3 Uitvoeringszaken  
3.1 Rechtsplicht  
3.1.1 Bijstand is vangnet  
3.2 De aanvraagprocedure  
3.2.1 Taken UWV WERKbedrijf  
3.2.1.1 Taken UWV WERKbedrijf bij DWI-kantoren  
3.2.2 De uitzonderingsgevallen bij DWI  
3.2.3 Vaststellen van de ingangsdatum  
3.2.3.1 De verkorte aanvraagprocedure  
3.2.4 Voorschotten en broodnood  
3.2.4.1 Verplichte voorschotverlening telkens na vier weken  
3.2.4.2 Broodnoodprocedure UWV WERKbedrijf en DWI  
3.2.4.3 Voorschot, aanvraag bij voorliggende voorziening  
3.2.4.4 Overbrugging  
3.2.5 Domicilie: de gemeente van schriftelijke aanvraag  
3.2.5.1 Gebruikmaken van een postbus  
3.2.5.2 Werkzaamheden naar aanleiding van de verhuizing  
3.2.6 Aanvraag om bijstand bij gezamenlijke huishouding  
3.2.6.1 Geregistreerd partnerschap en huwelijk  
3.2.7  De inlichtingenverplichting bij een aanvraag  
3.2.7.1 Verifiëren van gegevens  
3.2.7.2 Internetbankieren  
3.2.7.3 Het (onaangekondigd) huisbezoek  
3.2.7.4 Opgave inkomsten en inkomstenverklaring  
3.2.7.5 Valideren van de gegevens  
3.2.8 Ambtshalve vaststelling van recht op bijstand  
3.2.9 Doorzending van de aanvraag naar andere gemeente  
3.2.10 De klant machtigt een vertegenwoordiger  
3.2.11 Gebruikmaken van een tolk  
3.2.12 De klant neemt iemand mee naar zijn gesprek  
3.2.13 Afwijzing van de aanvraag en herhaalde aanvraag  
3.2.14 Eisen aan een besluit  
3.3 Opschorting  
3.4  Verblijf in het buitenland  
3.4.1 Toegestane termijn en re-integratieverplichtingen  
3.4.2  De wettelijk toegestane vakantietermijn  
3.4.2.1 Overschrijding van de wettelijke termijn  
3.4.2.2 Strijdigheid met re-integratieverplichtingen  
3.4.2.3 Opsparen en splitsen toegestane termijn  
3.4.2.4 Verblijf in het buitenland bij gezamenlijke huishouding  
3.4.2.5 Werkwijze verblijf buitenland  
3.4.3  Verblijf buiten de gemeente Amsterdam  
3.4.3.1  Vakantie in Nederland  
3.5  Zorgverzekering en collectieve verzekering Agis  
3.5.1 Zorgverzekering  
3.5.2 Collectieve verzekering Agis  
3.5.3 Doelgroepen collectieve verzekeringen  
3.5.4 AWBZ Instelling en Norm in inrichting  
3.5.5 Niet - AWBZ Instelling en Norm in inrichting  
3.6 Inhouding en doorbetaling van vaste lasten  
3.6.1 Huurinhouding Patrimonium  
3.6.2 Inhouding NUON en overige energieleveranciers  
3.7 Opgave inkomsten en inkomstenverklaring  
3.7.1 Opschorting en intrekking na niet inleveren IF (inkomstenformulier)  
3.8 Het beeindigingsonderzoek  
3.8.1 Overdracht aan Team Zelfstandigen of Team Kunstenaars  

3.                 Uitvoeringszaken

Dit hoofdstuk gaat in op de aanvraagprocedure, het verblijf in het buitenland en de Agisprocedure, huurinhouding, Gik-opschorting en intrekking en het beëindigingsonderzoek dat de afdeling Handhaving uitvoert.

De procedurebeschrijving over de aanvraag staat in het proces Aanvraag Levensonderhoud. Alle overige uitvoeringszaken staan in de betreffende werkprocessen.

3.1                         Rechtsplicht

De gemeente is verantwoordelijk voor het verlenen van bijstand aan personen in Nederland. Voorwaarde is dat de klant in omstandigheden verkeert of dreigt te komen dat het hem aan de middelen ontbreekt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

De klant hoeft niet te wachten met aanvragen tot het moment dat hij geheel zonder middelen zit. De dreiging aan het gebrek is voldoende. Hierdoor heeft DWI de mogelijkheid om preventief op te treden. Bijstand wordt aangevraagd bij B&W in de gemeente waar de klant woont of verblijft.

3.1.1                             Bijstand is vangnet

De WWB is het vangnet van het sociale zekerheidsstelsel. Daarom moet je alert zijn op een passende voorliggende voorziening. Dat is iedere regeling waaraan de klant rechten kan ontlenen, bijvoorbeeld de WW, de WIA, ANW enz.

De WWB legt sterk de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de klant. Van de klant wordt verwacht dat hij zelf in het bestaan kan voorzien door het verrichten van arbeid.
De bijstand wordt verleend voor “noodzakelijke kosten” van het bestaan. Geen noodzaak betekent geen bijstand, in welke vorm dan ook.

De gemeente oordeelt of er sprake is van de noodzaak om bijstand te verstrekken. Dit hangt af van de individuele omstandigheden van betrokkenen. De noodzaak stel je meestal vast aan de hand van de omstandigheden en mogelijkheden van “persoon en gezin”.
In Artikel 14. Niet-noodzakelijke kosten WWB staat wat je in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten rekent.

Stem de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de feitelijke omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de klant. Die individualisering vertaal je in het opleggen van bijzondere verplichtingen in het besluit, bijvoorbeeld tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen vanwege persoonlijke omstandigheden.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is geen reden om de bijstand blijvend te weigeren. Het is de taak van DWI om in de eerste plaats de noodzakelijkheid vast te stellen. Die vermindert niet door tekortschietend besef. Tekortschietend besef kan wel aanleiding zijn om de uitkering te verlagen of tijdelijk te weigeren (zie hoofdstuk 8 Afstemming).

3.2        De aanvraagprocedure

Eén van de belangrijkste doelstellingen van de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen (Suwi) is goede dienstverlening bieden aan de werkzoekende. De klantgerichte aanpak gebeurt zoveel mogelijk vanuit één loket. “Werk boven uitkering” is één van de principes.

Uitgangspunt is dat de klant de aanvraag richt tot B&W en indient bij het UWV WERKbedrijf. In uitzonderingsgevallen vindt de aanvraag direct plaats bij DWI.

3.2.1                         Taken UWV WERKbedrijf

Samen met DWI vormt het UWV WERKbedrijf de “keten voor werk en inkomen”. De ketenpartners werken nauw samen om “werk boven inkomen” vorm te geven.

Het UWV WERKbedrijf is de eerste schakel in de keten – als eerste trefpunt voor werkzoekende en werkgevers. Elke werkzoekenden meldt zich eerst bij het UWV WERKbedrijf voor werk en – als dat nodig is – voor inkomen, door een WW- of bijstanduitkering aan te vragen.

Het UWV WERKbedrijf is daarmee ook de poortwachter. Het UWV WERKbedrijf ondersteunt klanten in het vinden van een baan voordat de uitkering ter sprake komt en is daarnaast het loket voor het innemen van de volgende uitkeringsaanvragen:

Daarnaast maakt het UWV WERKbedrijf aanvragers attent op de mogelijkheid om via DWI de aanvullende ziektekostenverzekering bij Agis af te sluiten en reikt daartoe een informatiepakket uit. De aanvrager kan een machtiging afgeven bij de intake, waardoor hij bij het toekennen van een uitkering wordt aangemeld voor deelname.

Een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (“WW-uitkering”) wordt in het kader van de WWB gezien als een voorliggende voorziening. Als het UWV WERKbedrijf inschat dat een aanvraag van een WW-uitkering (de zogenaamde WW-aanvraag) zal gaan leiden tot een afwijzing, is een dergelijke WW-aanvraag niet nodig. Het is voldoende als het UWV WERKbedrijf de gemaakte inschatting rapporteert in het WWB-overdrachtsformulier. In geval van twijfel zal het UWV WERKbedrijf altijd over gaan tot het innemen van een WW-aanvraag voor de klant en deze ter beoordeling aan het UWV WERKbedrijf aanbieden, dan wel overleggen met DWI of een aanvraag noodzakelijk wordt geacht.

Het UWV WERKbedrijf verwijst onmiddellijk door naar DWI als de klant tot een uitzonderingscategorie behoort. Bij alle doorverwijzingen geeft het UWV WERKbedrijf een verwijsformulier mee, met daarop de reden van doorverwijzing.

3.2.2                           De uitzonderingsgevallen bij DWI

Alleen klanten uit de volgende uitzonderingscategorieën dienen hun aanvraag rechtstreeks bij DWI in:

3.2.3                           Vaststellen van de ingangsdatum

De klant geeft bij het UWV WERKbedrijf op het formulier aan dat hij zich meldt voor werk en inkomen. Hiermee is de datum van de eerste melding vastgelegd. Dat is in principe de ingangsdatum van de uitkering. Het UWV WERKbedrijf geeft op het formulier aan wanneer het formulier is uitgereikt.

Indien een klant op advies van het UWV WERKbedrijf eerst WW heeft aangevraagd in plaats van bijstand en de WW-aanvraag vervolgens is afgewezen, dient, indien de klant wel recht op bijstand heeft, bijstand te worden verleend met ingang van de datum dat de WW zou zijn verleend als deze was toegekend.. Hierbij geldt wel als voorwaarde dat de klant zich binnen 5 werkdagen na ontvangst van de afwijzing van de WW-aanvraag heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Soms verschijnt een route A-klant niet op de uitkeringsintake. In dat geval stuurt het UWV WERKbedrijf een kennisgeving hiervan aan DWI en een kopie aan de klant. Het dossier blijft bij het UWV WERKbedrijf. DWI stelt de aanvraag buiten behandeling. De klant en het UWV WERKbedrijf krijgen schriftelijk bericht dat de klant nog twee weken de tijd heeft om zich te melden. Meldt de klant zich pas na deze periode dan is er sprake van een nieuwe aanvraag en dus ook van een nieuwe ingangsdatum van de uitkering.

Bij route B klanten wordt de aanvraag al vóór de intake overgedragen aan de DWI. Het UWV WERKbedrijf wordt niet geïnformeerd als de klant zijn aanvraag niet binnen de twee dagen in komt leveren.

