In dit hoofdstuk worden klantgroepen beschreven op wie soms een ander beleid van toepassing is. Gezien de bijzondere categorieën, die in dit hoofdstuk worden behandeld, is een deugdelijke rapportage van extra groot belang. Alleen op basis daarvan kun je immers tot een besluit komen om algemene of bijzondere bijstand te verstrekken of de aanvraag af te wijzen.
Bij het onderdeel vreemdelingen zal er in de rapportage geen sprake zijn van bijzondere omstandigheden van de aanvrager. Bij deze groep mag juist niet worden afgeweken van de algemene regel “geen vergunning, geen geld”.
Deze paragraaf gaat over de bijstandsverlening aan vreemdelingen waaronder ook de bijzondere procedure bij nieuw instromende asielzoekers.
Vreemdelingen hebben alleen recht
op een uitkering als zij over een geldige verblijfvergunning beschikken (Koppelingswet).
Dit zijn alle vreemdelingen die in Nederland rechtmatig verblijf houden op grond van artikel 8, onderdelen a tot en met e en i van de Vreemdelingenwet. Daaronder vallen ook de EU/EER onderdanen die over een EU-verblijfsrecht beschikken. Zij hebben in principe vrij toegang tot Nederland, maar voor een beroep op sociale voorzieningen, ook bijstand, moeten ook zij een besluit tot toelating (vergunning) hebben en de toepasselijke code in de GBA.
Welke verblijfsstatus iemand heeft wordt vastgelegd in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), met behulp van een code (zie 4.1.2.2 Codering in GBA).
Andere onderdelen van artikel 8 Vreemdelingenwet leiden wel tot rechtmatig verblijf, maar geven geen recht op bijstand. Bijvoorbeeld:
De hoofdregel is dat een aanvraag wordt afgewezen als iemand geen geldige vergunning heeft, ongeacht of die klant rechtmatig in Nederland verblijft of niet. Het tweede lid van artikel 16 WWB verbiedt uitdrukkelijk het toepassen van “dringende redenen” bij niet-Nederlanders.
Bij twijfel of de GBA-code de actuele verblijfsstatus juist weergeeft, geldt
een verificatieprocedure bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Zie 4.1.2.4 Informatie uitwisseling met de IND.
Een beperkte groep vreemdelingen kan soms een beroep doen op bijzondere regelingen,
zoals de Regeling verstrekkingen aan asielzoekers (Rva) en de Regeling verstrekkingen
aan bijzondere categorieën asielzoekers
(Rvb),die door het Rijk worden uitgevoerd:
Voor bijstand aan ex-Ama’s in verband met scholing zie 4.3.5 Bijstand voor scholing aan ex-AMA's.
Het toekennen, wijzigen of vervallen verklaren van alle soorten van verblijfsrecht is een bevoegdheid van de IND. Vreemdelingen moeten zich melden bij de Dienst Persoonsgegevens Amsterdam voor de aanvraag van een verblijfsvergunning. In de gemeente Amsterdam zorgt de Dienst Persoonsgegevens voor de inschrijving van een vreemdeling in de Gemeentelijk Basisadministratie (GBA) op het adres van verblijf en een signaal aan de IND. De IND beslist op de aanvraag.
Een code in de GBA geeft de verblijfsstatus aan van iedere ingeschreven vreemdeling. Het registratiesysteem van de IND is gekoppeld aan de GBA en wordt dagelijks automatisch geactualiseerd. Het DWI team krijgt automatisch bericht wanneer een code in de GBA is gewijzigd.
Soms kan het relaas en/of een document van de klant in strijd lijken met de GBA-code. Voor zulke gevallen is een verificatieprocedure afgesproken met de IND (zie 4.1.2.4 Informatie-uitwisseling met de IND).Het recht op bijstand stel je vast aan de hand van het document dat de vreemdeling toont. Verifieer het verblijfsrecht aan de hand van de code in de GBA. Deze code is bedoeld om in een bepaald geval antwoord te geven op de vraag of aan de IND wel of niet moet worden gemeld dat een bepaalde vreemdeling een beroep op bijstand doet. De code geeft niet zonder meer antwoord op de vraag of de vreemdeling recht heeft op bijstand. In een aantal gevallen moet worden onderzocht of de vreemdeling daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft in Nederland (zie code 24 en 29) of dat de EU-onderdaan 3 maanden in Nederland verblijft of na 3 maanden nog steeds kan worden aangemerkt als werkzoekende vreemdeling (zie code 30 en 38). Geeft deze code geen recht op bijstand en moet de aanvraag worden afgewezen, volg dan de werkwijze zoals genoemd onder 4.1.2.5 Werkwijze bij wijziging van de code en roep de klant op.
Als een vreemdeling zich niet bij de IND heeft gemeld en niet is ingeschreven in het Register, valt het verblijfsrecht en het recht op bijstand niet vast te stellen. Dit geldt ook voor EU-onderdanen. Wijs een bijstandsaanvraag niet af, alleen omdat er op het document opmerkingen of beperkingen staan. De vermelding van beperkingen op het document betekent weliswaar dat een bijstandsuitkering van invloed kan zijn op het verblijfsrecht, maar dat hoeft niet. De beoordeling van het verblijfsrecht ligt uitsluitend bij de IND. Wel moet de IND wordt ingelicht over de bijstandsverstrekking. Zie verder onder 4.1.2.4 Informatie uitwisseling met de IND.
Alle codes in de tabel duiden op rechtmatigheid van verblijf behalve code 98, code 00 of leeg veld of een code, die niet in de tabel staat aangegeven. Niet elke vorm van rechtmatigheid geeft ook recht op sociale voorzieningen. In de tabel staat aangegeven bij welke codes (eventueel) recht op bijstand bestaat.
Let op: De GBA-code bepaalt niet of een bepaalde vreemdeling tot de kring van WWB-rechthebbenden behoort, maar artikel 11, tweede en derde lid WWB. Lees daarom vooral de opmerkingen bij de codes 24 en 29 voor de beantwoording van de vraag of de vreemdeling in Nederland zijn hoofdverblijf heeft. En bij de codes 30 en 38 of de EU-onderdaan 3 maanden in Nederland verblijft of na 3 maanden nog steeds kan worden aangemerkt als werkzoekende.
Bij gezinnen met minderjarige kinderen, waarbij de ouders geen recht op bijstand hebben, geldt soms een bijzondere regeling voor de kinderen, zie 4.12
Bijstand aan kinderen van niet-Nederlanders.
| Code in GBA | WWB recht ja/nee | Melding IND (*) | Voorbeelden |
leeg of 00 |
Nee |
Nvt |
|
98 Geen verblijfstitel (meer) |
Nee (1) |
Nvt |
|
21, VW art 8, onder a |
Ja |
Ja, indien een aantekening over de publieke middelen op het document staat vermeld. |
Verblijf bij partner of echtgenoot; arbeid in loondienst. |
22, VW art 8, onder a |
Ja |
Ja, indien een aantekening over de publieke middelen op het document staat vermeld. |
Arbeid als zelfstandige, maar ook arbeid in loondienst. |
23, VW art 8, onder a |
Ja |
Ja, indien een aantekening over de publieke middelen op het document staat vermeld. |
Arbeid in loondienst, arbeid aan boord van Nederlands zeeschip, verblijf als gods-dienstleraar, studie, verblijf als kennismigrant. |
24, VW art 8, onder a |
Ja, mits (2) |
Nee, tenzij |
Au pair, verblijf op medische gronden. |
25, VW art 8, onder b |
Ja |
Nee, een beroep op bijstand heeft geen verblijfsrechtelijke gevolgen. |
Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. |
26, VW art 8 onder c |
Ja |
Nee, een beroep op bijstand heeft geen verblijfsrechtelijke gevolgen. |
Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. |
27, VW art 8 onder d |
Ja |
Nee, een beroep op bijstand heeft geen verblijfsrechtelijke gevolgen. |
Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. |
28, VW art 8 onder e |
ja |
Ja, behalve bij aanvullende bijstand, minder dan 50% van de norm |
EU onderdaan die arbeid verricht. |
29, VW art 8 onder e |
Ja, mits (2) |
Nee, tenzij |
EU onderdaan die in Nederland studeert, of hier als gepensioneerde verblijft. Vreemdeling die niet economisch actief is. |
30, VW art 8 onder e |
Nee (3) |
Verblijfsvergunning of sticker in paspoort (7) |
EU onderdanen die werk zoeken. |
31, VW art 8 onder f en h |
Nee |
Nvt |
Vreemdeling die met of zonder MVV Nederland is ingereisd, een aanvraag om regulier verblijf heeft ingediend en die de beslissing op deze aanvraag, het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag, of de beslissing op het Hoger Beroep in Nederland mag afwachten. |
32, VW art 8 onder f en h |
Nee |
Nvt |
Asielzoeker die de beslissing op zijn aanvraag, het beroep tegen de afwijzing of de beslissing op het Hoger Beroep in Nederland mag afwachten. |
33, VW art 8 onder g en h |
ja (4) |
Ja, indien een aantekening over de publieke middelen op het document staat vermeld. |
Vreemdeling die tijdig om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft gevraagd en/of wel om wijziging van de aan hem verleende beperking heeft gevraagd. |
34, VW art 8 onder g en h |
nee (5) |
Ja, indien een aantekening over de publieke middelen op het document staat vermeld. |
Vreemdeling die niet tijdig om verlenging van zijn verblijfsvergunning heeft gevraagd en/of wel om wijziging van de aan hem verleende beperking heeft gevraagd. |
35, VW art 8 onder 1 |
Ja |
Ja, behalve bij aanvullende bijstand, minder dan 50% van de norm |
Betreft een Turks onderdaan die voortgezet verblijf heeft en die arbeid verricht. |
36, VW art 8 onder e |
ja (*) |
Ja, behalve bij aanvullende bijstand, minder dan 50% van de norm |
Een onderdaan van een van de nieuwe lidstaten. Voor het verrichten van arbeid is een tewerkstellings-vergunning noodzakelijk. |
37, VW art 8 onder e |
Ja (6) |
Ja, altijd. |
Een onderdaan van een van de nieuwe lidstaten die in Nederland studeert of hier als gepensioneerde verblijft. Vreemdeling die niet economisch actief is. |
38, VW art 8 onder e |
Nee |
|
EU onderdanen van één van de nieuwe lidstaten die werk zoeken. |
(1) De vreemdeling met code 98 kan toch recht op bijstand hebben. Het kan dan gaan om klanten die eerder op grond van art. 8 a t/m e en l van de VW2000 rechtmatig in Nederland verbleven, die tijdig om verlenging van de verblijfsvergunning hebben gevraagd, of wiens bezwaar ongegrond werd verklaard en die in beroep gaan en een voorlopige voorziening hebben ingediend en die deze in Nederland mogen afwachten. De code 98 is dan nog niet gewijzigd in code 33.
(2) In het algemeen kan er van worden uitgegaan dat een persoon aan wie slechts tijdelijk
verblijf is toegestaan met het oog op een naar zijn aard tijdelijk doel (b.v. studie, stage,
medische behandeling, tijdelijk verblijf als au pair) nog steeds woonplaats heeft in zijn land
van herkomst, zodat geen bijstandsrechten bestaan.
Lees voor de beantwoording van de vraag of de vreemdeling in Nederland zijn woonplaats heeft paragraaf 4.1.2.2.1 Ingezetenschap als voorwaarde voor toegang tot de Nederlandse sociale zekerheid.
(3) Een EU-onderdaan die nog geen drie maanden in Nederland verblijft of die na drie maanden nog steeds kan worden aangemerkt als werkzoekende heeft geen recht op bijstand (artikel 11 WWB).
Heeft de EU-onderdaan een jaar of langer gewerkt en is daarna onvrijwillig werkloos geworden dan heeft hij wel recht op bijstand.
(4) Artikel 11 lid 3 WWB
(5) Artikel 11 lid 3 WWB
(6) Echter: studenten hebben in Nederland in beginsel geen recht op algemene bijstand.
(7)
Als de vreemdeling met code 30 geen verblijfsvergunning heeft of geen sticker in zijn paspoort, betekent dit dat hij zich niet heeft gemeld bij de IND. Stuur de vreemdeling daarom eerst naar de IND.
(*) Toelichting bij kolom Melding IND
Als in de kolom “ja” staat, meldt dit dan aan de IND.
Zie verder bij 4.1.2.4 Informatie uitwisseling met de IND.
In de WWB is opgenomen dat een persoon rechtmatig in Nederland woonachtig moet zijn wil hij recht op bijstand hebben. Door het begrip ‘woonachtig’ wordt voorkomen dat personen die zich slechts voor een tijdelijk doel in Nederland ophouden bijstandsgerechtigd zijn.
In de memorie van toelichting van de WWB is aangegeven dat het begrip woonachtig (= woonplaats) in de WWB dezelfde strekking heeft als:
a. het begrip ‘ingezetene’ zoals dat gebruikt wordt in de volksverzekeringswetten;
b. het begrip ‘woonstede’ zoals dat gehanteerd wordt in de artikelen 10 en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Begrip ’ingezetene’
Voor het zijn van ingezetene is het primair van belang dat men in Nederland woont. Of dat ook zo is, wordt bepaald naar de feitelijke omstandigheden van het geval. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat bij deze omstandigheden in het algemeen als criterium wordt aangehouden waar iemand het middelpunt van zijn of haar maatschappelijk leven heeft.
Om te bepalen waar dat middelpunt ligt, wordt de juridische, economische en sociale binding met Nederland beoordeeld. In sommige gevallen is een van deze bindingen zo sterk dat deze op zichzelf reeds tot ingezetenschap leidt. In andere gevallen is geen van deze bindingen op zichzelf beschouwd voldoende sterk om tot ingezetenschap te leiden, maar moet op grond van het complex van factoren toch tot ingezetenschap worden geconcludeerd.
Ook van belang bij de beoordeling van de binding met Nederland is de vraag of er een sterke binding met een ander land is. Hoe sterker deze binding hoe eerder er aangenomen wordt dat iemand niet zijn middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland heeft.
Toetsingskader ingezetenschap
Over het algemeen komt het er op neer dat het totaalbeeld van de feitelijke omstandigheden moet uitwijzen of de betrokkene het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland heeft en er daarom sprake is van een persoonlijke band van duurzame aard met Nederland. Deze band wordt na aankomst in Nederland in het algemeen geleidelijk opgebouwd maar kan ook direct aanwezig worden geacht. Hiervoor gelden geen vastgestelde termijnen.
Om te kunnen beoordelen of iemand geacht kan worden in Nederland te wonen, is het van belang dat er tussen de belanghebbende en Nederland een persoonlijke band van duurzame aard bestaat. Deze band komt in het algemeen slechts na verloop van tijd tot stand. Daarbij speelt een aantal omstandigheden een rol, zoals:
• De plaats van het feitelijk hoofdverblijf van de betrokken vreemdeling (al dan niet aanhouden van een woning in het land van herkomst, aard van de woonruimte in Nederland, feitelijk verblijfadres). Waar verblijft hij het merendeel van de tijd? Waar ontvangt hij zijn post?
• Is de vreemdeling naar Nederland gekomen om zich hier blijvend te vestigen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
• Het feitelijk hoofdverblijf van de gezinsleden (partner en schoolgaande kinderen). Verblijven deze in het buitenland? Zo ja, wat is de reden? Zijn er concrete voornemens om het gezin te laten overkomen?
• Juridische binding (aanspraken en verplichtingen op grond van Nederlands recht). Bij de beoordeling van de juridische binding wordt gekeken naar de verblijfrechtelijke status van de persoon. Zijn er juridische verplichtingen en aanspraken jegens instanties of personen hier in Nederland, zoals bijvoorbeeld een vast dienstverband bij een in Nederland gevestigde werkgever? De binding wordt sterker naarmate de zekerheid op voortgezet verblijf in Nederland die een vreemdeling aan zijn verblijfstitel kan ontlenen, groter is.
• Economische binding, met name de mate waarin betrokkene voor zijn levensonderhoud aangewezen is op Nederland (arbeidsverleden, herkomst van reguliere inkomsten). Waar verwerft hij het merendeel van zijn inkomsten? Voorts kunnen de volgende factoren van belang zijn voor het aannemen van economische binding:
- of betrokkene in loondienst in Nederland werkt of een eigen onderneming heeft;
- of betrokkene een eigen (koop- of huur)woning heeft of dat hij bij iemand anders inwoont.
• Sociale binding (feiten waaruit het 'centrum' van iemands maatschappelijk leven blijkt). Neemt de vreemdeling deel aan het verenigingsleven? Heeft hij hier zijn vrienden- en kennissenkring of familieleden? Ook kunnen de volgende factoren een rol spelen:
- of eventuele kinderen van betrokkene hier naar school gaan;
- of het gezin van betrokkene ook in Nederland aanwezig is;
- of betrokkene een Nederlandse taalcursus volgt;
- of betrokkene lid is van een vereniging.
Bijstandsrechten EU-onderdanen
De positie van EU-onderdanen is voor wat betreft het recht op bijstand, als volgt:
Bijstandsrechten van niet-EU-onderdanen
Vreemdelingen die geen EU-onderdaan zijn en die op andere gronden dan asiel zijn toegelaten tot Nederland krijgen op aanvraag - en indien ze daarvoor in aanmerking komen - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Zoals hierboven al staat beschreven, hebben vreemdelingen met een tijdelijke verblijfsvergunning die niet als ingezetene van Nederland kunnen worden beschouwd, geen recht op bijstand. Vreemdelingen die een vergunning tot verblijf hebben en wél Nederlands ingezetene zijn, zijn voor wat betreft het recht op bijstand gelijkgesteld aan Nederlandse ingezetenen. Hier geldt echter dat een beroep op bijstand gevolgen kan hebben voor hun verblijfsrecht. Voorts hebben asielzoekers die nog geen positieve beslissing op hun asielverzoek hebben ontvangen geen recht op bijstand. Toegelaten asielzoekers die zich in een gemeente hebben gevestigd, zijn voor wat betreft het recht op bijstand gelijkgesteld aan Nederlandse ingezetenen en behoren dus wel tot de kring van rechthebbenden van de WWB. Na een verblijf van minimaal 5 jaar op basis van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een vergunning voor onbepaalde tijd. Na verlening daarvan heeft een beroep op de publieke middelen geen gevolgen meer voor het verblijfsrecht.
De IND heeft bij het Koppelingsbureau een mailbox geopend waar medewerkers van sociale diensten vragen over de GBA-codes en de verblijfsstatus van individuele vreemdelingen naar toe kunnen sturen. Dit mailadres is GSDINFO@ind.minjus.nl. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om telefonisch vragen te stellen via de ketenservicelijn, telefoon 070-888 0000 (optie 6). Voor inhoudelijke vragen over bijstandsrechten van vreemdelingen kun je dagelijks van 9.00 tot 12.30 uur terecht bij het Gemeenteloket van het ministerie SZW tel. 070-315 20 10. Je kunt je vraag ook stellen door op de website van het gemeenteloket een formulier in te vullen.
