt bij DWI met een aanslag van de Belastingdienst, controleer dan of de partner misschien een teruggave van belasting heeft ontvangen. Houd dan rekening met het eventueel toekennen van bijstand. Bij het onderzoek heb je nodig:

Wanneer de aanslag niet terecht lijkt te zijn, kan de klant bezwaar maken. Daarop verleent de Belastingdienst meestal uitstel van betaling.

Bij een aanvraag van de klant voor het betalen van een aanslag gebruik je het formulier BK/WKT (F.109). Voor een eventuele toekenning of afwijzing gebruik je respectievelijk de labels 0085 en1040.

6.2.6.30   Voorbeelden

Hieronder staat uitleg over de vraag of DWI een aanslag al dan niet moet betalen.

De klant moet de ten onrechte ontvangen alleenstaande ouderkorting terugbetalen.
De alleenstaande ouderkorting is gekort op de uitkering.

Geef de gekorte alleenstaande ouderkorting aan de klant terug. Hiertoe verwijder je de betreffende inkomstencomponent over de te restitueren periode. Na opnieuw bereken maakt Socrates een nabetaling aan.

>De klant moet de ten onrechte ontvangen alleenstaande ouderkorting terugbetalen.
De alleenstaande ouderkorting is niet gekort op de uitkering.

De klant moet de aanslag zelf betalen. Eventueel afstemmen van de bijstand wegens het overtreden van de inlichtingenplicht wegens verzwegen inkomsten (zie ook hoofdstuk
8. Afstemming WWB / IOAW / IOAZ / WWIK
).

Als de klant tijdelijk werkt, kan er in verhouding teveel arbeidskorting benut worden bij het loon (de AK is immers op jaarbasis berekend; de Dienst Werk en Inkomen heeft teveel loon gekort, dus minder uitkering verstrekt).

De sociale dienst moet de aanslag betalen.

6.2.6.31    Overige regelingen

DWI voert naast de Wet Werk en Bijstand nog een aantal andere regelingen uit. In deze paragraaf staan de gevolgen van het nieuwe belastingstelsel voor die andere regelingen.

IOAW en IOAZ

De IOAW en de IOAZ zijn bruto uitkeringen. De WWB is een netto uitkering. De belastingwetgeving heeft daarom ook een ander effect. Gevolg is dat de heffingskortingen in het bruto-netto traject zitten. De voorlopige teruggaven zijn daarom geen middelen. Je brengt ze dus niet in mindering op de IOAW of IOAZ-uitkering .

Aandachtspunten bij de IOAW en IOAZ:

Samenloop IOAW en IOAZ met WAO
De IOAW of IOAZ zijn vaak een aanvulling op een gedeeltelijke WAO-uitkering. Let op dat het niet mogelijk is de onbenutte algemene heffingskorting in het bruteringsproces van de WWB te gebruiken.

 De IOAW/IOAZ en de WAO zijn twee losstaande inkomstenbronnen:

Loonbelastingverklaring IOAW en IOAZ
Voor nieuwe klanten geldt het volgende:

WWB – EV
De WWB-EV uitkering (persoonlijke toelage) is onbelast. Recht op heffingskortingen hangt samen met de plicht tot het betalen van belasting. Als de klant geen belasting hoeft te betalen, bestaat er ook geen recht op heffingskortingen. Klanten met WWB-EV hebben daarom geen recht op heffingskortingen.

Een klant kan overgaan van de WWB naar de WWB-EV. Afhankelijk van het moment van overgang bestaat er (nog) recht op heffingskortingen. Bestaat er geen recht, maar is de voorlopige aanslag (nog) niet afgerond, dan loopt de verrekening met de bijstand door. Als de klant naderhand de heffingskorting moet terugbetalen, kun je hiervoor bijstand verlenen.

Geldlening, krediethypotheek en pandrecht
Als het inkomen van een klant uitsluitend bestaat uit bijstand in de vorm van een geldlening, al of niet als krediethypotheek of pandrecht, is hij geen belasting verschuldigd, en heeft hij dus ook geen recht op heffingskortingen.

Als een klant bijstand krijgt in de vorm van een lening als aanvulling op ander inkomen, dan hangt het af van de aard en van de hoogte van dat inkomen of die klant in aanmerking komt voor één of meer heffingskortingen.

6.2.6.32   Aandachtspunten

Draagkracht bijzondere bijstand
Als een niet-klant bijzondere bijstand aanvraagt, onderzoek je of hij recht heeft op heffingskortingen. Houd bij de draagkrachtberekening rekening met het recht op heffingskortingen, ook al heeft de niet-klant deze niet aangevraagd.

Doorbetaling aan derden
>DWI betaalt voor sommige klanten huur en/of de energierekening. Dit bedrag gaat af van de uitkering. Met het verrekenen van de heffingskortingen kan de uitkering te laag zin om deze betalingen voort te zetten. Staak dan deze betalingen aan derden.

Vordering Belastingdienst
Als de Belastingdienst een vordering heeft op een klant, kan de Belastingdienst dit verrekenen met de voorlopige aanslag. Bij de verrekening wordt rekening gehouden met de beslagvrije voet. Breng desondanks het totale bedrag van de heffingskortingen in mindering op de uitkering van de klant, als het tenminste middelen zijn in de zin van de WWB.

Je mag het ingevoerde bedrag niet wijzigen. Roep in zo’n geval de klant op. Leg aan de hand van de beschikking van de Belastingdienst uit wat er aan de hand is.

Beëindiging van de uitkering
Als een uitkering stopt omdat de klant aan het werk gaat, kan er voor (alleenstaande) ouders recht op het inkomensafhankelijke deel van de alleenstaande ouderkorting en/of de inkomensafhankelijke combinatiekorting ontstaan. Deze heffingskortingen spelen geen rol als middel over de daarvoor liggende bijstandsperiode.

 Voorlopige aanslag is vatbaar voor beslag
Een voorlopige aanslag is vatbaar voor beslag. De Belastingdienst kan besluiten een belastingsschuld te verrekenen met de teruggaaf die aan iemand is toegekend. De belastingschuld en de teruggaaf worden dan, voor zover mogelijk, tegen elkaar weggestreept. Een belastingschuldige kan ook zelf om verrekening vragen.

Als dat gebeurt zal de klant een lager bedrag aan heffingskortingen ontvangen.
Toch moet de volledige teruggave gekort worden als het een middel is. Dus ook dat gedeelte dat onder het beslag valt. Neem de beschikking voorlopige aanslag als leidraad.

6.2.6.33   Terugvordering en terugvorderingsgronden

De Wet Werk en Bijstand verplicht DWI het bedrag aan mogelijke heffingskorting in mindering te brengen op de uitkering. Heffingskortingen zijn een middel waarover een klant redelijkerwijs kan beschikken (artikel 31 WWB).

Uitzonderingen hierop zijn:

Terugvorderingsgronden
Klanten die recht hebben op een heffingskorting moeten een voorlopige aanslag aanvragen. Zodra ze deze ontvangen moeten ze dat opgeven aan DWI. Als deze heffingskortingen middelen zijn in de zin van de WWB, past DWI een korting toe op de uitkering.

Dit uitgangspunt kan tot de volgende terugvorderingsgronden leiden:

6.2.6.34                    Verrekening met de uitkering

Verrekening met de uitkering heeft de voorkeur boven terugvordering, en gaat op basis van Artikel 58. Bevoegdheid terugvordering, lid 3 WWB:

6.2.6.35                   Informatieverstrekking door de Belastingdienst

De Belastingdienst helpt met het beantwoorden van vragen over de heffingskortingen. Dat doen ze alleen onder de nadrukkelijke, volgende afspraken:

Voor algemene vragen over belastingen: telefoon 0800 – 0543 of www.belastingdienst.nl

6.2.6.36                             Invulinstructie Verzoek of wijziging voorlopige aanslag 2011

Nieuwe klanten kunnen het formulier voorlopige aanslag bestellen via telefoonnummer 0800-0543.
Dit formulier bestaat uit verschillende formulierbladen. Klanten van DWI hoeven alleen de onderstaande formulierbladen in te vullen:

Formulierblad 1:

Formulierblad 2:

Formulierblad 3:

Formulierenblad 5:

* als klant kinderalimentatie ontvangt, moet deze op de bijstand in mindering worden gebracht

6.2.6.37 Tabel belastbaar inkomen 2011

Als een klant alleen bijstand krijgt, maak dan gebruik van de volgende tabel.