3.2.3.1                             De verkorte aanvraagprocedure

Draaideurklanten zijn klanten die niet of onvoldoende reageren op (informatie)verzoeken van DWI, van wie de uitkering wordt ingetrokken, die zij kort daarna opnieuw aanvragen. De klant meldt zich pas weer als hij een beëindigings- of intrekkingsbesluit heeft ontvangen of als hij merkt dat de uitbetaling van de uitkering niet heeft plaatsgevonden.

Omdat het opnieuw opvoeren van een uitkering in NUS veel tijd vergt, heeft de directeur uitvoering van DWI Amsterdam besloten dat je bij beëindiging van (potentiële) draaideurklanten tot een juridische beëindiging kunt overgaan.
Juridisch beëindigen betekent dat de klant een besluit ontvangt waarin staat dat zijn recht op bijstand wordt beëindigd of ingetrokken. Je voert in het systeem echter nog geen beëindiging in, je laat de uitkering blokkeren. Om verwarring bij de klant te voorkomen moet je indien van toepassing de toezending van de maandelijkse IV onderdrukken.
Laat uiterlijk 30 dagen na de juridische beëindiging een juridische toekenning op basis van een verkorte aanvraag volgen, of een daadwerkelijke beëindiging in het systeem.

Draaideurklanten moeten zich bij DWI melden voor de nieuwe aanvraag, en niet bij het UWV WERKbedrijf, nagenoeg alle informatie over de klant bij DWI bekend is. Als zij zich bij het UWV WERKbedrijf melden, worden zij doorverwezen naar DWI. Als de klant zich binnen 30 dagen meldt, moet je in ieder geval onderzoeken wat de reden is dat de klant niet op de oproepen heeft gereageerd. Het resultaat van het onderzoek bepaalt of de uitkering weer aansluitend wordt verstrekt. Vervolgens moet je een middelentoets uitvoeren. 

Een draaideurklant stroom niet nieuw in. Voor hen geldt dan ook de oude werkwijze: verkorte aanvraag bij het team waar de klant ook voorheen onder viel. Indien de klant deelnam aan een traject, is het uiteraard zaak hem zo snel mogelijk weer daarop te plaatsen.

Ook klanten van wie de uitkering is beëindigd door werkaanvaarding komen voor de verkorte aanvraagprocedure in aanmerking indien ze binnen 30 dagen opnieuw een uitkering aanvragen. Het recht op bijstand wordt aansluitend hersteld, omdat minder dan 30 kalenderdagen geleden de uitkering is beëindigd. Voor het vaststellen van de ingangsdatum bij deze groep, zie 6.2.4.1 Vaststellingsperiode van de bijstand.

3.2.4                               Voorschotten en broodnoodvoorschotten

De WWB kent de verplichting om voorschotten te verlenen tijdens de behandelingsduur van de aanvraag, zie 3.2.4.1 Verplichte voorschotverlening telkens na vier weken. DWI kent daarnaast de mogelijkheid om een voorschot te verlenen bij broodnood, zie 3.2.4.2 Broodnoodprocedure UWV WERKbedrijf.

Een voorschot is bedoeld voor de algemene kosten van het bestaan. Hiertoe behoort ook de aanschaf van een identiteitsbewijs. Hou hier rekening mee met het te verstrekken bedrag.

Een voorschot heeft de vorm van een renteloze lening. Dit voorschot kan zonder machtiging van de aanvrager worden verrekend, als er later bijstand wordt toegekend.
Geen toekenning betekent terugvordering van het voorschot op grond van artikel 58, lid 1, sub d, WWB.

Je kunt iemand alleen een voorschot verstrekken als hij wacht op het besluit op een aanvraag voor kosten van levensonderhoud. Die periode is volgens de Awb 8 weken.

Na de periode van 8 weken mag je alleen een voorschot verstrekken als de beslistermijn is verlengd. Die verlenging gebeurt middels een besluit waarin een hersteltermijn wordt gegeven. De klant krijgt een hersteltermijn als bijvoorbeeld nog niet alle gegevens binnen zijn of als de DWI nader onderzoek moet doen en meer tijd nodig heeft om tot een beslissing te komen.

DWI heeft, over de aanvragen om een voorschot in geval van broodnood, afspraken gemaakt met het UWV WERKbedrijf.

3.2.4.1                           Verplichte voorschotverlening telkens na vier weken

Met ingang van 2007 hebben mensen die bijstand aanvragen recht op een voorschot van minimaal 90 procent van de bijstandsuitkering. Zij hoeven niet om een voorschot te vragen. Het voorschot moet binnen vier weken na de aanvraag worden uitbetaald en vervolgens iedere vier weken totdat de uitkering ingaat. Het hebben van enig spaargeld heeft geen gevolgen voor het recht op voorschot.

Let op:

Met een eventueel beslag door derden of een schuld aan DWI hou je bij de hoogte van het voorschot geen rekening. Juist hierom is in de wet gekozen om het voorschotbedrag 90% van de toepasselijke norm te laten zijn.

Geen voorschot
Er bestaat geen recht op een voorschot als:

Bovenstaande betekent dat ook binnen een hersteltermijn toch een voorschot moet worden verleend. Er is op dat moment namelijk nog geen sprake van verwijtbaarheid.

Voorschotverlening is beperkt tot de periode waarin de klant  wacht op het besluit op een aanvraag voor kosten van levensonderhoud. Die periode is volgens de Awb maximaal 8 weken.
Na de periode van 8 weken mag je alleen een voorschot verstrekken als de beslistermijn is verlengd. Die verlenging gebeurt middels een besluit waarin een hersteltermijn wordt gegeven. De klant krijgt een hersteltermijn als bijvoorbeeld nog niet alle gegevens binnen zijn of als de DWI nader onderzoek moet doen en meer tijd nodig heeft om tot een beslissing te komen.

3.2.4.2                           Broodnoodprocedure UWV WERKbedrijf

De broodnoodprocedure gaat over het verstrekken van een voorschot bij een aanvraag levensonderhoud. Het beleid van DWI is dat geen voorschotten direct bij de aanvraag worden verstrekt, tenzij sprake is van broodnood. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt een aanvraag in behandeling genomen. Bijvoorbeeld bij een klant die net uit detentie komt, wel over woonruimte, maar niet over een bankrekeningnummer beschikt en geen contanten heeft.
Als de aanvrager om de verstrekking van een voorschot verzoekt, omdat sprake zou zijn van broodnood, wordt bij het UWV WERKbedrijf onmiddellijk een werk - en uitkeringsintake gehouden. DWI heeft, over de aanvragen om een voorschot in geval van broodnood, afspraken gemaakt met het UWV WERKbedrijf.

Minimaal noodzakelijk:

Het is de taak van het UWV WERKbedrijf om de aanvrager er van te doordringen dat er slechts in uitzonderingsgevallen sprake kan zijn van broodnood. Wanneer een aanvrager “op verstrekking van een voorschot staat”, moet het verzoek altijd volgens hiergenoemde procedure worden behandeld. Hierdoor kan DWI een besluit (tot afwijzing of toekenning) op het verzoek nemen.

Na de uitkerings­intake wordt door het UWV WERKbedrijf telefonisch contact opgenomen met DWI. Voor de klant wordt een afspraak gemaakt.

Het dossier wordt, in geval van broodnood, door UWV WERKbedrijf in een ’’verzegelde’’ envelop aan de aanvrager meegegeven. Die krijgt een verwijsbericht mee waarop staat waar, wanneer en bij wie hij zich moet vervoegen bij DWI.
Door het UWV WERKbedrijf zal in deze gevallen geen vervolg - uitkeringsintake worden gedaan. Het dossier is dan namelijk reeds overgedragen en wordt dus niet aan het UWV WERKbedrijf retour gezonden.

DWI gaat uit van de volgende regel: de aanvrager moet aangeven dat er sprake is van broodnood en aantoonbaar niet over middelen beschikken. Er moet dan sprake zijn van roodstand tot aan de kredietlimiet.
Als er sprake is van inwoning bij familie is er nooit broodnood.

Een beslissing tot verstrekking van een voorschot bij broodnood vindt plaats na individuele toetsing, afgestemd op de situatie en de behoefte van betrokkene.

3.2.4.3                           Voorschot, aanvraag bij voorliggende voorziening

Er is geen recht op bijstand als een beroep mogelijk is op een voorliggende voorziening die passend wordt geacht. Dat is het geval wanneer uit de  gegevens blijkt, dat er een grote kans is op honorering van de voorliggende voorziening.
Alleen op grond van zeer dringende redenen kan een hierop een uitzondering worden gemaakt. Neem dan wel een machtiging tot verrekening uitkering in (het formulier F 314).

Het komt vaker voor dat een aanvraag bij DWI wordt ingediend omdat de beslissing op een aanvraag bij de voorliggende voorzien nog op zich laat wachten.

Dergelijke aanvragen moeten worden ingenomen, uitgezonderd die gevallen waarbij een WW-of Wajonguitkering is aangevraagd en men nog in afwachting is van een beslissing op die aanvraag. Op grond van artikel 31 lid 1 tot en met 4 van de Werkloosheidswet (WW) is het UWV WERKbedrijf bevoegd op verzoek van de werknemer (klant) of uit eigen beweging een voorschot te verstrekken indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op een WW-uitkering (voor de Wajong geldt artikel 47 lid 2 Wajong). DWI verstrekt dus geen voorschotten aan klanten die in afwachting zijn van een beslissing op een aanvraag WW- of Wajonguitkering. Die klanten moeten naar het UWV WERKbedrijf worden verwezen.

Belastbaarheid voorschotten bij aanvragen
Alleen voorschotten die worden verstrekt in afwachting van de beslissing op de bijstandsaanvraag zijn belast.

Geldleningen die bij wijze van voorschot worden verstrekt, zijn niet belast.
De Belastingdienst stelt hier als voorwaarde dat de klant een overeenkomst van geldlening tekent bij het verstrekken van een voorschot op grond van Artikel 52. Voorschot WWB. Hiervoor wordt de akte van schuldbekentenis, het formulier 408, gebruikt.
De Belastingdienst kan aan de hand van de overeenkomst van geldlening controleren of aan alle fiscale voorwaarden is voldaan.

Dit betekent dat voorschotten verstrekt op grond van Artikel 52. Voorschot WWB zonder bovengenoemde overeenkomst van geldlening, achteraf door de Belastingdienst via een naheffing worden belast.