Melding bij het Koppelingsbureau
Als een vreemdeling met een bepaalde GBA-code een beroep doet op de bijstand, dan moet dit gemeld worden bij het Koppelingsbureau. Het tot nu toe gebruikte label 1004 is nog niet beschikbaar in Socrates. Gebruik daarom label 1004 uit Mavim en stuur dit per post naar de IND in Hoofddorp (Postbus 3112 - 2130 KC Hoofddorp).
Voor gemeenschapsonderdanen die een beroep doen op de bijstand heeft het Koppelingsbureau een speciale vragenlijst ontwikkeld. Deze vragenlijst ontvang je per mail en kun je ook per mail weer aan het Koppelingsbureau terugsturen.
De IND koppelt via de GBA-codes terug wat er met de melding van DWI is gedaan. De IND streeft ernaar om binnen drie maanden na melding van een beroep op bijstand de gemeenten en de vreemdeling te informeren over de verblijfsrechtelijke gevolgen. Niet elke wijziging hoeft echter te betekenen dat het recht op bijstand is komen te vervallen. Het recht op bijstand moet dus opnieuw worden beoordeeld wanneer een wijziging van de GBA code wordt geconstateerd.
In de gevallen dat het Koppelingsbureau een melding ontvangt via de mail zal het Koppelingsbureau de gemeente laten weten of een melding wel of niet heeft geleid tot een nader onderzoek naar de gevolgen voor de verblijfsstatus van de betrokken vreemdeling.
DWI ontvangt automatisch bericht van een wijziging van de codes in de GBA. Controleer meteen of de code die gewijzigd is nog steeds recht geeft op bijstand.
Gaat het om een afwijzing van een aanvraag of beëindiging van de uitkering? Volgens de Algemene wet bestuursrecht moet je de klant dan oproepen en horen. Neem dan de volgende stappen:
Let op: roep de klant na een melding van de GBA meteen op. De uitkering wordt niet meteen opgeschort en nooit met terugwerkende kracht beëindigd. De datum van beëindiging moet altijd liggen na de datum op het beëindigingsbesluit.
Het recht op uitkering kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Je wijst de klant er mondeling op dat de aanvraag gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht én je gebruikt de bouwsteen in het toekenningslabel. Doe geen uitspraken over de mogelijke gevolgen. Als de klant daarover meer wil weten, kan hij navraag doen bij de IND.
Wijs bij partnerverlating de klant er altijd op dat hij dit zo spoedig mogelijk moet melden aan de IND en dat men daar vooral niet mee moet wachten, omdat bij partnerverlating de grond van de verblijfsvergunning vervalt. Als de klant te lang wacht om dit te melden bij de IND kan dit tot gevolg hebben dat daar geoordeeld wordt dat de klant al langer weg is bij de partner en daar dus niet meer woont. De IND zou de te late melding als een nieuwe aanvraag kunnen beoordelen en de partnerafhankelijke vergunning niet omzetten naar een zelfstandig verblijfsrecht.
Sinds 1998 verbiedt de “Koppelingswet” het verstrekken van een uitkering aan vreemdelingen zonder verblijfsvergunning. Ook als die klanten wel rechtmatig in Nederland verblijven.
Vóór de invoering van de Koppelingswet hadden alle klanten, die rechtmatig in Nederland verbleven, recht op uitkering. Dus ook zij, die nog geen vergunning hadden, maar slechts in procedure waren voor een vergunning.
Vanaf 1 april 2001 zijn de volgende verblijfsdocumenten in de omloop. Verblijfsvergunningen van het nieuwe type zijn altijd pasjes op “creditcardformaat”. Wanneer een document van een bepaald type niet verenigbaar is met de GBA-code van de klant, is een faxprocedure afgesproken met de IND waarvan de uitslag doorslaggevend is (zie 4.1.2.4 Informatie-uitwisseling met de IND).
Document I, (vbtr), “verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd regulier”
Dit is de meest voorkomende vergunning. Deze vbtr heeft een einddatum.
De bijstand wordt, ondanks die einddatum, voor onbepaalde tijd verleend. De
klant met een tijdelijke verblijfsvergunning moet echter wel tijdig een verlenging
aanvragen bij de VD. Doet de klant dat niet tijdig, dan verandert ook de
GBA-code en dat heeft gevolgen voor het recht op bijstand. Vraagt de klant
wel tijdig verlenging aan, dan verandert de code niet en loopt het recht op
bijstand gewoon door (bij ongewijzigde omstandigheden).
Document II, (votr), “verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd regulier”
Veel voorkomende vergunning, zonder einddatum. Recht op bijstand.
Document III, (vbta) “verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd asiel”
De houder van dit document is een asielzoeker, van wie de aanvraagprocedure voor asiel nog niet is afgerond. Nieuw is dat de asielzoeker met zo'n document recht heeft op vrije vestiging en op alle sociale voorzieningen, zoals die voor Nederlanders en andere vergunninghouders gelden. Bij het recht op sociale voorzieningen hoort ook het recht op bijstand, maar alleen als de GBA-code de verlening van bijstand toelaat. Wijzigt de code in een code die bijstand niet (langer) mogelijk maakt, dan houdt het recht op bijstand na 28 dagen op en moet je de uitkering beëindigen.
Document IV, (vota), “verblijfsvergunning voor onbepaalde
tijd asiel”
De houder van dit document heeft asiel verkregen. Hij heeft recht op bijstand, maar alleen als de code in de GBA de verlening van bijstand toelaat.
Sticker in paspoort
Stickers, aantekeningen, visa e.d. in het paspoort zijn een aanwijzing
dat de houder rechtmatig in Nederland verblijft, maar ze geven nooit zonder
meer recht op bijstand. Daarvoor zijn documenten nodig, waaruit een besluit
tot toelating blijkt en de bijbehorende code in het GBA.
E-document
Zie EU/EER-document. Een EU-paspoort is op zich niet voldoende voor het recht
op bijstand. De klant moet daarvoor een besluit tot toelating bij de IND
aanvragen, zich inschrijven in het GBA en code 28 of 29 hebben.
W-document
Document voor speciale categorieën asielzoekenden (uitstel van vertrek
en/of medische beperkingen). Het W-document is op zich geen vergunning, maar
slechts een ID-bewijs. Het duidt wel op rechtmatigheid van verblijf en in
combinatie met code 33 is dan ook bijstand mogelijk.
Asiel aanvragen gebeurt vrijwel altijd direct bij de aankomst in Nederland. Als iemand duidelijk maakt dat hij of zij asiel in Nederland aanvraagt, dan wordt eerst een “screening” van het verzoek uitgevoerd. Aan de hand daarvan wordt bepaald of het verzoek direct afgewezen kan worden (bijvoorbeeld omdat er eerder al een asielaanvraag is afgewezen) of dat de vreemdeling toegang krijgt tot de procedure.
Wie door de screening komt, verblijft enige tijd in een asielzoekerscentrum of woning van de Centrale Opvang Asielzoekers, een uitvoeringsorgaan van het ministerie van Justitie, kortweg COA. In die fase wordt bepaald of de asielzoeker een (tijdelijke) vergunning krijgt voor de duur van de asielprocedure, de zgn. “verblijfsvergunning bepaalde tijd asiel” (vbta, een document III). Deze vergunning geeft toegang tot alle vormen van sociale voorzieningen en daarmee ook op bijstand, inburgering en begeleiding naar de arbeidsmarkt door DWI.
Amsterdam is één van de gemeentes, die met het Rijk een zgn. “taakstelling” heeft afgesproken over het huisvesten van vluchtelingen met een tijdelijke vergunning. De huisvesting wordt uitgevoerd door de Dienst Wonen en de Amsterdamse woningbouwcorporaties.
Vluchtelingenwerk Amstel aan Zaan, locatie Amsterdam (SVAZ) begeleidt vluchtelingen, die zich in Amsterdam (gaan) vestigen, te beginnen bij de verhuizing uit het asielcentrum naar de toegewezen woning in Amsterdam. Ook na de vestiging in Amsterdam blijft SVAZ in de meeste gevallen een belangrijke steun en bron van informatie voor vluchtelingen. Ook voor wat betreft de inburgering en de begeleiding naar de arbeidsmarkt kan de vluchteling een beroep doen op SVAZ. Daarom kan DWI door SVAZ worden benaderd over het traject van de klant en andersom kan DWI ook SVAZ vragen om over het traject in gesprek met de klant te gaan en DWI een rapportage of advies uit te brengen.
SVAZ geeft de contactgegevens van de begeleider mee bij de aanvraag.
SVAZ biedt geen rechtshulp of andere vormen van juridische dienstverlening. Er zijn andere instellingen aangewezen voor hulp bij een aanvraag, een wijziging of aanvulling op een aanvraag of bij een bezwaar- of beroepsprocedure.
DWI is niet betrokken bij de procedure van verhuizing vanuit de centrale opvang naar een toegewezen woning in Amsterdam. Dit onderdeel van de procedure wordt geheel uitgevoerd en/of gecoördineerd door de Dienst Wonen Amsterdam, waaronder het toewijzen en gebruiksklaar maken van de aangewezen woning, het tekenen van het huurcontract, aanvragen van een krediet voor een woninginrichting en het tekenen van de machtiging tot inhouding, eerste kennisgeving namens het College dat de gemeente borg staat voor aflossing van de lening voor de woninginrichting en de inschrijving GBA.
DWI krijgt pas met de klant te maken na de melding bij het betreffende Werkplein . De procedure is als volgt:
7. Handelingen Werkplein
Lening van GKA
In bijna alle gevallen heeft de vluchteling een lening van de GKA als de vluchteling bij het instroomteam van DWI komt. Voor die lening geldt de zgn. borgstellingsregeling (zie Hoofdstuk 9.7.4 Suppletie voor aflossing aan de GKA en 9.8.2 Schuldhulpverlening). De klant is ingelicht over de borgstelling door collega's bij de Dienst Wonen maar vanuit DWI moet nog een formeel besluit verstuurd worden (zie verderop).
Ziektekostenverzekering
Het vertrek uit de centrale opvang betekent beëindiging van deelname van de vluchteling aan de collectieve ziektekostenverzekering bij de COA. DWI bevordert dat de vluchteling deelneemt aan de collectieve zorgverzekering AGIS voor DWI-klanten. SVA regelt de aanvraag Zorgtoeslag.
Overbruggingsuitkering
De hoogte van de overbruggingsuitkering om niet is maximaal de maandnorm WWB, inclusief de eventuele 20%- 10%- of 5%-toeslag bij een alleenstaande (ouder), minus eventuele eigen middelen en minus de door DW vooruitbetaalde huur over 2-6 weken. Met huur wordt bedoeld de daadwerkelijk betaalde huur en niet het bedrag van de huurnota inclusief administratiekosten. DW betaalt namelijk de huur vooruit over minimaal 2 en maximaal 6 weken, afhankelijk van de dag waarop het huurcontract wordt getekend. DW geeft ten behoeve van DWI een kopie van toekenningsbrief mee aan de klant.
Overdracht vanuit UWV/WERKbedrijf Centrum/Oost
Dienst Wonen stuurt aan de contactpersonen van de Werkpleinen een lijst van asielzoekers die in Amsterdam op dag 8 een uitkering komen aanvragen. De Werkpleinen plannen een afspraak voor een WWB-aanvraag op die dag en geven dit door aan Dienst Wonen. Dienst Wonen nodigt vervolgens de asielzoeker uit. Bij deze uitnodiging stuurt Dienst Wonen een routebeschrijving mee waarop ook het telefoonnummer van het betreffende Werkplein staat vermeld.
De Dienst Wonen heeft in samenwerking met de centrale opvang de klant er op gewezen welke documenten naast legitimatie en verblijfsdocument* nodig zijn voor de WWB-aanvraag door het Werkplein. De volgende documenten moeten worden overlegd:
a. Kopie brief COA einde verblijf/zakgeld (voor zover aanwezig)*
b. Kopie uittreksel GBA **
c. Aanvraagformulier WWB
d. Een klantformulier
e. Indien mogelijk:kopieën bankafschriften met overschrijvingen afgelopen 3 maanden ***
g. Kopie bewijs van inschrijving UWV/WERKbedrijf
h. Overdrachtsformulier UWV/WERKbedrijf aan DWI route B klant
i. Getekende machtiging tot inhouding ten behoeve van Kredietbank
* Als geen COA-verklaring aanwezig is: zie de tweede alinea van de paragraaf Vluchtel inge n en DWI)
** Alle klanten in deze procedure zijn door de IND aangemeld voor uitstroom uit de COA en dus kan worden aangenomen dat een verblijfsvergunning is verleend. Als in GBA nog steeds een afwijkende code staat vermeld, dan is dat geen reden om de aanvraag af te wijzen. Licht wel de IND in op de gebruikelijke manier (fax). Het is natuurlijk een andere zaak als uit de GBA-codes blijkt dat onlangs een vergunning is verleend maar die is gewijzigd of inge trokken. Voor klanten buiten deze procedure gelden de gebruikelijke regels, zie hieronder “Klant die zelf een woning regelt”.
*** De bank- of girorekening van de klanten zijn meestal nieuw en vaak minder dan 3 maanden oud. De klanten hebben geen beschikking over afschriften van het zakgeld, dat de COA heeft uitgekeerd (in contanten).
De melding bij UWV/WERKbedrijf-Centrum/Oost is formeel de aanvraag WWB. Het overdrachtsdossier wordt door UWV/WERKbedrijf-Centrum/Oost verzonden naar het team in het gebied van het nieuwe adres van de nieuwkomer. Het team bij DWI moet nu met voorrang de aanvraag afhandelen.
Klant die zelf een woning regelt
Een houder van een tijdelijke asielvergunning heeft dezelfde rechten als een Nederlander of iedere andere vreemdeling met een vergunning. Dat betekent dat hij of zij zich vrij mag vestigen in Nederland en een beroep mag doen op alle sociale voorzieningen. Vluchtelingen in de asielcentra kunnen kiezen voor begeleide huisvesting in een gemeente van keuze, maar zij kunnen ook bij familie of vrienden intrekken of een woning kopen of huren. In dat geval gelden verder alle gebruikelijke regels rond huisvesting en een eventueel beroep op de bijstand. De afhandeling van aanvragen verloopt dan zoals bij alle andere klanten via UWV/WERKbedrijf op het Werkplein in het stadsdeel, waar de klant is gaan wonen.
De Pardonregeling asielzoekers is bedoeld om de nalatenschap van de oude
Vreemdelingenwet versneld af te wikkelen. Het gaat om vreemdelingen die vóór 1 april 2001 een eerste asielaanvraag hebben ingediend of zich daarvoor hebben gemeld bij de IND of de Vreemdelingenpolitie. Zij moeten aantonen dat zij in 2006 in Nederland hebben verbleven. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan krijgen zij een verblijfsvergunning, tenzij een contra-indicatie op hen van toepassing is (zoals een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid). Ook gezinsleden kunnen in aanmerking komen voor de Pardonregeling. In alle gevallen beslist de IND of de vreemdeling aan de voorwaarden voldoet en een verblijfsvergunning op grond van de Pardonregeling krijgt.
Verwacht wordt dat het aantal Amsterdamse nieuwe vergunninghouders 1500 zal bedragen.
Een pardonklant herken je aan de verblijfsvergunning. Op de voorkant staat 15 juni 2013 en op de achterkant ‘Speciale regeling 2007' . De vergunning is geldig tot 15 juni 2013.
Pardonklanten worden door Stichting Vluchtelingenwerk aangemeld bij UWV WERKbedrijf Centrum/Oost. Een medewerker van UWV verwijst de pardonklant met een begeleidend schrijven naar het desbetreffende Werkplein. Als de pardonklant over een vergunning beschikt, geldt de meldingsdatum van Stichting Vluchtelingenwerk als ingangsdatum van de bijstand.
De meeste pardonklanten zijn dakloos of hebben een adresprobleem. Voor pardonklanten geldt de volgende werkwijze:
- Pardonklanten die dakloos zijn of op 2 of meer adressen verblijven, worden door het Team Bijzondere Doelgroepen afgehandeld.
- Pardonklanten met een adresprobleem (klanten die zich niet kunnen inschrijven op het adres waar zij verblijven) worden afgehandeld door de Werkpleinen. Als de hoofdbewoner weigert een hoofdbewonersverklaring af te geven, is dit geen reden om geen postadres toe te kennen.
Let op: Vraagt de pardonklant bijvoorbeeld aan op Werkplein West en tijdens de afhandeling van de aanvraag wijzigt zijn adres, dan dient Werkplein West de aanvraag af te handelen voordat het dossier naar het andere Werkplein wordt gestuurd.
De pardonklant mag 3 maanden na toekenning van de uitkering gebruik maken van het postadres. Zodra de uitkering is toegekend, meldt Stichting Vluchtel inge nwerk de pardonklant aan bij de Dienst Wonen. Dienst Wonen bemiddelt de pardonklant direct naar een woning. Hij mag deze woning niet weigeren.
Klant weigert de aangeboden woning
Weigert de pardonklant de aangeboden woning dan krijgt hij geen ander aanbod. Hij moet dan zelf een woning zoeken. DWI doet vervolgens een onderzoek naar de feitelijke woonsituatie waaronder een huisbezoek. De uitslag van dit onderzoek kan zijn dat klant geen recht heeft op een uitkering.
Verlenging postadres
Heeft Dienst Wonen in deze 3 maanden nog geen woning aangeboden, dan wordt het postadres nog één keer met 3 maanden verlengd.
Identiteitsherstel
Er zijn nog een aantal Pardonklanten bij wie nog een onderzoek loopt, het zogeheten identiteitsherstel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld een onjuiste geboortedatum of initialen. Gedurende het identiteitsherstel moet de Dienst Persoonsgegevens (DPG) nog een aantal handel inge n verrichten. De Pardonklant moet zich met zijn juiste gegevens melden bij DPG, waarna inschrijving in GBA volgt. Voor de meeste van deze Pardonklanten geldt dat zij nooit eerder inge schreven waren in het GBA. Gedurende het identiteitsherstel kunnen deze Pardonklanten tijdelijk (bijvoorbeeld voor 1 maand) een postadres krijgen bij het IJsbaanpad.
Aandachtspunt vakantie
Dienst Wonen heeft de opdracht om alle pardonklanten in 2009 te huisvesten. Dit betekent dat zodra de pardonklant een uitkering heeft, een zelfstandige woning wordt aangeboden. Dit aanbod kan binnen enkele weken maar ook binnen enkele maanden plaatsvinden. Het is daarom belangrijk dat de pardonklant niet op vakantie gaat voordat hij gehuisvest is, tenzij hij bijvoorbeeld i.v.m. overlijden van een familielid naar het buitenland moet. Wijs klant er op dat hij niet naar het buitenland gaat.
Verblijft klant toch in het buitenland geef dit dan door aan Stichting Vluchtel inge nwerk (SVA) Jacqueline Mulders, telefoonnummer 020- 5205 630. Algemeen telefoonnummer Stichting Vluchtel inge nwerk: 020- 627 77 45.
Aandachtspunt aanvragers uit andere gemeentes
Pardonklanten die uit een andere gemeente komen, hebben in principe geen recht op huisvesting. Iedere gemeente heeft namelijk een taakstelling wat huisvesting betreft. Meldt zich bijvoorbeeld iemand uit Rotterdam of Breda, dan is die gemeente verantwoordelijk voor de huisvesting (en dus ook voor een uitkering). Met Dienst Wonen en Stichting Vluchtelingenwerk is afgesproken dat als zo'n situatie zich voordoet eerst contact moet worden opgenomen met beide hierboven genoemde instanties.
