5 Normen en toeslagen  
5.1 Bijstandsnormen  
5.1.1 De basisnorm  
5.1.2 Jongerennormen <21 jaar  
5.1.3  De Normen 21 - 65 jaar  
5.1.4 Verhoging en verlaging basisnorm 21 - 65 jarigen  
5.1.4.1 De toeslag op de basisnorm 21 - 65 jaar  
5.1.4.2  De verlaging van de basisnorm 21 - 65 jarigen  
5.2 Hoofdverblijf  
5.2.1 Woonkosten  
5.2.2 Het ontbreken van woonkosten  
5.2.3 Het delen van woonkosten  
5.2.3.1 Wel/niet ten laste komend kind  
5.2.3.2 Verlies kinderbijslag en uitkering alleenstaande ouder  
5.2.4 Gezamenlijke huishouding  
5.2.4.1 Registratie als gezamenlijke huishouding  
5.2.4.2 Onweerlegbaar rechtsvermoeden  
5.2.5 Bloedverwanten in eerste en tweede graad  
5.3 Personen in een inrichting  
5.3.1 Het begrip inrichting  
5.3.2 Adressen van Amsterdamse hulpverleningsinstellingen  
5.3.3 Jongeren in inrichtingen  
5.3.4 Normen voor personen in inrichtingen  
5.3.4.1 Aanpassing van de norm  
5.3.4.2 Zak- en kleedgeld  
5.3.5 Aanvullende bijzondere bijstand voor algemene kosten  
5.3.5.1 Weekendverlof  
5.3.5.2 Weekendverlof klant  
5.3.5.3  Weekendverlof gezinslid  
5.3.5.4  Vaste lasten tijdens verblijf in een inrichting  
5.4 Co-ouderschap en niet rechthebbende partners  
5.4.1  Niet rechthebbende partner  
5.4.2 Niet rechthebbende ouder: tienerbaby uitkering  
5.5 Langdurigheidstoeslag en Plusvoorziening  
5.5.1 Langdurigheidstoeslag  
5.5.1.1 Uitvoering  
5.5.1.2 Bereikbaarheid afdeling Voorzieningen  
5.5.1.3 Wat doet de regio?  
5.5.1.4 Wie komt in aanmerking voor langdurigheidstoeslag?  
5.5.1.5 Wie krijgt geen langdurigheidstoeslag?  
5.5.1.6 Voorwaarden voor toekenning langdurigheidstoeslag  
5.5.1.6.1 Toetsbedrag langdurigheidstoeslag  
5.5.1.6.2 Uitkering langdurigheidstoeslag  
5.5.1.7 Beslag  
5.5.1.8 Overgangsjaar 2009  
5.5.2 Plusvoorziening 65+  
5.5.2.1 Uitvoering  
5.5.2.2 Wie komt er in aanmerking voor Plusvoorziening 65+?  
5.5.2.3 Overige voorwaarden  
5.5.2.4 Uitkering  
5.6 Overlijdensuitkering  
5.7 Gebruikte begrippen (alfabetische volgorde)  

5       Normen en toeslagen

Doelstelling
Dit hoofdstuk gaat over bijstandsnormen. Het gaat om de vraag voor wie ze bestemd zijn, wanneer DWI een toeslag op de basisnorm geeft, en in welke gevallen DWI een verlaging op die basisnorm toepast.

5.1                  Bijstandsnormen

Definitie bijstandsnorm
De “bijstandsnorm” is een samengesteld begrip. Het is opgebouwd uit meerdere delen. De bijstandsnorm is de van toepassing zijnde norm, verhoogd met een toeslag, of verminderd met een verlaging ( Artikel 5. Bijstand en voorliggende voorziening , lid c, WWB).

Schematisch weergegeven:

Als een klant zelf een bescheiden inkomen heeft, dan is het bedrag aan bijstand het verschil tussen het inkomen van de klant en het bedrag aan bijstand dat hij volgens de bijstandsnorm in een maand zou krijgen.

Alle normen zijn inclusief vakantietoeslag. DWI betaalt vakantiegeld altijd uit in juni. Het vakantietoeslagpercentage wordt elk jaar aangepast.

5.1.1                         De basisnorm

De WWB kent een aantal vastgestelde basisnormen. De hoogte van de toepasselijke basisnorm is in de eerste plaats afhankelijk van leeftijd.

De WWB kent de volgende normen:

Per leeftijdsgroep is een onderscheid naar gezinssamenstelling:

Zie voor de definities van de diverse groepen 5.7 Gebruikte begrippen (alfabetische volgorde)

Alleenstaande ouder of niet?
Wanneer is iemand een alleenstaande, of een alleenstaande ouder?
Kern is of hij een ten laste komend kind heeft waarover hij de volledige zorg draagt. Alleenstaande mensen kunnen een kind hebben zonder dat je ze in de WWB aanmerkt als alleenstaande ouder.

Kinderen onder de 18 jaar zijn ten laste komend als de ouder aanspraak kan maken op kinderbijslag. Als er geen recht is op kinderbijslag, is het kind niet ten laste komend. Kinderen van 18 jaar en ouder zijn nooit ten laste komend.

Als een klant in een inrichting verblijft, bepaalt in de eerste plaats dit verblijf de hoogte van de basisnorm. Pas in de tweede plaats bepaalt de gezinssamenstelling de hoogte.