3.2.4.4                              De overbrugging

Door de verrekening van het voorschot is de klant niet in staat de periode van de toekenning van bijstand tot de eerste reguliere betaling te overbruggen. DWI kan hier bijzondere bijstand voor verlenen.
Als het tekort de aanvrager te verwijten valt, verstrek je deze overbrugging als lening en laat je dit maandelijks met de uitkering verrekenen. De overbrugging is "om niet" (schenking), als het tekort niet het gevolg is van een verwijtbare houding.

Je verstrekt een overbrugging vanuit de bijzondere bijstand alleen in uitzonderlijke gevallen. Als regel uitsluitend in situaties waarbij het absoluut noodzakelijk is dat de klant een overbrugging tot de eerste reguliere betaling ontvangt.

3.2.5                         Domicilie: de gemeente van schriftelijke aanvraag

Iemand heeft recht op bijstand in de gemeente waar hij zijn woonplaats heeft en bij gebrek daaraan de gemeente waar hij daadwerkelijk verblijft.

De klant verliest het verblijf in de gemeente door daden waarmee hij aangeeft er niet meer te willen wonen of verblijven. Bijvoorbeeld uitschrijving uit het bevolkingsregister, het opzeggen van de huur, in een andere gemeente een woning huren enz.

Tijdelijk of permanent
Bij een tijdelijk verblijf elders geeft een klant de “woonstede” niet op, bijvoorbeeld als hij voor revalidatie tijdelijk in een verpleeghuis verblijft.
Als bijvoorbeeld het verblijf in een inrichting niet meer tijdelijk, maar permanent wordt, gaat de bijstandsverlening over van de vertrekgemeente naar de gemeente waar de inrichting is gevestigd.

Let op: ga hier in de praktijk voorzichtig mee om. Verblijf in bijvoorbeeld een verpleeghuis kan immers zowel tijdelijk als permanent zijn. Overleg met de klant of gemachtigde, en met DWI in de gemeente, waarin de inrichting ligt.

Bij opname in een inrichting hanteer je de grens van ongeveer 1 jaar voordat je gaat onderzoeken of de klant misschien permanent wegblijft uit Amsterdam (tenzij er inmiddels daden van afstand zijn gedaan, zoals opzeggen huur).

Uitgangspunt van DWI bij het vaststellen van de woonplaats is: "Zich bevinden = Woonplaats = Adres in Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA)”. In principe moet de aanvrager dus ingeschreven staan in de GBA van de gemeente Amsterdam.
Het adres in de GBA moet overeenkomen met het adres dat de aanvrager opgeeft. Is dat niet het geval of staat de aanvrager niet in de GBA ingeschreven, dan moet hij aantonen (met huurcontract, huurbetalingsbewijzen, bewijzen betaling energienota's, etc) waar hij werkelijk verblijft.

Een aanvraag om bijstand gebeurt schriftelijk:

Zonodig kan een huisbezoek duidelijkheid verschaffen over de verblijfplaats van de aanvrager, zie 3.2.7.3 Het (onaangekondigd) huisbezoek. De aanvrager heeft de taak de registratie in de GBA in overeenstemming te brengen met de werkelijke situatie.

De aanvrager moet dus kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk in de gemeente Amsterdam woont.

De woonplaats van de klant is de gemeente van bijstand, ook na instelling van een bewindvoering ("onder bewindstelling").

Volgens Artikel 40. Woonplaats en adresgegevens, lid 3 WWB moet het recht op bijstand worden opgeschort als het verstrekte adres van de klant, echtgenoot of van een kind afwijkt van het geregistreerde adres in de GBA.

Uitzonderingen hierop (Artikel 40. Woonplaats en adresgegevens, lid 4 WWB):

3.2.5.1          Gebruikmaken van een postbus

Vanuit het oogpunt van controle vereist DWI in principe van alle klanten dat zij hun post ontvangen op het adres, waar zij woonachtig zijn. In uitzonderlijke situaties kan DWI toestaan dat de klant gebruik maakt van een postbus. Uitgangspunt is dat de klant dan staat ingeschreven op het adres, waar hij of zij woonachtig is. De klantmanager/inkomensconsulent kan dan op individuele basis besluiten om het gebruik van een postbus toe te staan, bijvoorbeeld in het geval de klant het adres deelt met anderen waardoor regelmatig post zoekraakt of bij een ernstig slechtziende en alleenwonende klant.

3.2.5.2          Werkzaamheden naar aanleiding van de verhuizing

Vanuit het oogpunt van controle vereist DWI in principe van alle klanten dat zij hun post ontvangen op het adres, waar zij woonachtig zijn. In uitzonderlijke situaties kan DWI toestaan dat de klant gebruik maakt van een postbus. Uitgangspunt is dat de klant dan staat ingeschreven op het adres, waar hij of zij woonachtig is. De klantmanager/inkomensconsulent kan dan op individuele basis besluiten om het gebruik van een postbus toe te staan, bijvoorbeeld in het geval de klant het adres deelt met anderen waardoor regelmatig post zoekraakt of bij een ernstig slechtziende en alleenwonende klant.3.2.6                         Aanvraag om bijstand bij gezamenlijke huishouding

Als er sprake is van een gezamenlijke huishouding moeten beide echtegenoten/partners samen de aanvraag indienen. Eén van beiden kan dat ook doen met schriftelijke toestemming van de ander.

Er is sprake van een gezamenlijke huishouding als de aanvragers hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: 

(Deze criteria hanteer je ook om het “onweerlegbaar rechtsvermoeden” vast te stellen, Artikel 3. Gezamenlijke huishouding en woning, lid 4 WWB).

Een uitzondering zijn eerstegraads bloedverwanten (ouder en kind) die een gezamenlijke huishouding voeren.

De situatie kan zich voordoen dat de partner het er niet mee eens is dat bijstand voor het gezin wordt aangevraagd en alle medewerking weigert.  Als er noodzaak is (omdat de weigerachtige houding ten koste gaat van de klant en eventuele kinderen) kun je besluiten om ambtshalve bijstand te verstrekken. Uiteraard mag dit pas na een grondig onderzoek.

3.2.6.1                             Geregistreerd partnerschap en huwelijk

Zowel in geval van huwelijk als bij geregistreerd partnerschap mag de klant:

In de stukken en formulieren van DWI kun je voor het woord "gehuwd" ook lezen "(en/of) geregistreerde partner" en voor het woord “ongehuwd" kun je lezen "(en/of) zonder geregistreerde partner".

Verschillen huwelijk-geregistreerd partnerschap
Het geregistreerd partnerschap is in vrijwel alle opzichten gelijk gesteld aan het huwelijk. Er zijn enkele verschillen, bijvoorbeeld in de afstamming van kinderen (niet automatisch kind van de partner, dit is wel het geval bij het huwelijk) en in de wijze van beëindiging.

De geregistreerde (ex)partners hebben ten opzichte van elkaar volledig een zorgplicht zoals bij gehuwden. Net als bij het huwelijk kan er geen registratie bestaan met meer dan één partner tegelijk. De regels voor (al dan niet) gemeenschap van goederen zijn gelijk, evenals erfrecht.

Geregistreerd partnerschap eindigt door dood of ontbinding. Ontbinding (het ongedaan laten maken van de registratie) kan met wederzijds goedvinden of anders door tussenkomst van de rechter. Pensioenrechten worden verevend zoals bij huwelijk en er bestaat recht op alimentatie.

Samenlevingscontract
Een samenlevingscontract heeft in principe geen werking naar derden, ook al kan bijvoorbeeld een pensioenverzekeraar het accepteren. Er is geen volledige zorgplicht voor elkaar.

Registratie als samenwonenden
Tot 1988 was registratie als samenwonenden in een apart gemeenteregister mogelijk. Deze vorm van registratie staat geheel los van het geregistreerd partnerschap. Het gaat hier om een puur ceremoniële kwestie, waaraan geen enkel juridisch gevolg gegeven kan worden. 

3.2.7                         De inlichtingenverplichting bij een aanvraag

De aanvrager is verplicht alle informatie te verstrekken waarvan hij weet, of redelijkerwijs kan weten, dat deze voor het recht op bijstand van belang is.
In het algemeen mag je verwachten dat de verstrekte informatie juist en volledig is.

De klant heeft de plicht op verzoek of meteen uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling en het recht op bijstand.

De gemeente bepaalt welke gegevens de aanvrager moet verstrekken en met welke bewijsstukken deze gegevens moeten worden ondersteund. Het mag alleen gaan om gegevens en bewijsstukken waarover de aanvrager redelijkerwijs kan beschikken en die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand vast te stellen (bijvoorbeeld het ontbreken van de vervolgbladzijde(n) van een bankafschrift hoeft niet perse een beletsel te zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen).

Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen
Gegevens die vallen onder het bereik van de Wet eenmalige gegevensuitvraag mogen niet meer aan de klant worden gevraagd. Deze gegevens moet je ontlenen aan het Suwinet / DKD. Het betreft de inschrijving als werkzoekende bij UWV-Werkbedrijf, gegevens van de SVB (kinderbijslag, Anw en Aow), gegevens van de RDW en uitkeringsgegevens van andere gemeenten (WWB, WWIK, IOAW, IOAZ). Ook gegevens uit de GBA, die ontleend kunnen worden aan Suwinet / DKD (landelijk) of die blijken uit baliescherm Paraplu (gemeentelijk) mogen niet meer aan de klant worden gevraagd.

De gemeente biedt actieve ondersteuning in het geval het de aanvrager aantoonbaar moeite kost om inlichtingen en bewijsstukken van Nederlandse of buitenlandse instanties te verkrijgen. Dit kan door middel van een schriftelijke verklaring die het verzoek van de aanvrager ondersteunt. De gemeente kan er ook voor kiezen om zelf de gegevens en bewijsstukken namens de aanvrager op te vragen. Als de aanvrager ook daarna niet de beschikking krijgt over de benodigde gegevens en bewijsstukken, dan kan worden geconcludeerd dat de betreffende gegevens en bewijsstukken redelijkerwijs niet kunnen worden geleverd.
Als de aanvrager niet voldoet aan de inlichtingenplicht, kan DWI geen bijstand verlenen, omdat je het recht op uitkering niet kunt vaststellen. Neem een aanvraag dan ook alleen in behandeling als de klant alle benodigde gegevens voor de vaststelling van het recht op bijstand heeft overgelegd.