personen van 21 jaar of ouder maar jonger dan 65 jaar

belastbaar inkomen

gehuwden, beide echtgenoten jonger dan 65 jaar, per partner

 

- met woonkosten (100% uitkering)

  €  9.860

- met gedeelde woonkosten (90% uitkering)

  €   8.390

- zonder woonkosten (80% uitkering)

  €  7.090

alleenstaande ouder

 

- met woonkosten (90% uitkering)

 € 18.900(a)

- met gedeelde woonkosten (80% uitkering)   zonder AOK 17.490

 € 16.265(a)

- zonder woonkosten (70% uitkering)              zonder AOK 14.890

 € 13.630(a)

alleenstaande

 

- met woonkosten

 € 15.140(b)

- met gedeelde woonkosten

 € 12.500

- zonder woonkosten

 €   9.860

personen jonger dan 21 jaar met een of meer ten laste komende kinderen

 

gehuwden, één partner < 21 jaar; per partner

€   8.040

gehuwden, beide partners < 21 jaar; per partner

€   4.560**

alleenstaande ouder

€   6.380***

personen jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende
kinderen

 

gehuwden, één partner < 21 jaar; per partner

€   5.620**

gehuwden, beide partners < 21 jaar; per partner

€   2.890**

alleenstaande 18, 19 of 20 jaar

€   2.890**

**) Het inkomen is niet toereikend om de algemene heffingskorting volledig te vergelden.
***) Het inkomen is niet toereikend om de alleenstaande ouderkorting volledig te vergelden.
 

(a) In dit bedrag is al rekening gehouden met de volledig gekorte alleenstaande ouderkorting

(b) In dit bedrag is geen rekening gehouden met de volledig gekorte alleenstaande ouderkorting

6.2.6.38                            Vragen en antwoorden over heffingskortingen

Kun je aan de heffingskorting die je krijgt, zien of personen gekozen hebben een gezamenlijke huishouding te vormen? Bijvoorbeeld bij het eventueel vaststellen van gezamenlijke huishouding bij broer/zus.

Dit hangt van een aantal factoren af. Ontvangen ze beiden alleen bijstand, dan maak je de algemene heffingskorting te gelde via de loonbelasting en is er geen sprake van een voorlopige aanslag. Heeft een van beiden verdiensten, waardoor de ander de AHK via een voorlopige aanslag ontvangt, dan wijst dit op een gezamenlijke huishouding.

Alleenstaande ouderkorting. Hoe zit het als het kind in de gevangenis komt, of uit huis geplaatst wordt in een jeugdinrichting?

Als een kind uit huis geplaatst wordt of in detentie raakt, moet je kijken of de klant nog voldoet aan de zes-maandeneis.

Moet een alleenstaande ouder onafgebroken 6 maanden aan de voorwaarden voldoen?

Nee, de voorwaarde luidt “die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een huishouding voert met een kind dat in belangrijke mate wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens enz”. De eis van “ten minste zes maanden onafgebroken een huishouding vormen” geldt uitsluitend voor de partnerkeuze en bij de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de weinig of niet-verdienende partner.

Komen co-ouders beiden in aanmerking voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting, ook als niet gedurende zes maanden een kind in de Gemeentelijke Basisadministratie is ingeschreven op het adres van de co-ouder?

Beide ouders hebben recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting als zij met werk meer dan € 4.762 verdienen of recht hebben op de zelfstandigenaftrek. Een (van de) kind(eren) moet op 1 januari jonger zijn dan 12 jaar. Alléén voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor co-ouders een uitzondering: het kind hoeft niet op het woonadres van de ouder in de GBA te zijn ingeschreven.

5. De niet- of minstverdienende partner kan een voorlopige aanslag krijgen voor (o.m.) de algemene heffingskorting. Bestaat er een onderscheid tussen gehuwden en samenwonenden bij een dergelijke voorlopige aanslag?
Er is een onderscheid. De regeling voor de voorlopige aanslag geldt voor fiscale partners. Gehuwden zijn fiscaal altijd partners
 
Het fiscaal partnerschap voor samenwonenden is per 1-1-2011 veranderd. Samenwonende zonder samenlevingscontract kunnen dan niet meer voor fiscaal partnerschap kiezen.
Fiscaal partnerschap geldt wel voor:



6.3                  Vermogen

Kort gezegd is vermogen: bezittingen minus schulden.

De WWB verstaat onder vermogen:

6.3.1                             Vermogensvrijlating

Voor alle bijstandsgerechtigden geldt een vrijlating voor een deel van het vermogen.

Los van de bovenstaande vrijlating geldt voor vermogen in een eigen woning, woonschip of woonwagen een vrijlating van € 46.900,- (bedrag geldt voor 2011).

6.3.2                             Bezittingen

Onder bezittingen verstaat de WWB: al het aanwezige geld (contanten, spaargeld, obligaties, vorderingen enz.) en alle aanwezige roerende en onroerende zaken. Het gaat daarbij om de feitelijk aanwezige bezittingen, en om bezittingen waarover klant redelijkerwijs kan beschikken.

6.3.3                             Schulden

Een schuld is een negatieve vermogenscomponent als:

Zo telt bijvoorbeeld een WSF-schuld niet mee omdat de terugbetaling niet vaststaat. Als de klant langere tijd een minimuminkomen heeft, wordt de studieschuld namelijk kwijtgescholden. Let op: een vordering bij de DWI is ook een schuld.

6.3.4                             Wel of geen vermogen

Bezittingen die naar aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn en noodzakelijke spullen zijn geen vermogen. Kijk voor de bepaling van de noodzaak naar de omstandigheden van het gezin. Let daarbij op de individuele omstandigheden. Het belang van deze bezittingen voor de klant of diens gezin kan daarbij een rol spelen: bijvoorbeeld ouderen, gezinnen met jonge kinderen, enz.

Voorzieningen in verband met invaliditeit maken bijvoorbeeld een (duurdere) auto noodzakelijk voor het invalidenvervoer.

De wetgever heeft bewust geen opsomming gegeven van goederen. Gemeenten kunnen dat zelf invullen. Het Amsterdamse beleid staat hieronder. Wat telt wel, en wat telt juist niet mee voor de vaststelling van vermogen? De wetgever heeft bewust geen opsomming gegeven van goederen. Gemeenten kunnen dat zelf invullen. Het Amsterdamse beleid staat hieronder. Wat telt wel, en wat telt juist niet mee voor de vaststelling van vermogen? Onderstaand beleid dat is beschreven in 6.3.4.1 Auto, boot, caravan en tuinhuisje en 6.3.4.2 Luxe huisraad, sieraden, kunst en verzamelingen is van toepassing op klanten die na 4 mei 2007 een beroep hebben gedaan op de WWB. Voor klanten die vóór deze datum recht hebben gekregen op de WWB blijft het oude beleid van kracht. Dit oude beleid hield in dat een bij bezit van een auto, boot, caravan of tuinhuisje een waarde tot € 6.800,-, vrij bleef en alleen het meerdere als vermogen in aanmerking werd genomen. Bij combinatie van zulke bezittingen moest naar bevind van zaken worden gehandeld, rekening houdend met individuele omstandigheden.

6.3.4.1                             Auto, boot, caravan en tuinhuisje

Als een klant bij aanvang van de bijstand één van deze goederen in eigendom heeft en deze goederen niet als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt (zie 6.4.4 Einde bijstand in de vorm van geldlening), dan wordt een waarde tot € 3.500,- als algemeen gebruikelijk bezit aangemerkt, en laat je het tot dit bedrag vrij.

Het wordt iets anders als er sprake is van een combinatie van zulke bezittingen. Het vrijlatingsbedrag van € 3.500,- geldt namelijk slechts eenmalig.

Wanneer een klant lopende de bijstand de beschikking krijgt over een dergelijk goed en hij heeft dat niet uit het al bestaande vrij te laten vermogen bekostigd, is dit te zien als een vermogenstoeval (of eventueel inkomen). Je neemt dan de hele waarde van het toegevallen vermogen (of inkomen) in beschouwing. Voorbeeld: de klant heeft de beschikking gekregen over een auto van € 5.000, zonder dat hiervoor het bescheiden vermogen is aangewend of een reële lening is afgesloten. Er is kennelijk sprake van en gift. De auto is ook niet door een werkgever in verband met een dienstverband beschikbaar gesteld. Het vermogen is dan met € 5.000 toegenomen.