5.1.2                       De Normen 27 - 65 jaar

De normen 27- 65 jaar zijn voor klanten van 27 tot en met 64 jaar. Voor gehuwden waarvan één van de partners (of beiden) 65 jaar of ouder is, gelden de ouderennormen. De gezinssamenstelling bepaalt de hoogte van de basisnormen 27 - 65 jaar. De basisnorm is gebaseerd op het netto minimumloon.

Een overzicht van alle normen vind je bij Afdelingsberichten/normkaartjes

5.1.3                         Verhoging en verlaging basisnorm 27 - 65 jarigen

Verhoging van de basisnorm
Verhoging in de vorm van toeslagen is mogelijk bij de basisnormen 27 - 65 jarigen, maar dan alleen voor klanten die alleenstaand of alleenstaande ouder zijn. De ouderennorm is dus uitgesloten van toeslagen.

Verlaging van de basisnorm
Het verlagen van de norm beperkt zich tot de norm 27 - 65 jarigen. Het gaat om gehuwden die hun woonkosten met anderen delen. Daardoor hoeven zij minder geld uit te geven voor de noodzakelijke bestaanskosten. Ook als zij wonen zonder woonkosten, gaat de basisnorm omlaag. De ouderennorm kan niet verlaagd worden.

Een overzicht van alle normen vind je bij Afdelingsberichten/normkaartjes

 

5.1.4.1                             De toeslag op de basisnorm 27 - 65 jaar.

Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders in de leeftijdsgroep van 27 tot 65 jaar, kun je de basisnorm verhogen met een toeslag. Dat doe je als de noodzakelijke kosten van levensonderhoud van de klant hoger zijn dan de norm. Woont de klant in een huis waarvoor geen woonkosten zijn verschuldigd zijn, dan vervalt het recht op een toeslag, zie ook 5.2.2 Het ontbreken van woonkosten. Krakers die in een kraakpand wonen, krijgen bijvoorbeeld geen toeslag.
Uitkeringen aan daklozen worden behandeld door het Team Bijzondere doelgroepen. Daklozen krijgen een toeslag van 10%, als zij gebruik maken van de maatschappelijke opvang voor daklozen. Zie ook hoofdstuk 4.8 Daklozen

Uitgesloten van een toeslag op de basisnorm zijn:

Enkele voorbeelden van verhoging van de basisnorm in artikel 3 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm van de Toeslagenverordening WWB en WIJ bij de Gemeentelijke regelgeving

Let op: aantoonbare onderhuur is huur met een verklaring van de hoofdbewoner én huurbetalingsbewijzen.

Een overzicht van alle normen vind je bij Afdelingsberichten/normkaartjes

Let op: aantoonbare onderhuur is huur met een verklaring van de hoofdbewoner én huurbetalingsbewijzen.

5.1.4.2                             De verlaging van de basisnorm 27 - 65 jarigen

Verlaging van de basisnorm van klanten 27 tot- 65 jaar kan als:

Wanneer verlaag je de basisnorm 27 tot 65 jarigen voor gehuwden, en met welk percentage?

Zie Artikel 4 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm van de Toeslagenverordening.

5.2                  Hoofdverblijf

In Nederland is iedereen verplicht zich bij het Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) van zijn woonplaats in te schrijven op het adres waar hij daadwerkelijk woont. Uitgangspunt van het “hoofdverblijf” is: zich bevinden = woonplaats = adres in GBA.

Als klant niet verblijft op het adres in GBA, waardoor er sprake is van een onjuiste inschrijving GBA, dan moet de klant dit bij GBA corrigeren door zich in te schrijven op het adres waar hij of zij daadwerkelijk verblijft. Geef de klant altijd de gelegenheid om dit te doen.

Er kunnen situaties zijn waardoor klant dit niet kan. Klant heeft dan een adresprobleem. Zie verder 4.9. Klanten met een adresprobleem.

Wil klant de inschrijving bij GBA niet corrigeren, dan verstrek je geen uitkering. Bij een lopende uitkering schort je het recht op uitkering op.

5.2.1                         Woonkosten

De Toeslagenverordening bepaalt dat een verhoging of verlaging afhankelijk is van de woonkosten die verbonden zijn aan de woning waarin de klant woont.

Het begrip woonkosten voor een huurwoning en voor eigen woningen is (Artikel 1 Algemene bepalingen, lid 2, onder e, Toeslagenverordening WWB):

Anti-kraakwachten betalen niet een van deze vormen van woonkosten, maar wel vaak een vergoeding. Dit zijn geen woonkosten in bovengenoemde strikte zin.
Wanneer zij voor het recht van gebruik van een woning een bedrag betalen van € 150 of meer, komen zij net als kamerbewoners voor een toeslag van 20% in aanmerking (of voor een verlaging van 0%).

5.2.2                         Het ontbreken van woonkosten

Het komt voor dat klanten in een huis wonen zonder woonkosten. Bijvoorbeeld bij gekraakte woningen.

Voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder van 27 tot 65 jaar betekent dit geen toeslag op de basisnorm.
Voor de gehuwden met een norm 27 tot 65 jaar, betekent dit een verlaging van 20% van het netto minimumloon op de basisnorm.
Als de klant met anderen woont in een woning waarvoor wel woonkosten verschuldigd zijn, maar waar de klant zelf niet aantoonbaar iets betaalt, ga je uit van de situatie dat de woonkosten kunnen worden gedeeld. In dat geval geldt in beginsel een toeslag op de basisnorm van 10%. Uitzondering bijvoorbeeld: hulpbehoevende.