3.2.7.1                             Verifiëren van gegevens

Dit is een onderzoek naar de juistheid en de volledigheid van de gegevens die de aanvrager heeft verstrekt. Dat doe je aan de hand van bewijsstukken die de aanvrager heeft overlegd, bijvoorbeeld bankafschriften. Bij twijfel over de gegevens die de aanvrager heeft verstrekte over zijn woonplaats, woonsituatie, of leefsituatie, kan het noodzakelijk zijn deze gegevens te verifiëren met een huisbezoek, zie 3.2.7.3 Het (onaangekondigd) huisbezoek.

Controle bank- en giroafschriften
Om de inkomsten en het vermogen van klant vast te stellen is inzage in de bank- en giroafschriften noodzakelijk. Op een aantal zaken moet je alert zijn (deze lijst is niet volledig en uitputtend):

Voor klanten van 65 jaar en ouder geldt een uitzondering. Zij kunnen volstaan met het overleggen van alleen het laatste bankafschrift.

Inzien van de uitgaven
Om het recht op bijstand te kunnen vaststellen is het meestal niet noodzakelijk inzicht te hebben in het uitgavenpatroon van de klant. De klant heeft dan ook de keuze de omschrijving en de bedragen van de uitgaven onleesbaar te maken.
De uitgaven op de bank - en giroafschriften kunnen echter wel relevante informatie bieden over de financiële situatie van de klant. Bijvoorbeeld bij een vermoeden van een problematische schuldensituatie.
In twee gevallen kan de klant verplicht worden toch inzicht in de uitgaven te geven:

  1. er is een redelijk vermoeden van fraude;
  2. er is een redelijk vermoeden dat de klant een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan heeft getoond.

In deze twee gevallen moet de klant desgevraagd inzage geven in de omschrijving en bedragen van de uitgaven.
Schrijf de reden waarom je de klant om inzage verzoekt, duidelijk op in de rapportage. Soms heeft de klant recht op een redelijke hersteltermijn. Als de klant hier niet aan voldoet, overweeg dan verlaging van de bijstand.

In geen geval mag de klant de bedragen van het beginsaldo en het eindsaldo onleesbaar maken. Ook de omschrijving en de bedragen van de inkomsten moeten altijd leesbaar blijven.

3.2.7.2                             Internetbankieren

Steeds meer klanten bankieren via internet. Vaak ontvangen zij dan geen papieren bankafschriften meer van hun bank. Gemeenten hoeven burgers bij de aanvraag van een uitkering niet te vragen om deze originele bankafschriften. Een uitdraai van het rekeningoverzicht via telebankieren volstaat. Heb je het vermoeden dat klant met creatief knippen en plakken het internetbankafschrift heeft aangepast, dan kan je de klant vragen op het Werkplein in te loggen. Het benodigde bankafschrift kan dan ter plekke worden geprint.

3.2.7.3                             Het (onaangekondigd) huisbezoek

Zie de beschrijving in 10.1.1 Huisbezoek.

3.2.7.4 Opgave inkomsten en inkomstenverklaring

Inkomstenverklaringen (IV) worden niet meer automatisch verzonden. Vraagt een klant een uitkering aan en heeft hij inkomsten (die aan arbeid gerelateerd zijn) dan moet de indicatie verzenden IV op “ja” worden gezet. Heeft klant geen inkomsten dan blijft de indicatie verzenden op “nee” staan en moet aan de klant het formulier (F.310) Opgave inkomsten worden uitgereikt.

3.2.7.5                             Valideren van de gegevens

Als je valideert, onderzoek je de gegevens van de aanvrager via afstemming met andere, externe, bronnen en bestanden.

Een aantal instanties is verplicht en bevoegd, desgevraagd en op eigen initiatief, kosteloos opgaven en inlichtingen te verstrekken. Het moet hier wel gaan om feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn om de WWB te kunnen uitvoeren. Deze instanties staan genoemd in de WWB.

Gegevens over de woon - en leefsituatie worden altijd gevalideerd in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA). De GBA geeft niet alleen uitsluitsel over de woonplaats van de aanvrager, maar ook over wie nog meer in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. De GBA geeft ook uitsluitsel voor de vaststelling van de verblijfstatus.

De overige gegevens verifieer je eerst aan de hand van de geleverde bewijsstukken. Als er twijfel bestaat over de echtheid besluit je tot valideren bij externe bronnen.

Welke bewijsstukken noodzakelijk zijn, hangt af van de individuele situatie. De nodige gegevens en bewijsstukken zullen dan ook per individu verschillen.

Belangrijk is of alle relevante gegevens aanwezig zijn. In principe geldt dat iedere vraag op het inlichtingenformulier die van toepassing is, ingevuld moet zijn. Ook alle vermeldde bewijsstukken moeten zijn geleverd.

Soms is inzage en gedeeltelijk kopiëren voldoende (bijvoorbeeld bij bankafschriften); in andere gevallen moet er altijd een bewijsstuk aanwezig zijn (bijvoorbeeld een print uit de GBA).

Suwinet-inkijk
Valideren van de gegevens kan ook via Suwinet-inkijk / Digitaal Klantdossier (DKD). Bij een aanvraag om levensonderhoud (algemene bijstand), het heronderzoek en het beëindigingsonderzoek ben je verplicht om Suwinet te raadplegen. Dit betreft met name de gegevens die vallen onder de Wet eenmalige gegevensuitvraag. Zie ook paragraaf 3.2.7. Neem de gevonden informatie mee in het onderzoek.

Beperkingen van Suwinet-Inkijk
Suwinet- inkijk maakt onder meer gebruik van de gegevens die staan geregistreerd bij het UWV WERKbedrijf en de UWV WERKbedrijf-onderdelen. Deze registraties zijn niet altijd volledig en actueel. De organisaties leggen namelijk die gegevens vast die nodig zijn voor hun primaire processen en dat gebeurt op de momenten waarop dat voor hun werkprocessen noodzakelijk is.

De UWV WERKbedrijf gegevens dateren van het tijdstip van inschrijving van de klant. Het is daarom mogelijk dat je tijdens een heronderzoek gegevens aantreft die van een inschrijving van een tijd terug dateren.
De gegevens uit de UWV WERKbedrijf registraties zijn beperkt tot de laatste 5 jaar.
Verder zijn deze registraties niet altijd even volledig. De UWV WERKbedrijf is daarvoor namelijk ook afhankelijk van de discipline van de werkgevers om nauwkeurige meldingen te doen. Zo komt het bijvoorbeeld voor dat loongegevens en specifieke gegevens over de werkgever ontbreken.
Het UWV WERKbedrijf en de UWV WERKbedrijf leggen op verschillende tijdstippen de gegevens vast. Ze dienen verschillende doelen. Het gevolg hiervan is dat de gegevens van het UWV WERKbedrijf over een klant niet helemaal sporen met de gegevens die een UWV WERKbedrijf.

Dit alles betekent dat je voornoemde informatie uit Suwinet altijd via andere weg moet natrekken. Bij gegevens die vallen onder de Wet eenmalige gegevensuitvraag (zie paragraaf 3.2.7) is het Suwinet / DKD de authentieke bron en is verder natrekken niet nodig. De gegevens die vallen onder de Wet eenmalige gegevensuitvraag mogen niet meer aan de klant worden gevraagd.

3.2.8                         Ambtshalve vaststelling van recht op bijstand

Het is gebruikelijk om een beslissing te nemen op een schriftelijk ingediende aanvraag (artikel 4:1 Awb). Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van de belanghebbende om een besluit te nemen (artikel 1:3 Awb).

Het kan voorkomen dat een aanvraag niet schriftelijk gedaan kan worden. In zo’n geval moet er ambtshalve worden bepaald of er aanspraak op bijstand bestaat. In de Memorie van Toelichting op artikel 43 WWB wordt als voorbeeld genoemd een spoedgeval, waarin de wil van de klant niet kenbaar kan worden gemaakt. In een dergelijk geval hoeft geen schriftelijke aanvraag te worden ingediend.

Een andere mogelijkheid staat vermeld in het derde lid van Artikel 43. Vaststelling op aanvraag. Er volgt een ambtshalve vaststelling van het recht indien een van de echtgenoten niet met de aanvraag instemt, doch bijstandsverlening, gezien de belangen van de overige gezinsleden, niettemin geboden is.

3.2.9   Doorzending van de aanvraag naar andere gemeente

Als er wordt besloten dat een andere gemeente de aanvraag moet behandelen, hanteer je deze werkwijze:

Domiciliegeschil
Als de  gemeente, die de doorgestuurde aanvraag van een andere gemeente ontvangt, van oordeel is dat zij de aanvraag niet kan behandelen (en wanneer er ook geen zekerheid te verkrijgen is over de woonplaats van de klant), gelden de volgende regels:

De gemeente heeft een bijstandsplicht en bij domiciliegeschillen mogen gemeenten niet naar elkaar blijven verwijzen. De gemeente moet daadwerkelijk bijstand verlenen.

3.2.10   De klant machtigt een vertegenwoordiger

Iedere klant kan zich, ter behartiging van zijn belangen, laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. De gemachtigde moet een schriftelijke machtiging laten zien die is ondertekend door de klant.

Vertegenwoordiging door een gemachtigde kun je alleen weigeren als er tegen die persoon (de gemachtigde) ernstige bezwaren bestaan. In zo’n geval moet zowel de klant als de gemachtigde van de weigering per omgaande schriftelijk op de hoogte worden gebracht.

3.2.11   Gebruikmaken van een tolk

Het uitgangspunt van DWI is dat er met klanten in het Nederlands wordt gecommuniceerd. Als klanten het Nederlands onvoldoende beheersen, is het hun eigen verantwoordelijkheid voor een tolk te zorgen. Zij kunnen familieleden, kennissen, etc. vragen om voor ze te tolken. In uitzonderlijke gevallen kan het echter voorkomen dat klanten niet zelf voor een tolk kunnen zorgen. Denk bijvoorbeeld aan vluchtelingen die nog geen Nederlands spreken en in hun netwerk nog niemand kennen die voor hen kan vertalen. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming en correcte dienstverlening moeten deze klanten toch in staat worden gesteld hun verhaal te vertellen. Als klantmanagers of inkomensconsulenten het taalprobleem in dit soort gevallen niet kunnen oplossen door zelf of met hulp van een collega in een andere taal dan het Nederlands met de klant te communiceren, dan kan het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland (TVcN) worden ingeschakeld. Dit centrum levert persoonlijke en telefonische tolkendiensten. Deze zijn op werkdagen van 9.00 tot 19.00 uur aan te vragen via telefoonnummer 088-2555222. Normaal gesproken zal een telefonische tolkendienst voldoen. Het TVcN kan deze dienst meteen leveren. Het is ook mogelijk om voor een tijdstip in de toekomst bij het TVcN een tolk te reserveren.