De auto
Bij de waardebepaling van een auto kijk je naar:

Als blijkt dat de waarde van de auto niet boven de € 3.500,- ligt, laat je de auto verder buiten beschouwing. Is die hoger, dan kun je eventueel via een dealer de precieze waarde bepalen.

Als de auto meer waard is dan € 3.500,-, neem je dit meerdere mee in de berekening van het vermogen.

Boten, caravans en tuinhuisjes
Voor boten, caravans en tuinhuisjes bestaan helaas geen prijzenboekjes. Het is daarom lastiger om de waarde te bepalen. De waardegrens is voor deze zaken ook € 6.800,-. Bij combinatie van bezit van deze zaken (en een auto) houd je slechts eenmaal rekening met een vrijlating van € 3.500,-.

Zie: http://www.anwb.nl/auto/dagwaarde/zoek/autokoers.jsf

6.3.4.2                             Luxe huisraad, sieraden, kunst en verzamelingen

Bij deze bezittingen geldt dat een waarde tot € 2.000,- als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Dit vrijlatingsbedrag geldt eenmalig. Als een klant zowel luxe huisraad als sieraden heeft, blijft het vrijlatingsbedrag dus € 2.000,-.
Het is vaak lastig om de waarde van deze bezittingen te bepalen en ook om te bepalen of iets ‘luxe’ is. Vaak zal dus uitgegaan moeten worden van de opgave van de klant zelf. Handel in redelijkheid en houdt rekening met bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de gevoelswaarde van erfstukken en geschenken.

Voor de waardevaststelling van deze bezittingen kan de hulp worden ingeroepen van de Bank van Lening, waar specialisten werken voor de waardevaststelling van onder andere kunst en sieraden.

6.3.4.3                             Spaargelden opgebouwd tijdens de bijstandsperiode

Tijdens de bijstandsperiode gespaard geld, merk je niet aan als vermogen. Het tijdens de bijstandsperiode gespaarde bedrag blijft dus volledig buiten de beoordeling van de hoogte van het vermogen; ook als het boven de vrijlatingsgrens uitkomt.

6.3.4.4                             Aandelen en obligaties

Als aandelen of obligaties in waarde stijgen tijdens de bijstandsperiode, heeft de klant koerswinst. Koerswinst neem je in aanmerking als vermogen. Als het vermogen daarmee boven de vrijlatingsgrens komt, beëindig je de uitkering. Aandelen en obligaties kan de klant namelijk te gelde maken. Voor lease-aandelen geldt dit niet zonder meer. Een lease-contract heeft een vaste looptijd en een klant kan dit meestal niet tussentijds beëindigden.

Een klant met aandelen- of obligaties moet jaarlijks een opgave van de waarden overleggen.

6.3.4.5                             Afkoopwaarde van koopsompolis, levensverzekering

De afkoopwaarde van financiële producten die niet zijn opgebouwd tijdens de bijstandsperiode, valt onder middelen waarover klant redelijkerwijs kan beschikken. Het gaat om de volgende financiële producten:

Dat de afkoopwaarde lager is dan de inleg is niet relevant.

De klant hoeft deze middelen niet te gelde te maken als de verkoopprijs niet leidt tot overschrijding van de vrijlatingsgrens.

In sommige gevallen wordt het pensioen in één keer uitgekeerd. De Sociale Verzekeringsbank bijvoorbeeld stelt een grens aan het jaarlijks te verstrekken pensioen van ongeveer € 365. Heeft betrokkene recht op een pensioen van bijvoorbeeld € 190 per jaar, dan wordt het pensioen afgekocht. Omdat betrokkene hierin geen stem heeft en het afkoopbedrag meer op een schadeloosstelling lijkt, wordt het bedrag niet verrekend met de uitkering maar tot het vermogen gerekend.

6.3.4.5.1 Afkoop pensioenreserveringen van ex-zelfstandigen

Mensen in loondienst hebben vaak een verplichte pensioenopbouw via de werkgever bij een bedrijfspensioenfonds (naast de AOW wordt dit wel de '2e pijler' van de oudedagsvoorziening genoemd). Zo’n pensioenreservering via de werkgever is niet afkoopbaar. De klant kan hier niet in redelijkheid over beschikken en wordt daarom niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.
Zelfstandigen nemen niet deel aan een verplichte pensioenopbouw. Zij moeten voor hun pensioenopbouw zelf reserveren in de zogenaamde 3e pijler (via vrijwillige pensioenverzekeringen, al dan niet met lijfrenteclausules). Dit is wel afkoopbaar en de ex-zelfstandige kan hier in principe over beschikken. Het kan echter onredelijke gevolgen hebben als de ex-zelfstandige zijn oudedagvoorziening gedeeltelijk moet opeten. Er moet per individueel geval bekeken en bepaald worden of en in hoeverre de aanwezige pensioenreservering buiten beschouwing wordt gelaten. Voor deze beoordeling moet je vaststellen wat de daadwerkelijke afkoopwaarde van het opgebouwde pensioen is en in hoeverre die afkoopwaarde te verenigen is met bijstandsverlening. Op grond van oude Kroonjurisprudentie (LJN AY3565 en LJN AO9283) wordt 60% van het totaal bedrag vrijgelaten.

Voorbeeld: een 61-jarige onderneemster heeft haar bedrijf verkocht en is vervolgens in tijdelijke dienst getreden bij de nieuwe eigenaar. Zij is daar twee jaar werkzaam geweest. Ze heeft onvoldoende lang gewerkt om in aansluiting op haar basis WW-uitkering van 3 maanden in aanmerking te komen voor een inkomensvoorziening oudere werklozen, ze voldoet immers niet aan de jareneis en komt niet in aanmerking voor een verlenging van de WW-uitkering. Ze komt ook niet in aanmerking voor IOAZ omdat ze haar bedrijf niet heeft beëindigd in verband met onvoldoende inkomsten en in dat kader ook geen aanvraag heeft gedaan voor deze inkomensvoorziening gewezen zelfstandigen.
De onderneemster beschikt over een vermogen van ongeveer € 30.000 (afkoopwaarde van de pensioenvoorziening).
De beoordeling van de bijstandsaanvraag is dan als volgt: van de € 30.000 wordt eerst 60% van € 30.000 euro = € 18.000 vrijgelaten. Blijft over € 12.000 -/- € 5.555 (vrijlatingsgrens alleenstaande) = € 6.445. Dit betekent, dat zij eerst € 6.445 euro moet interen.

6.3.4.6                             Vermogen bestemd voor begrafeniskosten

Begrafenisverzekeringen zijn niet afkoopbaar, zodat een klant niet over dat geld kan beschikken. Ook andere vormen van vermogen kunnen bestemd zijn voor begrafeniskosten. Maar dan moet wel vaststaan dat het gereserveerde bedrag uitsluitend beschikbaar komt bij overlijden. Contant geld, een banktegoed of spaargeld voor dit doel blijft niet buiten beschouwing.

6.3.4.7                             Uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade

Immateriële schade
Tegoeden uit uitkeringen en vergoedingen voor immateriële schade merk je niet aan als vermogen, en trouwens ook niet als inkomen (zie 6.2.1.7 Uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade). Je laat een vergoeding voor immateriële schade vrij tot een bedrag van € 45.378,-.

Materiële schade
Voor vergoeding voor materiële schade is nog geen beleid.

In individuele gevallen kan er reden zijn een uitkering of vergoeding voor materiële schade wel als vermogen in aanmerking te nemen. Dat is bijvoorbeeld zo als de klant het ontvangen bedrag niet gebruikt om de schade of het verlies te herstellen.

Vaak is de schadevergoeding voor materiële én immateriële schade één bedrag. Als je weet uit welke componenten dat bedrag precies bestaat is er geen probleem. Vaak is zo'n bedrag een afkoopsom voor alle geleden schade. In die gevallen handel je naar bevind van zaken.

Rente over tegoeden van uitkeringen en schadevergoedingen laat je alleen vrij als het tegoed onder de vrijlatingsgrens blijft. Anders is de rente inkomen (zie 6.2.1.5 Rente over vermogen en spaargeld).
Het gedeelte van de immateriële of materiële schadevergoeding dat niet vrijgelaten kan worden moet als vermogenstoename worden aangemerkt. Als hierdoor het restant van het maximaal vrij te laten bescheiden vermogen wordt overschreden, moet het recht op voortzetting van de bijstand worden beoordeeld (zie 6.3.6.3 Gevolgen van mutaties voor het recht op bijstand).