 

 

5.2.3                         Het delen van woonkosten

Iemand deelt de woonkosten als in zijn huis ook nog iemand anders zelfstandig woont in dezelfde woning. Tussen de klant en de ander is geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Een kind kan nooit onderhuurder zijn, er is namelijk geen commerciële relatie mogelijk tussen ouder en kind.

5.2.3.1                             Wel/niet ten laste komend kind

Een ten laste komend kind is een kind, jonger dan 18 jaar dat financieel ten laste van de ouder(s) komt en voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak kan maken op kinderbijslag. Als er geen recht op kinderbijslag is, is het kind niet ten laste komend.
Een kind dat financieel ten laste van de ouder(s) komt, maar in het buitenland woont, geldt op grond van het territorialiteitsbeginsel voor de WWB niet als een ten laste komend kind.
Ten laste komende kinderen kunnen bepalend zijn voor de toepasselijke basisnorm, namelijk als de ouder alleenstaand is. Ten laste komende kinderen hebben nooit invloed op de toeslag of de verlaging op de basisnorm.

Voor de manier waarop je met vermogen en inkomsten van ten laste komende kinderen rekening houdt, zie hoofdstuk 6, Middelen.
Inwoning van een niet ten laste komend kind, kan alleen gevolgen hebben in de vorm van een lagere toeslag of van een verlaging bij de WWB-uitkering van de ouder(s).
Zie 5.1.4.1 De toeslag op de basisnorm 27 - 65 jaar of
5.1.4.2 De verlaging van de basisnorm 27 - 65 jarigen
.

Uitzonderingen op definitie van ten laste komend kind
Als een kind nog in de “wachttijd” zit omdat het nog maar recent in Nederland woont, en de ouders krijgen daarom (nog) geen kinderbijslag, dan is dit kind wel ten laste komend (en telt dus mee in de norm), maar heeft het inkomen van het kind op geen enkele wijze invloed op de uitkering van de ouder(s).

In een enkel geval woont een kind in bij iemand die geen ouder is, en ook geen pleegouder, maar wel kinderbijslag ontvangt voor het kind. Bijvoorbeeld een grootouder die een kind opvoedt en verzorgt als ware het een eigen kind. Strikt genomen betreft het geen ouder-kindrelatie in de zin van de WWB. Maar daar waar de Algemene kinderbijslagwet de verzorgende op gelijke voet behandelt met een ouder, is er in het algemeen ook aanleiding om dit te doen bij de uitvoering van de WWB.
Dus: als zo een ‘niet-eigen' kind inwoont bij een alleenstaande, verleen je bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

5.2.3.2 Verlies kinderbijslag en uitkering alleenstaande ouder

De Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is onlangs aangepast om voortijdig schoolverlaten te bestrijden. Ouders kunnen de kinderbijslag verliezen als hun 16- en 17-jarige kinderen zonder startkwalificatie geen onderwijs volgen. Toepassing van dit instrument door de leerplichtambtenaar heeft een onbedoeld effect op het bijstandsinkomen van de alleenstaande ouder met een enigst kind van 16 of 17 jaar. Het gevolg is namelijk dat de alleenstaande ouder voor de bijstandsuitkering wordt beschouwd als een alleenstaande.

De wetgever zal dit onbedoelde effect repareren. De gemeenten worden tot die tijd gevraagd om in deze specifieke gevallen te handelen alsof de kinderbijslag zou zijn ontvangen. Het probleem kan zich gaan voordoen vanaf begin juli wanneer de kinderbijslag over het tweede kwartaal wordt vastgesteld.

5.2.4                         Gezamenlijke huishouding

De WWB spreekt van een gezamenlijke huishouding als klanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en er bovendien sprake is van zorg voor elkaar. De zorg voor elkaar kan bestaan uit het leveren van een bijdrage in de huishoudingskosten of uit iets anders. Bij een aanvraag, of een wijziging in de bijstandsverlening, beoordeel je of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het is niet van belang of de partners van gelijk of verschillend geslacht zijn. Ook de aard van hun relatie doet niet ter zake. De WWB beschouwt ongehuwde klanten die met een ander een gezamenlijke huishouding voeren als gehuwd, behalve als het om bloedverwanten in de 1e graad gaat (ouder-kind) of om bloedverwanten in de 2e graad bij wie sprake is van een zorgrelatie (broers/zussen, grootouders/kleinkinderen); zie 5.2.5 Bloedverwanten in eerste en tweede graad.

Voorbeelden waaruit zorg voor elkaar kan blijken van mensen met hetzelfde hoofdverblijf zijn: het delen van een kledingkast, of het voorkomen van privé-spullen van de één in privé-ruimtes van de ander of samen op vakantie gaan.
In situaties waarin iemand niet beschikt over een eigen kamer of over een kamer waar je alleen in kunt via een kamer die bij de andere bewoner in gebruik is, moet je extra alert zijn.

Een daadwerkelijke LAT-relatie is geen gezamenlijke huishouding, aangezien bij een LAT-relatie de partners een verschillend hoofdverblijf hebben. Wel kan er aanleiding zijn voor een onderzoek of er inderdaad sprake is van verschillende hoofdverblijven.

5.2.4.1                             Registratie als gezamenlijke huishouding

Als klanten staan geregistreerd als gezamenlijke huishouding ziet de WWB dat ook zo. Dan is er sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden: de gezamenlijke huishouding staat vast, verder onderzoek is niet nodig.