3.2.12   De klant neemt iemand mee naar zijn gesprek

Klanten die een gesprek hebben met een medewerker van DWI, mogen iemand meenemen. Dit kan bijvoorbeeld een maatschappelijk werker of een familielid zijn. Uitgangspunt is dat het gesprek met de klant is en niet met de persoon die met de klant meekomt. De klant mag wel overleggen met deze persoon. De persoon die meekomt moet zich kunnen legitimeren, als de DWI-medewerker daarom vraagt. DWI kan deze persoon alleen weigeren als er ernstige bezwaren tegen hem of haar bestaan.

3.2.13   Afwijzing van de aanvraag en herhaalde aanvraag

Het afwijzen van een aanvraag gebeurt op het moment dat je over alle noodzakelijke informatie beschikt om een zorgvuldige afweging te kunnen maken.

Als de aanvraag geheel of gedeeltelijk is afgewezen, kan een nieuwe aanvraag worden ingediend onder voorwaarde dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die niet eerder bekend waren. De aanvrager dient dit bij de herhaalde aanvraag te vermelden.

Artikel 4:6, lid 2 Awb vermeldt het volgende:

Wanneer er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

3.2.14   Eisen aan een besluit

Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling (art. 1:3 Awb). Er wordt een besluit verstuurd als er sprake is van een beslissing met enig rechtsgevolg.

Voorbeeld
De klant geeft een verhuizing door en als gevolg hiervan is sprake van een wijziging van de toeslag. De klant wordt hierover in kennis gesteld met een besluit.

Beoordeeld moet worden of het besluit tot toekenning, voortzetting, afwijzing of beëindiging van de bijstand, een logisch gevolg is van de bij het onderzoek betrokken stukken met bijbehorende rapportage.

Het besluit moet aan de formele eisen voldoen en het volgende moet worden onderzocht:

3.3                  Opschorting

Opschorten van de uitkering is mogelijk, als de inlichtingenplicht wordt geschonden. Het moet dan gaan om inlichtingen die nodig zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

Is sprake van het niet voldoen aan verplichtingen in het kader van de arbeidsinschakeling (bijvoorbeeld geen gehoor geven aan een oproep om de voortgang van een traject te bespreken, of niet of onvoldoende meewerken aan een traject) dan is opschorting van de uitkering blijkens jurisprudentie van de CRvB niet mogelijk en dient afstemming van de bijstand plaats te vinden.

Overigens loopt bij het Re-integratie Bedrijf Amsterdam een pilot waarbij de uitkering wordt opgeschort als de klant niet verschijnt bij (of niet voldoende meewerkt aan) de ‘‘onderzoeksweek naar arbeidsinschakeling’. De wet lijkt hiervoor een goede basis te bieden.

Het recht op bijstand wordt via een besluit opgeschort (juridische opschorting). Het besluit vermeldt de reden en ingangsdatum van de opschorting.

Voor de datum van opschorting geeft de wet twee mogelijkheden:

A. de opschortingsdatum is de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.
Voorbeeld 1.
Je verzoekt de klant op 6 oktober om de inkomstengegevens van de maand
september. Hierop volgt geen reactie. De opschortingsdatum is 1 september. Omdat een uitkering niet langer dan 8 weken mag worden opgeschort, kiest DWI er echter voor de uitkering ingaande 1 oktober op te schorten. Als de uitkering later ingaande 1 oktober wordt ingetrokken, dan wordt de maand september meegenomen in het beëindigingsonderzoek (zie par. 3.8). Deze werkwijze geldt ook voor systeemblokkades bij GIK (zie paragraaf 3.7.1 Opschorting en intrekking niet inleveren IF (inkomstenformulier) ).

B. De opschortingsdatum is de dag van het verzuim, indien “A” niet kan worden bepaald.
Voorbeeld 2.
Je verzoekt de klant uiterlijk 6 oktober verschillende gegevens af te geven bij de portier: huurcontract en 2 afschriften van de giro. Klant voldoet hier niet aan. Opschorting ingaande 7 oktober.

DWI schort het recht op bijstand op gedurende ten hoogste acht weken. Vóór het einde van deze periode moet de uitkering zijn beëindigd of voortgezet.

Als de klant het verzuim niet herstelt, is niet voldaan aan de informatieplicht. Als dit verwijtbaar is zijn er twee mogelijkheden, waarbij het beginsel van evenredigheid in acht wordt genomen:

  1. wanneer niet langer duidelijk is of er recht is op bijstand als gevolg van het ontbreken van de informatie, wordt het recht ingaande de opschortingsdatum ingetrokken.
  2. wanneer het recht wel kan worden vastgesteld kan je verlaging (afstemming) van bijstand overwegen omdat er sprake is van verwijtbaar handelen. Dit kan alleen als de betrokkene ernstig tekort is geschoten.

Wanneer de belanghebbende de gevraagde gegevens heeft verstrekt of de vereiste medewerking heeft verleend, wordt de opschorting van de uitkering opgeheven met ingang van de datum dat er weer recht op uitkering bestaat. De klant wordt hiervan met een besluit op de hoogte gesteld.

Blokkade van de uitkering
De blokkade van de uitkering is een interne (NUS-)aangelegenheid en kan afwijken van de boven besproken juridische opschorting.
Er is voor gekozen een uitkering altijd ingaande de eerste dag van de maand te blokkeren.

Er kunnen zich twee situaties voordoen:

  1. Blokkeer de uitkering ingaande de eerste van de eerstvolgende maand wanneer de maandsluiting is gepasseerd en de uitkering niet meer kan worden tegengehouden.
  2. Blokkeer de uitkering ingaande de eerste van de lopende maand zolang de maandsluiting nog niet is gepasseerd.

Deblokkade/beëindiging en (in)directe doorbetalingen
Door de blokkade van de uitkering worden directe doorbetalingen (zoals ziektekostenverzekering, huur, energiekosten) en indirecte doorbetalingen (zoals beslaglegging door deurwaarders of inhoudingen voor Crediam) niet ingehouden en overgemaakt aan derden.

Wanneer later blijkt dat het recht op uitkering blijft bestaan, dan dient de uitkering te worden gedeblokkeerd ingaande de blokkadedatum (bij volledig recht) óf ingaande de 1e van de volgende maand (wanneer er een aantal dagen wordt uitgesloten).

Wanneer blijkt dat de uitkering beëindigd moet worden én er is recht op een nabetaling voor een deel van de blokkademaand, dan dienen de directe en indirecte doorbetalingen zoveel mogelijk in volledige bedragen te worden overgemaakt.

Maak bij een deblokkade of nabetaling nooit gedeeltelijke maandbedragen over aan derden of schuldrekeningen.
De reden hiervoor is dat onvolledige maandbedragen niet verwerkt kunnen worden door de ontvangende instanties.
Wanneer het uitkeringstegoed ontoereikend is om alle directe en indirecte doorbetalingen over te maken, probeer dan zoveel mogelijk gehele doorbetalingen handmatig tot stand te brengen. Een eventuele beslaglegging komt als eerste in aanmerking om te worden doorbetaald. Daarna verdient het aanbeveling de doorbetalingen in de volgorde van lage naar hoge bedragen door te betalen. Op deze manier kunnen zoveel mogelijk betalingen plaatsvinden. Ook hier geldt dat enkel volledige maandbedragen overgemaakt mogen worden.
Een andere oplossing waarvoor kan worden gekozen, is het verschil tussen het totaalbedrag van de doorbetalingen en het uitkeringstegoed te verrekenen op de uitkering van de eerstvolgende maand.

3.4                  Verblijf in het buitenland en buiten de gemeente Amsterdam

In deze paragraaf wordt ingegaan op de wettelijk toegestane vakantietermijn die wordt aangemerkt voor een verblijf in het buitenland. Ook wordt aangegeven wanneer Amsterdam bijstand verleent als de klant buiten de gemeente, maar wel in Nederland verblijft..

3.4.1       Toegestane termijn en re-integratieverplichtingen

De klant moet zijn verblijf buiten Nederland van tevoren aan DWI doorgeven. DWI checkt dit verblijf  op de wettelijk toegestane vakantietermijn en strijdigheid met re-integratieverplichtingen.

Het verblijf in het buitenland mag de re-integratieverplichtingen van de klant niet belemmeren. Wanneer de klant trajectverplichtingen heeft, moet hij het verblijf in het buitenland vooraf afstemmen met het re-integratiebedrijf en/of opleiding.

3.4.2                         De wettelijk toegestane vakantietermijn

In de WWB geldt, binnen en buiten Nederland: (Zie paragraaf 2.2 voor definitie "buitenland")

Een langer verblijf in het buitenland is niet toegestaan, ongeacht de reden van het langere verblijf (enige uitzondering: aantoonbaar solliciteren met een reëel uitzicht op werk, en, onder voorwaarden, medische behandeling, zie hieronder). Ook als de klant in het buitenland ziek wordt, of in het ziekenhuis wordt opgenomen, of bij ernstige familieomstandigheden is een langer verblijf niet toegestaan.

Personen tot 65 jaar mogen maximaal 13 weken per kalenderjaar met behoud van uitkering in het buitenland verblijven als zij zijn ontheven van de actieve sollicitatieplicht én geen re-integratietraject hoeven te volgen,dat wil zeggen dat zij niet beschikbaar zijn voor een voorziening (0 uren beschikbaarheid) en niet zijn aangemeld voor een inburgeringsvoorziening (zie hoofdstuk 7.1 Verplichtingen tot arbeidsinschakeling).

Wanneer een jongere partner (65-) van een 65-plusser met een AIO-aanvulling van de SVB bij DWI vakantie aanvraagt, dan informeert de klantmanager de SVB per mail. Zie hiervoor par. 4.13.2 Wat doet DWI.

De CRvB (Uitspraak 06/6877; 06/6878 WWB) heeft bepaald dat een klant die in een buitenlandse kliniek een behandeling ondergaat, onder voorwaarden langer dan de voor hem/haar toegestane vakantietermijn met behoud van uitkering in het buitenland mag verblijven, voor de duur van de behandeling. Na overschrijding van deze termijn ontvangt hij/zij op grond van art. 16, eerste lid, van de WWB bijstand naar de toepasselijke norm voor verblijf in een inrichting (zie paragraaf 5.3.4 Normen voor personen in inrichtingen). Indien nodig kunnen de vaste lasten van de woning worden vergoed via de bijzondere bijstand (zie paragraaf 9.7.3.1 Vaste lasten tijdens verblijf in een inrichting).