6.3.4.8                             Onroerende zaken, woonschepen en woonwagens

Het bezit van een woning, woonschip of woonwagen waarin de klant zelf woont, hoeft geen belemmering te zijn om bijstand te verlenen.

Eigen woning en bijstandverlening:

Zie voor de uitwerking 6.4 Eigen woning, krediethypotheek en pandrecht. Bovenstaande vrijlating van vermogen in de eigen woning staat los van de aanwezigheid en vrijlating van overig vermogen.

Een huis in het buitenland
Geeft klant bij de aanvraag aan een huis in eigendom in het buitenland te bezitten, dan moet in ieder geval worden overgelegd:

Daarnaast eventueel:

De klant dient er voor te zorgen dat alle stukken worden vertaald in het Nederlands door een beëdigde vertaler. De kosten komen voor zijn rekening.

Er kunnen zich 2 situaties voordoen:
1. Er bestaat (nog) onduidelijkheid over de hoogte van het vermogen (bijv. omdat er nog geen betrouwbaar taxatierapport is).
2. Het vermogen is bekend en is hoger dan het vrij te laten vermogen, maar het vermogen is nog niet beschikbaar (huis moet nog verkocht worden).

In situatie 1 wordt een hersteltermijn gegeven en op grond van artikel 52 WWB voorschotten verstrekt. Bij twijfel aan de betrouwbaarheid van bewijsstukken moet de klant helderheid verschaffen. Als de klant buiten zijn eigen toedoen deze helderheid niet kan verkrijgen, bijvoorbeeld omdat de buitenlandse instantie de informatie niet verstrekt, dan ligt het voor de hand een onderzoek te laten verrichten door het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF).

Aanvragen voor deze onderzoeken kunnen alleen worden ingediend met het formulier “Aanvraag rechtmatigheidsonderzoek in … “. Het formulier kun je opvragen via de Helpdesk, telefoonnummer (020) 7524851 en (020) 752 4175 of via de mail IBF@uwv.nl.  

Indien na maximaal 6 maanden geen duidelijkheid is ontstaan, dan wordt de aanvraag afgewezen wegens het schenden van de inlichtingenplicht en de voorschotten teruggevorderd.

In situatie 2 wordt de bijstand verstrekt als geldlening op grond van art. 48 lid 2 onder a WWB. Aan de bijstandsverlening wordt de voorwaarde verbonden (art. 55 WWB) dat binnen 6 maanden de woning verkocht moet worden. Gebeurt dit niet dan wordt de bijstand beëindigd en de reeds verstrekte bijstand teruggevorderd.

6.3.4.9                             Spaarrekening van kinderen

Tot het vermogen hoort ook vermogen van kinderen die tot het gezin horen.
Maar het komt voor dat op naam van een kind een spaarrekening met een zogenaamde BEM-clausule is geopend. Het geld op zo’n rekening kan afkomstig zijn uit bijvoorbeeld schadevergoeding (slachtoffer geweldsdelict of verkeersslachtoffer), gift (bijvoorbeeld van een grootouder) of erfenis. De BEM-clausule houdt in dat gedurende de minderjarigheid van het kind de hoofdsom wordt geblokkeerd en alleen de rente kan worden opgenomen.
De ouder(s) hebben een machtiging van de kantonrechter nodig om over de goederen van de minderjarige te beschikken. Een gemeente kan een bijstandsgerechtigde ouder in het kader van de WWB verplichten een dergelijke machtiging aan te vragen. Of die machtiging wordt afgegeven is een afweging en beslissing van de kantonrechter. De kantonrechter zal de individuele omstandigheden en belangen van het minderjarige kind toetsen en daarin maatwerk verlenen. Als de kantonrechter geen machtiging afgeeft, dan moet de gemeente het vermogen van het kind buiten beschouwing laten. In dat geval kan namelijk niet redelijkerwijs over het vermogen worden beschikt en wordt op grond van de WWB het vermogen niet in aanmerking genomen.
De klant moet aan DWI opgeven dat een of meer kinderen beschikken over een rekening met BEM-clausule. Als het feitelijke, totale gezinsvermogen positief is en het bedrag van de vermogenstoename (de spaarrekening met de BEM-clausule) ertoe leidt dat de vrijlatingsgrens wordt overschreden, dan wordt de bijstand voortgezet onder de voorwaarde dat de ouder(s) een procedure bij de kantonrechter starten teneinde opheffing van de blokkade te verzoeken. Zodra de opheffing van de blokkade een feit is wordt de bijstand beëindigd (zie 6.3.6.3 Gevolgen van mutaties voor het recht op bijstand).

6.3.5                             Niet-rechthebbende echtgenoot en co-ouder

Het vermogen van een niet-rechthebbende echtgenoot telt volledig mee bij de toets van het gezamenlijk vermogen.

De grens van het vrij te laten vermogen van een klant die co-ouder is hangt af van het aantal hele dagen per week waarop hij de zorg heeft over zijn kind(eren).

Net als bij het bepalen van de bijstandsnorm verhoog je de vrijlatingsgrens voor een alleenstaande naar rato (x/7) met het verschil tussen die grens en de vrijlatingsgrens voor een alleenstaande ouder.

Rekenvoorbeeld co-ouder
Een klant zorgt 2 dagen per week voor zijn kind.

Vrijlatingsgrens voor een alleenstaande

€   5.480

Vrijlatingsgrens voor een alleenstaande ouder

€ 10.960

Verschil

€   5.480

2/7 van dit verschil

€   1.566

Vrijlatingsgrens voor deze co-ouder

€   7.046

6.3.6                             Vaststelling van het vermogen

Deze paragraaf gaat over:

6.3.6.1                             Vermogensvaststelling bij aanvang

Vermogen
Bijstand verlenen is mogelijk als het vermogen van de klant lager is dan de vermogensvrijlating. Als het vermogen hoger is, wijs je de aanvraag af.
Als peildatum geldt de ingangsdatum van de bijstand. Meestal is dat de meldingsdatum bij het UWV/WERKbedrijf.

Voor bepaling van het vermogen bij aanvang van de bijstandsverlening houd je rekening met een bedrag voor levensonderhoud (maandnorm inclusief toeslag en vt) voor de eerste maand na aanvang. Ook als het vermogen bij aanvang al negatief is. In de toekenningsbeschikking vermeld je op welk bedrag het vermogen is vastgesteld. Dit kan ook een negatief bedrag zijn.

Vermogensvrijlating
De hoogte van het vermogen is bij een positief vermogen bepalend voor de resterende vermogensvrijlating. Een negatief vermogen verhoogt de vrijlatingsgrens niet.
Bijvoorbeeld:

6.3.6.2                             Mutaties in het vermogen tijdens de bijstandsperiode

In de WWB staan de bedragen voor vermogensvrijlating. Deze bedragen kun je slechts één keer benutten.

Als een klant gelden aan zijn vermogen onttrekt of schulden maakt, leidt dat niet tot een nieuwe vaststelling van de hoogte van het vermogen, of ruimte in de vermogensvrijlating.

Je onderneemt pas actie bij een positieve vermogensmutatie:

Handel bij positieve vermogensmutatie als volgt:

Een vermogenstoename moet door de klant worden opgegeven, maar kan bij onderzoek ook blijken uit gewijzigde omstandigheden: bijvoorbeeld uit het feit dat de klant de beschikking heeft gekregen over een hoog banksaldo of een waardevolle bezitting, zoals een auto, terwijl daar eerder geen sprake van was. In zo’n geval is van belang om vast te stellen wat de omvang is geweest van de vermogenstoename. Hierbij reken je van nieuw verkregen goederen de hele waarde mee.

6.3.6.3                             Gevolgen van mutaties voor het recht op bijstand

Als de vermogensvrijlating eenmaal is verbruikt, kan het bij een positieve vermogensmutatie betekenen dat de klant moet gaan interen.

Hoe bepaal je of iemand daadwerkelijk moet interen?

Het bedrag dat de klant moet interen, is het bedrag dat hij verwerft dat groter is dan de vermogensvrijlating, maar niet meer dan het bedrag aan feitelijk positief vermogen dat op dat moment aanwezig is.

Bij interen op vermogen is besteding van 1 ½ maal de toepasselijke bijstandsnorm aanvaardbaar.