Voor pardonklanten geldt een andere werkwijze wat het huisbezoek betreft. Afgesproken is dat als de pardonklant inwoont bij een DWI-klant de toeslag van deze laatste niet meteen wordt verlaagd. Doel van het huisbezoek is slechts om vast te stellen of de pardonklant een
relatie heeft met de DWI-klant, waardoor er geen recht op bijstand bestaat. Voor extra informatie kunnen Harrie Bodaar (4907) en Milco Tielenburg (5297), Handhaving Centrum-Oost worden benaderd.
Zie ook 4.1.6.2 Postadres onder het kopje Klant weigert de aangeboden woning.
De gemeente (Dienst Wonen) heeft de taak de pardonklant in de periode 2007-2010 binnen de gemeente aan woonruimte te helpen. Vestigt de vreemdeling zich in deze periode in een zelfstandige woning, dan worden de kosten van de eerste maand huur en de borg door de Dienst Wonen vergoed.
Voor een complete of gedeeltelijke woninginrichting moet een lening worden afgesloten bij de Gemeentelijke Kredietbank. Stichting Vluchtel inge nwerk vraagt de lening aan bij GKA.
Hierbij geldt (alleen voor de pardonklanten) het volgende:
Raak: Vul voor elke pardonklant in RAAK bij klanttypering -> Pardonregeling in en sluit af. Op die manier kan DWI de pardonklanten volgen wat betreft de uitkering, stagevergoeding, aan het werk etc.
Inburgering: Alle pardonklanten moeten worden aangemeld voor inburgering.
Als de relatie tussen kind en ouder verstoord is, kan het kind weglopen of komt de ouder zijn wettelijke onderhoudsplicht niet of niet geheel na. Dit zijn dringende redenen (art. 16 WWB) om bijstand te verstrekken aan personen jonger dan 18 jaar.
Er moet sprake zijn van een acute noodsituatie en de minderjarige klant moet geen andere mogelijkheden hebben om in zijn eigen onderhoud te voorzien.
Eventuele bijstandsverlening moet zo kort mogelijk duren, om te voorkomen dat dit tot een vorm van structurele bijstand leidt.
Maatregelen van justitiële kinderbescherming zijn altijd het gevolg van een beslissing van de kinderrechter. Veel voorkomende maatregelen van justitiële kinderbescherming zijn:
Een maatregel van justitiële kinderbescherming leidt er vaak toe dat de minderjarige uit huis wordt geplaatst. Afhankelijk van de aard van de maatregel en van waar de minderjarige wordt geplaatst, zorgen de volgende instanties voor de noodzakelijke bestaanskosten van de minderjarige:
Soms is er wel een maatregel van justitiële kinderbescherming, maar is er geen voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten van de minderjarige. Dan kun je op grond van dringende redenen bijstand verlenen.
Maatregelen van justitiële kinderbescherming eindigen zodra de jongere de 18-jarige leeftijd bereikt. Onderzoek dan de feitelijke situatie van de jongere voordat je de bijstand voortzet: gaat de jongere nog naar school? Is er recht op bijstand of WTOS?
Een crisissituatie kan een dringende reden zijn om bijstand te verlenen. Wat is een crisissituatie?
Er is geen sprake van een crisissituatie bij “normale” relatieproblemen die tussen ouder(s) en kind van die leeftijd wel meer voorkomen.
De aanvrager moet dus aantonen of aannemelijk maken dat hij in een crisissituatie verkeert of dreigt te raken. Pas dan kun je afwijken van artikel 13 lid 1 sub e WWB (geen recht op bijstand voor een persoon jonger dan 18 jaar). Op grond van artikel 16 WWB (dringende redenen) kun je dan bijstand verlenen.
Je kunt over een periode van 30 dagen bijstand aan de minderjarige wegloper verlenen. Gedurende deze periode moet je (laten) onderzoeken:
Als justitie een maatregel heeft getroffen, wil dit nog niet zeggen dat er voorzien is in de kosten van levensonderhoud. Is dit niet geregeld, overweeg dan om bijstand te verlenen.
Verstuur van het besluit tot bijstandsverlening een afschrift naar de ouders/verzorgers. Zij zijn immers onderhoudsplichtig voor het kind. Blijkt na de 30 dagen termijn dat er op geen enkele manier in de kosten van levensonderhoud van de jongere is voorzien? Beoordeel dan of de bijstand moet worden voortgezet.
Blijkt na de 30-dagen termijn uit het onderzoek dat de bijstand ten onrechte is verstrekt? Verhaal die bijstand dan op de onderhoudsplichtigen (de ouders, verzorgers).
Aanvraag
Als een weggelopen minderjarige zich meldt, speelt een van de volgende
situaties:
Bureau Jeugdzorg stelt de crisissituatie vast en onderzoekt of er sprake is van een justitiemaatregel met of zonder financiële vergoeding. Daarnaast begeleidt deze instelling de jongere, afhankelijk van de individuele situatie, naar projecten voor begeleid wonen. Voor begeleid wonen kan de minderjarige een aanvraag bijzonder bijstand doen, onder supervisie van de instelling.
Onderzoek
Onderzoek in de eerste periode van 30 dagen na de intake:
Is de jongere weggelopen uit een tehuis of pleeggezin? Neem dan contact op met dit tehuis of pleeggezin, tenzij dat op grond van de verkregen informatie niet gewenst of noodzakelijk is.
Besluit aan de ouders
De ouder(s) van de minderjarige wegloper ontvangen een kopie van het toekenningsbesluit
van bijstand aan het kind.
Let op: houd er rekening mee dat het niet wenselijk kan zijn dat de ouders het adres van de minderjarige kennen. De ouders ontvangen in ieder geval een eigen besluit waarin het adres van de jongere is weggelaten.
De ouders krijgen de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de bijstandsverlening aan het kind. De ouders zijn immers verplicht in het onderhoud van hun kind te voorzien en moeten hiertoe in staat worden gesteld, voordat de (nog te verstrekken) bijstand op hen wordt verhaald.
Als de minderjarige wegloper in aanmerking komt voor bijstand, neem dan als uitgangspunt de norm voor 18- tot en met 20-jarigen. Trek hiervan af wat voor de jongere is ontvangen aan gelden zoals:
Ga hierbij wel in alle redelijkheid na of de ouders de ontvangen gelden ook willen afstaan of aanwenden voor de minderjarige.
Weigeren de ouders dat? Dan is het niet redelijk om de bedragen in mindering te brengen op de bijstand.
Gaan de noodzakelijke bestaanskosten van de minderjarige wegloper uit boven de bijstandsnorm? Verstrek dan ter aanvulling op de norm bijzondere bijstand. Het moet dan wel duidelijk en aannemelijk zijn dat de minderjarige geen beroep op de ouders kan doen. Voor de werkwijze en rekenregels bij aanvullende bijzondere bijstand zie hoofdstuk 9 Bijzondere Bijstand
Is het aannemelijk dat de wegloper een gezamenlijke huishouding met iemand voert? Verleen dan alleen bijstand als “gezinsbijstand” als:
Is de crisissituatie vastgesteld en moet de “erkende” minderjarige
wegloper zelfstandig wonen? Verleen dan bijstand voor de noodzakelijkste
kosten van woninginrichting als de jongere niet over de middelen beschikt.
De
hoogte van deze bijstand sluit aan bij het bedrag dat het ministerie van
Justitie maximaal verleent aan een uit huis geplaatste minderjarige met een
maatregel van justitiële kinderbescherming die begeleid
of zelfstandig op kamers gaat wonen.
Staat de jongere onder toezicht van Bureau Jeugdzorg en gaat hij zelfstandig op kamers wonen? Dan ontvangt hij een eenmalig bedrag van
€ 318,- voor de kosten van woninginrichting. Het uitgangspunt hierbij is de inrichting van een kamer met het hoogst noodzakelijke. Overige zaken zoals een keuken worden vaak gedeeld. De jongere ontvangt van het ministerie maandelijks leefgeld waaruit hij kan sparen voor de aanschaf van overige duurzame goederen.
Ook een jongere die bijstand ontvangt en zelfstandig op kamers gaat wonen, ontvangt een eenmalig bedrag van € 318,- voor de kosten van woninginrichting.
Deze bijstand wordt om niet verstrekt. Neem voor nadere informatie over de hoogte contact op met Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam. De bedragen worden vaak geïndexeerd.
Als een schoolgaande wegloper onder de 18 jaar bijstand ontvangt, zijn de studiekosten soms niet of slechts gedeeltelijk gedekt doordat de ouders niet bereid zijn een financiële bijdrage te leveren. Je kunt dan de werkelijke kosten voor boeken/leermiddelen en de onderwijsbijdrage vergoeden in de vorm van bijzondere bijstand.
Is er een justitiële maatregel van kracht? Het Ministerie
van Justitie vergoedt ook deze studiekosten (naast het leefgeld).
Algemeen
Studerenden zijn in principe uitgesloten van bijstand. Zij kunnen doorgaans
een beroep doen op de voorliggende voorzieningen:
Kan een studerende hier geen beroep op doen, dan heeft hij alleen in bijzondere situaties recht op bijstand.
WTOS
De Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
(WTOS) bevat regelingen voor de volgende categorieën leerlingen:
Of de jongere in aanmerking komt voor tegemoetkoming volgens de WTOS hangt af van:
Hoe hoger het inkomen van de ouders, hoe lager de bijdrage. Voor nadere informatie over de WTOS zie Sociaalinfo.
WSF
De Wet op de studiefinanciering (WSF) is een toereikende
voorliggende voorziening. Studeren kost geld. Omdat de overheid vindt dat
geld geen drempel mag zijn, hebben studerenden van 18 tot 27 jaar die een
voltijdse dagopleiding volgen in het hoger onderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs,
recht op studiefinanciering. Dat geldt ook voor kinderen van EU-werknemers
en vluchtelingen met een status. Studenten uit EER-landen (de 15 EU-landen,
IJsland, Noorwegen en Liechtenstein) hebben recht op een tegemoetkoming van
het collegegeld.
Hardheidsclausule
De overheid verwacht wel dat ouders meebetalen aan de opleiding van hun
kinderen. Weigeren ouders om een bijdrage te leveren aan de studiefinanciering,
dan kunnen studerenden een beroep doen op de hardheidsclausule weigerachtige
ouders. De studerende moet dan de Raad voor de Kinderbescherming inschakelen
om een rechterlijke maatregel te vragen. Gedurende deze procedure heeft de
aanvrager geen recht op bijstand.
Sinds 1 september 2003 is het verbod op het volgen van een HBO- of WO-studie met behoud van uitkering opgeheven.
Scholing op eigen initiatief
Bij niet noodzakelijke scholing (op eigen initiatief) gelden
de volgende voorwaarden:
De WTOS is voor sommige scholieren of ouders van scholieren geen toereikende, voorliggende voorziening. Zij moeten voor een aanvulling op hun inkomen een beroep doen op de bijzondere bijstand.
Het gemeentelijk beleid stelt hier als voorwaarde dat het volgen van de opleiding noodzakelijk is. Bij doorstromers (scholieren die al een diploma voortgezet onderwijs hebben) is deze noodzaak in eerste instantie niet aanwezig.
Zelfstandig wonende scholieren van 18 tot en met 20 jaar
Een beroep op de bijstandswet is de enige mogelijkheid voor aanvulling
op de kosten van levensonderhoud:
Voor deze scholieren is aanvulling alleen mogelijk met toepassing van artikel 12 WWB (bijzondere bijstand). Sluit aan bij de bestaande regeling voor aanvullende bijstand voor jongeren, zie hoofdstuk 9 Bijzondere bijstand. Het bedrag van de WTOS ligt boven de norm van artikel 20 lid 1 onder a WWB. Bereken daarom de bijstand als volgt:
+ toepasselijke bijstandsnorm artikel 20 WWB inclusief vakantietoeslag
+ standaardaanvulling (25% of 30% van de gehuwdennorm inclusief vt)
- basistoelage WTOS
= aanvullende bijzondere bijstand voor een WTOS-jongere inclusief vt
Je kunt de bijstand hoger of lager vaststellen als individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven.
De overige regels, zoals die voor het vaststellen van de noodzaak van het uitwonend zijn en de regels rond verhaal op ouders, blijven onverkort van toepassing.
Gezien de vastgestelde noodzaak tot het volgen van voltijdonderwijs worden de verplichtingen van artikel 9 WWB (arbeidsvoorwaarden) niet opgelegd.
De alleenstaande ouder wordt voor de WWB beschouwd als alleenstaande vanaf het moment dat het laatste kind dat hem ten laste kwam 18 jaar wordt en WTOS/ WSF ontvangt.
Voor deze situatie is er een aanvulling voor voormalige alleenstaande ouders. AIs het laatste ten laste komend kind WTOS ontvangt, vul dan bij het berekenen van de toeslag voormalig alleenstaande ouder, de basistoelage van de WTOS in als “inkomen kind”. Zie voor de berekening § 9.7.1 Aanvulling voor voormalige alleenstaande ouders
Jonge alleenstaande asielzoekers met een vaste verblijfsstatus (zogenaamde ex-AMA's) kunnen vanaf hun 18e jaar een beroep doen op bijstand. Veel van deze jongeren zijn schoolgaand en volgen vormen van onderwijs waarbij studiefinanciering mogelijk is.
De studiefinanciering biedt niet altijd volledig uitkomst, reden waarom sommigen een beroep op (aanvullende) bijstand doen. Voor die aanvragen zijn regels vastgesteld.
Tot hun 18e jaar vallen AMA's onder de voogdij van de Opbouw. De Opbouw betaalt aan hen voogdijgeld. Deze betalingen stoppen op de dag dat de jongere 18 jaar wordt.
Studiefinanciering (WSF en WTOS) gaat pas in op de eerste dag van het volgende kwartaal, of met ingang van het nieuwe school- of studiejaar.
Voor de overbrugging heeft de jongere recht op algemene plus aanvullende bijzondere bijstand, net zoals andere werkzoekende jongeren. De arbeidsverplichtingen van artikel 9 WWB zijn niet van toepassing.
Je kunt een vergoeding bijzondere bijstand geven die even hoog is als de tegemoetkoming in de directe studiekosten (volgens de WTOS). Deze bijstand staat los van de aanvulling bijzondere bijstand op de norm.
Soms moet een jongere langer wachten voor de studiefinanciering ingaat. Afhankelijk van de status van de jongere kan het recht op studiefinanciering zelfs pas 3 jaar na verblijf in Nederland ingaan. Met een beroep op de hardheidsclausule kan de jongere proberen een eerdere ingangsdatum te krijgen. Zolang dat niet lukt, is bijstand mogelijk zoals hiervoor beschreven.
Kosten van levensonderhoud als aanvulling op WTOS
Ex-AMA's kunnen niet op ouders terugvallen. Om die reden is in 1997 besloten
dat voor hen de basistoelage van de WTOS met bijzondere bijstand kan worden
aangevuld.
De klant krijgt dan wel een tegemoetkoming in de directe studiekosten via de WTOS. De bijzondere bijstand voor deze kosten komt dan te vervallen.
Lange tijd bestond er onduidelijkheid over de vraag of de algemene onkostenvergoeding voor het volgen van scholing op deze groep van toepassing is. Deze onkostenvergoeding is bedoeld voor meer arbeidsmarktgerichte scholing. Ex-AMA’s komen niet in aanmerking voor de algemene onkostenvergoeding voor het volgen van scholing.
Reiskosten zijn een reëel probleem. Op welke school een ex-AMA terecht kan, hangt af van zijn opleidingsniveau en de aanwezigheid van een daarbij passende internationale schakelklas. Zo kan de ex-AMA ver van zijn woonadres op school zitten. In dit geval kun je het reizen met het openbaar vervoer over meerdere zones vergoeden.
Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 kwam een bijzondere uitkering tot stand. Deze Rijksgroepsregeling Gerepatrieerden verstrekte uitkeringen aan mensen die uit het gebied afkomstig waren. Na verloop van tijd is deze regeling afgeschaft. Daarbij werd de bestaande situatie “bevroren”: tot de komst van de vorige bijstandswet betaalde het Rijk de uitkeringen rechtstreeks. Na 1 januari 1996 is de uitkering voortgezet als bijzondere bijstand.
Het gaat om zeldzame gevallen (enkele tientallen in Amsterdam). Nieuwe aanvragen kunnen niet meer worden gedaan. De betaalde bedragen worden niet geïndexeerd.
Boek deze betalingen onder componentcode 166.
Onder personen die werkzaam zijn als prostitué(e) worden nadrukkelijk zowel mannen als vrouwen gerekend.
Van wie als prostitué(e) werkzaam is, kun je niet zonder meer veronderstellen dat hij in de eigen bestaanskosten kan voorzien. Onderzoek eerst welke omvang de werkzaamheden en de verdiensten hebben.
De aanvrager van bijstand die in de prostitutie werkzaam is, moet zich in ieder geval hebben aangemeld bij de belastingdienst en moet beschikken over een BTW-nummer. De aanvrager kan daartoe een schriftelijk verzoek indienen bij:
Belastingdienst
Ondernemingen, Amsterdam 2
Postbus 58977
1040 EJ Amsterdam
Prostitutie wordt beschouwd als ieder ander vrij beroep, zoals fotograaf, muzikant enz. Er kan dus sprake kan zijn van het verrekenen van (incidentele en/of hoge) inkomsten. Of de aanvrager kan een beroep doen op de regeling werkzaamheden op bescheiden schaal. Zie 6.2.4 Werkzaamheden op bescheiden schaal
Is de omvang van de werkzaamheden en/of de hoogte van de verdiensten zodanig dat er geen sprake meer is van “werkzaamheden op bescheiden schaal”? Laat de klant dan een keuze maken: staken van de werkzaamheden of de werkzaamheden terugbrengen tot bescheiden schaal. Je kunt de klant ook verwijzen naar de het Team Zelfstandigen.
Verzoekt de aanvrager om bijstand in een periode waarin de werkzaamheden niet voldoende inkomsten opleveren, toets dan het inkomen over een langere periode. Hierbij onderzoek je of de aanvrager had moeten reserveren.
Ook voor prostitué(e)s gelden de gebruikelijke verplichtingen van artikel 9 WWB. De klant moet solliciteren. Gelet op het bijzondere karakter van de werkzaamheden, kun je de prostitué (e) niet vragen om de werkzaamheden uit te breiden. Ook als de klant de werkzaamheden in de prostitutie wil beëindigen, mag je niet vragen om deze werkzaamheden voort te zetten.
Onthoud je van een oordeel over de werkzaamheden van een klant die als prostitué(e) werkt.
Door de Tweede Wereldoorlog in Europa en in voormalig Nederlands-Indië zijn er verschillende groepen oorlogsgetroffenen in de Nederlandse samenleving:
Het gaat hier om een kwetsbare groep klanten.