In het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding staat waar klanten geregistreerd kunnen staan als gezamenlijke huishouding:

Ga bij een registratie als gezamenlijke huishouding het volgende na:

 Of registratie formeel binnen de termijn van twee jaar valt, hangt af van de situatie. Bepalend zijn de datum van die registratie en de daarop volgende periode waarin de geregistreerde samenleving zijn beslag krijgt (het rechtsgevolg). Bijvoorbeeld: op 1 juli is huurtoeslag toegekend aan een klant die zich als “gezamenlijke huishouding” heeft laten registreren. Deze registratie loopt door tot en met 30 juni van het daarop volgende jaar. Op deze laatste datum start de termijn van 2 jaar.

5.2.4.2                             Onweerlegbaar rechtsvermoeden

Soms is zonder meer sprake van een gezamenlijke huishouding, een onweerlegbaar rechtsvermoeden: dat betekent dat de wet aan de klant geen gelegenheid biedt voor het leveren van tegenbewijs. Kortom: de gezamenlijke huishouding staat wettelijk vast, en verder onderzoek is niet nodig.

Een gezamenlijke huishouding staat zonder meer vast als de klanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en aan één of meer van de volgende voorwaarden voldoen (Artikel 3. Gezamenlijke huishouding en woning, lid 4 sub, WWB):

5.2.5                             Bloedverwanten in eerste en tweede graad

Definitie van bloedverwanten
Eerstegraads bloedverwanten zijn ouder en kind.
Tweedegraads bloedverwanten zijn broer-zus, of grootouder-kleinkind.

Eerste graad bloedverwanten
Bloedverwanten in de eerste graad die een gezamenlijke huishouding voeren, ziet de WWB als alleenstaanden.

Tweede graad bloedverwanten
Bij bloedverwanten in de tweede graad zal vaak sprake zijn van een gezamenlijke huishouding, het moet echter wel aan de hand van de feitelijke situatie vastgesteld worden. Bloedverwanten in de tweede graad die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij één van beiden zorg nodig heeft, definieert de WWB als alleenstaanden.

Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a van de WWB sprake indien de betrokkene aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een AWBZ-instelling, maar daar om hem moverende reden van heeft afgezien of op een wachtlijst daarvoor is geplaatst. Daarnaast is sprake van zorgbehoefte indien de betrokkenen vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar hij is aangewezen op intensieve zorg van anderen.

Als er (nog) geen officiële indicatie is voor dergelijke hulp, vraag je via een attest advies aan de GG&GD. Die bepaalt dan de zorgbehoefte.


5.3 Personen in een inrichting

Algemeen
Het gemeentelijk toeslagen- en verlagingsbeleid is op de normen in een inrichting niet van toepassing.

Als een klant in een instelling zit, valt hij onder de norm voor personen opgenomen in een inrichting. Als een opname (naar verwachting) korter duurt dan drie maanden, dan zet je de norm niet om naar personen in een inrichting.

Instellingen voor maatschappelijke opvang zoals sociale pensions, internaten enz. zijn geen inrichtingen. De norm voor deze bewoners is gelijk aan die van een kamerbewoner.

5.3.1  Het begrip inrichting

Artikel 1 van de Wet werk en bijstand rekent twee soorten instellingen tot het begrip inrichting:

1 e Instellingen die louter gericht zijn op verzorging en verpleging;
2 e Instellingen die slaapgelegenheid bieden en de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding hebben gedurende meer dan de helft van ieder etmaal.

Wel als inrichting te beschouwen
Alle instellingen die gericht zijn op verzorging en verpleging zijn te beschouwen als inrichtingen. Dit blijkt ook uit de financiering van deze instell inge n vanuit de AWBZ middelen.

Voorbeelden hiervan zijn alle algemene en psychiatrische ziekenhuizen, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Niet als inrichting te beschouwen
Instellingen die gericht zijn op het bieden van (tijdelijke) woonvoorzieningen worden niet beschouwd als een inrichting. Voorbeelden hiervan zijn de dak- en thuislozenopvang, Blijf-van-mijn-lijf-huizen (Vrouwenopvang) en begeleid wonen projecten.

Bij opvangvoorzieningen voor dak- en thuislozen, zoals bijvoorbeeld sociale pensions, beperkt de voorziening zich veelal tot het bieden van slaapgelegenheid en is er in de regel geen of in beperkte mate begeleiding en hulpverlening.

Blijf-van-mijn-lijfhuizen worden beschouwd als woonvoorzieningen, waarbij de gebruik(st)er voor de toepassing van deze wet als zelfstandig wonend wordt beschouwd. Ook de projecten voor begeleid wonen voldoen niet aan de definitie van het begrip inrichting, omdat deze projecten bedoeld zijn als woonvoorziening met een zeer beperkte mogelijkheid tot begeleiding.

Ook als inrichting te beschouwen
Instellingen die zich kenbaar maken als begeleid wonen project, maar meer dan de helft van ieder etmaal begeleiding of hulpverlening beschikbaar hebben, zoals wel gebeurt bij GGZ-instellingen, dienen wel als inrichting beschouwd te worden. Dit blijkt ook uit de financiering van deze instellingen vanuit de AWBZ middelen.

Ook RIBW-instellingen die worden gefinancierd vanuit de AWBZ dienen als inrichting te worden beschouwd.

Of iemand in een inrichting verblijft, is van belang voor de bepaling van de bijstandsnorm die van toepassing is. Verblijft iemand in een inrichting dan ontvangt deze een persoonlijke toelage.