De klant moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

3.4.2.1                             Overschrijding van de wettelijke termijn

Als een klant langer dan de toegestane termijn naar het buitenland gaat, handelt DWI als volgt.

Een verblijf in het buitenland die de wettelijk toegestane periode overschrijdt, wordt voor de toegestane termijn toegewezen, mits dit verblijf niet strijdig is met de re-integratieverplichtingen van de klant. De overige dagen worden op de uitkering gekort en afstemming wordt overwogen (zie Hoofdstuk 8. Afstemming WWB / IOAW / IOAZ / WWIK).

Betrokkene wordt hiervan via een besluit op de hoogte gesteld.

De uitkering wordt niet opgeschort en de klant hoeft zich na terugkeer uit het buitenland in beginsel niet op kantoor te melden.

In het kader van de trajectmonitoring controleert de klantmanager of de klant op tijd van vakantie is teruggekomen.

Als een klant langdurig (enkele maanden of langer) naar het buitenland gaat moet volgens een uitspraak van de CRvB toch rekening worden gehouden met de vier, 13 of 26 weken vakantieperiode. Na deze periode wordt de uitkering beëindigd. Dit geldt niet wanneer aantoonbaar is dat de klant niet de intentie heeft naar Nederland terug te keren. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het ontbreken van een retourticket, uitschrijving uit het bevolkingsregister, verklaring van de klant. In dat geval is er sprake van emigratie en wordt de uitkering met ingang van de dag van vertrek stopgezet.

3.4.2.2                             Strijdigheid met re-integratieverplichtingen

Wanneer het verblijf in het buitenland de re-integratie van de klant belemmert, geeft DWI geen toestemming voor dit verblijf. Als de klant toch zonder toestemming naar het buitenland gaat, dan wordt afstemming van de uitkering overwogen (Hoofdstuk 8 Afstemming WWB / IOAW / IOAZ / WWIK).

3.4.2.3                             Opsparen en splitsen toegestane termijn

Vakantiesparen niet toegestaan
Het is niet toegestaan langer dan 4 (of 13) weken aaneengesloten in het buitenland te verblijven. 2 periodes van 4 weken (of 2x13 weken) aan “elkaar te plakken” is dus niet toegestaan. Bijvoorbeeld in december 4 weken, en in januari van het volgend jaar 4 weken (in totaal 8 weken).
Wel is toegestaan bijvoorbeeld 2 weken in december, en vervolgens 2 weken in januari, dus totaal 4 weken aaneen (of totaal 13 of 26 weken).

Splitsen vakantietermijn
De vakantie hoeft niet aaneengesloten opgenomen te worden (bijvoorbeeld 2 x 2 weken is ook toegestaan).

3.4.2.4                             Verblijf in het buitenland bij gezamenlijke huishouding

Klanten met een gezamenlijke huishouding (gezinsbijstand) kun je niet dwingen samen naar het buitenland te gaan. Het kan een keuze zijn om ieder apart te gaan. Ieder heeft een individueel recht op de toegestane vakantieduur. Maar als een van beiden arbeidsverplichtingen heeft, gaan die arbeidsverplichtingen gedurende de afwezigheid van de ander over op de “achterblijvende” partner. Dat is een consequentie van de keuze om niet samen naar het buitenland te gaan.

Indien een van de partners langer dan 4 (of 13 of 26) weken naar het buitenland gaat, moet je de uitkering van de “achterblijvende partner” aanpassen.
Bij een gezin zonder kinderen wordt de aangepaste norm:
alleenstaande (de achterblijvende partner is immers “alleen”).
Bij een gezin met kind(eren) wordt de norm:

Zodra het gezin weer “compleet” is, wordt de gezinsnorm hersteld

3.4.2.5 Werkwijze verblijf buitenland

3.4.3                         Verblijf buiten de gemeente Amsterdam

Wie buiten de gemeente Amsterdam woont, heeft geen recht op bijstand van de gemeente Amsterdam. Iemand heeft recht op bijstand in de gemeente waar hij zijn woonplaats heeft en bij gebrek daaraan de gemeente waar hij daadwerkelijk verblijft (zie 3.2.5 Domicilie).

Uitzonderingen
In de volgende situaties verblijft de klant buiten de gemeente Amsterdam, maar verleent de gemeente toch bijstand:

3.4.3.1                             Vakantie in Nederland

Omdat de vakantiedagen van een klant (de wettelijk toegestane vakantietermijn, zie 3.4.2) uitsluitend aangemerkt worden voor verblijf in het buitenland mag een vakantieperiode in Nederland hierop niet in mindering worden gebracht. Een vakantie in Nederland is niet aan een termijn gebonden, maar de klant moet zich tijdens vakantie in Nederland wel aan zijn bijstandsverplichtingen houden. Als hij moet solliciteren, dan blijft hij dat doen. Hij moet zijn post bijhouden en op afspraken komen. Als hij een traject volgt, dan maakt hij afspraken met de trajectorganisatie. Als hij zijn verplichtingen of zijn afspraken met de trajectorganisatie niet nakomt, dan wordt afstemming van de uitkering overwogen (zie Hoofdstuk 8 Afstemming WWB / IOAW / IOAZ / WWIK).

Als een klant in Nederland vakantie heeft genoten, dan mag hij in principe in hetzelfde kalenderjaar nog naar het buitenland voor de duur van het aantal vakantiedagen waarop hij recht heeft. Het kan zijn dat de trajectorganisatie/klantmanager de klant hiervoor geen toestemming geeft omdat hij door deze nieuwe vakantie niet aan de gewenste re-integratieverplichtingen kan voldoen. Gaat de klant zonder toestemming toch naar het buitenland, dan wordt afstemming van de uitkering overwogen.

Ook wanneer een klant na een verblijf in het buitenland in Nederland vakantie wil houden mag deze vakantie zijn re-integratieverplichtingen niet belemmeren.

3.5 Zorgverzekering en collectieve verzekering Agis

Deze paragraaf gaat in op de zorgverzekering en de collectieve verzekering voor klanten en overige minima bij zorgverzekeraar Agis. Ook het “servicecontract” dat met Agis is afgesloten voor klanten die niet met de collectieve verzekering meedoen, wordt besproken.

Voor de invoer in Socrates is er een Stappenplan.

De Bronheffing (Bestuursrechtelijke premieheffing) regelt de verplichte premieinhouding voor mensen met betalingsachterstanden bij hun zorgverzekeraar. Zie daarvoor hoofdstuk 12.5.

3.5.1                         Zorgverzekering

Zorgverzekering verplicht
Iedereen in Nederland is verplicht zich tegen ziektekosten te verzekeren. Dat staat in de Zorgverzekeringswet (ZVW), die per 1 januari 2006 de Ziekenfondswet en een aantal andere wetten en regelingen heeft vervangen.
De verantwoordelijkheid om een verzekering af te sluiten ligt bij de burger. De verplichting om werknemers of klanten aan te melden, die werkgevers en uitkeringsinstanties onder de Ziekenfondswet hadden, is komen te vervallen.
Omdat het van groot belang is dat mensen tenminste voor de basisverzekering verzekerd zijn, zal aan iedere nieuwe klant gevraagd moeten worden naar zijn zorgverzekering. De wetgever gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de burger om zich vrijwillig aanvullend bij te verzekeren. Daarom raadt DWI klanten sterk aan om deel te nemen aan de collectieve verzekering. Deelname aan de collectieve verzekering is niet verplicht. Een basisverzekering tegen ziektekosten afsluiten is wel verplicht.

Onverzekerden
DWI accepteert niet dat klanten onverzekerd zijn of blijven. Dat niet alleen vanwege de wettelijke plicht tot verzekeren en de dreiging van boetes. Onverzekerdheid is een vorm van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid in de bestaansvoorziening die leidt tot verschulding.

In maart 2011 is een landelijke overheidscampagne gestart om onverzekerden op te sporen onder het motto: Zoek dekking! Meer info is te vinden op de speciale site: www.ikzoekdekking.nl , of telefonisch via de Stichting De Ombudsman (0800 6464644).

Ondanks dit alles zijn zorgverleners (huisartsen, apothekers, ziekenhuizen) verplicht aan onverzekerden medisch noodzakelijke hulp te geven. De nota’s voor die zorg dienen door de onverzekerde betaald te worden. Als het gaat om ziekenhuisnota’s gaat het al gauw om duizenden euro’s. Dit zal leiden tot ernstige betalingsproblemen. De vraag is, of dat vooruitzicht het verstrekken van een uitkering voor levensonderhoud rechtvaardigt. Probeer een klant van de noodzaak tot verzekeren te overtuigen. Als klanten desondanks weigeren zich te verzekeren kan de premie voor een basisverzekering zonder machtiging op de uitkering ingehouden worden. Artikel 57 Wwb maakt dat mogelijk. Als dit gebeurt dient de klant daarvan een schriftelijk besluit te krijgen.
De klant mag een voorkeur opgeven voor een verzekeraar. Weigert de klant dat ook dan kan de klant na afstemming met Agis, aangemeld worden voor een basisverzekering van Agis in de kortingsregeling.

Gemoedsbezwaarden
Het kan zijn dat iemand gemoedsbezwaren (gewetensbezwaren) heeft tegen een zorgverzekering. Maar het is niet mogelijk om enkel voor de Zorgverzekeringwet gemoedsbezwaard te zijn. Dat kan alleen in combinatie met gemoedsbezwaren tegen de AWBZ. Gemoedsbezwaarden die vanuit hun levensovertuiging bezwaar hebben tegen elke vorm van (volks)verzekering, kunnen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) ontheffing aanvragen van de premieplicht. In plaats van de verschuldigde premies volksverzekeringen betalen zij dan een verhoogde belasting. Het extra bedrag is vergelijkbaar met de premies die verzekerden betalen.
DWI klanten die zich niet willen verzekeren tegen ziektekosten kunnen dat alleen claimen met een verklaring van de SVB.