Er zijn specifieke instellingen en regelingen voor deze groepen zoals het “buitengewoon pensioen” voor verzetsdeelnemers. De uitkeringsregelingen hebben met elkaar gemeen dat het moet gaan om lichamelijke of psychische klachten, die gerelateerd zijn aan of terug te voeren zijn op de Tweede Wereldoorlog of de politionele acties in Nederlands-Indië. Soms komen ook “tweede en derde generatie” oorlogsgetroffenen in aanmerking voor uitkeringen, tegemoetkomingen of vergoedingen.
Het voert te ver om hier in te gaan op iedere wet afzonderlijk. Bovendien komt het zelden voor dat deze klanten een beroep doen op de bijstand. Gebeurt dat wel, hanteer dan de volgende uitgangspunten:
Neem voor inlichtingen contact op met:
Stichting ICODO
Maliebaan 83
3581 CG Utrecht
Tel: 030-2343436
Fax: 030-2369037
e-mail: icodo@icodo.nl
website : http://www.icodo.nl
Ziektekosten voor personen, die niet of onvoldoende verzekerd zijn, komen niet in aanmerking voor bijstandsverlening. Ook niet bij zeer dringende redenen (art. 16 WWB). Wanneer iemand zonder adequate ziektekostenverzekering wordt opgenomen in een ziekenhuis, is de betrokkene zelf verantwoordelijk voor het betalen van de rekening. Voor de ontstane schuld kan geen bijstand worden verleend (artikel 13 lid sub f WWB).
In de volgende hoofdstukken worden klantgroepen beschreven op wie soms een ander beleid van toepassing is. De beleidsuitzonder inge n worden hier beschreven. Verder gelden de reguliere beleidsvoorschriften.
Gezien de bijzondere categorieën, die in deze hoofdstukken worden behandeld, is een deugdelijke rapportage van extra groot belang. Alleen op basis daarvan kun je immers tot een besluit komen om algemene of bijzondere bijstand te verstrekken of de aanvraag af te wijzen.
Bij het onderdeel vreemdel inge n zal er in de rapportage geen sprake zijn van bijzondere omstandigheden van de aanvrager. Bij deze groep mag juist niet worden afgeweken van de algemene regel “geen vergunning, geen geld”.
Aangewezen gemeente
Het Rijk heeft een aantal gemeenten bij besluit aangewezen om de bijstandsverlening aan daklozen uit te voeren. Amsterdam is zo'n “centrumgemeente”. Andere aangewezen gemeenten in de regio zijn Zaanstad en Haarlem.
Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit WWB 2007)
1. |
Voor de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens worden aangewezen: |
|
a. |
de gemeenten opgenomen in de bijlage onder A van het Besluit maatschappelijke ondersteuning , en |
|
b. |
de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid . |
|
| 2. | De bijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend door het college van de gemeente waar de belanghebbende zich op het moment van zijn aanvraag bevindt. |
Voor daklozen is niet geregeld welke gemeenten door de centrumgemeenten moeten worden bediend. Gemeenten die geen centrumgemeente zijn, verwijzen daklozen naar een van de centrumgemeenten. Dat zal in de praktijk de dichtstbijzijnde zijn. Op het moment dat de dakloze zich bij het loket van de centrumgemeente meldt, verblijft hij in die gemeente.
Let op: een dakloze klant mag van de ene centrumgemeente naar de andere “verhuizen”. De klant heeft daarin een keuzevrijheid.
Daarnaast speelt de zogenaamde Regiobinding. De regels hieromtrent luiden:
Een klant moet in een periode van 3 jaar tenminste 2 jaar binding hebben met een gemeente om recht te kunnen doen gelden op maatschappelijke opvang (MO). De MO bepaalt dit. Als er geen recht is, dan leidt MO de klant terug naar de betreffende regio. Het terugleiden naar het buitenland doet de GGD.
Gedurende de periode (in principe binnen 4 weken na aanmelding) dat de klant in afwachting is van overdracht, biedt de centrumgemeente onderdak, zorg, begeleiding en inkomensvoorziening aan de klant. Dit betekent dat DWI de uitkering beëindigt op de dag van terugkeer naar de eigen regio.
Iedere klant moet zich inschrijven in GBA (bevolkingsregister) op het adres waar hij woont. In de WWB is dat vastgelegd in Artikel 40. Woonplaats en adresgegevens, lid 1.
De RVE Bijzondere Doelgroepen (BD), gevestigd op het IJsbaanpad, bestaat uit 2 klantenteams, die de bijstands- en re-integratietaken voor deze groep klanten verricht. Een 3e klantenteam is gevestigd op Flierbosdreef.
Daarnaast hebben we de afdeling FIBU die de financiële dienstverlening verzorgt (budgetbeheer) aan daklozen en problematisch verslaafden en mensen die onder begeleiding zelfstandig wonen. FIBU heeft deze taak overgenomen van instellingen als HVO, Jellinek en het Leger des Heils.
Klanten van BD zijn (centrum)gemeentebreed alle daklozen, thuislozen (onderdak in pensions enz.), verslaafden en psychiatrische (OGGZ) klanten die onder de “veldregie” vallen, ex-prostituees, klanten van vrouwen- en mannenopvang (Blijfgroep), klanten die op meerdere adressen slapen en dus feitelijk zwervend zijn, ex-gedetineerden zonder adres of met een adresprobleem en klanten die onder de ISD-maatregel vallen (Instelling Stelselmatige Daders (zie 4.10.8)).
De formulering van de bijzondere doelgroepen heeft ook betekenis voor de klanten met een adresprobleem (zie 4.8.3.1 Briefadres (Postadres) ) en de wijze van screenen (zie 4.8.1.1 Screenen).
Op het moment van publicatie van de Uitvoeringsvoorschriften was het onzeker waar de screening van daklozen zou plaatsvinden. Bij het Instroomhuis of bij de Bijzondere Doelgroepen. Daarom zijn beide procedures opgenomen. Zo gauw er duidelijkheid is wordt hiervan via de email mededeling gedaan.
Bij Instroomhuis
Screenen gebeurt in het Instroomhuis. In het instroomhuis wordt bepaald of iemand wordt toegelaten tot de maatschappelijke opvang en of iemand dakloos is. Het instroomhuis is een samenwerkingsverband tussen DWI, HVO-Querido en Leger des Heils voor daklozen.
Gescreend wordt op meervoudige problematiek. Er moet altijd sprake zijn van dakloosheid, in combinatie met een ander probleem, bv. OGGZ of inkomen. In het Instroomhuis wordt ook de aanvraag om bijstand in behandeling genomen. De verblijfsduur in het Instroomhuis is maximaal 6 weken. Daarna wordt voor de klant een andere opvang geregeld en wordt hij overgedragen aan een team van BD op het IJsbaanpad of aan het Werkplein indien de klant een vast adres heeft gekregen.
Een klant die op meerdere adressen verblijft, wordt beschouwd als een dakloze. Omdat deze klant wel onderdak heeft, behoort hij niet tot de doelgroep van het Instroomhuis. Deze klant wordt doorverwezen naar BD (zie verder 4.8.3 Klanten op verschillende adressen ).
Een klant met een adresprobleem (zie 4.9 Adresprobleem (1 adres) ) wordt doorverwezen naar het Werkplein van het adres waar de klant woont en behoort niet tot de doelgroep van het Instroomhuis en BD.
Met betrekking tot de werkwijze van screenen door het Instroomhuis, wordt verwezen naar het geïntegreerde proces op de website van BD.
Bij Bijzondere Doelgroepen
BD heeft ook tot taak het screenen (beoordelen) van personen. BD bepaalt of:
BD let op uiteenlopende feiten en omstandigheden. Bijvoorbeeld het gebruik van voorzieningen voor daklozen, passantenverblijven of stoelenproject, of het slapen op straat.
Als BD na het screenen van mening is dat de klant niet tot de doelgroep van BD behoort, dan wordt de klant verwezen naar het Werkplein van het verblijfsadres. BD legt de woonsituatie vast in een gespreksbevestiging, die de klant mede ondertekent. Vervolgens wordt de klant met een kopie van die bevestiging doorverwezen naar het team van het Werkplein dat de aanvraag in behandeling moet nemen.
Let op: als BD iemand verwijst naar een Werkplein, dan is die klant beoordeeld als niet dakloos en ook anderszins niet tot de doelgroep van BD behoort. Daarmee is iemand dus klant van de aangewezen regio geworden. Noteer bij de verwijzing een datum op de verwijsbrief, zodat een klant zich niet pas maanden later, na een gewijzigde situatie, meldt op het Werkplein. Het Werkplein mag de klant niet terugverwijzen naar BD of doorverwijzen naar een andere regio. De klant mag alleen terug naar BD na overleg met, en met toestemming van BD. Bijvoorbeeld als BD vaststelt dat de situatie van de klant is veranderd in dakloosheid.
Bij de intake wordt aan de klant het zogenaamde 10 dagen formulier meegegeven. Daarop dient hij aan te geven waar hij de afgelopen 10 dagen heeft geslapen. Als de klant tot de doelgroep van BD behoort en hij recht heeft op bijstand, dan ontstaat dat recht vanaf de intakedatum.
De verplichting van de klant om vijf dagen op bepaalde dagen en tijden aanwezig te zijn op de door hem aangegeven locaties, is inmiddels losgelaten, conform de aanbeveling van de Gemeentelijke Ombudsman.
Algemeen
Een al te strikte toepassing van regels op klanten die tot de Bijzondere Doelgroep behoren, leidt vaak onnodig tot opschorten of beëindigen van een uitkering. Voorbeeld: ontbreken of te laat ontvangen van giroafschriften. In zijn algemeenheid geldt voor alle klanten van DWI dat maatwerk vereist is, binnen de daarvoor gestelde kaders. Voor de klanten van BD geldt dit nog eens extra. BD opereert in een veld van vele spelers die allemaal hetzelfde belang dienen, namelijk dat van de klant, maar ook het voorkomen van problemen in de samenleving. DWI en in het bijzonder BD werkt er aan mee dat deze problemen zoveel mogelijk worden bestreden. De samenwerking met onze partners in het ‘veld' is daarop gericht en voorziet voor alle doelgroepen in een sluitende aanpak van wonen, zorg en inkomen uit werk of uitkering. Niet alle (potentiële) klanten laten zich makkelijk in dit keurslijf stoppen. Zo is er nog steeds een flink aantal ‘zorgmijders' waarvoor het van belang is dat zij zo goed en zo snel mogelijk gebruik gaan maken van de voorzieningen. BD heeft dan ook de uitzonderlijke doelstelling om instroom te bevorderen. Uiteindelijk moet iedereen een dak boven zijn hoofd hebben en op een of andere manier participeren in de maatschappij.
Maatwerk leveren kan niet alleen door interpretatie van regels. Het is met name van belang de klant goed te kennen om zodoende te weten wat voor hem het beste is. Daarvoor hebben we onze partners in het veld nodig. Het is daarbij nadrukkelijk de taak van de klantmanager van BD om contacten te onderhouden met het veld en op grond van verkregen informatie (bv. reden van verzuim) te handelen.
Zodoende valt beter in te schatten waarom klanten niet hebben voldaan aan verplichtingen en kan daar naar worden gehandeld. De stelregel is echter wel: waar nodig, ‘hard' optreden, bv. d.m.v. opschorten of verlagen van de uitkering. Maar als duidelijk is dat het verzuim van de klant wordt veroorzaakt door zijn situatie, is het niet efficiënt en effectief om consequenties te verbinden aan de bijstand terwijl bij voorbaat duidelijk is dat deze in een later stadium weer hersteld moet worden.
Belangrijker is om een BD-klant in het "keurslijf" te stoppen van opvang, dagbesteding, psychiatrische hulp en inkomen. Eenmaal in dat keurslijf is het zaak om, samen met de andere veldspelers, de klant te volgen en te stimuleren tot verbetering van zijn situatie. Verondersteld mag worden, zo wijst de praktijk ook uit, dat het keurslijf fraude voorkomt. Dat maakt het minder nodig om allerlei controleachtige zaken te verrichten. Het is wel altijd zaak om in de rapportage aan te geven waarom iets wel of niet wordt gedaan.
Aanvraag LO
Het is, gezien de bijzondere kenmerken van de doelgroep, vaak lastig om een aanvraag levensonderhoud (LO) binnen de door DWI gestelde termijn van 5 weken af te handelen. Benodigde zaken zoals bankafschriften worden vaak niet op tijd ontvangen, zelfs niet tijdens de hersteltermijn. De praktijk leert echter 2 dingen:
1 uiteindelijk komt de aanvraag in de meeste gevallen tot stand en
2 het komt vrijwel niet voor dat b.v. gegevens uit bankafschriften leidt tot afwijzing van bijstand. Daarom is besloten om in de situatie van overmacht bij de klant, de aanvraag LO af te ronden zonder de benodigde bankafschriften of andere benodigde zaken. De benodigde stukken dienen in een later stadium te worden aangeleverd. In het toekenningbesluit wordt vermeld dat de benodigde stukken binnen een uiterlijke datum alsnog moeten worden geleverd . Aan de hand van de beschikbare stukken wordt het vermogen voorlopig vastgesteld, in afwachting van de bankafschriften. Hierdoor wordt het mogelijk gemaakt de afhandeling van de LO binnen uiterlijk 5 weken te realiseren.
Legitimatie
\M.b.t. de legitimatie geldt het volgende:
- nieuwe klanten moeten altijd beschikken over een geldig identificatiebewijs
- klanten met een lopende uitkering kunnen zich identificeren met het (eventueel verlopen) bewijs dat in het dossier is opgeslagen
Voorschotten/broodnood
Voorschotten en broodnood worden verstrekt conform de richtlijnen zoals die zijn opgenomen in UP-WEB 3.2.4.
Voor het verstrekken van broodnood in de vorm van een voorschot geldt, dat het te verstrekken bedrag wordt afgestemd op de situatie en behoefte van de klant. Het is beter 2 of 3 keer een klein bedrag te verstrekken dan een groot bedrag ineens. Geef in de rapportage altijd aan waar het bedrag op is gebaseerd.
Locatie- of huisbezoek
Een locatie- of huisbezoek is een verificatiemogelijkheid, ook bij klanten met een adresprobleem. De klant mag dit bezoek niet weigeren. Als de klant het bezoek weigert, moet je de klant direct op de consequentie wijzen. Als er concrete aanwijzingen zijn voor twijfel over de woon- of leefsituatie van de klant zal het niet meewerken aan het huisbezoek leiden tot afwijzing/intrekking van de (aanvraag voor) bijstand.
Als tijdens een onderzoek de woon- of verblijfsituatie onduidelijk is, kun je toch van een noodzakelijk locatie- of huisbezoek afzien. Bijvoorbeeld bij een serieuze dreiging, als een zieke of zwakke klant bij een huisbezoek met uitzetting wordt bedreigd door de hoofdbewoner. Het individuele belang van de klant gaat dan voor. Ga hier zorgvuldig mee om.
Tijdens het locatie- of huisbezoek moeten ook signalen worden opgepakt van verwaarlozing, armoede, overlast enz.. Meldt een klant bv. aan bij Meldpunt Zorg en Overlast en informeer de klant hierover. Maak ook gebruik van de Maatschappelijke Steunpunten in de stad om voor de klant zo goed mogelijke hulp te bieden.
Omtrent het moment van het locatie- of huisbezoek is het handig om hierover eveneens overleg te voeren met het controleteam van Handhaving. Bij gerede twijfel over de situatie van de klant, laat je het bezoek zo snel mogelijk, en binnen de aanvraagprocedure, uitvoeren. Bij een meer duidelijke situatie kan het bezoek ook na de aanvraag worden uitgevoerd.
De verplichting van de klant om vijf dagen op bepaalde dagen en tijden aanwezig te zijn op de door hem aangegeven locaties, is inmiddels losgelaten, conform de aanbeveling van de Gemeentelijke Ombudsman.
Alleenstaande daklozen hebben recht op bijstand van 50% van de gezinsnorm. Afhankelijk van de woonsituatie kunnen zij 10 of 20% toeslag op de bijstand krijgen. Als de klant geen gebruik wil maken van daklozenvoorzieningen, krijgt hij geen toeslag.
Tot 1 januari 2009 had de klant met een maximale toeslag van 10% recht op een ‘daklozenpremie' van maximaal € 100 per maand. Deze vervalt per 1-1-2009. Vanaf 1-1-2009 blijven ruime mogelijkheden bestaan om een vergelijkbaar bedrag ‘terug te verdienen' met activiteiten op dagbasis, met een maximum van € 125 per maand/
€ 1500 per jaar (zie verder onder paragrafen 4.9 Inschrijfprobleem (1 adres) en 4.9.1 Inlichtingenplicht en verblijf).
De toekenning van toeslagen hangt af van de woon- en leefsituatie van klanten en de kosten, die zij daarbij maken. Daklozen, die regelmatig gebruik maken van het incidentele overnachtingaanbod van de maatschappelijke opvang, hebben recht op een toeslag van 10%. Deze maatregel is ook bedoeld om het gebruik van het aanbod van de maatschappelijke hulpverlening te stimuleren.
Klanten die van adres naar adres zwerven (behorend tot de BD) geldt dat zij in principe geen toeslag van 10% (kosten nachtopvang) ontvangen, tenzij kan worden aangetoond dat zij woonkosten hebben.
Ex-daklozen, die zijn opgenomen in de residentiele maatschappelijke opvang (sociaal pension e.d.), gelden als bewoner van dat adres. Zij moeten zich op dat adres inschrijven in GBA en hebben recht op een verhoogde toeslag van 20% als “kamerbewoner met hoge woonlasten”. Eis van deze instellingen om de klanten op dat adres te laten inschrijven bij het GBA. In uitzonderingssituaties zoals bv. tijdelijk verblijf in Boerhaave en Wijk Ziekenboeg (van Gastenburgh), waarbij de woonkosten dermate hoog zijn geldt ook een toeslag van 20%. Inschrijving is in deze instellingen niet mogelijk, verstrek hiervoor een postadres.
Voor het toekennen en behoud van de toeslag van 10% voor daklozen moet aannemelijk zijn dat zij gebruik maken van het aanbod van de maatschappelijke opvang. Daarbij zijn een aantal uitgangspunten van belang.
Er is (nog) geen systeem waarmee automatisch inzicht kan worden verkregen in het gebruik van de nachtopvang door dakloze klanten. Objectief verifiëren is dus (nog) niet mogelijk. Daarom wordt gewerkt met “redelijkerwijs aannemelijk”.
De nachtopvang zit soms vol. Een klant heeft recht op de toeslag van 10% als aannemelijk is dat hij gebruik wilde maken van de nachtopvang, maar dat niet kon wegens “vol”. Ook dit valt niet objectief te verifi ë ren en ook hier geldt of dit “redelijkerwijs aannemelijk” is.
Verblijf in de nachtopvang hoeft niet door de klant te worden bewezen met “bonnetjes” e.d. Verificatie gebeurt steekproefsgewijs door het verhaal van de klant na te trekken bij de nachtopvang.
Als richtlijn voor “voldoende gebruik van de nachtopvang” geldt gemiddeld 15 nachten per maand. Alleen nachtopvang in Amsterdam (of eventuele overloop naar bijv. Almere) telt mee, d.w.z. de “officiële” gemeentelijke nachtopvang of door kerkgenootschappen e.d..