Raadpleeg onderstaande link om erachter te komen of de instelling door de AWBZ wordt gefinancierd en dus als inrichting moet worden beschouwd.

http://www.ggzbeleid.nl/cijfers/aanbieders

5.3.2 Adressen van Amsterdamse hulpverleningsinstellingen

Jellinekkliniek
Vlaardingenlaan 5
1059 GL Amsterdam

J.C. de Keijzer Psych. Centrum
Walborg 2A
1082 AM Amsterdam
adm. nr. 4202.299

Kliniek van het Centrum voor Psychotherapie
v/h De Sluis
Amstelveenseweg 7
1954 MD Amsterdam
adm. nr. 4216.955

Stichting Afra
Rijtuigenhof 97
1054 NB Amsterdam
adm. nr. 4215.778

Stichting Afra
Hofgeest 244, 245 en 246
1102 EM Amsterdam
adm. nr. 4216.489

Stichting Afra
adm. nr. 4215.862
1e Helmerstraat 40 1054 DJ Amsterdam
Jeltje de Bosch Kemperpad 68 1054 PL Amsterdam
Borgerstraat 10b 1053 PP Amsterdam
Jacob Catskade 19 1052 BS Amsterdam
Admiralengracht 136 1hoog 1057 GG Amsterdam
Ite Boeremastraat 143 1054 PS Amsterdam
Van Houweningenstraat 203 2 hoog 1052 WC Amsterdam
Kinsbergenstraat 65-1 1057 PN Amsterdam
Van Speykstraat 18-1 1057 HB Amsterdam

Heil des Volks
Oudezijds Voorburgwal 241
1012 EZ Amsterdam
adm. nr. 4203.609 

Let op: klanten verblijven soms op locaties in de Willemsstraat, in Heeten en in Veelerveen maar blijven aangemerkt als opgenomen in HdV Amsterdam.

Sociaal-Agogisch Centrum "Burgerweeshuis"(Sac)
Hoofdkantoor:
IJsbaanpad 3-6
1076 CV Amsterdam
(zie 2.1.1) Het Sac/Burgerweeshuis heeft voor jongeren drie crisisinterventiecentra (C.I.C.), op locaties in Amsterdam en Purmerend, t.w.:

a. C.I.C.  Plein 36
Valeriusplein 36
1075 BG Amsterdam
adm. nr. 4090.751

b. C.I.C.  "Singel"
Lomanstraat 1
1075 PS Amsterdam
adm. nr. 4287.065

c. C.I.C.  J.O.P.
Jaagweg 3
1441 PA Purmerend
adm. nr. 4240057 

Kleinschalige Acute Opvang (KAO) van de Stichting Spirit op locaties in Amsterdam en Hoofddorp:

Sonderholm 139-141, 2133 HD Hoofddorp, Zaandammerplein 154, 1013 ZE Amsterdam, Th. Hoytemastraat 1 en 89, 1062 CG Amsterdam, Abebe Bikilalaan 7, 1034 WL Amsterdam, Buys Ballotstraat 5,1098 NC Amsterdam, Linnaeushof 99, 1098 KT Amsterdam, Hakfort 431-4332, 1102 LA Amsterdam.

5.3.3  Jongeren in een inrichting

Jongeren van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting zitten, hebben geen recht op algemene bijstand. De ouders zijn nog onderhoudsplichtig voor hun kind.

Als er sprake is van zeer dringende redenen (bijvoorbeeld een crisissituatie) kun je bijzondere bijstand verlenen op grond van de toelichting op artikel 13, lid 2, onder a WWB. Bij opname van een jongere in de crisisopvang hoef je de noodzaak van die opname niet te toetsen. Dat is al gebeurd door de instelling waar de klant zit. Het moet dan wel gaan om erkende crisisopvang, dus niet bij particulieren of bijvoorbeeld een religieuze groepering.

Er is geen jongerennorm voor verblijf in een inrichting. Neem daarom als uitgangspunt de norm van een in een inrichting verblijvende alleenstaande. Deze verstrek je als bijzondere bijstand.

Kijk wel naar de reden waarom de ouders niet aan hun onderhoudsplicht voldoen. De bijstand verhaal je op de onderhoudsplichtige ouder(s), maar niet als de crisisopvang dat ontraadt omdat daarmee de band tussen de jongere en diens ouder extra wordt belast. Voor terugvordering o onderhoudsplichtige ouders, zie hoofdstuk 10. Terugvordering en Verhaal

5.3.4  Normen voor personen in inrichtingen

Er zijn twee normen voor personen in een inrichting:

De normen zijn niet leeftijdafhankelijk. Toeslagen- en verlagingen zijn niet van toepassing op deze normen.
Als van een echtpaar één persoon in een inrichting verblijft, stel je de gehuwdennorm vast door de bedragen, die elk als alleenstaande zou krijgen, bij elkaar op te tellen.

5.3.4.1 Aanpassing van de norm

Als een opname (naar verwachting) korter duurt dan drie maanden, dan zet je de norm niet om naar personen in een inrichting.

5.3.4.2 Zak- en kleedgeld

De bijstand in een inrichting is bedoeld voor persoonlijke uitgaven. Van oudsher heet dat zak- en kleedgeld, of Persoonlijke Toelage. Van deze uitkering gaan ook reserveringen en aflossingen af. De reserverings- en aflossingscapaciteit is hetzelfde als voor klanten met een volledige norm voor zelfstandig wonenden. Vanaf 1 januari 2009 is een persoonlijke toelage niet meer onbelast voor de fiscus maar belast. In de toekomst worden dan net als voor overige WWBB uitkeringen jaaropgaves verstrekt.