Let op: bij een positieve vermogensmutatie geldt de vermogensgrens die op dat moment geldt.

6.3.6.4                             Verzwegen vermogen

Bij constatering van verzwegen vermogen gaat de DWI eerst over tot beëindiging, en dan vervolgens tot intrekking en terugvordering van de verstrekte bijstand, over die periode dat er sprake is van een vermogen boven het vrij te laten bescheiden vermogen. Het moment dat aantoonbaar gemaakt worden dat er sprake is van verzwegen vermogen boven de vermogensgrens, is de begindatum van de intrekkingsperiode. Vervolgens zal DWI de verstrekte bijstand van de klant terugvorderen, over de periode van intrekking.

Onevenredigheid bij terugvordering
Dat het simpelweg intrekken en terugvorderen van de verstrekte bijstand wegens verzwegen vermogen tot onevenredige gevolgen kan leiden, heeft de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 21 april 2009 (LJN: BH9423) onderkend. Ter illustratie het volgende:

Een klant heeft gedurende een periode van één jaar verzwegen de beschikking te hebben over een vermogen, dat € 2.000,- boven het vrij te laten vermogen ligt. Na de constatering van het verzwegen vermogen, wordt het recht op bijstand over het gehele jaar ingetrokken, wegens schending van de inlichtingenverplichting en resulteert dit in een terugvordering van € 16.000,- bruto over een periode van één jaar.

In bovengenoemde situatie is het zo dat een verzwegen vermogen van € 2.000,- resulteert in een terugvordering van € 16.000,- De CRvB heeft dan ook geconcludeerd dat in dergelijke situaties het vastgestelde terugvorderingsbedrag wegens strijd het evenredigheidsbeginsel geen stand kan houden. De CRvB zegt dat intrekking en terugvordering als gevolg van verzwegen vermogen geoorloofd zijn, maar dat de terugvordering eventueel gematigd zou kunnen worden.

Bepaling van de matiging van de terugvordering De CRvB overweegt met het oog op het uiteindelijk vast te stellen terugvorderingsbedrag dat volgens bepaalde uitgangspunten de vaststelling dient te geschieden.

            1. Daadwerkelijke overschrijding vermogensgrens
            Bij het begin van periode van intrekking dient de overschrijding van de (toenmalige) vermogensgrens als basis genomen te worden.

            2. Theoretische periode intrekking
            Aan de hand van de overschrijding dient de theoretische periode te worden vastgesteld dat betrokkene geen recht op bijstand zou hebben gehad. Hierbij geldt een interingsnorm van 1 maal de bijstandsnorm en niet 1½ maal de bijstandsnorm. De verstrekte bijstand over deze theoretische periode is ten onrechte verstrekt.

            3. Eventuele rente-inkomsten uit overschreden vermogensgrens
            De eventuele (rente-)inkomsten die voortkomen uit het vermogen boven de vermogensgrens gedurende de gehele periode van intrekking, dienen eveneens in als middelen in aanmerking genomen en teruggevorderd te worden.

            4. Brutering
            Er is sprake van schending van de inlichtingenverplichting, waardoor de ten onrechte verstrekte bijstand kan worden gebruteerd.

Ter illustratie, het volgende:
Dezelfde situatie als op de vorige pagina.
Op basis van de € 2.000,- vermogensoverschrijding wordt vastgesteld dat de klant gedurende twee maanden zelf in het levensonderhoud had kunnen voorzien en zou theoretisch geen recht hebben op bijstand. De klant ontvangt een maandelijkse rente van € 10,- uit de vermogensoverschrijding. Over de resterende 10 maanden dat klant theoretisch wel  recht zou hebben, wordt € 10,- eveneens teruggevorderd. Dit resulteert in een terugvordering van
€ 2.100,- netto wegens verstrekte bijstand. In verband met teveel afgedragen loonheffing, komt het bedrag terugvordering – na jaarsluiting – neer op € 3.200,- bruto.

Nieuwe handelwijze, ingeval verzwegen vermogen
De huidige handelwijze van intrekking en terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand over de periode dat het verzwegen vermogen de vermogensgrens overschreed, blijft gehandhaafd. Daarna zal een extra handeling plaats moeten gaan vinden van matiging van de terugvordering, door het vorderingsbedrag definitief vast te stellen aan de hand van:

6.3.6.5 Voorbeelden van vermogensvrijlating

De bedragen in de voorbeelden zijn van 2003.

Voorbeeld 1

Vrijlatingsgrens bij aanvang bijstand €  9.950,-
vermogen bij aanvang bijstand  €  8.500,-
vermogensvrijlating bij aanvang bijstand €  1.450,-
klant ontvangt een erfenis van €  5.000,-
vermogen bij aanvang was €  8.500,-
feitelijk vermogen komt daarmee op €13.500,-
restant vermogensvrijlating komt op €    0,- 

want de vrijlating bij aanvang ad € 1.450,- wordt verminderd met de vermogenstoename van € 5.000,- maar kan niet lager zijn dan nul.

Conclusie
Het recht op bijstand eindigt. De klant moet € 3.550,- interen.

Door de toename van het vermogen met € 5.000,- is de resterende vermogensvrijlating van € 1.450,- met € 3.550,- overschreden. Het positieve vermogen van € 13.500,- laat voldoende ruimte om die € 3.550,- ook daadwerkelijk in te teren.

Voorbeeld 1a
Gelijk aan voorbeeld 1, maar tussen aanvang bijstand en moment van de erfenis is er een nieuwe schuld ontstaan van € 8.000,-:

Vrijlatingsgrens bij aanvang bijstand €  9.950,-
vermogen bij aanvang bijstand €  8.500,-
vermogensvrijlating bij aanvang bijstand €  1.450,-
   
klant ontvangt een erfenis van €  5.000,-
nieuw ontstane schuld €  8.000,- negatief
vermogen bij aanvang was €  8.500,-
feitelijk vermogen komt daarmee op €  5.500,-

restant vermogensvrijlating komt op € 0 want de vrijlating bij aanvang ad € 1.450,- wordt verminderd met de vermogenstoename van € 5.000,- maar kan niet lager zijn dan nul.

Conclusie
Het recht op bijstand eindigt. De klant moet € 3.550,- interen.

Door de toename van het vermogen met € 5.000,- is de resterende vermogensvrijlating van € 1.450,- met € 3.550,- overschreden. Het positieve vermogen van € 5.500,- laat voldoende ruimte om die € 3.550,- ook daadwerkelijk in te teren.

Voorbeeld 2

Vrijlatingsgrens bij aanvang bijstand €  9.950,-
vermogen bij aanvang bijstand  €  9.000,- negatief
vermogensvrijlating bij aanvang bijstand €  9.950,-
   
klant ontvangt een erfenis van  €  5.000,-
vermogen bij aanvang bijstand was €  9.000,- negatief
feitelijk vermogen komt daarmee op  €  4.000,- negatief

restant vermogensvrijlating komt op €  4.950,- want de vrijlating bij aanvang ad € 9.950,- wordt verminderd met de vermogenstoename van € 5.000,-.

Conclusie
Het recht op bijstand blijft bestaan, de klant hoeft niet in te teren.

Er resteert nog een vermogensvrijlating van € 4.950,- en daarbij is het vermogen negatief.

Voorbeeld 3

Vrijlatingsgrens bij aanvang bijstand €  9.950,-
vermogen bij aanvang bijstand €  4.000,- negatief
vermogensvrijlating bij aanvang bijstand €  9.950,-
   
klant ontvangt een loterijprijs van € 11.000,-
nieuw ontstane schuld €   1.000,- negatief
vermogen bij aanvang bijstand was €   4.000,- negatief
feitelijk vermogen komt daarmee op €   6.000,-

restant vermogensvrijlating komt op € 0,-  want de vrijlating bij aanvang ad € 9.950,- wordt verminderd met de vermogenstoename van

 € 11.000,- maar kan niet lager zijn dan nul.

Conclusie
Het recht op bijstand wordt beëindigd. De klant moet € 1.050,- interen. Door de toename van het vermogen met € 11.000,- is de resterende vermogensvrijlating van € 9.950,- met € 1.050,- overschreden. Het positieve vermogen van € 6.000,- laat voldoende ruimte om die € 1.050,- ook daadwerkelijk in te teren.