3.5.2                            Collectieve verzekering Agis

Collectieve verzekering: AV (Plus) Amsterdam
De collectieve verzekering bestaat uit een combinatie van een basisverzekering zonder vrijwillig eigen risico met een van de twee aanvullende pakketten die Amsterdam aanbiedt, de AV Amsterdam of de AV Plus Amsterdam. Door het afsluiten van zo’n verzekering is de klant afdoende tegen ziektekosten verzekerd.
De basisverzekering met een wettelijk vastgesteld pakket garandeert in combina­tie met de AWBZ de essentiële medische zorg.
Deelname aan de collectieve verzekering heeft meerdere voordelen. Er wordt een korting gegeven op de nominale premie en de aanvullende verzekeringen hebben een uitgebreide dekking tegen een  lagere premie dan gebruikelijk is.
De uitbreiding van de dekking omvat vergoedingen voor tandartskosten, orthodontie, brillen en diverse eigen bijdragen.
In 2008 er een verplicht eigen risico ingevoerd voor verzekerden van 18 jaar en ouder. Dat is in de plaats gekomen voor de no-claimteruggave regeling. Compensatie heeft plaats gevonden door een premieverlaging van de basisverzekering en een verhoging van de zorgtoeslag.
Het verplicht eigen risico is herverzekerd in de aanvullende verzekeringen. Deelnemers betalen meer premie (in 2011 ca 11,50 euro per maand) maar worden niet geconfronteerd met nota’s voor het eigen risico van 170,00 euro.
Jaarlijks worden de pakketten geactualiseerd. Ze zijn te vinden in het pakketoverzicht achter de link Agis Amsterdam.
Voor zorgverzekeringspremies, een vrijwillig of verplicht eigen risico wordt in principe geen bijzondere bijstand verstrekt.

Vanaf 1 januari 2007 bestaat er ook een kortingsregeling. Iedere Amsterdammer met een inkomen tot 130% van het minimum kan daaraan meedoen. Deelnemers aan deze regeling krijgen dezelfde korting op de basisverzekering als deelnemers aan de collectiviteit. Daarnaast kunnen ze 10% korting krijgen op alle aanvullende pakketten van Agis. In de aanvullende pakketten van de kortingsregeling is ook het verplicht eigen risico herverzekerd. Daardoor zijn de premies voor die aanvullende pakketten iets hoger dan de premies die Agis rekent voor de standaard Agis pakketten.

Ook DWI klanten met een uitkering of een stagevergoeding kunnen kiezen voor de kortingsregeling.
Als de premie wordt ingehouden op de uitkering of de stagevergoeding wordt gesproken van het “servicecontract”.

De polisvoorwaarden en de pakketoverzichten zijn voor medewerkers te raadplegen door te klikken op de link “Agis Amsterdam” op de startpagina van Uitvoeringspraktijk.

3.5.3 Doelgroepen collectieve verzekeringen

Klanten met een WWB uitkering
In Amsterdam kan de klant die een WWB uitkering aanvraagt en al bij Agis verzekerd is ervoor kiezen om mee te doen met de collectieve ziektekostenverzekering.
Ook onverzekerden kunnen meedoen als ze een uitkering krijgen toegekend.
Toegelaten vluchtelingen en asielzoekers die van de Pardonregeling gebruik hebben gemaakt kunnen vanaf het moment dat ze een uitkering krijgen meedoen.

Klanten die bij een andere verzekeraar dan  Agis verzekerd zijn kunnen hun bestaande verzekering niet tussentijds opzeggen. Zij kunnen pas met ingang van het eerstvolgende kalenderjaar meedoen met de collectiviteit. Aan het eind van elk jaar wordt deze groep schriftelijk benaderd met het aanbod om mee te gaan doen met de collectieve verzekering.

De Zorgverzekeringswet bepaalt dat overstappen alleen kan als er geen premieachterstand bestaat bij de oude verzekeraar.

Kern van de collectiviteit is dat de premie wordt ingehouden op de uitkering. Alleen als het uitkeringstegoed door inkomstenverrekening structureel te laag is om premie in te houden mag hiervan worden afgeweken.

Overige minima
Onder overige minima worden verschillende groepen mensen gerekend. Zij kunnen pas meedoen na een inkomenstoets. De grens voor deelname ligt op 110% van het sociaal minimum. De inkomenstoets wordt uitsluitend gedaan door het Team Voorzieningen.

De volgende groepen worden tot de overige minima gerekend:

De volgende groepen worden tot de overige minima gerekend:

Aanmelden overige minima
Overige minima kunnen uitsluitend door het Team Voorzieningen worden aangemeld.

De aan- en afmeldprocedures voor de collectieve verzekering zijn voor medewerkers te raadplegen door te klikken op de link “Agis Amsterdam” op de startpagina van Uitvoeringspraktijk.

Keuzevrijheid en bijzondere bijstand
De keuze voor een zorgverzekeraar is vrij. Elders verzekerd zijn en willen blijven is niet verwijtbaar. Maar klanten mogen er op gewezen worden dat de voorkeur van DWI uitgaat naar deelname aan de collectiviteit met Agis.

Voor klanten die nog niet de mogelijkheid gehad hebben om over te stappen, mag deze keuze niet leiden tot verminderde aanspraken op bijzondere bijstand vergeleken met klanten die wel deelnemen aan de collectieve verzekering.

Altijd geldt, dat het de eigen verantwoordelijkheid van de klant of verzekerde is om zich in ieder geval op enige wijze aanvullend te verzekeren. Niet deelnemen kan reden zijn om de aanvraag om bijzondere bijstand af te wijzen, of de bijzondere bijstand onder voorwaarden als lening te verstrekken.

3.5.4 AWBZ Instelling en Norm in inrichting

De klant die in een inrichting verblijft, ontvangt de norm voor personen in inrichtingen (ook wel Persoonlijke Toelage of zak- en kleedgeld genoemd). Deze klanten betaalden vóór 2006 geen nominale premie. Zij waren verplicht verzekerd op grond van de AWBZ. Zij waren wel premie verschuldigd voor aanvullende verzekeringen, alsdie was afgesloten.

Vanaf 1 januari 2006 betalen mensen in AWBZ instellingen, naast aanvullende premie, ook nominale premie . Omdat de zorgtoeslag voor deze mensen te weinig compensatie biedt, wordt er een toeslag gegeven bij de PT norm. Dit is geregeld in art. 23, tweede lid WWB.
Over deze toeslag bestaat geen aanspraak op vakantietoeslag.

3.5.5 Niet - AWBZ Instelling en Norm in inrichting

Het verstrekken van de inrichtingsnorm is toegestaan bij verblijf van klanten in inrichtingen (Artikel 1. Organen, sub g, WWB). Erkenning door de AWBZ is niet als voorwaarde gesteld.
Een inrichting is volgens de wet een instelling die als doel heeft het verplegen of verzorgen van mensen die dit nodig hebben, waar zij ook overnachten en waar zij meer dan 12 uur per etmaal hulp en begeleiding krijgen.
Als er een PT versterkt wordt kan ook voor deze groep klanten de toeslag op grond van art. 23, tweede lid, WWB verstrekt worden.

Informatieadres en telefoonnummers
Overleg met Agis is soms noodzakelijk.
In de procesbeschrijving staat een emailadres en een telefoonnummer van het team dat bij Agis de gemeentelijke collectiviteiten beheert.

Klanten kunnen bellen met het informatienummer van de afdeling Voorzieningen, 020-3463684. Dit nummer is niet te bellen vanaf interne toestellen, ook niet na het draaien van een 0. Voor interne informatieverzoeken kan Team Voorzieningen gebeld worden.

3.6 Inhouding en doorbetaling van vaste lasten

Uitgangspunt is dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor de voorziening in hun bestaanskosten. Hier valt ook onder dat zij zelf zorg dragen voor het tijdig betalen van huur, energiekosten en andere vaste lasten. Het inhouden door DWI van een bedrag voor vaste lasten heeft evidente nadelen:

Het genoemde uitgangspunt betekent dat de DWI niet zonder meer meewerkt aan een verzoek om de vaste lasten uit naam van de klant aan derden te betalen. Zolang iemand geen betalingsachterstanden heeft kunnen de vaste lasten door middel van een opdracht tot automatische afschrijving van de bank- of giro rekening betaald worden. Er kan aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. Dat is het geval als zich bij de betrokkene regelmatig betalingsachterstanden voordoen of hebben voorgedaan. De betrokkene kan dan DWI machtigen om de vaste lasten door te betalen. Dat kan op persoonlijk verzoek of na een verzoek van een hulpverlener. Het voorkomen van schulden heeft hierbij prioriteit.
Het feit dat iemand mogelijk niet goed kan omgaan met het beschikbare budget is een belangrijk aandachtspunt bij trajectbegeleiding, zowel in het kader van sociale activering als richting werk. Het kunnen omgaan met een beperkt budget is namelijk een belangrijke voorwaarde voor iemands functioneren en voor duurzame arbeidsintegratie. In sommige regio’s kan iemand vanuit de DWI worden aangemeld voor een cursus budgetteren.

Op de regel dat iedereen in eerste instantie zelf zijn vaste lasten betaalt maken de afspraken met Agis een uitzondering. Eén van de afspraken rondom de Amsterdamse Aanvullende Verzekering is dat DWI zorgdraagt voor het betalen van de aanvullende premie èn de nominale ziekenfondspremie. Achtergrond bij deze afspraak is dat zo een gunstiger niveau van de AV-premies mogelijk is.

Door de invoering van de Zorgverzekeringswet per 1 januari 2006, zijn de premies verdrievoudigd.
Ook als klanten niet met de collectieve verzekering meedoen kan de premie op de uitkering worden ingehouden en doorbetaald als klanten dat wensen. DWI wil onverzekerdheid voorkomen.

Het is zelfs mogelijk zonder machtiging een bedrag voor vaste lasten in te houden, bijv. als voorwaarde bij een schuldsanering (zie ook 9.7.9.1 Inkomensbeheer). Wordt door een hulpverlener of maatschappelijk werker aangedrongen op inhouding van huur, energie en zorgverzekeringspremie terwijl de klant het daar niet mee eens is, dan kan ook aan zo’n verzoek gevolg gegeven worden als er een schuldsituatie dreigt te ontstaan. In deze gevallen mag verwacht worden dat er dan een schriftelijke argumentatie gegeven wordt door de hulpverlener. De inhouding en overmaking gebeurt dan op grond van art. 57 Wwb. Een dergelijke verplichte inhouding moet aan de betrokkene worden meegedeeld in een besluit.