Mensen in een AWBZ instelling betalen vanaf januari 2006 ook premie voor een basisverzekering. Dat is geregeld in de Zorgverzekeringswet die per 1 januari 2006 is ingevoerd. Omdat de zorgtoeslag de gestegen premie onvoldoende compenseert, worden de PT normen extra verhoogd. Dit is geregeld in art. 23 WWB, tweede lid. In NUS is hiervoor een aparte componentcode aangemaakt. Deze wordt automatisch gevuld met het toepasselijke bedrag, bij het invoeren van de PT norm.

Let erop dat mensen uit deze soms kwetsbare groep de zorgtoeslag aanvragen bij de Belastingdienst!

5.3.5 Aanvullende bijzondere bijstand voor algemene kosten

Mensen in inrichtingen kunnen naast hun bestaande bijstanduitkering bijzondere bijstand aanvragen; vooral voor reiskosten, het weekendverlof, en het aanhouden van hun woning.

5.3.5.1 Weekendverlof 

Bijstand voor weekendverlof is bedoeld voor:

5.3.5.2 Weekendverlof klant

Sommige behandelprogramma's werken met een geleidelijke terugkeer naar zelfstandig wonen. De klant gaat bij voorbeeld de weekenden naar huis, waarbij hij voor alle normale kosten van levensonderhoud staat. De normuitkering “niet in inrichting” voorziet al in huisvesting en voeding.

De meerkosten die de klant in het weekendverlof heeft, bereken je als volgt:

Norm in inrichting (inclusief vakantietoeslag) x 5/7
+ Norm niet in inrichting (inclusief vakantietoeslag) x 2/7
= de te betalen algemene bijstand
5/7 x kosten aanhouden woning (huur en energie, indien van toepassing)
= de te betalen bijzondere bijstand

Let op: in dit rekenvoorbeeld is de opgenomen klant elke week twee etmalen thuis. Bij een andere frequentie moet je de omrekenfactor naar evenredigheid aanpassen.

Je kunt aanvullende bijzondere bijstand geven. De “norm niet in inrichting” hangt af van de situatie van de klant tijdens het verlof. Heeft hij wel of geen woonkosten, kan hij andere kosten delen enz.

5.3.5.3 Weekendverlof gezinslid

Aan een gezinslid dat in een inrichting verblijft en in het weekend met verlof naar huis komt, verstrek je bijzondere bijstand voor de kosten. Dat doe je als de norm bij permanent thuis wonen van dat gezinslid, hoger is dan bij verblijf in een inrichting. Soms vervallen kortingen die anders wel van toepassing zouden zijn.

Enkele situaties
Het enig kind van een alleenstaande ouder is opgenomen. Daardoor is die ouder voor de bijstand een alleenstaande. De bijzondere bijstand bedraagt dan 2/7 x het normverschil, inclusief vakantiegeld.

Een van de gehuwden verblijft in een inrichting. De bijstandsnorm is de som van het bedrag dat voor ieder van hen als alleenstaande of als alleenstaande ouder zou gelden (Artikel 23. Normen in inrichting WWB ). Als deze samengestelde norm hoger uitvalt dan de toepasselijke gehuwdennorm, dan leidt dit niet tot een korting (Artikel 20. Jongerennormen , Artikel 21. Normen 21-65 jaar of Artikel 22. Normen 65 jaar of ouder WWB).

5.3.5.4 Vaste lasten tijdens verblijf in een inrichting

Zie verder 9.7.3.1 Vaste lasten tijdens verblijf in een inrichting


5.4 Co-ouderschap en niet rechthebbende partners

Co-ouderschap
Het begrip co-ouder of gezamenlijk ouderlijk gezag bestaat niet in de WWB. Hoe je een co-ouder dus moet aanmerken is lastig. Een co-ouder is geen alleenstaande ouder, omdat hij niet de volledige zorg voor een of meer eigen of adoptiekinderen heeft (Artikel 4. Alleenstaande, alleenstaande ouder e, onder b, WWB).
De co-ouder is ook geen alleenstaande, omdat een alleenstaande geen tot zijn last komende kinderen heeft. Dat is bij co-ouders wel het geval (Artikel 4. Alleenstaande, alleenstaande ouder en gezin, onder a, WWB).

Norm co-ouder
Vanaf 1 september 2009 spreek je van co-ouderschap als de ouder gedurende 3, 3,5 of 4 dagen de zorg voor een kind/kinderen heeft. De basisnorm van een co-ouder is gelijk aan een alleenstaande. De bijstandsnorm wordt verhoogd met het verschil tussen de bijstandsnorm voor een alleenstaande en de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder in het geval de klant de zorg heeft voor het kind/kinderen gedurende 3, 3,5 of 4 dagen. Bij drie dagen zorg per week bedraagt de verhoging dus 3/7 van het normverschil. Voor het recht op toeslag gelden dezelfde regels als bij een alleenstaande ouder.

Wanneer co-ouder
Er is in ieder geval sprake van co-ouderschap als dit schriftelijk is vastgelegd, hetzij via een rechterlijke uitspraak, hetzij via een notaris. Ontbreekt een dergelijk bewijsstuk dan moet de medewerker zelf onderzoeken of er sprake is van co-ouderschap. In ieder geval moeten beide ouders verklaren dat er sprake is van co-ouderschap. Eventueel kan een huisbezoek worden afgelegd.

5.4.1 Niet rechthebbende partner

Als een van de partners in een gezamenlijke huishouding geen recht heeft op algemene bijstand dan krijgt de ander de norm van een alleenstaande, of van een alleenstaande ouder. Het toeslagenbeleid pas je toe alsof de niet rechthebbende partner niet bestaat.