Voorbeeld 3a

Vrijlatingsgrens bij aanvang bijstand €   9.950,-
vermogen bij aanvang bijstand € 14.000,- negatief
vermogensvrijlating bij aanvang bijstand €   9.950,-
   
klant ontvangt een loterijprijs van €  30.000,-
vermogen bij aanvang bijstand was €  14.000,- negatief
feitelijk vermogen komt daarmee op €  16.000,-

restant vermogensvrijlating komt op € 0,-  want de vrijlating bij aanvang ad € 9.950,- wordt verminderd met de vermogenstoename van

€ 30.000,- maar kan niet lager zijn dan nul.

Conclusie
Het recht op bijstand wordt beëindigd. Door de toename van het vermogen met € 30.000,- is de resterende vermogensvrijlating van € 9.950,- met € 20.050,- overschreden. Het positieve vermogen van € 16.000,- laat te weinig ruimte om die € 20.050,- ook daadwerkelijk in te teren. Klant moet € 16.000,- interen.

Voorbeeld 3b
Gelijk aan voorbeeld 3a, maar tussen aanvang bijstand en het winnen van de loterijprijs is er een nieuwe schuld ontstaan van € 10.000,-.

Vrijlatingsgrens bij aanvang bijstand €   9.950,-
vermogen bij aanvang bijstand € 14.000,- negatief
vermogensvrijlating bij aanvang bijstand €   9.950,-
   
klant ontvangt een loterijprijs van €  30.000,-
nieuw ontstane schuld €  10.000,- negatief
vermogen bij aanvang bijstand was €  14.000,- negatief
feitelijk vermogen komt daarmee op   €    6.000,-

restant vermogensvrijlating komt op € 0,- want de vrijlating bij aanvang ad € 9.950,- wordt verminderd met de vermogenstoename van

€ 30.000,- maar kan niet lager zijn dan nul.

Conclusie
Het recht op bijstand wordt beëindigd. Door de toename van het vermogen met € 30.000,- is de resterende vermogensvrijlating van € 9.950,- met € 20.050,- overschreden. Het positieve vermogen van € 6.000,- laat te weinig ruimte om die € 20.050,- ook daadwerkelijk in te teren. De klant moet € 6.000,- interen.

Voorbeeld 4

Vrijlatingsgrens bij aanvang bijstand €  9.950,-
vermogen bij aanvang bijstand €  5.000,- negatief
vermogensvrijlating bij aanvang bijstand €  9.950,-
   
klant ontvangt een erfenis van €  9.950,-
nieuw ontstane schuld €  2.000,- negatief
vermogen bij aanvang bijstand was €  5.000,- negatief
feitelijk vermogen komt daarmee op  €  2.950,-

restant vermogensvrijlating komt op € 0,- want de vrijlating bij aanvang ad € 9.950,- wordt verminderd met de vermogenstoename van € 9.950,-.

Conclusie
Het recht op bijstand blijft bestaan, er hoeft niet te worden ingeteerd.

Door de toename van het vermogen met € 9.950,- is de resterende vermogensvrijlating van € 9.950,- niet overschreden.

Toetsen aan actuele vrijlatingsgrens WWB
De in de WWB genoemde vrijlatingsgrenzen worden jaarlijks geïndexeerd. Als vermogen van een klant toeneemt (zoals beschreven in de voorbeelden hierboven) toets je de bedragen die op dat moment gelden.

Hieronder een voorbeeld.

Voorbeeld 5

Vrijlatingsgrens bij aanvang bijstand €   9.950,-
vermogen bij aanvang bijstand €   5.000,-
vermogensvrijlating bij aanvang bijstand €   4.950,-
   
klant ontvangt een erfenis van €   5.500,-
vermogen bij aanvang was  €   5.000,-
feitelijk vermogen komt daarmee op € 10.500,-
vrijlatingsgrens door indexatie gestegen naar € 11.000,-

restant vermogensvrijlating komt op € 500,- want je toetst aan de actuele vrijlatingsgrens

Conclusie
Het recht op bijstand blijft bestaan. De vermogenstoename van € 5.500,- overschrijdt wel de resterende vermogensvrijlating bij aanvang ad € 4.950,- maar niet de resterende vermogensvrijlating van € 4.950,- + de indexering van de vrijlatingsgrens met € 1.050,-.

6.3.6.6 Vermogensvrijlating bij normwijziging

De wijze waarop bij wijzigingen in de gezinssamenstelling het vermogen en het restant vrij te laten vermogen vastgesteld moet worden, is niet in de WWB geregeld. Een redelijke oplossing wordt bereikt door in dat geval de vermogensvrijlating als volgt vast te stellen. Uitgangspunt is hierbij de stelregel “eens vrijgelaten, blijft vrijgelaten” (zolang de bijstand doorloopt).

Als de nieuwe partner ook een bijstandsuitkering heeft, dan wordt niet het feitelijk vermogen meegenomen, maar worden de gegevens over het vermogen bij aanvang van de bijstandverlening en de vermogenstoevallen in de loop van de tijd van beide partners samengevoegd. Als hierdoor het maximum bedrag van de vermogensvrijlating wordt overschreden, wordt geen verplichte intering van vermogen opgelegd aangezien er geen sprake is van een feitelijke vermogenstoename op dat moment (eens vrijgelaten blijft vrijgelaten).

Het grensbedrag van de maximale vermogensvrijlating wordt vanaf de wijzigingsdatum verlaagd naar het grensbedrag voor een alleenstaande. Als het eerder vastgestelde vermogen van de ouder hoger is dan het grensbedrag voor een alleenstaande, dan wordt geen verplichte intering van vermogen opgelegd, aangezien er geen sprake is van een feitelijke vermogenstoename op dat moment (eens vrijgelaten blijft vrijgelaten).


6.4                  Eigen woning, krediethypotheek en pandrecht

Ook een eigenaar van een woning kan bijstand krijgen als hij of zijn gezin zelf in dat huis woont. Een woning kan een woonpand zijn met bijbehorende opstallen en grond. De grond kan ook in erfpacht zijn uitgegeven door de gemeente; de eigenaar van de woning betaalt dan erfpacht (een soort doorlopende huur) aan de gemeente voor de grond. In hoofdstuk 6.4.2 Appartementsrecht en bijzondere situaties staan bijzondere situaties van woningeigendom. De WWB verstaat onder een woning ook een woonwagen of woonschip.

Het is niet altijd redelijk van de eigenaar te eisen dat hij de woning moet verkopen (te gelde maakt), of dat hij een (extra) hypothecaire lening op de woning moet afsluiten bij een bank of verzekeraar.

Deze regels gelden ook voor de inkomensvoorziening WIJ, maar niet  voor uitkeringen op grond van de IOAW, IOAZ en het BBZ. Ook bij de WWIK-uitkering gelden andere regels bij eigen woningbezit.

6.4.1                         Gemeentelijk beleid bij eigen woning

Bij leenbijstand is de klant verplicht zekerheid te verschaffen. Dat kan door het vestigen van een krediethypotheek, of een pandrecht.

De gemeentelijke Beleidsregels inkomensvoorziening WWB, IOAW, IOAZ en WWIKregelt:

Voordat je bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt, moet je eerst nagaan of vestiging van krediethypotheek of pandrecht mogelijk is.

Hierbij onderzoek je het volgende:

6.4.1.1                             Waardevaststelling eigen woning

Bij de waardevaststelling van de eigen woning gaat het om de waarde van de eigen woning, verminderd met de daarop rustende (hypothecaire) schuld(en), waarmee de woning is gefinancierd. Voor de vaststelling van de waarde kan gebruik gemaakt worden van de WOZ-waardebeschikking die in het kader van de Wet waardering onroerende zaken in 2005 aan de eigenaar is uitgereikt of van een recent taxatierapport van maximaal 1 jaar oud.

Het staat de klant overigens altijd vrij de woning door een taxateur te laten taxeren. De kosten zijn dan echter voor de klant. Spreek in dit laatste geval met de taxateur een termijn van tien werkdagen af voor de taxatie in verband met de beslistermijn van acht weken.

Maak aan de hand van het taxatierapport of de WOZ-waardebeschikking een berekening van het vermogen in de woning, en pas de vrijlating toe. Neem daarna het besluit of je de bijstand als geldlening verstrekt. Bijstand voor taxatiekosten valt ook onder de geldlening.

6.4.1.2                             Wanneer is krediethypotheek of pandrecht aan de orde

Voordat je bijstand in de vorm van een geldlening met zekerheidstelling verstrekt, moet je eerst nagaan of je de bijstand om niet kunt verstrekken.