Je kan en mag dus soepel omgaan met de toekenning van de toeslag. Om een toeslag toe te kennen hoeft niet voor elke klant onomstotelijk vast te staan dat hij iedere maand 15 nachten in de nachtopvang zit. Je kan en mag afgaan op het verhaal van de klant. Bij twijfel neem je contact op met de nachtopvang om bepaalde details na te trekken (bijv. “vol”). Als de klantmanager na het aanhoren van de klant geen reden heeft voor ernstige twijfel aan de aannemelijkheid van het verhaal, dan kan hij de toeslag toekennen.
4.8.2.1.1 Volledige norm of Persoonlijke Toelage (PT) voor klanten in de
Maatschappelijke Opvang (MO)?
Klanten die in aanmerking willen komen voor zorg op grond van de AWBZ, hebben een zogenaamd indicatiebesluit nodig. Deze indicatie wordt gesteld door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). In het besluit staan onder meer de zorgfuncties (‘verschillende soorten zorg’)vermeld waarvoor de klant in aanmerking komt. Ook de omvang (aantal uren) en de duur van de zorg staan erin vermeld. Gedacht kan worden aan zorgfuncties als verblijf; behandeling; begeleiding en deelname aan dagactiviteiten. Op basis van de AWBZ indicatie, sluiten de MO instellingen, indien van toepassing, met de klant een zogenaamde zorgovereenkomst af. Overigens kunnen ook zorgovereenkomsten worden afgesloten met klanten die geen AWBZ indicatie hebben.
Of een klant die in een MO instelling verblijft de volledige norm of de PT norm dient te ontvangen, hangt af van de vraag of de klant woonkosten (huur) betaalt. Als de klant woonkosten heeft, gaat DWI normaliter over tot het verstrekken van de volledige norm. Heeft een klant geen woonkosten, dan verstrekt DWI slechts de PT.
Het is vaak niet meteen duidelijk of klanten die in een MO instelling verblijven, woonkosten betalen. Dit hangt namelijk af van de wijze waarop het verblijf van de klant is gefinancierd. Als de instelling gemeentelijk gefinancierd wordt, betekent dit dat de klant woonkosten (huur) betaalt. In dit geval verstrek je de volledige norm. Als een klant verblijft in een door de AWBZ gefinancierde woonplek–de klant heeft dan een indicatiebesluit voor verblijf- , hoeft de klant geen woonkosten te betalen. In dat geval verstrekt DWI alleen de PT norm.
Let op: doorslaggevend is de vraag hoe het verblijf wordt gefinancierd. Het gaat dus niet om de wijze waarop de begeleiding wordt betaald. Dit is een belangrijk onderscheid omdat in sommige gevallen de begeleiding uit de AWBZ komt, terwijl het verblijf wordt gefinancierd door de gemeente.
Het is van het grootste belang dat geen fouten worden gemaakt bij de vaststelling of een klant recht heeft op de volledige norm of PT. Het is namelijk onwenselijk (en geregeld ook: onmogelijk) om achteraf te veel verstrekte uitkeringen terug te vorderen.
Hieronder wordt allereerst uiteengezet welke verschillende financieringsvormen de MO instellingen kennen. Vervolgens wordt verteld hoe je als klantmanager te werk moet gaan om vast te kunnen stellen of de klant recht heeft op de PT of de volledige norm.
De verschillende financieringsvormen van de MO instellingen
Volledige gemeentelijke financiering
Een aantal MO instellingen wordt volledig door de gemeente gefinancierd. In principe gaat het hierbij om instellingen die gericht zijn op het bieden van (tijdelijke) woonvoorzieningen. Voorbeelden hiervan zijn de dak- en thuislozenopvang, Blijfhuizen (Vrouwenopvang) en sommige (maar lang niet alle!) begeleid wonen projecten waarvan de verblijfskosten gemeentelijk (dus niet vanuit de AWBZ) worden gefinancierd. De gebruikers van deze woonvoorzieningen worden beschouwd als zelfstandig wonend.
Volledige AWBZ-financiering
Instellingen die volledig vanuit AWBZ-middelen worden gefinancierd vallen volgens de WWB onder het begrip inrichting. Je moet hierbij denken aan:
1. Instellingen die louter gericht zijn op verzorging en verpleging;
2. Instellingen die slaapgelegenheid bieden en de mogelijkheid van hulpverlening of
begeleiding hebben gedurende meer dan de helft van ieder etmaal.
Inrichtingen worden vanuit de AWBZ-middelen gefinancierd. Voorbeelden van inrichtingen zijn niet alleen psychiatrisch ziekenhuizen en verpleeghuizen. Ook ‘begeleid wonen projecten’, waarvan het verblijf wordt gefinancierd uit de AWBZ worden beschouwd als inrichtingen, terwijl het ook vaak om losse woningen gaat.
Gemengde financiering
Hier betreft het de variant dat zich op één adres zowel plekken bevinden waarvan het verblijf gemeentelijk wordt gefinancierd, als plekken waarvan het verblijf uit de AWBZ wordt betaald.
Volledige norm of Persoonlijke Toelage (PT)?
Om te bepalen of een klant die in een instelling verblijft, een volledige norm of een PT dient te ontvangen, moet je weten of de betreffende plek waar de klant verblijft gefinancierd wordt door de gemeente of vanuit de AWBZ. Indien sprake is van financiering van het verblijf uit de AWBZ, heeft de klant slechts recht op de PT; in andere gevallen in principe op de volledige norm.
Zoals eerder gezegd, is op sommige adressen sprake van ‘gemengde financiering’. Bijvoorbeeld als op één adres zowel een RIBW als een sociaal pension zijn gehuisvest.
Hieronder wordt stap voor stap uitgelegd wat de werkwijze is om vast te stellen of de klant recht heeft op de volledige norm of op PT.
Stap 1 Zorgovereenkomst lezen
In principe heeft iedere klant in een MO instelling een zorgovereenkomst. Dit is het contract dat de klant met de zorginstelling afsluit. Hierin staan de gemaakte afspraken over de rechten en plichten van de zorgvrager en de zorginstelling. In deze zorgovereenkomst vind je ook een antwoord op de vraag of de klant huur betaalt. Als dat zo is heeft de klant recht op de volledige norm.
Indien de klant wel een zorgovereenkomst heeft, maar deze niet kan overleggen, ga je door naar stap 2. Als de klant nog geen zorgovereenkomst heeft, verstrek je slechts de PT-norm (zie verder: stap 4).
Stap 2 ‘De lijst’.
Van veel adressen is bekend hoe de financiering is geregeld. Dit zijn dus adressen die in hun geheel gefinancierd worden door ofwel de gemeente ofwel de AWBZ.
Als de instelling gemeentelijk gefinancierd wordt, betekent dit dat de klant woonkosten (huur) betaalt (> volledige norm). Als een klant verblijft op een door de AWBZ gefinancierde plek, hoeft de klant geen woonkosten te betalen (> PT-norm).
Een overzicht van de instellingen/adressen waarvan we precies weten hoe de plaatsen gefinancierd zijn, vind je aan het einde van deze paragraaf.
Een flink aantal adressen waar onze klanten verblijven, tref je niet op de lijst aan. Het betreft dat in de meeste gevallen ‘losse woningen’. In dat geval ga je over naar stap 3.
Stap 3 Neem contact op met de betreffende contactpersoon van de instelling
Als je niet over een zorgovereenkomst beschikt waarin staat of de klant woonkosten heeft, en het adres waar de klant verblijft staat niet op de lijst, neem dan contact op met de contactpersoon van de instelling waar de klant verblijft. Hieronder vind je een lijstje instellingen en de betreffende contactpersonen met hun telefoonnummer:
HVO/Querido
Sabine Wulfse (meldpuntsjd@hvoquerido.nl)
020-
5619079
Victoria Sahovtova (meldpuntsjd@hvoquerido.nl)
020-
5619077
Telefoon receptie: 020-561 90 90
Volkbond
Philip van Groningen (philip.van.groningen@volksbond.nl)
06 44 637181
Leger des Heils
Jolanda Zwolle, 020 630 1111
Stap 4 Bij twijfel: altijd de PT verstrekken
Als na het doorlopen van voorgaande stappen nog niet duidelijk is, of de klant recht heeft op de volledige norm of de PT, dan verstrek je de PT norm. De reden hiervan is dat het veel makkelijker (en voor de klant prettiger) is om te weinig verstrekte uitkering later alsnog aan de klant over te maken, dan om ten onrechte verstrekte uitkering terug te vorderen.
Verhuizingen van klanten (Let op: deze paragraaf geldt op dit moment
slechts voor klanten van HVO!)
Het komt geregeld voor dat klanten van
de ene naar de andere voorziening verhuizen binnen dezelfde instelling. Dit kan
(maar hoeft geen) gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering van de klant
(van PT naar volledige norm of vice versa). Hoe dan ook, de klant dient iedere
verhuizing aan de klantmanager te melden, maar gezien de problematiek van de
doelgroep, wordt DWI hiervan in de praktijk op de hoogte gebracht door de instelling
waar de klant verblijft. Omdat voor de instelling niet altijd duidelijk is wie
op dat moment de klantmanager is van de klant, heeft DWI per team een speciaal ‘meldpunt’ in
het leven geroepen. Dit is een e-mailadres waarop de instelling de verhuizing
van de klant doorgeeft. De melding geschiedt te allen tijde per email zodat een
en ander op schrift staat. De zorgovereenkomst, althans: het deel daarvan
dat betrekking heeft op de financiën, wordt per email meegezonden of volgt
zo snel mogelijk (eveneens per email).
De e-mailadressen waarop de meldingen binnenkomen zijn:
De teamassistent van het betreffende team zal ervoor zorgen dat de melding bij de juiste klantmanager belandt.
Overzicht MO-instellingen en de wijze waarop deze gefinancierd zijn
Gemeentelijk gefinancierd
Nachtopvang
|
Instelling |
adres |
Naam voorziening |
bijzonderheden |
Zuidoost |
HVO |
Anton de Komplein 238 |
Flierbosdreef |
|
Nieuw West |
HVO |
Poeldijkstraat 16 |
Passantenverblijf 16 |
Verhuist begin 2011 naar Poeldijkstraat 10 (betreft Passantenverblijf; Rijswijk en Internaat) |
Centrum |
Leger |
Hekelveld 8-10 |
Haven |
|
Zuid |
Regenboog |
Stadhouderskade 159 |
Amoc |
Wordt geopend in 2011 |
Zuid |
Regenboog |
Van Ostadestraat 153 |
Makom (gaat over naar Amoc) |
Wordt gesloten in 2011 |
Centrum |
Stoelenproject |
Marnixstraat 248 |
Stoelenproject |
Dicht in zomer |
Woonvoorziening (24 uur)
|
Instelling |
adres |
Naam voorziening |
bijzonderheden |
Oud West |
Exodus |
Overtoom 103-105 |
Exodus |
|
West |
HVO |
Eerste Nassaustraat 30A (hoek Eerste Nassaustraat/De Wittenstraat |
De Nassau |
|
Zuidoost |
HVO |
Elsrijkdreef 1000 |
Elsrijkdreef |
|
Oost |
HVO |
Oostenburgervoor-straat 2 |
De Vaart |
|
West |
HVO |
Roggeveenstraat 8 |
Roggeveen |
Moeders met kinderen en gezinnen |
Oud-Zuid |
HVO |
Ruijsdaelkade 225 |
Ruijsdael |
|
Oost-Watergraafsmeer |
HVO |
Tweede Boerhaavestraat 80 |
Passantenhotel |
|
Noord |
Leger |
Heggerankweg 53-55 |
Meerzorg Noorderburgh |
|
Zuid |
Leger |
Joh. M. Coenenstraat 2 |
Zuiderburg |
|
Centrum |
Leger |
Oude Zijdsvoorburgwal 87 |
Gastenburg |
|
Centrum |
Leger |
Plantage Doklaan 14 |
Dok Clusterwonen |
|
Centrum |
OZ 100 |
Oude Zijds Achterburgwal 100 |
OZ 100 |
|
Centrum |
Tussenfasehuis |
Sarphatistraat 93 |
Tussenfasehuis |
|
Oost |
|
Zeeburgerdijk 215 |
Instroomhuis |
|
Begeleid wonen in losse woningen
|
Instelling |
adres |
Naam voorziening |
bijzonderheden |
West |
HVO |
Jacob van Wassenaar Obdamstraat 15-67 |
WOB |
|
Zuidoost |
HVO |
Verspreid |
Fleerde |
|
IJburg |
HVO |
Verspreid |
M. Schaaperhuis (losse woningen op IJburg) |
|
Zuidoost |
Leger |
Verspreid |
Steunende huisvesting ZO |
|
|
Leger |
Verspreid |
Steunende huisvesting NO |
|
AWBZ gefinancierd
RIBW
|
Instelling |
adres |
Naam voorziening |
bijzonderheden |
Oost |
Arkin |
Domselaerstraat 126 (mogelijk bevindt ingang voor bewoners zich op ander nummer) |
Woontraincentrum |
|
Oost |
HVO |
Batjanstraat 94 |
Batjan |
|
Verspreide woningen |
HVO |
Beschermd wonen in BW Zuid. BW Diemen, BW Oosterpark, BW Nieuw West, BW Indische buurt |
BW op woningen HVO-Q |
|
Zeeburg |
HVO |
Pedro de Medinalaan 12 |
Martien Schaaperhuis |
|
Nieuw West |
HVO |
Poeldijkstraat 16 (ingang aan de Rijswijkstraat) |
Rijwijkstraat |
|
Nieuw West |
HVO |
Poeldijkstraat 16 |
Veste |
|
Zuid-Oost |
HVO |
Varikstraat 1 + portiekwoningen er om heen |
Varikstraat |
|
Zuid |
HVO |
Vechtstraat 92 |
Straetenburgh |
|
Nieuw West |
HVO |
Verspreid |
Noordzijde |
|
Noord |
HVO |
Verspreid |
ATN |
|
Westpoort |
Leger |
Generatorstraat 4 |
Domus 3 |
RIBW |
Zuidoost |
Volksbond |
Berthold Brechtstraat 655 |
De Brecht |
|
Nieuw West |
Volksbond |
Dolhaantjestraat 20 |
Westhuis |
|
Adressen met zowel gemeentelijke als AWBZ financiering
Woonvoorziening (24 uur)
|
Instelling |
adres |
Naam voorziening |
bijzonderheden |
Nieuw West |
ARKIN |
Akerwateringstraat 243 |
De Aak |
RIBW |
Nieuw West |
HVO |
Akerwateringstraat 243 |
De Aak |
Gemeentelijk |
Nieuw West |
Leger |
Akerwateringstraat 243 |
Domus plus |
RIBW. |
Osdorp |
Volksbond |
Jan Rebelstraat 20
|
Jan Rebel |
RIBW en Gemeentelijk Volledige bezetting Fokke Simonszhuis is per 1 april naar deze locatie verhuisd. |
Centrum |
Volksbond |
Fokke Simonszstraat 61 |
Fokke Simonszstraat Huis |
Per 1 mei bevinden zich op deze locatie 25 RIBW plekken en 5 gemeentelijk gefinancierde plekken. |
Zuidoost |
Leger |
Echtenstein 196 |
Domus 1 |
RIBW |
Westpoort |
Leger |
Generatorstraat 2 |
Westburgh |
RIBW |
|
|
|
|
|
Noord |
Leger |
Hagedoornplein 4 |
Rosaburgh soc. pension |
RIBW |
Zuidoost |
Leger |
Kikkenstein 3 |
Domus 2 |
RIBW |
Begeleid wonen in losse woningen
|
Instelling |
adres |
Naam voorziening |
bijzonderheden |
|
HVO |
Verspreid |
BWA Discus |
AWBZ en Gemeentelijk |
DWI organiseert trajectactiviteiten voor dak- en thuislozen en voor klanten uit de zogenoemde doelgroep van het veldwerk (ernstige verslaving en/of psychiatrische problematiek). De trajecten bestaan uit praktische activiteiten op dagdeelbasis. Veel dak- en thuislozen, maar ook mensen uit de veldwerk-doelgroep maken al gebruik van deze trajectvoorzieningen waarbij zij per dagdeel dat zij meedoen een contante vergoeding krijgen, uitgekeerd door de uitvoerende instanties. Per “gewerkt” dagdeel wordt maximaal € 5 vergoed. Voor deze doelgroepen werkt deze dagelijkse uitkering van de vergoeding vaak stimulerend. Niet werken betekent niets extra's –meer werken betekent meer extra-
waarbij “werken” ook kan bestaan uit het deelnemen aan door DWI ingekochte activiteiten. Een randvoorwaarde bij dit vergoedingenstelsel is een breed en laagdrempelig voorzieningenaanbod wat de betrokken klanten in staat stelt ook daadwerkelijk ruim € 100 per maand te verdienen. Dit stelsel betekent een stap verder op de ingeslagen weg om de klanten te activeren.
Het totale aanbod voor Amsterdam en omgeving staat op de site www.dagactiviteiten.nl .
De deelnemersvergoeding is maximaal € 125 per maand met een maximumbedrag van € 1500 per jaar. Indien de klant een aantal maanden achtereen het maximale bedrag heeft verdiend, vindt er een gesprek met de klantmanager plaats over een ander traject. Het is dan immers aannemelijk dat de klant tot meer in staat is.
De deelnemersvergoeding (voor klanten op proeftuinprojecten (trede 2)) moet niet worden verward met de trajectvergoeding (voor klanten vanaf trede 2) oftewel onkostenvergoeding (zie hiervoor 1.5 Premies en onkostenvergoedingen). Een combinatie van deelnemersvergoeding en trajectvergoeding/abonnement is niet mogelijk.
Klanten die op meerdere adressen verblijven (thuislozen) en zich daar om redenen niet kunnen laten inschrijven, kunnen in aanmerking komen voor een briefadres bij de Bijzondere Doelgroepen. De regel is: zonder briefadres geen recht op bijstand en zonder recht op bijstand geen recht op een briefadres. Het gaat hier om klanten die om uiteenlopende situaties van overmacht geen vast adres kunnen vinden. Een briefadres is noodzakelijk voor recht op bijstand.
Een briefadres wordt voor de maximale duur van 1 maand toegekend. In deze periode moet de klant verbetering aanbrengen in zijn situatie door het vinden van een adres waar wel inschrijving op kan plaatsvinden, waar de klant zijn hoofdverblijf heeft en zijn post kan ontvangen. In de aanvraagprocedure krijgt de klant de verplichting om het verblijf van de komende nacht door te geven aan Handhaving (Bijzondere Doelgroepen). Dit kan tot een half uur voor of na aankomst of vertrek zijn. Niet later. De klant kan dit door middel van sms, bellen, e-mail of een briefje in de grijze brievenbus bij de Werkpleinen of IJsbaanpad, doorgeven via het formulier ‘Verplichting Opgave Verblijfplaats’. Het niet tijdig doorgeven of het niet doorgeven van een juist adres, kan gevolgen hebben voor de aanvraag. Dit kan leiden tot het buiten behandeling stellen of zelfs afwijzen van de aanvraag. In deze fase wordt de klant gestimuleerd om gebruik te maken van de Maatschappelijke Opvang.