 Met het inkomen van de niet rechthebbende partner houd je rekening, als de som van het bijstandsbedrag van de rechthebbende plus het inkomen van de niet rechthebbende, meer bedraagt dan de norm voor gehuwden.

 Als partners tijdelijk gescheiden leven, neem je het inkomen van de niet rechthebbende partner in aanmerking, als dit hoger is dan de bijstandsnorm die voor hem zou gelden, als hij wel recht had op algemene bijstand. Dit heet: de fictief vastgestelde bijstandsnorm voor de gescheiden levende partner.

Zie ook Hoofdstuk 6, paragraaf 6.2.4.8 Belastingteruggave

5.4.2 Niet rechthebbende ouder: tienerbabyuitkering

De “tienerbaby-uitkering” is algemene bijstand voor de gewone kosten van levensonderhoud van het kind van een minderjarige. De norm van de tienerbaby-uitkering is 20% van de norm van gehuwden van 21 jaar en ouder. Dit bedrag is gelijk aan het verschil tussen de norm voor een alleenstaande ouder, en de norm voor een alleenstaande. De tienerbaby-uitkering kan worden aangevraagd door de ouders van de tienermoeder als de tienermoeder nog in het ouderlijk huis woont, of door de tienermoeder zelf als ze niet meer thuis woont.

De baby van de minderjarige moet een eigen administratienummer en dossier krijgen. De uitbetaling kan door het gebruik van een administratienummer ontvanger aan de tienermoeder zelf of aan de ouders gedaan worden. De bijstand moet worden opgevoerd onder componentcode 171 010 en wordt beëindigd als de moeder 18 jaar wordt.

De zorgverzekering van de tienerbaby loopt via de ouders van de tienermoeder als de tienermoeder bij de ouders is meeverzekerd, of bij de tienermoeder zelf als die zelfstandig verzekerd is.

 

5.5 Langdurigheidstoeslag en Plusvoorziening

Algemeen
Onder de WWB is het nog maar heel beperkt toegestaan om categoriale bijzondere bijstand te verlenen. Het is nog alleen mogelijk:

In alle andere gevallen is alleen individuele bijzondere bijstand mogelijk op grond van bijzondere omstandigheden.

5.5.1                        Langdurigheidstoeslag

Per 1 januari 2009 is de Langdurigheidstoeslag gewijzigd. De gemeente heeft meer beleidsvrijheid gekregen bij de uitvoering van de Langdurigheidstoeslag. Hierdoor kon de Knipkaart opgaan in de Langdurigheidstoeslag.

Het college heeft de beleidsregels Knipkaart duurzame gebruiksgoederen en de beleidsregels Langdurigheidstoeslag 2007 ingetrokken per 1 januari 2009. Die gelden dus niet meer.

Mensen die langdurig op het sociaal minimum zitten kunnen een aanvullende toeslag krijgen: de Langdurigheidstoeslag. Vanaf 1 januari 2009 zijn de voorwaarden voor deze toeslag versoepeld.

De inkomensgrens ligt op 110% van het wettelijk sociaal minimum.

5.5.1.1                             Uitvoering

Uitgangspunt is een referteperiode van 36 maanden (driejaar), gerekend vanaf de peildatum.

De peildatum is 31 december van het voorafgaande jaar. Een langdurigheidstoeslag kan elke 12 maanden opnieuw aangevraagd worden. De aanvragers krijgen een ontvangstbevestiging met vermelding van de beslistermijn. De uitvoering vindt centraal plaats bij het Dienstencentrum door Team Voorzieningen.

5.5.1.2 Bereikbaarheid afdeling Voorzieningen

Team Voorzieningen is voor klanten telefonische te bereiken, elke werkdag van 9.00 uur tot 16.00 uur onder telefoonnummer 3463684. Een klant kan ook met “Antwoord” bellen, telefoonnummer 14 020.

5.5.1.3 Wat doen de Werkpleinen?

5.5.1.4 Wie komt in aanmerking voor langdurigheidstoeslag?

5.5.1.5 Wie krijgt geen langdurigheidstoeslag?

Uitgesloten van een langdurigheidstoeslag zijn aanvragers die in de achterliggende 36 maanden voor korte of langere tijd beantwoorden aan de onderstaande kenmerken:

5.5.1.6                         Voorwaarden voor toekenning langdurigheidstoeslag

Over een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum was

  1. het fiscaal jaarinkomen van aanvrager niet hoger dan 110 % van het sociaal minimum;
  2. Op de peildatum verblijft aanvrager niet in een inrichting
5.5.1.6.1                             Toetsbedrag langdurigheidstoeslag

Het fiscaal jaarinkomen van de aanvrager mag niet hoger zijn geweest dan 110% van de toepasselijke bruto IOAW-norm gedurende de referteperiode van 36 maanden.

5.5.1.6.2                             Uitkering langdurigheidstoeslag

De langdurigheidstoeslag ken je toe voor 12 maanden en keer je in één belastingvrij bedrag uit.

De langdurigheidstoeslag bedraagt voor:

Leefsituatie

Bedrag langdurigheidstoeslag

Gehuwden

40% van de volledige maandnorm

Alleenstaande ouder

40% van de volledige maandnorm

Alleenstaande

40% van de volledige maandnorm

De bedragen worden afgerond op hele euro's naar boven.

5.5.1.7                          Beslag

Op de LDT kan geen beslag gelegd worden. Het is een vorm van bijzondere bijstand.