Akte van cessie
Let op! Het kan voorkomen dat een incassobureau zich direct tot de DWI wendt met het verzoek maandelijks een bedrag over te maken op een rekening van het incassobureau, ter aflossing van een schuld van de klant. Als bijlage kan bijvoorbeeld een “akte van cessie” zijn bijgevoegd. In een dergelijke akte staat dat het incassobureau en de klant zijn overeengekomen dat de klant een maandelijks bedrag van zijn inkomen afstaat aan het incassobureau. Het incassobureau vermeldt verder dat de werkgever of uitkeringsinstantie verplicht is om hieraan  gevolg te geven. Dit is niet het geval! DWI is niet verplicht om inhoudingen te verrichten ten behoeve van een incassobureau. Dit in tegenstelling tot een beslaglegging, waarbij er een gerechtelijke uitspraak of executoriale titel is (zie ook hoofdstuk 12 Derdenbeslag). Sterker nog, het is niet toegestaan op grond van de WWB. Artikel 46 van de WWB geeft duidelijk aan dat bijstand niet vatbaar is voor vervreemding of verpanding, en dat elk beding met dit artikel nietig is.

3.6.1                   Huurinhouding Patrimonium

Het woningbestand van WBV Patrimonium is opgesplitst in 5 regio’s,

die samen bestaan uit 7 onderdelen. Elk van die 7 onderdelen heeft nu het beheer over een deel van het woningbezit, voert een eigen huuradministratie en gebruikt een eigen rekeningnummer voor de inning van de huur. Dit betekent dat DWI de huurinhoudingen voor  Patrimoniumwoningen nu naar 7 verschillende rekeningnummers moet overmaken, in plaats van naar 1 rekeningnummer.

Alle bestaande huurinhoudingen zijn door POFB in overleg met Patrimonium omgezet. Alle huurders van Patrimonium ontvangen een nieuwe huurovereenkomst. Soms zul je nog huurinhoudingen moeten invoeren van Patrimoniumhuurders met oude huurovereenkomsten. 

3.6.1.1                              Uitvoering

De 7 onderdelen van Patrimonium hebben van POFB elk een eigen administratienummer-verhuurder gekregen. Dit nummer staat voor:

Deze gegevens zijn van belang bij het correct overmaken van de huur.

PATRIMONIUM

Admnr. Verhuurder

Onderdeel

Corporatienr.

0004204750

Onder 't IJ (ook Oost)

204

0004247885

Bijlmer

210

0004293004

(Far) West

206

0004314750

Boven 't IJ

208

0004328775

V V E Onder ’t IJ *

205

0004328788

V V E Bijlmer *

211

0004328542

Zuidoost

212

Als een klant een huurovereenkomst nieuwe stijl heeft, staat naast de naam van het onderdeel ook het corporatienummer op de overeenkomst. Daarmee kun je het juiste administratienummer verhuurder opzoeken in NUS.

Vul, bij het opvoeren van de huurinhouding met componentcode 950 of 955 , in de rubriek “omschrijving” het contractnummer in. De eerste drie cijfers daarvan (bij een huurcontract nieuwe stijl) geven de corporatiecode aan. De maandelijkse huurbetalingen krijgen dan de juiste corporatiecode mee.

Heeft de klant nog een oud huurcontract, ga dan na onder welke regio en welk onderdeel de woning valt, wat het corporatienummer is en wat het nieuwe contractnummer zal worden. Een telefoontje naar Patrimonium is dan de enige oplossing.

3.6.2 Inhouding NUON en overige energieleveranciers

Op verzoek van de klant kan DWI de termijnnota op de uitkering inhouden en rechtstreeks overmaken aan de energieleverancier. Hiervoor gelden algemene afspraken. Met NUON zijn specifieke afspraken gemaakt. De afspraken en de werkinstructie voor de inkomensconsulent staan in Uitvoeringsbericht 2010/36 Werkwijze inhouding termijnnota’s aan energieleveranciers.

3.7 Opgave inkomsten en inkomstenverklaring

Vanaf mei 2009 wordt géén inkomstenverklaring (IV) meer verzonden aan alle klanten die een halfjaar of langer geen inkomsten uit arbeid naast de uitkering hebben ontvangen. Ook klanten die bijvoorbeeld alimentatie, heffingskortingen of AOW ontvangen, krijgen geen IV meer.
Om dit te bereiken wordt centraal de indicatie verzenden IV op 'nee' gezet. De klanten waar het om gaat krijgen een brief met de mededeling dat zij voortaan geen IV meer ontvangen. Samen met deze brief wordt het nieuwe formulier (F.310) Opgave inkomsten meegestuurd. Dit formulier moet de klant gebruiken als hij inkomsten gaat ontvangen.
Stuurt klant het formulier Opgave inkomsten naar DWI en geeft hij op regelmatige inkomsten te ontvangen, dan moet de indicatie verzenden IV weer op 'ja' worden gezet. Klant ontvangt dan weer maandelijks een IV.
Geeft klant op dat het om éénmalige inkomsten gaat, dan blijft de indicatie verzenden IV op ‘nee' staan, en moet aan de betreffende klant een nieuw formulier Opgave inkomsten worden gezonden.
Of een klant in het kader van re-integratie moet worden gesproken wanneer deze inkomsten opgeeft is aan de beoordeling van het team.
Ook op individuele basis kan de klantmanager besluiten om geen IV meer te versturen, bijvoorbeeld omdat klant dakloos is of vanwege de psychische omstandigheden van de klant. In een dergelijke situatie moet klant hiervan via label 1800 op de hoogte worden gesteld. Vergeet dit niet, anders denkt klant dat de IV niet is opgestuurd of kwijtgeraakt. Met het label moet een formulier Opgave inkomsten worden verstuurd, zodat klant eventuele toekomstige inkomsten kan doorgeven.

3.7.1 Opschorting en intrekking na niet inleveren IF (inkomstenformulier)

Bij het aanmaken van de inkomstenformulieren (IF's) worden (tijdens de sluiting) ook werkopdrachten aangemaakt. Deze werkopdrachten zijn pas 3 dagen voor de volgende sluiting zichtbaar. Het doel hiervan is vooraf te kunnen zien welke klanten het IF niet hebben ingeleverd. De werkopdracht verdwijnt als de klant het IF heeft ingeleverd. Heeft de klant het inkomstenformulier niet op tijd ingeleverd, dan blijft de werkopdracht staan en blijft de uitkering geblokkeerd. Voor de sluiting moet de inkomensconsulent dan beslissen of de blokkade kan worden opgeheven of niet. In het laatste geval stuurt de inkomensconsulent de klant een opschortingsbesluit. De ingangsdatum van de opschorting is de eerste dag van de maand na de maand waarop het IF betrekking heeft. Reageert klant (weer) niet dan moet de uitkering worden ingetrokken.

Voorbeeld: de uitkering van iemand die zijn IV over de maand mei niet op tijd heeft ingeleverd, wordt opgeschort met ingang van 1 juni. Bij het beëindigingsonderzoek moet de maand mei worden meegenomen en het bedrag over deze maand teruggevorderd.

 

3.8                  Het beëindigingsonderzoek

Het beëindigingsonderzoek start meteen na het versturen van het beëindigings- of intrekkingsbesluit aan de klant. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de juiste einddatum en de correcte beëindigingsreden en het vaststellen van de resterende wederzijdse verplichtingen.

Het beëindigingsonderzoek gebeurt door:

Om de juiste einddatum en eindreden te achterhalen wordt de GBA, Suwinet, Weflex of andere bronnen geraadpleegd of, indien nodig, telefonisch contact opgenomen met de klant.

Het beëindigingonderzoek moet na uiterlijk 2 maanden worden afgerond. Is het niet mogelijk de juiste einddatum en eindreden te traceren, dan mag de beëindigingsreden “geen inlichtingen” worden gebruikt. In de rapportage moet duidelijk worden vermeld waarom de juiste reden en datum niet kunnen worden vastgesteld. Daarbij moet worden aangegeven welke bronnen zijn onderzocht.

Let op: Wanneer een beëindigde uitkering na onderzoek per eerdere datum moet worden ingetrokken en bijstand moet worden teruggevorderd, dan mag het beëindigingsbesluit niet worden ingetrokken.

Na 2 maanden of eerder wordt het dossier aan Handhaving overgedragen voor het vaststellen van de wederzijdse verplichtingen.

De afdeling Handhaving heeft 1 maand de tijd om een netto/bruto berekening van de teveel betaalde uitkering te maken.

Het Werkplein levert hiervoor de volgende gegevens:

- de rapportage beëindiging
- de arbeidsovereenkomst en/of loonspecificaties over de terug te vorderen periode

De klant wordt schriftelijk geïnformeerd over de wederzijds resterende financiële verplichtingen. In dit besluit geeft Handhaving een opsomming van de wederzijdse verplicht inge n en doet Handhaving bovendien een aflossingsvoorstel voor de aflossing van de resterende vordering(en). Hiermee is het wettelijke feitelijke beëindigingsonderzoek afgesloten. Handhaving treedt verder op als beheerder van de nog openstaande vordering(en);

De noodzaak het beëindigingsonderzoek door het Werkplein af te sluiten met een formeel besluit vervalt in de situatie dat klant aansluitend weer recht krijgt op uitkering.

Let op: aansluitende opname is ook mogelijk als iemand korte tijd (max. 30 dagen) andere inkomsten had.

Bij een nieuwe aanvraag na 30 dagen moet het beëindigingsonderzoek alsnog volledig worden gedaan. Bij een aanvraag binnen 30 dagen moet in ieder geval de datum en reden van een eerdere beëindiging bekend worden.

Als de klant dus een nieuwe aanvraag indient, terwijl het beëindigingsonderzoek nog niet is afgerond, handel je als volgt:


Let op: in alle gevallen ontvangt de klant een besluit over de uitkomst van het beëindigingsonderzoek, óók als uit de overgelegde informatie blijkt dat de intrekkingsdatum correct was. Er is slechts één uitzondering, namelijk bij aansluitende opname.

3.8.1 Overdracht aan Team Zelfstandigen of Team Kunstenaars

Als de WWB-klant beginnend zelfstandige wordt of gebruik gaat maken van de WWIK, dan moet het beëindigingsonderzoek met voorrang worden afgehandeld als het Team Zelfstandigen of het Team Kunstenaars hierom verzoekt. De reden hiervoor is dat in Socrates geen Bbz- of WWIK-uitkering kan worden opgevoerd als de WWB-uitkering niet volledig is beëindigd en het gereserveerde vakantiegeld is uitbetaald.