Hierbij onderzoek je het volgende:

Klant woont in zijn eigen huis
Aan de hand van de akte van levering en de kadastrale inschrijving verifieer je of de klant daadwerkelijk eigenaar is van de woning.

 Afsluiten van een (extra) hypotheek
Omdat de klant een uitkering op bijstandsniveau gaat ontvangen, heeft het in het algemeen geen zin hem te verwijzen naar een (hypotheek)bank voor een aanvullende financiering in de vorm van een (hypothecaire) geldlening. De klant kan dan immers naar verwachting de hogere lasten niet betalen en de bank zal het een te groot risico vinden om een hogere lening te verstrekken bij een schuldenaar met een minimum inkomen.

 Verkoop van de eigen woning
Wees terughoudend met de eis dat de klant zijn eigen woning moet verkopen. Let bij de beoordeling van zijn situatie op het volgende:

Bedenk ook dat met de aankoop van een goedkopere woning diverse extra kosten gemoeid zijn, zoals kosten koper, verbouwing, herinrichtings- en verhuiskosten.

6.4.1.3 De overwaarde in de woning is meer dan € 46.900 waard

Als bij de intake blijkt dat een klant een eigen woning, woonschip of woonwagen heeft waar hij zelf in woont, dan informeer je hem over het noodzakelijke onderzoek voor het vestigen van krediethypotheek of pandrecht:

Echtscheiding, bijstand en eigen woning
Ga bij een echtscheiding als volgt te werk:

6.4.1.4                             Medewerking

Bij aanvragen waarbij sprake is van vermogen in de woning en waar pandrecht of een krediethypotheek mogelijk is moet de klant een inlichtingenformulier krediethypotheek invullen en tekenen. Hierin is opgenomen dat de klant medewerking verleent aan het vestigen van een krediethypotheek of van pandrecht. Wil de klant dit niet dan wijs je de aanvraag voor bijstand af. Medewerking verlenen is een vereiste.

6.4.1.5                             Bewijsstukken eigen woning

De klant moet de volgende gegevens en bewijsstukken overleggen:

6.4.1.6                             Verschil tussen krediethypotheek en pandrecht

Registerzaken
Een notariële leveringsakte krijgt een koper na de aankoop van een huis. Zodra deze akte is ingeschreven in het Kadaster, spreekt men van een registerzaak. Op een registerzaak kun je een krediethypotheek vestigen. Ook bij overwaarde in een zelfbewoond woonschip in eigendom kan krediethypotheek worden gevestigd. Voorwaarde is dat het schip duurzaam met de grond (vaste wal) is verenigd en naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Als het woonschip daaraan voldoet, kan het bij het Kadaster als registerzaak worden ingeschreven. Het woonschip moet in het scheepsregister zijn ingeschreven. Registratie van woonschepen is mogelijk ongeacht de grootte van het woonschip of de waterverplaatsing. Registratie is alleen mogelijk als de eigenaar van het schip de rechtmatige eigendom aannemelijk kan maken (bijvoorbeeld door middel van het koopcontract).
Een woonwagen kan ook een registerzaak zijn, mits deze duurzaam met de grond is verenigd en naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven.

Niet-registerzaken
Dit zijn roerende zaken die het Kadaster niet registreert. Hierop kun je geen krediethypotheek vestigen. In deze situaties vraag je zekerheid voor de leenbijstand door een pandovereenkomst aan te gaan. Een voorbeeld hiervan is een lidmaatschap van een coöperatieve vereniging van flateigenaren. Zie 6.4.2 Appartementsrecht en bijzondere situaties.

6.4.1.7                             Berekening maximumbedrag van de geldlening

Bepaal eerst het verschil tussen de taxatiewaarde van de woning en de hypotheek waarmee het bezit is gefinancierd. Van het verschil laat je vervolgens € 46.900,- vrij.

6.4.1.8                             Diverse hypotheekvormen

Lineaire of annuïteitenhypotheek:

Spaarhypotheek, levenhypotheek en beleggingshypotheek:

Een opgebouwde hypotheekschuld als gevolg van eerder ontvangen

Abw-, WWB- of WIK- uitkering, moet je ook als schuld aanmerken.

Voorbeeld

Getaxeerde waarde woning € 155.000,-
(rest)schuldbedrag van de hypotheek/lening €   50.000,-  -/-
vermogen in woning € 105.000,-
af: vrijlating artikel 34 lid 2d (bedrag 2011) €   46.900,-  -/-
maximale bijstand als lening €   58.100,-

Je kunt dus een krediethypotheek of pandrecht vestigen tot een bedrag van € 58.100,-. 

Als een klant in de onderzoeksfase het niet eens is met de hoogte van de te vestigen krediethypotheek of pandrecht, en niet wil meewerken met de vestiging ervan, dan wijs je de aanvraag af. Als reden noteer je het niet voldoen aan de verplichting tot medewerking.

6.4.1.9                             Vestiging krediethypotheek of pandrecht.

Een krediethypotheek of pandrecht wordt pas gevestigd als de verstrekte bijstand het bedrag van € 5.000,- overschrijdt. De bijstand wordt onder de normale componentcode verstrekt. Bij “soort uitkering” kies je voor 2. Standaard is dit 1. Nu wordt de verstrekte bijstand opgeboekt als vordering 719. Ga als volgt te werk:

Naar de notaris
De klant mag de notaris aanwijzen. Je verzoekt de notaris schriftelijk (label 7263) een concept hypotheekakte of pandovereenkomst op te stellen.Je kunt een afschrift van de bijstandsbeschikking naar de notaris meesturen. Voor de vertegenwoordiging van de gemeente bij het passeren van de notariële akte is een eenmalige ondervolmacht nodig. Gebruik dan de eenmalige ondervolmacht met klantgegevens die onderdeel is van label 7264.

Uitsluitend een directeur van de Dienst Werk en Inkomen kan deze ondervolmacht verlenen. Leg een (concept)ondervolmacht via de directiestaf ter tekening aan een van de directeuren voor.

Veel notarissen vragen ook de (onder)mandaatbesluiten op, waaruit blijkt dat de directeur en degene die het formele besluit heeft genomen (de teammanager, klantmanager, of inkomensconsulent) in ondermandaat, bevoegd zijn besliss inge n te nemen. Stuur het mandaatbesluit van 22 september 2009 (Gemeenteblad 2009, afd. 3B, nr. 116), en het ondermandaatbesluit van 24 december 2008 (Gemeenteblad 2008, afd. 3B, nr. 129) in kopie naar de notaris.

6.4.2                         Appartementsrecht en bijzondere situaties

Appartementsrecht
Appartementsrecht is een aandeel in het eigendom van een gebouw en de daarbij behorende grond. In dit aandeel zit ook de bevoegdheid tot uitsluitend gebruik van het privé-gedeelte (de woning), en gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten.

Het appartementsrecht is voor inschrijving in het kadaster en voor afzonderlijke hypotheek vatbaar. Vestiging van krediethypotheek is daarom mogelijk.

Coöperatieve vereniging
Inleiding
In een coöperatieve vereniging van eigenaars hebben de leden het recht op het uitsluitend gebruik van een gedeelte van het eigendom (de woning). Als een klant in een flat woont en houder is van het lidmaatschap van een coöperatie, is hij geen eigenaar van de flat, maar slechts rechthebbende op bewoning van een bepaald gedeelte van het gebouw.

De vereniging kan hypothecaire leningen aangaan op het eigendom; de afzonderlijke leden niet. Wel kan de vereniging een lening aan een afzonderlijk lid verstrekken met verpanding van het lidmaatschapsrecht.

De klant is lid van een coöperatie
De Wet Werk en Bijstand regelt officieel niets over dit soort gevallen. Omdat de situatie vergelijkbaar is met een koopwoning waar de eigenaar zelf in zijn huis woont, past DWI het Besluit krediethypotheek bijstand, analoog toe. Bij lidmaatschap van een coöperatie kan je dus pandrecht vestigen. Vestiging van krediethypotheek is niet mogelijk.

 Coöperatie en pandrecht vestigen
Beoordeel welk deel van het vermogen onder de vermogensvrijlating valt. Beoordeel aan de hand van de WOZ-waardebeschikking of een recent taxatierapport de waarde van het lidmaatschapsrecht van de coöperatieve vereniging van eigenaars, onder aftrek van het bedrag dat de klant als geldlening heeft opgenomen ter financiering van zijn lidmaatschapsrecht.

