De WWB geeft een opsomming van alle situaties, waarbij geen recht op bijstand bestaat. Deze opsomming is limitatief. Dat betekent: tenzij de wet het uitdrukkelijk uitsluit, bestaat er in principe recht op bijstand.
Er is een onderscheid tussen algemene en bijzondere bijstand. Soms wordt het recht op algemene bijstand uitgesloten, maar bestaat recht op bijzondere bijstand.
Alle in dit hoofdstuk genoemde uitsluitingsgronden gelden ook voor de Ioaw.
Artikel 16. Zeer dringende redenen Wwb maakt een algemene uitzondering op alle situaties in dit hoofdstuk, behalve voor vreemdelingen die niet over een geldige verblijfsstatus beschikken (zie art. 16 lid 2 Wwb).
In artikel 16 Wwb staat dat iemand die geen recht op bijstand heeft toch bijstand kan krijgen, indien er zeer dringende redenen zijn . Je moet dit per individueel geval beoordelen.
Het enkele feit dat het iemand ontbreekt aan de financiële middelen is onvoldoende om van dringende redenen te spreken.
Vast dient te staan dat er sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. Artikel 16 WWB is te zien als een laatste redmiddel in uitzonderlijke situaties en beslist niet als “ontsnappingsclausule”. Je mag dit artikel alleen gebruiken bij een acute noodsituatie, waarbij bijstandsverlening onvermijdelijk is.
In jurisprudentie wordt van een acute noodsituatie gesproken als er blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel dreigt te ontstaan.
In de beleidsvoorschriften wordt bij enkele veel voorkomende kostensoorten, zoals bijvoorbeeld schulden, in de betreffende hoofdstukken apart ingegaan op het begrip “dringende redenen” in relatie tot die kostensoorten.
Recht op bijstand bestaat alleen in Nederland (territorialiteitsbeginsel: Artikel 11. Rechthebbenden ). De uitzondering hierop is een verblijf in het buitenland dat niet langer duurt dan een gebruikelijke vakantieduur. Zie hierover hoofdstuk 3.4.
Iemand die gedetineerd is of raakt heeft geen recht op bijstand (Artikel 13. Uitsluiting van bijstand, lid 1 onder a WWB). Onder detentie wordt verstaan:
Het Ministerie van Justitie voorziet tijdens detentie in de noodzakelijke kosten van het bestaan (dit is een toereikende voorliggende voorziening).
Voor bepaalde categorieën gedetineerden is soms wel bijstand mogelijk, bijvoorbeeld voor gedetineerden met elektronische detentie (ED), elektronisch toezicht (ET), een penitentiair plan (PP), alternatief gestraften, TBS-ers met proefverlof enz. Deze categorieën vallen onder specifieke aanvragers, zie hoofdstuk 4.10.
Let op: Je kunt bijzondere bijstand verlenen voor het doorbetalen van de woonlasten tijdens detentie. Dit is niet standaard: er moet sprake zijn van zeer dringende redenen, na een individuele afweging. In principe moet de gedetineerde zelf maatregelen nemen voor doorbetaling van de woonlasten, zie hoofdstuk 9.
Tijdens werkstaking of uitsluiting van werk heeft iemand geen recht op algemene bijstand. Dit staat los van het recht op bijzondere bijstand. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat de overheid invloed heeft op een arbeidsconflict.
Wel moet er een verband zijn tussen het gebrek aan middelen (geen inkomen, geen geld) en het arbeidsconflict. Is er geen verband, dan heeft de aanvrager wel recht op algemene bijstand (zie uitzonderingen hieronder).
Er gelden de volgende uitzonderingen:
Een persoon jonger dan 18 jaar heeft geen recht op bijstand. Ook niet als de jongere zelfstandig woont.
Dat geldt voor algemene en bijzondere bijstand.
De ouders zijn onderhoudsplichtig.
Er gelden de volgende uitzonderingen:
Bijstand voor een schuldenlast is niet mogelijk ( Artikel 13. Uitsluiting van bijstand , lid 1 onder f ). Iedere Nederlander kan een toereikend inkomen verwerven waarbij de WWB als sluitstuk geldt. Als iemand toch schulden maakt, komt dit voort uit zijn wijze van besteding van middelen, of door niet gebruik te maken van de mogelijkheid om middelen te verwerven.
In Amsterdam zijn de verschillende vormen van schuldhulpverlening zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.
Hoe met dreigende schulden moet worden omgegaan staat beschreven in hoofdstuk 9.8.3. Zie hiervoor hoofdstuk 9. Bijzondere Bijstand .Voor 18- tot en met 20-jarigen, opgenomen in een inrichting, bestaat geen recht op algemene bijstand.