De klant krijgt vanaf de dag van het briefadres een aantal verplichtingen opgelegd die tot een verbetering van de situatie moet leiden. Zo wordt aan het recht op bijstand de voorwaarde verbonden dat de klant er alles aan doet om zijn situatie te verbeteren door gebruik te maken van voorzieningen als traject schuldhulpverlening, maatschappelijke begeleiding enz. Daarnaast moet de klant breder zoeken naar woonruimte dan alleen Amsterdam. Dit omdat de mogelijkheden buiten de regio Amsterdam groter zijn.
Het risico op fraude binnen deze groep is aanzienlijk groter dan bij echte daklozen. Daarom wordt bij deze klanten altijd een huisbezoek plaatsvinden op de adressen waar hij opgeeft te verblijven.
Een verlenging is alleen mogelijk als duidelijk is dat de klant er alles aan heeft gedaan om zijn situatie te verbeteren, maar dit nog niet gelukt is. Er moet wel uitzicht op verbetering zijn binnen redelijk korte termijn. Indien de klant weinig of onvoldoende acties heeft ondernomen, kan de verlenging gepaard gaan met een sanctie. De termijn van verlenging is maximaal drie maanden.
Leg de redenen van verblijf op meerdere adressen en het door de klant te volgen traject in de rapportage vast.
Een briefadres wordt vaak ook postadres genoemd. Als je een briefadres afgeeft aan een klant, schrijf je de klant ook in, in het DPG op het adres van het kantoor van BD.
Werkwijze bij een briefadres
Heeft de klant toestemming om gebruik te maken van een briefadres? Dan is de werkwijze zo:
De klant is verplicht minstens 1 x in de week zijn post op te halen. Als de klant zijn post niet zelf kan ophalen, moet hij iemand daarvoor machtigen. De klant moet zich altijd identificeren als hij de post ophaalt.
Als de klant zijn post niet in de afgesproken periode ophaalt, stel je een onderzoek in. De klant houdt zich immers niet aan de gemaakte afspraken . Schort daarna zonodig de bijstand op. Het opschortingbesluit (niet aangetekend) stuur je, ondanks de situatie waarin hij de post niet ophaalt, toch naar het briefadres van de klant.
Werkwijze (postkamer):
Een briefadres wordt verstrekt voor de periode van één maand. Als de afgesproken periode is verlopen stel je een onderzoek in naar de reden waarom de klant zich niet houdt aan de afspraken. Wanneer de rechtmatigheid niet langer is vast te stellen, beëindig dan de bijstand en trek het briefadres in. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het niet ophalen van de post of wanneer geen contact is te krijgen met de klant.
Mocht de klant aantoonbaar van alles hebben gedaan om de noodsituatie op te lossen, maar is dat buiten zijn schuld niet gelukt, dan kun je het briefadres verlengen met maximaal 3 maanden, om de klant in staat te stellen zijn noodsituatie alsnog op te lossen. Leg de noodsituatie altijd vast in de rapportage. Wanneer de klant onvoldoende heeft gedaan om wijziging aan te brengen in zijn situatie, kan een verlening worden gegeven die gepaard gaat met een sanctie. Denk bijvoorbeeld aan het (nog) niet opstarten van schuldhulpverlening.
Trek je een briefadres in, stuur dan een standaardformulier “uitschrijving postadres” aan de DPG. Je informeert de klant hierover met label model 5085.
De bijstanduitkering wordt niet altijd beëindigd. Een klant met een adresprobleem krijgt bijvoorbeeld een woning (in Amsterdam). Daarmee heeft de klant geen adresprobleem meer. De bijstand wordt wel voortgezet, maar de klant heeft geen recht meer op het gebruik van het briefadres van DWI.
In de “Prostituee v/m Amsterdam” geeft het college haar visie over hoe de werkomstandigheden voor de prostituees er uit zouden moeten zien. In de notitie worden acht maatregelen en acties beschreven die de positie van sekswerkers in Amsterdam moeten versterken zodat zij een zelfstandige en onafhankelijke positie krijgen, zelf keuzes kunnen maken en nergens toe gedwongen worden. Eén van deze maatregelen is het aanbieden van een integraal uitstapprogramma op het gebied van wonen, werk en inkomen.
Prostituees die willen uitstappen, lopen tegen een heleboel zaken aan, zoals het hebben van schulden, het ontbreken van betaalbare woonruimte en inkomen, het beschikken over weinig of geen werkervaring en/of opleiding. Het Prostitutie & Gezondheidscentrum 292 (P&G 292) krijgt een spilfunctie voor deze prostituees in Amsterdam. Samen met het Scharlaken Koord bieden zij prostituees een uitstapprogramma aan. Het gaat hierbij om vrouwen die in een te dure woning wonen, in een afhankelijkheidspositie verkeren of in psychische problemen verkeren. Deze vrouwen werken in Amsterdam, maar zijn niet allemaal woonachtig in Amsterdam. Ook vrouwen die niet woonachtig zijn in Amsterdam krijgen een intensieve begeleiding van het maatschappelijk werk vanuit P&G 292 en het Scharlaken Koord. Zij komen daardoor ook in aanmerking voor de door de Dienst Wonen beschikbaar gestelde won inge n. Zolang zij nog niet in Amsterdam gehuisvest zijn, komen ze echter niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering.
Voor het aanpakken van schulden en de mogelijkheid tot het verstrekken van bijstand zijn in overleg met de Dienst Zorg en Samenleven (DZS) en P&G 292 de volgende afspraken gemaakt.
De bijstandsaanvragen van prostituees die willen uitstappen worden afgehandeld door het Team Bijzondere Doelgroepen. BD heeft 1 contactpersoon aangesteld. Deze neemt de uitkeringsintake op afroep indien mogelijk binnen 3 dagen af bij P&G 292 en Scharlaken Koord.
Scharlaken Koord heeft samen met Randstad HR Solutions een speciale multidisciplinaire methodiek ontwikkeld om vrouwen die uit de prostitutie willen stappen te begeleiden en te bemiddelen naar ander werk. Zij bieden de vrouwen in Amsterdam gedurende 1 jaar een programma aan in de vorm van een pilot met als doel landelijke implementatie. Voor deelname aan dit programma dienen de deelnemers de Nederlandse nationaliteit te hebben, over een goede beheersing van de Nederlandse taal te beschikken (NT4), gehuisvest te zijn, een uitkering of ander inkomen te hebben, verslavingsvrij te zijn, in staat te zijn arbeid te verrichten in de reguliere arbeidsmarkt en schulden moeten gereguleerd zijn. Het programma bestaat uit 4 fasen: inzicht, oriëntatie, bewegen en praktijk (stage, job-coaching). De kosten die het volgen van dit programma met zich meebrengt, worden betaald door Randstad HR Solutions. DWI verstrekt alleen een uitkering en hoeft voor deze vrouwen geen re-integratiegelden in te zetten.
Over slachtoffers van loverboys zijn in 2006 onderstaande werkafspraken gemaakt tussen SK (Scharlaken Koord) en DWI (team Bijzondere Doelgroepen) voor de verzoeken om een postadres en een uitkering voor een aantal klanten van SK, die “slachtoffer van loverboys” zijn.
Er moeten zoals altijd een aantal formaliteiten in acht genomen worden bij iedere klant. Maar het is nadrukkelijk de bedoeling dat SK en DWI elkaar ook informeel kunnen benaderen. SK zorgt er voor dat ze daarvoor de toestemming van de klant hebben. SK zal ook DWI inlichten als er signalen zijn dat de klant bijvoorbeeld weer werkt of is verhuisd o.i.d. en dat niet heeft doorgegeven.
FIBU staat voor Financiële Dienstverlening en Budgetbeheer en is opgericht om het inkomen van de klanten van de RVE Bijzondere Doelgroepen te beheren. Financiële Dienstverlening en Budgetbeheer geschiedt op basis van een volmacht van de klant om voor hem alle financiële handelingen te verrichten die in de volmacht staan vermeld. De volmacht wordt vertaald in een budgetplan dat samen met de klant wordt opgesteld.
De klantengroep van FIBU voldoet aan de volgende voorwaarden:
FIBU maakt gebruik van de ‘Barometer' (zie website BD). De Barometer bevat criteria, een schema en een puntensysteem op grond waarvan de mate van zelfredzaamheid van de klant wordt bepaald.
Budgetbeheer door FIBU geschiedt op basis van een volmachtovereenkomst.
De volmacht is geregeld in het Burgerlijk Wetboek, artikel 3:60 t/m 3:77 BW.
Een Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten. De klant is volmachtgever, Gemeente Amsterdam (DWI) is gevolmachtigde.
Voor sommige WWB-klanten geldt dat het budgetbeheer als verplichting in het kader van de WWB is opgelegd op grond van artikel 57 sub a WWB. Voorwaarde hiervoor is dat er gegronde reden is om aan te nemen dat betrokkene zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen.
Een volmacht eindigt (art 3: 72 BW):
De klant kan zijn volmacht te allen tijde herroepen, hiermee wordt de volmachtovereenkomst beëindigd en gaat het financiële beheer terug naar de klant.
Nb:
Als de klant op grond van artikel 57 sub a WWB de verplichting heeft opgelegd gekregen om gebruik te maken van budgetbeheer via FIBU en de klant trekt zijn volmacht in, dient dit direct te worden teruggekoppeld naar de klantmanager. Deze kan vervolgens bepalen welke gevolgen het intrekken van de volmacht heeft voor het recht op uitkering.
Overigens volgt uit artikel 73 BW dat na beëindiging van de volmacht de gevolmachtigde bevoegd blijft om rechtshandelingen te verrichten die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld (tot de overdracht van het financieel beheer is geregeld).
Een klantmanager voert de WWB uit en heeft daarmee de verantwoordelijkheid en de regie over de klant. FIBU voert de bepaling in 73 BW uit. Dit betekent dat op het moment dat de uitkering is overgemaakt aan FIBU deze de verantwoordelijkheid en de regie heeft over het geld van de klant.
In de samenwerking tussen de klantmanager en de budgetconsulent is het van belang dat er, op gemeenschappelijke onderdelen, nauw wordt overlegd over zaken die moeten leiden tot financiële stabiliteit en/of (een mate van) zelfredzaamheid. Te denken valt aan een uitwisseling van gegevens met betrekking tot detentie, normwijzigingen, beslaglegging en woonsituatie.
Op grond van de vastgestelde inkomsten en uitgaven van de klant wordt een budgetplan opgesteld. Het ontvangen van de huur- en zorgtoeslag is van groot belang. Verder is het belangrijk om te weten of de klanten de toeslagen ontvangen en of er mogelijk beslag op deze toeslagen is gelegd. Dit is vooral van belang bij het berekenen van de beslagvrije voet. Aan alle transacties van het budgetplan worden prioriteiten toegekend. Doorbetaling huur aan de verhuurder is bijvoorbeeld prioriteit 1. Voor het overige inkomen dat niet direct na ontvangst door FIBU wordt doorbetaald, worden reserveringen aangelegd, zodat elke eurocent een bestemming krijgt. Deze reserveringen zijn limitatief om zoveel mogelijk duidelijkheid te scheppen.
Mogelijke reserveringen, verdeeld in “opneembaar” en “niet opneembaar” voor de klant (opneembaar betekent dat de klant dit geld als extra leefgeld kan bestellen bij de FIBU):
Reservering voor schulden (niet opneembaar)
In het voortraject, na de intake en voor het vervolggesprek, kan worden gereserveerd voor schulden wanneer daar aantoonbaar of aanneembaar sprake van is. Dit wordt voor zover mogelijk met de klant overlegd. De reservering wordt aangelegd om dreigende schulden/boetes direct te kunnen opvangen. De meeste klanten van FIBU komen uit een dakloze situatie en zodra zij een uitkering met een postadres krijgen, worden ook de schuldeisers gealarmeerd. Het maandelijks te reserveren bedrag wordt in overleg met de klant bepaald, dus afhankelijk van het inkomen en reeds bestaande vorderingen, maar ook van de situatie en motivatie van de klant.
De schuldenreservering mag maximaal oplopen tot € 500,00 zonder dat er een bestemming voor dit geld is. In het geval van WSNP of saneringskrediet GKA moet de reservering in stand blijven. Als er geen schulden zijn (onderzoek mag maximaal 3 maanden duren) mag de klant deze reservering opnemen als er geen ander doel is voor het geld dan louter reserveren. Indien de klant dit bedrag niet wil opnemen dan wordt het gereserveerde geld overgeheveld naar de reservering sparen (opneembaar).
Reservering voor sparen (opneembaar)
Een aantal klanten ‘spaart‘ geld maar wil dit eigenlijk altijd direct weer opnemen binnen dezelfde maand. Deze bestelling van extra geld geeft een overbodige drukte tijdens het telefonische spreekuur en komt een efficiënte werkwijze niet ten goede. Als een klant vaker belt dan eens per maand voor extra geld is het eenvoudiger om het budgetplan zo aan te passen dat er nauwelijks spaargeld overblijft. Het leefgeld gaat dan wel omhoog.
Reservering voor huishoudgeld (als reservering: niet opneembaar)
Een tussentijdse opname, anders dan volgens het budgetplan (eens per week) is niet wenselijk. Het past niet binnen de doelstelling van FIBU: het creëren van stabiliteit in het inkomen en het uitgavenpatroon. In dit licht krijgen klanten op een vaste dag hun leefgeld uitbetaald en wordt hier in principe niet van afgeweken. Het wekelijkse leefgeld wordt in principe berekend volgens de x 3/13 methode.
Reservering onvoorzien (niet opneembaar)
Volgens WWB beleidsvoorschriften dient een klant voor onvoorziene uitgaven te reserveren. Daarom zorgt FIBU voor een minimale reservering onvoorzien om kosten zoals een nieuw ID of een spoedgeval op te vangen. Als een klant uit deze reservering geld nodig heeft dient deze bestelling daarom onder opgave van redenen te worden gedaan. Deze reservering hoeft niet hoger te worden dan € 200,00.
Reservering verzekering, UPC e.d. (niet opneembaar)
Deze reserveringen hebben een vaste bestemming. De reservering wordt maandelijks aangelegd maar er wordt per kwartaal of jaar betaald. Het is niet de bedoeling dat het geld ‘opgepot' wordt. De reservering kan bijdragen om sterk wisselende nota's inzichtelijk te maken voor de klant en op die manier de klant te leren budgetteren.
Reservering inrichtingskosten (opneembaar)
|
Als een klant bijzondere bijstand uitgekeerd heeft gekregen voor het inrichten van zijn woning, de zogenoemde inrichtingskosten, dan is sprake van een doeluitkering: dit geld heeft een duidelijke bestemming. De budgetconsulent zal afspraken maken met de klant over voorwaarden van de besteding van dit geld (bijvoorbeeld het tonen van bonnen). Dit geld mag niet gebruikt worden voor schulden.
Reservering huur (niet opneembaar)
De reservering huur kan gebruikt worden voor zaken die te maken hebben met wonen. De reservering zorgt er voor dat geld apart wordt gehouden voor de kosten van het Instroomhuis of voor de nachtopvang. Ook kan de budgetconsulent via deze reservering – in overleg met de klant – geld apart zetten voor een toekomstige woning of voor inschrijfkosten voor Woningnet. Bij dak- en thuislozen is dit verplicht. Deze reservering wordt tevens gebruikt om de pensionkosten in te bewaren die nog terugbetaald moeten worden aan DWI omdat de klant in een RIBW 1 gehuisvest is.
Reservering in overleg met mentor (niet opneembaar tenzij in overleg met mentor, hulpverlener, budgetconsulent)
Deze reservering kan nodig zijn als de klant in een voorziening verblijft waarbij de financiën in nauw overleg met de mentor beheerd worden. Het afstemmen van leefgeld kan dan een onderdeel zijn van het behandelplan van de klant. Zodra de klant uit deze reservering geld wil opnemen, is hiervoor toestemming nodig van de mentor of hulpverlener van de desbetreffende voorziening.
1 Regionale Instelling voor Beschermd Wonen
FIBU biedt de mogelijkheid om een ‘prepaid pas' aan haar klanten te verstrekken waarop de klant zijn leefgeld gestort kan krijgen. Deze bankpas is bedoeld voor klanten die geen eigen rekening bij een bank kunnen openen. FIBU is de enige die betalingen naar deze bankpas kan verrichten. Als een klant een roodstand heeft op zijn eigen bankrekening dan kan de klant ook om die reden zijn leefgeld op een prepaid pas ontvangen. Voor het vervangen van de bankpas brengt FIBU kosten in rekening: € 8,00 per keer. In principe worden geen kasbetalingen gegeven; alleen bij hoge uitzondering. FIBU streeft er naar zoveel mogelijk klanten te voorzien van een eigen of prepaid pas.
Klanten krijgen inzicht in hun rekeningmutaties door het overzicht dat FIBU hen om de maand toestuurt. Daarnaast kunnen klanten het saldo en de mutaties inzien op BBR online 3. Als klanten willen dat hun hulpverlener ook via BBR online de financiën kan inzien, dan kan de klant de hulpverlener hiervoor machtigen.
Schuldstabilisatie is een onderdeel van de dienstverlening die FIBU naast budgetbeheer te bieden heeft. Schuldstabilisatie houdt onder meer in:
FIBU streeft er naar om de klant zoveel mogelijk schuldenvrij te krijgen door het verstrekken van een saneringskrediet door GKA. Sinds 2008 is GKA een onderdeel van DWI, dus het is van belang om dezelfde handelswijze na te streven. Tegelijkertijd moet de klant leren om nieuwe schulden te voorkomen. De budgetconsulent bepaalt welke schuldstabilisatie- en/of schuldregeling zinvol is en maakt een kosten/baten analyse. Hierbij kan hij letten op:
Als de klant een instabiel inkomen heeft, dan moet de klant met behulp van FIBU eerst voor stabiliteit zorgen omdat het VTLB 6 anders nooit berekend kan worden.
Weet de klant nu al dat zijn inkomsten/uitgaven drastisch gaan wijzigen, dan moet deze nieuwe situatie eerst afgewacht worden.
Het zogenoemde voortgangsgesprek zal 1 tot 3 maanden ná het intake gesprek ingepland worden. Meestal zijn er tijdens het intake gesprek afspraken gemaakt over wie welke acties op zich zou nemen en tijdens het voortgangsgesprek wordt deze actielijst doorgenomen. De klant dient minimaal eens per zes maanden een voortgangsgesprek te krijgen (en zoveel vaker als nodig). Van het intakegesprek en de voortgangsgesprekken wordt een rapportage in Allegro gemaakt. Ook wordt de Barometer opnieuw ingevuld. De voortgangsrapportage bevat in ieder geval:
De volmachtovereenkomst tot budgetbeheer kan eindigen door herroeping door de volmachtgever (de klant) of door opzegging door de gevolmachtigde (FIBU). Dit kan doordat de klant zijn machtiging intrekt en dit doorgeeft aan zijn budgetconsulent/klantmanager of doordat FIBU het budgetbeheer wil stoppen
Na aanmelding bij de FIBU wordt klant twee keer uitgenodigd voor een intake gesprek. Verschijnt de klant beiden keren niet zonder tegenbericht dan wordt de aanmelding ingetrokken. In dit geval is geen sprake van een volmachtovereenkomst. Wel is er meestal een machtiging tot overboeking van de uitkering getekend en kan er mogelijk al geld naar FIBU zijn gestort. In overleg met de klant en de klantmanager wordt het geld dan teruggestort naar DWI of naar rekening van de klant.