Als er een aanzienlijk deel van het vermogen overblijft van de klant, moet hij meewerken aan de vestiging van een (tweede) pandrecht. De bank heeft waarschijnlijk al een eerste pandrecht in verband met een door de coöperatieve vereniging afgesloten lening.

Economische en juridische eigendom
Juridische eigendom en economische eigendom zijn niet (volledig) gelijk. Bij economische eigendom van een huis draagt men alle rechten en plichten over en kan de verkrijger er feitelijk over beschikken. De woning komt pas in juridische eigendom wanneer deze bij de notaris is overgedragen en d.m.v. de transportakte is ingeschreven bij het Kadaster. Verschillende situaties zijn mogelijk:

Vestiging van krediethypotheek of pandrecht is in deze situaties niet mogelijk.

Bij de WWB houd je geen rekening met persoonlijke rechten die een bezitting bezwaren. Zulk soort rechten zijn bijvoorbeeld rechten van huurders in een woning en het persoonlijk recht van gebruik en bewoning. Je gaat uit van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering.

Je houdt bij de vermogensberekening geen rekening met een hypotheek of lening die op de woning rust, terwijl die op naam van een ander staat, ongeacht de bepaling dat de hypotheek/ lening ten behoeve van de klant is.

Je houdt bij de vermogensberekening rekening met een onderhandse akte tussen de klant en degene op wiens naam de hypotheek of lening staat, mits de schuld aantoonbaar en direct opeisbaar is en er daadwerkelijke aflossingsverplichtingen zijn. In zo’n geval is krediethypotheek wél mogelijk.

 Eigendom bij echtgenoot
Ongeacht of er sprake is van huwelijkse voorwaarden, moet je krediethypotheek of pandrecht vestigen bij de echtgenoot die het (on)roerend goed in eigendom heeft. Dat gaat voor het bedrag van de totale gezinsbijstand.

Als de echtgenoot afwezig is, en er nog geen sprake is van boedelscheiding, neem je in afwachting van de boedelscheiding in de kennisgeving een clausule op over mogelijke terugvordering bij verkoop van het (on)roerende goed.

Je kunt de klant de voorwaarde opleggen om de boedelscheiding binnen een redelijke termijn door te zetten (art. 3:178 BW).

Mede-eigendom
Mede-eigenaren kunnen zijn: een echtgenoot, maar ook twee, drie of meer andere personen. Elke situatie brengt zijn eigen aanpak mee:

Als de mede-eigenaren geen toestemming geven tot het vestigen van een krediethypotheek of pandrecht, is de vestiging ervan niet mogelijk. Overweeg dan de klant te dwingen zijn aandeel in het bezit te verkopen. Hierbij moet je de criteria, zoals beschreven in 6.4.1.2 Wanneer is krediethypotheek of pandrecht aan de orde in acht nemen.

Let op: bovenstaande geldt niet bij gescheiden eigendom door middel van appartementsrecht.

6.4.3                         Krediethypotheek of pandrecht niet mogelijk

Als het vestigen van een krediethypotheek of pandrecht niet (direct) mogelijk is, zijn er twee mogelijkheden:

  1. Het ligt aan de situatie, niet aan de klant. De geldlening wordt zonder hypotheek of verpanding gevuld met de maandelijkse uitkering tot het maximum bedrag (alsof er wel krediethypotheek is verleend). De terugbetaling van de lening is gelijk aan de bepalingen als wel krediethypotheek is verleend.
  2. Het ligt aan de klant (bijvoorbeeld omdat hij geen medewerking heeft verleend).De Dienst Werk en Inkomen kan de verleende bijstand terugvorderen (art. 58 WWB).

    Uit de beschikking aan de klant moet duidelijk blijken dat te verstrekken bijstand terugvorderbaar is. Verder moet je het maximaal terug te vorderen bedrag aan leenbijstand vermelden.

6.4.4                         Einde bijstand in de vorm van geldlening

De verstrekking van bijstand als geldlening onder verband van krediethypotheek of pandrecht eindigt:

De terugbetaling van de opgenomen bijstand door middel van een krediethypotheek of pand begint vanaf de beëindigingsdatum van de bijstand.

Als een klant een nieuwe aanvraag doet voor bijstand binnen twee jaar na beëindiging van de bijstandsverlening onder krediethypotheek of pandrecht, kun je deze verlenen met toepassing van de laatst gevestigde hypotheek of pandrechtovereenkomst, tenzij het maximumbedrag al is bereikt.

Verder biedt het Besluit krediethypotheek bijstand (zoals dit luidde 31 december 2003) de mogelijkheid de krediethypotheek of pandovereenkomst mee te nemen naar een andere woning:

6.4.4.1                             Einde krediethypotheek of pandovereenkomst

De gevestigde krediethypotheek komt te vervallen, als DWI met een akte van royement de verworven zekerheid uit handen geeft. Dat is het geval:

Het ondertekenen van de akte van royement betekent een doorhaling in het hypotheekregister. Dit gebeurt pas als het geleende bedrag inclusief de verschuldigde rente is voldaan.
Uitsluitend een directeur DWI mag een ondervolmacht geven aan het notariskantoor om de akte van royement te passeren en het royement in te schrijven in het Register.

Let op: bij het beëindigen van een pandovereenkomst is inschrijving in een register niet aan de orde omdat er geen openbaar pandrechtregister bestaat.

6.4.4.2                             Nota’s voor taxaties enz. voor rekening van klant

De betaling van de nodige nota’s komt voor rekening van de klant. Het gaat om facturen voor:

 Als de klant daarvoor niet de middelen heeft, kun je bijzondere bijstand verlenen. Als na taxatie blijkt dat een krediethypotheek of pandrecht niet mogelijk is vanwege het ontbreken van voldoende ruimte, dan verstrek je de bijstand om niet. Als er wel ruimte is, verstrek je de bijstand als lening en tel je het bedrag bij de hoofdsom op.

Als de bijstandsverlening eindigt voordat de formele vestiging van de krediethypotheek of het pandrecht is afgerond, moet je het bedrag van de taxatiekosten en de verstrekte bijstand terugvorderen als:

Zie voor terugvordering 10. Controle en Opsporing, Terugvordering en Verhaal.

6.4.4.3                             Aflossing geldlening

Als de bijstand is verstrekt in de vorm van een geldlening, onder zekerheid van krediethypotheek of pand, gaat de aflossing in op het moment dat je de bijstandsverlening beëindigt. Het dossier draag je over aan de afdeling Handhaving. Deze afdeling legt de betaalverplichting op en beheert de terugvordering.

Ook als de bijstandsverlening onder de € 5.000,- is gebleven, is de terugbetaling een zaak van afdeling Handhaving.

Looptijd aflossing
De looptijd van de geldlening is maximaal tien jaar en de aflossing is maandelijks:

Als een klant een WWIK-uitkering krijgt (Wet werk en inkomen kunstenaars), beëindig je de algemene bijstand of de inkomensvoorziening WIJ. Dit doe je óók als deze uitkering als geldlening onder toepassing van krediethypotheek of pandrecht is verleend. De schuld is direct invorderbaar en de aflossing start meteen (Besluit krediethypotheek bijstand, 31

Let op: vanaf 1 januari 2004 is het ook mogelijk om bij de WIK een pandovereenkomst af te sluiten.

6.4.4.4                             Rente

De Dienst Werk en Inkomen rekent tien jaar lang na het einde van de verlening van WWB of WIJ (in de vorm van levensonderhoud) geen rente. Alleen als sprake is van nalatigheid bij de aflossing, is er wel wettelijke rente verschuldigd over het nog niet afgeloste deel (art. 4 lid 7, Besluit krediethypotheek bijstand, 31 december 2003)

Wanneer na tien jaar het geleende bedrag niet volledig blijkt te zijn afgelost, krijgt de klant geen vooraf vastgestelde aflossingsverplichting meer opgelegd. Omdat de rentevrije aflossingsperiode is verlopen, gaat de renteverplichting in.

6.4.4.5                             Informatie over registergoederen

Voor informatie over registergoederen:

Kadaster Amsterdam
Naritaweg 3
1043 BP, Amsterdam.
Telefoon (020) 5557203 (voor algemene vragen)
fax (020)6244845 (voor specifieke vragen over een bepaald registergoed).

Het Scheepsregister is een onderdeel van het Kadaster.