5.5.1.8 Overgangsjaar 2009

De Knipkaart en de Langdurigheidstoeslag tot 1 januari 2009 werden per kwartaal uitbetaald, De Langdurigheidstoeslag vanaf 1 januari 2009 wordt eens per jaar, aan het begin van het jaar uitbetaald. Zonder afstemming zouden veel aanvragers in een periode van 12 maanden onbedoeld een dubbele vergoeding ontvangen. Daarom is er in het overgangsjaar 2009 voor gekozen af te stemmen op de periode waarin de vergoeding het voorgaande jaar is verstrekt. Na dit overgangsjaar wordt het volledige bedrag uitgekeerd.

5.5.2 Plusvoorziening 65+

De Langdurigheidstoeslag is niet bedoeld voor 65+-ers. Voor hen is er de mogelijkheid een beroep te doen op de Plusvoorziening 65+. Jaarlijks besluit het college over de voortzetting van deze voorziening.

5.5.2.1 Uitvoering

Team Voorzieningen voert de Plusvoorziening 65+ uit. Het Team schrijft in elk voorjaar die mensen aan, die op basis van bestandsselectie als rechthebbend zijn geïdentificeerd. Wie geen aanvraagformulier thuis ontvangt en wel in aanmerking meent te komen, kan zelf tussen 1 mei en 31 december van het aanvraagjaar een aanvraag indienen. Een aanvraagformulier is op te vragen bij Team Voorzieningen (telefoonnummer voor klanten 3463684).

5.5.2.2 Wie komt in aanmerking voor de Plusvoorziening 65+?

De Plusvoorziening 65+ is voor:

5.5.2.3 Overige voorwaarden

Om in aanmerking te komen voor de Plusvoorziening 65+ moet de aanvrager verder voldoen aan de volgende voorwaarden, die jaarlijks door het College van B&W worden vastgesteld in de Beleidsregels Plusvoorziening 65+:

Ook personen die in een van de voorgaande drie jaren een Plusvoorziening hebben ontvangen, komen in aanmerking.

5.5.2.4 Uitkering

De Plusvoorziening 65+ bestaat uit een belastingvrij bedrag en is niet vatbaar voor beslag.

De Plusvoorziening 65+ bedraagt:

Leefsituatie
Bedrag Plusvoorziening 65+
Gehuwden / Alleenstaande ouder
Gelijk aan LDT gehuwden
Alleenstaande
Gelijk aan LDT alleenstaanden


5.6 Overlijdensuitkering

Overlijdensuitkering
Als een gezinslid overlijdt, hebben de achterblijvende gezinsleden recht op een overlijdensuitkering (Artikel 45. Vaststelling en betaling WWB). De overlijdensuitkering houdt in dat de uitkering doorloopt volgens de oude norm. Inkomsten, bijvoorbeeld Anw, verreken je volgens de geldende regels.
Het recht op overlijdensuitkering duurt tot 1 maand na de dag van overlijden.

Oude situatie
Overledene
Rechthebbende
Gezamenlijke huishouding
Een der partners
Achtergebleven partner
Gezamenlijke huishouding, een of beide echtgeno(o)t(en) 18,19 of 20 jaar
Laatste ten laste komend kind
De gewezen ouders
Alleenstaande ouder
Laatste ten laste komend kind
De gewezen ouder
Alleenstaande ouder
De ouder
De/het ten laste komende kind(eren)


5.7 Gebruikte begrippen (in alfabetische volgorde)

Alleenstaande

Onder een alleenstaande wordt ook verstaan:

Alleenstaande ouder

Onder een alleenstaande ouder wordt ook verstaan:

Bloedverwanten

Gehuwden
De WWB stelt geregistreerde partners gelijk aan gehuwden. Ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren, zijn gelijkgesteld met gehuwden.

Gezamenlijke huishouding
Er is sprake van een gezamenlijke huishouding op het moment dat klanten een gezamenlijk hoofdverblijf hebben, en een bijdrage leveren aan de kosten van de huishouding.

Van een gezamenlijke huishouding is geen sprake als

Hulpbehoevende
Persoon bij wie sprake is van een zorgbehoefte.

Inrichting
Alle algemene en psychiatrische ziekenhuizen, verpleeghuizen en bejaardentehuizen en de instellingen zoals staat in de adreslijst 5.3.2 Adressen van Amsterdamse hulpverleningsinstellingen

Kind
Het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind.

Onderhuurder
Persoon aan wie de huurder, op basis van een schriftelijke overeenkomst, een deel van de woning verhuurt. Deze is niet de echtgenoot of geregistreerde partner van de huurder, of een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de huurder, of van zijn echtgenoot of geregistreerde partner.

Ongehuwde
Ook degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, wordt als ongehuwd beschouwd (Artikel 3. Gezamenlijke huishouding en woning, 2 e lid onder b, WWB).

Ten laste komend kind
Een kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

Zakelijke lasten bij eigendom van een woning 
Dit zijn vaste lasten als; rioolrechten, onroerende zaak belasting (eigenaarsdeel), brand- en opstalverzekering, waterschapslasten (eigenaarsdeel) en de kosten voor groot onderhoud.

Zorgbehoefte
Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a van de WWB sprake indien de betrokkene aanspraak zou kunnen maken op plaatsing in een AWBZ-instelling, maar daar om hem moverende reden van heeft afgezien of op een wachtlijst daarvoor is geplaatst. Daarnaast is sprake van zorgbehoefte indien de betrokkenen vanwege ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet in staat is een eigen huishouding te voeren daar hij is aangewezen op intensieve zorg van anderen.