Redenen tot beëindiging door FIBU:
Algemeen
Het UMO-project (Uitstroom Maatschappelijke Opvang) is gestart om cliënten die zes maanden of langer in de Maatschappelijke Opvang (MO) verblijven via de ‘veldtafel door- en uitstroom’ te laten uitstromen naar een zelfstandige woning. Het project biedt zelfstandige huurwoningen met een huurcontract op eigen naam of op naam van de begeleidende instelling, geleverd door woningcorporaties via de Dienst Wonen, Zorg en Samenleven. Het achterliggende idee is dat doorstroom uit de MO goed is voor zowel de klant (‘zo zelfstandig mogelijk’) als voor de MO (plekken worden niet bezet door klanten die zelfstandig(er) kunnen wonen).
Doelgroep
Het gaat om cliënten die opgenomen zijn in de MO vanwege dakloosheid in combinatie met OGGZ-problematiek. Daarnaast moet de klant minimaal 2 jaar in Amsterdam hebben gewoond, direct voorafgaand aan verblijf in de MO. Dit moet blijken uit inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Een cliënt in de MO, afkomstig uit de regio waar Amsterdam centrumgemeente voor is, kan niet uitstromen naar een woning in Amsterdam, maar alleen naar een woning in de gemeente van herkomst.
Deelnemers ‘veldtafel door- en uitstroom’
De volgende instanties nemen deel aan de uitstroomtafel:
Alle UMO-klanten horen bij Bijzondere Doelgroepen. De dossiers kunnen pas over naar de Werkpleinen als de klant in voldoende mate zelfredzaam is , de woning op eigen naam heeft en gedurende minimaal zes maanden is gemonitord.
Uitstroomcriteria en uitstroomvoorstel
In het ‘procesboek UMO’ is een aantal criteria geformuleerd waaraan de klant moet voldoen om uit te kunnen stromen:
De MO levert een concreet uitstroomvoorstel met behandelplan voor 'Zelfstandig wonen' of voor 'Zelfstandig wonen met begeleiding'. Het uitstroomvoorstel wordt besproken aan de veldtafel aan de hand van de leefgebieden huisvesting; financiën; dagbesteding en zorg.
Heeft de cliënt schulden dan is er alleen sprake van 'Zelfstandig wonen met begeleiding' en geldt als voorwaarde om uit te kunnen stromen dat het inkomensbeheer is geregeld en de schuldregeling is gestart.
De klant dient pas aan de ‘veldtafel door- en uitstroom’ te worden gesproken als alle leefgebieden op orde zijn.
Bijzondere bijstand
Het is belangrijk dat de aanvragen Bijzonder Bijstand voor deze groep zo snel mogelijk worden afgehandeld. Bij deze afhandeling dienen eventuele spaargelden die vaststaan bij FIBU in de afhandeling te worden meegenomen. De bijzondere bijstand ten behoeve van de inrichtingskosten wordt altijd op rekening van de FIBU of van de MO gestort en nooit op rekening van de cliënt. De woonbegeleider beheert de uitgaven en begeleidt de cliënt bij aankopen voor het inrichten van de woning. Zie voor afhandeling van de inrichtingskosten en kosten eerste huur de het werkvoorschrift, voor deze doelgroep bestaan afwijkende regels.
NB: ook aanvragen kinderopvang dienen zo snel mogelijk te worden afgehandeld.
Monitoring
Cliënten in de Maatschappelijke Opvang worden elke 4 maanden gemonitord. Dit houdt in dat de GGD elke 4 maanden de trajecthouder van de cliënt bevraagt op de 4 leefdomeinen: huisvesting, financiën, dagbesteding en zorg. Ook gedurende het UMO-traject en aansluitend de periode 'Zelfstandig wonen met begeleiding' vindt deze monitoring plaats. De trajecthouder zorgt ervoor dat de deelplannen voor alle leefgebieden integraal worden uitgevoerd.
Evaluatie
De eerste evaluatie door de ‘veldtafel door- en uitstroom’ bij 'Zelfstandig wonen met begeleiding' vindt plaats na één jaar, daarna elk halfjaar of jaar. Blijkt tijdens de evaluatie dat een cliënt niet geschikt is voor zelfstandig wonen, dan dient de instelling het huurcontract op te zeggen zodat de dienst WZS kan zorgen voor teruggave van de woning aan de woningcorporatie. De uitstroomtafel bepaalt na evaluatie of en wanneer het huurcontract overgezet wordt op naam van de cliënt. Afhankelijk van de beslissing van de veldtafel door- en uitstroom, onderneemt de dienst WZS actie m.b.t. het huurcontract.
1Openbare Geestelijk Gezondheidszorg
2 Regionale Instelling voor Beschermd Wonen
3 FIBU-klanten kunnen online hun budgetrekening raadplegen
4 Wet schuldsanering natuurlijke personen
5Centraal Justitieel Incasso Bureau
6 Vrij te laten bedrag
Wat is een inschrijfprobleem?
Wat is een inschrijfprobleem?
Het inschrijfprobleem is alleen van toepassing op de klant die één adres heeft waar hij slaapt, maar zich daar vanwege overmacht niet mag/kan inschrijven in het DPG. Als de klant ook op andere gronden niet behoort tot de BD (verslaafden, OGGZ enz.), valt hij onder het Werkplein van het verblijfadres. Deze klanten kunnen in aanmerking komen voor een briefadres en bijstand (+ 10% toeslag als er aantoonbaar woonkosten worden gemaakt), voor de maximale duur van 1 maand. Aan de bijstand wordt de voorwaarde verbonden dat hij zijn situatie binnen deze periode dient op te lossen (bv aanmelding traject schuldhulpverlening). De tijdelijke overmachtsituatie mag ruim worden geïnterpreteerd, als op een of andere wijze maar duidelijk wordt gemaakt dat de klant in zo’n situatie verkeert en ook duidelijk aangeeft hoe hij deze situatie gaat oplossen. Biedt hem daarbij hulp met de bestaande middelen. Het weigeren daarvan, kan het recht op bijstand in gevaar brengen. Omdat het bij deze klanten vaak gaat om een schuldensituatie, zal het voorkomen dat de hoofdbewoner geen toestemming verleent voor inschrijving van de klant op zijn adres. Van de hoofdbewoner mag wel worden verwacht dat hij verklaart toestemming te geven voor inschrijving zodra het traject voor de schuldhulpverlening is gestart. Door middel van een locatie- of huisbezoek wordt vastgesteld dat de klant daar woont en dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Leg de omschrijving van de overmachtsituatie en het door de klant te volgen traject in het dossier vast.
Er is geen sprake van overmacht als de klant in staat is te verhuizen naar een adres, waar hij of zij zich wel bij de DPG kan inschrijven. Daarbij moet de klant ieder aanbod van een woning of kamer overwegen, ook bij kamerverhuurbedrijven of in minder populaire delen van de stad. Het is wel van belang om hier zorgvuldig mee om te gaan omdat de praktijk leert dat afwijzing van briefadres en bijstand soms leidt tot dakloosheid. Dit is nadrukkelijk niet de bedoeling van dit beleid.
Zie ook 5.2 Hoofdverblijf .
De klant mag zijn verblijfadres nooit geheim houden voor DWI. Dat geldt ook voor een klant met een adresprobleem. Iedere klant heeft immers de inlichtingenplicht. Als een klant zich niet aan de inlichtingenplicht houdt, is dat een reden om de bijstandsaanvraag af te wijzen (denk om de hersteltermijn).
Een uitzondering hierop zijn Vrouwenopvang Amsterdam (voorheen“Blijf van mijn Lijf”)-klanten. Ter bescherming van deze klanten wordt het adres van een Vrouwenopvang Amsterdam-huis geheim gehouden. In de DPG en bij DWI is het bekend als postbusnummer.
Een briefadres wordt vaak ook postadres genoemd. Als je een briefadres afgeeft aan een klant, is de klant verplicht zich in de DPG in te schrijven op het adres van jouw Werkplein. Zie erop toe dat dit ook gebeurt.
De klant hoeft zich niet in te schrijven bij het Werkplein als het maar om een korte periode gaat, bijvoorbeeld als de klant op korte termijn een woning krijgt. (Zie verder 4.8.3.1 Briefadres (Postadres))
Voor dit onderdeel wordt verwezen naar hst. 4.8.3.1 Briefadres (Postadres).
Voor dit onderdeel wordt verwezen naar hst. 4.8.3.1.2 Beëindiging briefadres door BD.
Een huisbezoek is een verificatiemogelijkheid, ook bij klanten met een adresprobleem. De klant mag dit huisbezoek niet weigeren. Als de klant het huisbezoek weigert, moet je de klant direct op de consequentie wijzen. Als er concrete aanwijzingen zijn om te twijfelen aan woon- of leefsituatie van de klant, zal het niet meewerken aan het huisbezoek leiden tot afwijzing van de aanvraag voor bijstand.
Als tijdens een onderzoek de woon- of verblijfsituatie onduidelijk is, kun je toch van een noodzakelijk huisbezoek afzien. Bijvoorbeeld bij een serieuze dreiging, als een zieke of zwakke klant bij een huisbezoek met uitzetting wordt bedreigd door de hoofdbewoner. Het individuele belang van de klant gaat dan voor. Ga hier zorgvuldig mee om.
Tijdens het huisbezoek moeten ook signalen worden opgepakt van verwaarlozing, armoede, overlast enz.. Meld een klant bv. aan bij Meldpunt Zorg en Overlast en informeer de klant hierover.
Sommige gedetineerden hebben recht op bijstand. Het gaat dan om specifieke maatregelen van justitie. In de volgende subparagrafen worden de situaties toegelicht waarbij er recht op bijstand kan bestaan.
Het Penitentiair programma is bedoeld om de terugkeer van de gedetineerde in de maatschappij te bevorderen. Het programma duurt minimaal 6 weken en maximaal een jaar. Begeleiding vindt meestal plaats door de Reclassering. De activiteiten zijn onder andere gericht op sociale vaardigheden, het vergroten van de kans op arbeid en verslavingszorg.
De klant besteedt minimaal 26 uur per week aan het PP.
Overleg met Justitie voor een mogelijke stageplek en stagevergoeding.
Het gaat hier om taak/werkstraffen. De Reclassering is ingeschakeld om daaraan invulling te geven. de klant staat onder toezicht van de reclassering. Je verleent bijstand als:
Zodra de alternatieve straf wordt omgezet in een reguliere straf, vervalt het bijstandsrecht.
Klanten met een alternatieve straf moeten in principe beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en dus werk aanvaarden of solliciteren. Werknemers worden immers ook niet zonder meer vrijgesteld voor het uitvoeren van alternatieve straf en moeten dat in hun vrije tijd doen (avond, weekend, vakantie). Neem hierover wel contact op met de begeleidende instelling. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een specifieke alternatieve straf, waarbij de klant is veroordeeld om de taakstraf uit te voeren bij een bepaalde organisatie of op bepaalde momenten. Ook mogen de bijstandsverplichtingen de uitvoering van de taken van de begeleidende instellingen niet nodeloos frustreren. Om die reden kan bij alternatieve gestraften een ontheffing worden overwogen.
Bij strafonderbreking is de gedetineerde “weggestuurd” met een –dwingende - oproep zich op een bepaald moment weer te melden.
De klant heeft recht op bijstand, maar ook op andere sociale wetten/voorzieningen. Zoek daarom eerst uit of er voorliggende voorzieningen zoals WAO, WW zijn.
Let op: Zodra de strafonderbreking stopt, vervalt het bijstandsrecht (in verband met detentie). Verleen daarom de bijstand voor een gesloten periode.
Jongeren (tot 27 jaar) met een taakstraf verrichten deze onder toezicht van de Reclassering. Deze jongeren krijgen een stageplek en kunnen indien aan aanvullende voorwaarden wordt voldaan in aanmerking komen voor een inkomensvoorziening. De jongere moet beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt en dus blijven solliciteren (tenzij geen werkleeraanbod wordt gedaan).
Bij proefverlof heeft een TBS-er recht op bijstand. Hier geldt hetzelfde als bij het Penitentiair programma. Voor achtergrond en recht op bijstand zie 4.10.1 Penitentiair programma (PP) .
Jongeren die een scholings- en trainingsprogramma van Justitie volgen, hebben vanaf hun 18e levensjaar recht op bijstand. Het programma begint voor het 18e levensjaar, maar kan nog doorlopen tot in het 18e levensjaar.
Elektronisch toezicht (ET) vindt alleen plaats bij PP (penitentiair programma), TBS-proefverlof, en bij taakstraffen. Iemand met elektronisch toezicht verblijft thuis. Hij mag alleen met toestemming het huis verlaten; dit wordt met een enkelband elektronisch gecontroleerd.
De klant heeft recht op bijstand omdat hij deelneemt aan het PP of TBS-verlof of de alternatieve straf, d.w.z. de erkende uitzonderingen op de regel dat aan gedetineerden geen bijstand wordt verstrekt.
Er bestaat ook Electronische Detentie (ED). Bij ED vindt de detentie thuis plaats en niet in een gevangenis. Tijdens ED betaalt Justitie de klant een bedrag per dag voor het levensonderhoud. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat dit bedrag niet voldoende is om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Totdat Justitie een afdoende financiële regeling heeft getroffen voor klanten met ED, hebben zij recht op bijstand. Bij ED wordt dus voorlopig zonder meer bijstand verstrekt, in aanvulling op de dagvergoeding van Justitie, en zonder dat er sprake is van een penitentiair programma.
Bij stelselmatige daders gaat het meestal om verslaafden. De ISD is de opvolger van de Strafrechtelijke Opvang Verslaafden (SOV). Evenals bij het Penitentiair Programma is er formeel nog sprake van detentie, maar bestaat er toch recht op bijstand tijdens de laatste fase (“resocialisatie”).
De ISD-maatregel kan op 3 manieren worden ondergaan:
M.b.t. de re-integratie worden de acties ingezet door DWI, dus ook aanmelding bij trajectpartners, eventueel in aansluiting op het programma van Justitie. De kosten van re-integratie zijn voor DWI.
Artikel 37 Wetboek van Strafrecht bepaalt dat een strafproces kan worden onderbroken door opname in een inrichting voor het ondergaan van een psychiatrische behandeling.
Ook buiten het strafrecht kan iemand gedwongen worden opgenomen (BOPZ). In beide gevallen is er (tijdelijk) recht op zak- en kleedgeld (PT) en bijzondere bijstand voor huurdoorbetaling en energiekosten, zie hiervoor 9.7.3.1 Vaste lasten tijdens verblijf in een inrichting dat ook van toepassing is op de hier omschreven klanten.
Als een klant in detentie gaat, blijft de Zorgverzekering doorlopen. De zorgverzekeraar mag de Zorgverzekering niet beëindigen. Alleen mag de zorgverzekeraar gedurende de periode van detentie geen premie heffen, en keert men niet uit. De rechten en plichten vanuit de Zorgverzekering worden gedurende de periode van detentie opgeschort.
De verzekerde heeft de plicht het begin en einde van de detentie te melden. De rechten en plichten vanuit de Zorgverzekering gaan weer in op de datum van het einde van de detentie. Wordt dit niet op tijd gemeld, dan wordt de Zorgverzekering alsnog met terugwerkende kracht geactiveerd vanaf de datum van beëindiging van de detentie, tot een maximumperiode van 5 jaar. Over deze periode moet de verzekerde dus nog premie betalen, en moet de verzekeraar eventuele uitkeringen verrichten.
Omdat de Zorgverzekering blijft doorlopen kan er dus geen sprake zijn van te late aanmelding, en wordt de ex-gedetineerde dus niet geconfronteerd met een boete (130 % van de premie) voor te late aanmelding.
Gedurende de periode van detentie is het Ministerie van justitie verantwoordelijk voor de geneeskundige hulp aan de gedetineerde.
Er is in Amsterdam vanuit Justitie een ‘Centraal Bureau Terugdringen Recidive' (CB-TR) ingericht voor de nazorg van Amsterdamse (ex-)gedetineerden. Dit bureau is gehuisvest in de Penitentiaire Inrichting (PI) Overamstel. CB-TR werkt samen met Dienst Zorg en Samenleven (DZS), DWI en de GGD om een sluitende aanpak te regelen voor alle Amsterdamse gedetineerden die op korte termijn vrij komen. Daartoe is in de PI een ‘frontoffice' ingericht, waarin medewerkers van DWI en GGD plaatshebben.
Deze medewerkers hebben toegang tot het ‘Digitaal Platform Nazorg” (DPAN) van Justitie. In dit systeem wordt door de medewerker maatschappelijke dienstverlening (MMD) een rapport opgemaakt waarin o.a. gegevens staan m.b.t. ingangsdatum detentie, duur detentie, datum van vrijlating (vanaf het moment dat dit bekend is) als ook persoonlijke gegevens van de gedetineerde op basis van informatie van de gedetineerde. Deze informatie is vaak niet onderbouwd met bewijsstukken, bovendien is de gedetineerde niet verplicht mee te werken aan de screening. In dat rapport staan tevens gegevens van acties die door de MMD worden uitgevoerd zoals het regelen van een ID. De MMD is degene die contact onderhoudt met de gedetineerde m.b.t. vragen van en aan DWI.
Ook zit een medewerker van de afdeling Signalen van Handhaving in de frontoffice, die de uitkeringen opschort op dag 1 van detentie.
De frontoffice verstrekt alle benodigde informatie aan de contactpersonen op de Werkpleinen. Collegiale toetsing van de opschorting vindt in de PI plaats door de medewerkers van de frontoffice.
Een belangrijk onderscheid in de aanpak wordt bepaald door de duur van de detentie. Voor kortgestraften (maximaal 8 weken), verreweg de meesten, wordt de uitkering door de frontoffice opgeschort voor de maximale periode van 8 weken. Zodoende hoeft geen nieuwe LO-procedure te worden opgestart, maar kan (indien recht) bijstand worden voortgezet vanaf dag 1 van vrijlating. Bij een langere detentieperiode dan 8 weken wordt de uitkering meteen beëindigd.
Voor deze werkwijze is gekozen om in principe 28 dagen vóór het ontslag uit detentie, diverse zaken voor de klant te regelen, bijvoorbeeld op het terrein van werk en inkomen. Voor zeer kortgestraften zal het vaak niet mogelijk zijn om alles vooraf te regelen. Hiervoor geldt dat zaken zoals werk, activering, inkomen pas geregeld worden bij het herstarten van de uitkering.
De frontoffice is ingericht als informatiepunt en vormt een ‘brug' tussen de gedetineerde en DWI.
Alle gedetineerden worden besproken in het casuïstiek overleg (‘de Casuïstiektafel') van de Dienst Justitiële Inrichtingen. Hier vindt een globale screening van de gedetineerde plaats (één persoon kan meerdere malen in het casuïstiek overleg besproken worden). Zitting hebben: de MMD van Justitie, een Trajectbegeleider van Justitie, een GGD-medewerker, een Reclasseringsmedewerker, een medewerker van het CB-TR, de Klantmanager Nazorg en een Schuldhulpverlener.
De MMD van de PI heeft de taak om binnen 10 dagen na de detentieopname een MMD-rapport (screeningsformulier) op te maken. Hierin wordt een aantal domeinen onderscheiden (wonen, inkomen, verzekeringen, identiteitsbewijs, verblijfsvergunning, familiesamenstelling en -omstandigheden, arbeidsverleden, trajectgegevens, schulden, enz.). Gedurende de detentieperiode wordt er door de MMD een Plan van Aanpak opgesteld om de domeinproblemen op te lossen. Tijdens de detentieperiode zorgt de MMD ervoor dat de gedetineerde beschikt over een ID-bewijs en hij onderzoekt of er mogelijk sprake is van recht op uitkering en de daarbij behorende acties (bijv. uitkeringsaanvraag invullen).
De informatie van de frontoffice wordt zoveel mogelijk 28 dagen vóór het ontslag per mail naar de aangewezen contactpersoon van het betrokken Werkplein gezonden. De contactpersoon beoordeelt de mogelijkheden van de klant om aan het werk te gaan of de noodzaak om eerst een uitkering aan te vragen c.q voort te zetten. Zij/hij bewaakt de voortgang en zorgt ervoor dat de klant wordt uitgenodigd voor een activeringsgesprek. In de uitnodiging voor het activeringsgesprek wordt ook om ontbrekende informatie gevraagd.
Aanvraag LO
Zoals hierboven gesteld wordt, indien mogelijk, de aanvraag LO al tijdens detentie ingezet, waaronder het verzamelen van benodigde gegevens. Bij kortgestraften zal dit niet of onvoldoende lukken.
Opschorting en beëindiging
Voor kortgestraften (maximaal 8 weken), wordt de uitkering door de frontoffice opgeschort voor de maximale periode van 8 weken. Zodoende hoeft geen nieuwe LO-procedure te worden opgestart, maar kan (indien recht) bijstand worden voortgezet vanaf dag 1 van vrijlating.
Bij een langere detentieperiode dan 8 weken wordt de uitkering meteen beëindigd.
Legitimatie
M.b.t. de legitimatie geldt het volgende:
Voorschot
Voor noodzakelijke kosten op moment van aanvraag kan een voorschot worden
verstrekt (zie verder 3.2.4
Voorschotten en broodnood voorschotten t/m 3.2.4.4
De overbrugging).
Huisbezoek Voor het doen van een huis- of locatiebezoek bij ex-gedetineerden geldt de afspraak dat dit de totstandkoming van de uitkering niet mag belemmeren.
De klantmanager overlegt met Handhaving over het juiste moment om een huis- of locatiebezoek te verrichten. Dat moment kan na de totstandkoming van de aanvraag liggen, maar ook bv. tijdens de aanvraag op de 1 e dag dat de ex-gedetineerde zijn (nieuwe) onderkomen betrekt.
Vaste lasten
]De vaste lasten mogen, onder voorwaarden, tijdens de detentieperiode voor een periode van 6 maanden worden doorbetaald, ongeacht de detentieduur. Dit wordt individueel bepaald door de klantmanager/ inkomensconsulent (zie verder 9.7.3 Vaste lasten tijdens detentie).
Na detentie is voor klanten die bij Stichting Exodus gehuisvest zijn betaling van de uitkering aan die stichting mogelijk. Daarvoor moet de klant eenmalig een machtiging tekenen, die de inkomensbeheerder (of budgetteerder) in staat stelt om de uitkering namens de klant in ontvangst te nemen. Zo'n machtiging kan te allen tijde door de klant worden ingetrokken. Als dat gebeurt dan dient de gemachtigde meteen over de intrekking geïnformeerd te worden.
Het ziektebeeld van psychiatrische patiënten brengt vaak met zich mee dat zij niet kunnen voldoen aan de verplichtingen die DWI oplegt.
Denk aan het leveren van gegevens, het retourneren van de maandelijkse inkomstenverklaring, het openen van de post of het toegang verlenen tot de woning bij een huisbezoek.
Vaak wordt een aanvraag afgewezen of een uitkering beëindigd, met alle gevolgen van dien voor klanten die zich toch al met moeite staande kunnen houden in de samenleving. Ook voor de omgeving van zo'n klant heeft dit meestal grote gevolgen.
Het is niet altijd makkelijk een klant met psychische problemen te herkennen. Als medewerker DWI heb je daar meestal niet voldoende inzicht in. Toch geldt juist voor deze groep klanten dat je een extra inspanning moet leveren de klant te ondersteunen en (eventueel) te re-integreren.
Tussen DWI en de GGZ- en MO-instellingen is een overeenkomst gesloten (op website BD) waarmee een basis is gelegd voor een nauwere samenwerking, gebaseerd op vertrouwen naar elkaar en die ervoor moet zorgen dat de zorg- en financi ë le hulp aan de klant niet wordt verstoord. De samenwerking is erop gericht om een gezamenlijk plan te maken m.b.t. de re-integratiemogelijkheden van de klant. Hiervoor is het onder andere nodig om informatie uit te wisselen tussen de verschillende organisaties. Het gaat om strikt noodzakelijke informatie (zie eveneens de overeenkomst op de website). De informatie betreft nadrukkelijk geen medische gegevens, maar zich te baseren het psychiatrisch rapport, bv. t.a.v. de mogelijkheden voor re-integratie of participatie. Er kan op basis van de informatie en het gezamenlijk oordeel bv. ook besloten worden om de klant niet naar een keuringsarts te sturen.
In overleg tussen de uitvoerende medewerkers van de verschillende organisaties, wordt beoordeeld wat dit verder betekent voor de uitkeringssituatie. Zo kan besloten worden om de IV (voorlopig) niet te versturen naar de klant en hoeft het ontbreken van informatie een toekenning of voortzetting van bijstand niet in de weg te staan. Het is wel zaak om deze informatie binnen redelijke termijn te verkrijgen. De GGZ- en/of MO-medewerker zet zich in om deze informatie aan de klantmanager te leveren. Als er een aanleiding is om de uitkering te blokkeren, wordt eerst contact opgenomen met de GGZ-en/of MO-medewerker om te overleggen.
Op de voorkant van de dossiers van de GGZ-instellingen en WWB-dossiers staan de gegevens van de contactpersonen van beide instellingen, zodat snel en gericht contact kan worden opgenomen.
Vreemdelingen die geen ‘besluit tot toelating' (lees: vergunning) hebben, zijn uitgesloten van sociale voorzieningen en dus ook van bijstand. Voor volwassenen geldt dat onder geen enkele omstandigheid daar een uitzondering op gemaakt mag worden (artikel 16 lid 2 WWB, de zgn. “Koppelingswet”) Zie ook 4.1.1 Uitgangspunten van bijstandsverlening.
Vreemdelingen die door de Koppelingswet zijn uitgesloten van sociale voorzieningen hebben altijd wel recht op noodzakelijke gezondheidszorg en onder omstandigheden ook op onderwijs (in de leerplichtige leeftijd) en rechtshulp. Deze voorzieningen gaan verder geheel buiten DWI om.
De uitsluiting van de ouder(s) betreft het hele gezin omdat bijstand in de regel wordt verstrekt naar de norm van een gezin of alleenstaande ouder en op aanvraag van de ouder(s). Als de ouders uitgesloten zijn van bijstand, dan zijn daarmee dus ook de kinderen uitgesloten van sociale voorzieningen, behalve in de volgende 2 situaties:
1. Kinderen met de Nederlandse nationaliteit.
Deze kinderen hebben zelfstandig recht op bijstand. Met toepassing van artikel 16 lid 1 WWB wordt aan het kind zelf bijstand verstrekt in gezinnen waar door een gebrek aan inkomen en vermogen niet of onvoldoende wordt voorzien in de algemene en bijzondere noodzakelijke kosten van levensonderhoud van dat kind. Ga daarbij uit van ten minste de norm van een alleenstaande van 18 t/m 20 jaar. Daarnaast moet op individuele basis worden afgestemd onder toepassing van artikel 18 lid 1 WWB welk bedrag aan bijstand daar nog bovenop komt voor de kosten van huisvesting, energie, etc., wanneer die voorzieningen niet of onvoldoende gewaarborgd zijn.
2 . Kinderen tot 18 jaar met buitenlandse nationaliteit zonder vergunning maar met rechtmatig verblijf. Deze kinderen hebben geen recht op algemene bijstand, maar mogelijk wel aanspraak op een voorliggende voorziening bij het ministerie van justitie en op bijzondere bijstand van de gemeente voor kosten van huisvesting en energie, zie de laatste alinea. Het gaat hier om de rechtmatigheid van het verblijf van het kind zelf, ongeacht de verblijfsstatus van de ouder(s). De rechtmatigheid blijkt uit de code in GBA. Zie verder 4.1.2.2 Codering in GBA. In dat geval kan er bij het COA (Centraal Orgaan Asielzoekers) een aanvraag worden ingediend op grond van de Rvb (Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen). Op grond van de Rvb ontvangen deze minderjarige kinderen een uitkering die gelijk is aan de WWB-norm voor alleenstaanden van 18, 19 of 20 jaar. Eventuele inkomsten van het kind worden hierop in mindering gebracht.
Nadere informatie over de regeling en de aanvraagformulieren zijn te vinden op www.coa.nl.
De aanvraagformulieren zijn te downloaden en kunnen aan de klant meegegeven worden. De aanvraagformulieren zijn ook over de marktpleinen verspreid.
De Rvb moet worden beschouwd als een toereikende voorliggende voorziening die niet in alle gevallen toereikend is.
Zowel de Amsterdamse als Rotterdamse Rechtbank hebben geoordeeld dat de gemeente aan minderjarige kinderen met een Rvb-uitkering bijzondere bijstand moet verlenen voor de kosten van huisvesting en energie, als niet op een andere wijze in deze kosten kan worden voorzien. De Rvb voorziet niet in vergoeding van deze kosten.
De Rechtbank baseert dit oordeel op het afstemmingsvereiste van artikel 18 van de WWB in samenhang met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).
Sinds 1 januari 2010 is de Sociale Verzekeringsbank (SVB) verantwoordelijk voor de verstrekking van algemene periodieke (aanvullende) bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO), aan klanten van 65 jaar en ouder. Dit is wettelijk geregeld in paragraaf 5.4 van de WWB die met ingang van 1 januari 2010 in werking is getreden. Dit geldt niet voor aanvragen bijzondere bijstand, of de re-integratie van de jongere partner; hiervoor blijft DWI verantwoordelijk.
De hoofdregel is dat vanaf 1 januari 2010 alleen de SVB bevoegd is tot besluitvorming over bijstandverlening aan personen van 65 jaar of ouder. Deze beslissingen kunnen variëren van toekenning tot herziening of intrekking en uiteindelijk terugvordering van de bijstand. Tevens gelden vanaf deze datum alle besluiten van gemeenten over bijstandverlening aan een 65 plusser als besluiten van de SVB.
Als een klant nog geen 65 jaar is, dan kan deze van DWI algemene bijstand ontvangen. Zodra een klant de 65 jarige leeftijd bereikt, wordt een beëindigingsonderzoek verricht en het recht op algemene bijstand beëindigd. Eventueel resterend vakantiegeld wordt net als bij een regulier beëindigingsonderzoek, verrekend met eigen DWI vorderingen of uitbetaald aan een beslaglegger of de klant.
Alleen de SVB kan bepalen of de 65 jarige klant recht heeft op een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Bij de vaststelling van het recht kan de SVB informatie nodig hebben die bij DWI in het dossier zitten. DWI zal dan de benodigde gegevens uit het dossier aan de SVB verstrekken.
Personen van 65 jaar en ouder die een uitkering levensonderhoud aanvragen moeten worden verwezen naar de SVB. Ook als zij na hun 65ste voor het eerst in Nederland zijn komen wonen en geen AOW rechten kunnen hebben opgebouwd.
De SVB betaalt de AOW en de AIO rond de 23e van de maand uit. Voor sommige klanten zal de SVB noodzakelijke betalingen rechtstreeks aan derden verrichten (bijvoorbeeld huurbetaling, schuldhulpverlening). Het vakantiegeld wordt in mei uitbetaald.
Als de SVB nadat een klant is overgedragen besluit om het recht op uitkering in te trekken, dan wordt DWI daarover in principe niet geïnformeerd. Alleen als er sprake is van een jongere partner is het intrekken van het recht relevant. Ook is het van belang als SVB constateert dat de klant voor zijn 65ste geen recht heeft op een uitkering levensonderhoud. In het laatste geval wordt DWI door de SVB ingelicht hierover, zodat DWI kan besluiten de uitkering in te trekken.
Voor de uitvoering van de bijzondere bijstandsverlening blijft DWI verantwoordelijk, ook aan klanten die 65 jaar of ouder zijn. Het kan daarom heel goed voorkomen dat zodra een klant 65 jaar wordt, de uitkering levensonderhoud wordt gestopt, maar eventuele toegekende periodieke bijzondere bijstand gewoon blijft doorlopen. De SVB wijst klanten ook op de mogelijkheid om bijzondere bijstand en andere gemeentelijk voorzieningen (zoals de Plusvoorziening 65+) aan te vragen bij DWI.
De verantwoordelijkheid voor de re-integratie van de 65- partner blijft ook bij DWI liggen. Omdat de uitvoering van de AIO de verantwoordelijkheid van de SVB is, kan DWI geen besluiten nemen die betrekking hebben op de AIO. Als een klant ontheven moet worden voor de re-integratie of als een klant niet meewerkt aan zijn re-integratie dient dit te worden gemeld aan de SVB. De SVB stuurt het besluit naar de betreffende klant en onderneemt acties bijvoorbeeld met betrekking tot afstemming. De SVB stuurt een kopie van de betreffende AIO besluiten naar DWI.
De SVB benadert bij vakantieverzoeken van partners jonger dan 65 jaar eerst DWI. Het kan zijn dat de vakantie de re-integratie in de weg staat. DWI zal dan gemotiveerd antwoord geven. Reageert DWI niet binnen 2 dagen, dan beslist SVB zelf over het vakantieverzoek.
Krijgt DWI van een 65- partner een verzoek om in het buitenland te mogen verblijven, dan informeert de klantmanager de SVB per mail naar SVB Zaanstad. Vermeld naam en burgerservicenummer van de partner en welke periode het betreft. Geef ook door of de partner recht heeft op 28 of 91 dagen vakantie (zie 3.4.2 De wettelijk toegestane vakantietermijn) en of de vakantie de re-integratie van de klant wel of niet belemmert. De SVB neemt een besluit op het verzoek.
Als de 65-plusser overlijdt of gaat scheiden van zijn jongere partner (onder de 65 jaar), dan wordt overgedragen aan DWI.
Hoofdregel is dat gemeenten vanwege het financiële belang, bevoegd blijven tot besluitvorming over de verlening van bijstand die heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de AIO op 1 januari 2010.
Een uitzondering hierop betreft wanneer een gedraging of omstandigheid wordt vastgesteld na 1 januari 2010 en dit leidt tot teveel, te weinig of ten onrechte verstrekte bijstand voor de datum van inwerkingtreding, dan is de SVB bevoegd tot besluitvorming over die teveel, te weinig of ten onrechte verstrekte bijstand, zolang de klant 65 jaar of ouder is.
Meest voorkomend voorbeeld hiervan is wanneer er een fraudeonderzoek door de teams Opsporing heeft plaatsgevonden. De datum afsluiting onderzoek, geldt in dat geval dan de datum van vaststelling. Ter verduidelijking eveneens een schematische weergave van de verdeling van bevoegdheden tussen DWI en SVB aan de hand van de uitzonderingssituatie.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de AIO, heeft DWI al haar klanten van 65 jaar en ouder overgedragen aan de SVB, per 1 juli 2009. Voor de financiering van de uitbetaling van de aanvullende bijstanduitkering aan 65 plussers was DWI verantwoordelijk. De uitbetaling van de (aanvullende) WWB werd verricht door de SVB. Doordat slechts de uitbetaling van de (aanvullende) WWB werd overgedragen, maar het recht niet werd beëindigd, zijn er op dat moment geen beëindigingsbesluiten verzonden. Klanten hebben wel een brief van overdracht van DWI ontvangen. De werkafspraken die zijn gemaakt om de overdracht per 1 juli 2009 mogelijk te maken, zijn met de inwerkingtreding van de AIO grotendeels komen te vervallen, omdat veel zaken uit de wet voortvloeien (bijvoorbeeld de bevoegdheid tot besluitvorming).
Besluiten tot herziening of intrekking en eventueel terugvordering van bijstand worden genomen door SVB of door DWI. Welke instantie het besluit neemt wordt bepaald aan de hand van de eerdergenoemde hoofdregel en het overgangsrecht.
Zo kan het voorkomen dat de SVB gebruik maakt van de bevoegdheid een besluit tot terugvordering te nemen die betrekking heeft op een periode dat DWI de (aanvullende) bijstand aan klant heeft verstrekt en gefinancierd. Hierover hebben de SVB en de Vereniging Nederlandss Gemeenten (VNG) afspraken gemaakt, die ook gelden als afspraken tussen SVB en DWI.
De afspraak is dat SVB de terug- en invordering doet. Zodra de SVB de vordering heeft vastgesteld, zal aan DWI een gedeelte (85%)van het bedrag terugvordering worden overgemaakt en 15% achterhouden ter risicodekking. Dit gebeurt omdat de SVB tijd en menskracht in het terugvorderen steekt, terwijl er altijd een risico is dat niet daadwerkelijk geïnd kan worden. De vordering wordt bijvoorbeeld kwijtgescholden (door de SVB), omdat klant niet kan betalen, of omdat er een regeling is getroffen. De ervaring leert dat bij een grotere vordering circa 15% uiteindelijk niet wordt geïnd.
Wederom ter verduidelijking hieronder een schematische weergave over de terug- en invordering. Uitgegaan wordt van eerdergenoemde situatie D, waarbij er tot terugvordering is overgegaan.

Periode I. |
- terugvordering door DWI |
Periode II. |
- terugvordering door SVB |
Periode III. |
- terugvordering door SVB |
Openstaande vorderingen bij DWI worden door DWI beheerd. Aan de SVB zal gevraagd worden de bedragen in te houden en aan DWI over te maken.
Wanneer de SVB gegevens nodig heeft van DWI, kan er een verzoek binnenkomen om de benodigde gegevens te leveren. DWI zal zo snel mogelijk de benodigde gegevens verstrekke, zodat de SVB gebruik kan maken van haar bevoegdheden. Er kunnen eventueel kopieën van stukken uit het dossier aan de SVB worden verstrekt. In geen geval worden originele klantendossiers van DWI overgedragen aan de SVB!
Contactgegevens SVB
Het postadres is:
Sociale Verzekeringsbank (SVB)
Postbus 2040
1500 GA Zaandam
Het telefoonnummer is: (075) 655 1010. Vraag naar de groep WWB.
Het bezoekadres is: Stationsstraat 112, Zaandam
Email-adres: wwb.zaanstad@SVB.nl