Voor eventuele kosten die de jongere maakt moet hij een beroep doen op de ouders, want zij zijn onderhoudsplichtig. Is een beroep op de ouders niet mogelijk dan kun je in uitzonderlijke gevallen bijzondere bijstand verstrekken. De bijstand die je verstrekt, moet afgestemd worden op de omstandigheden, en mag in ieder geval niet hoger zijn dan de norm voor personen in inrichtingen, zie 5.3.4 Normen voor personen in inrichtingen.
De bijstand is verhaalbaar, zie voor werkwijze 9.7.2 Aanvullende bijstand voor jongeren tot 21 jaar.
Let op: in hoofdstuk 5 staat een toelichting wat er onder een inrichting verstaan wordt, en welke instellingen daartoe behoren.
De WWIK (Wet Werk en Inkomen Kunstenaars) is een uitsluitingsgrond voor de WWB. Iemand die een uitkering uit de WWIK ontvangt, is niet bijstandsgerechtigd. Dit geldt ook voor een persoon die gehuwd is of samenwoont met iemand die een WWIK-uitkering ontvangt.
Samenloop van een WWIK-uitkering met bijzondere bijstand volgens de WWB is wel mogelijk.
De WWB is het “vangnet” of “sluitstuk” van de sociale zekerheid. Dit betekent dat je eerst alle mogelijkheden van een (sociale) verzekering of voorziening moet benutten, voordat er sprake kan zijn van bijstand.
Dit wordt het complementaire (aanvullende) karakter van de wet genoemd.
Als de aanvrager recht heeft op een toereikende (sociale)
verzekering of voorziening (bijvoorbeeld WW, ZW, Wajong, pensioen, enz.) dan
heeft hij geen recht op bijstand. Wel kan hij recht hebben op aanvullende
bijstand, voor zover de voorliggende voorziening ontoereikend is.
De voorliggende voorziening moet “naar aard en doel, passend en toereikend zijn”. Als de voorliggende voorziening geen vergoeding geeft voor bepaalde kosten, is soms bijstandsverlening mogelijk. Maar als een bepaalde verstrekking bewust niet is opgenomen in bijvoorbeeld de basisverzekering, is er ook geen bijstandsverlening mogelijk.
In schuldsituaties is de schuldhulpverlening te beschouwen als een voorliggende voorziening. In hoofdstuk 9.8 wordt de schuldhulpverlening beschreven.
De WWIK wordt uitdrukkelijk niet als een voorliggende voorziening gezien.
De klant heeft als hij kunstenaar is, zelf de keuze: WWB of WWIK.
Wanneer een voorliggende voorziening als uitsluitingsgrond geldt voor de algemene bijstand, kan soms wel bijzondere bijstand worden verleend.
Voorbeeld
Iemand heeft een WW-uitkering, die hoger is dan de bijstand. Er is geen recht
op algemene bijstand, want de WW is een voorliggende voorziening. Wel is er
eventueel recht op bijzondere bijstand.
Let in deze situatie op de draagkracht.
Een vreemdeling zonder geldige verblijfsvergunning heeft geen recht op algemene en/of bijzondere bijstand volgens Artikel 11. Rechthebbenden , lid 2 van de WWB.
De “algemene uitzondering “ in Artikel 16 Zeer dringende redenen - is niet van toepassing op vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel. Dit blijkt uit artikel 16, lid 2 WWB.
Het recht op overheidsprestaties (waaronder bijstand) ontstaat door verlening van de verblijfstitel (besluit IND over de aangevraagde vergunning) en niet pas door afgifte van een pasje. Een vreemdeling met een verblijfstitel, die zich voldoende kan identificeren, heeft recht op bijstand, ook als er (nog) geen pasje is. De verblijfsstatus kan met andere documenten worden aangetoond. Voorwaarde is wel de verificatie van de verblijfsstatus door vergelijking met de code in GBS. Hoofdstuk 4.1 Vreemdelingen gaat uitvoering in op het verblijfsrecht van vreemdelingen.
Indien iemand werkt en onbetaald verlof geniet, is er geen recht op algemene bijstand.
Dit staat los van een eventueel recht op bijzondere bijstand.
Dit geldt niet alleen voor de direct betrokken persoon, maar ook voor de partner
of echtgenoot. Die heeft dan ook geen recht op algemene bijstand.
Onbetaald verlof is bijvoorbeeld aan de orde bij ouderschapsverlof en langdurend zorgverlof.
Er moet een verband zijn tussen het onbetaald verlof en de bijstandsbehoefte. Als er geen verband is, dan is er mogelijk wel recht. Dit dient individueel onderzocht te worden.
Voorbeeld
Iemand heeft een deeltijdbaan, met aanvullende bijstand. Hij neemt voor zijn deeltijdbaan onbetaald verlof. De aanvullende bijstand kan in deze situatie voortgezet worden, waarbij de inkomstenkorting gehandhaafd blijft. De bijstand wordt verleend ‘als beschikte betrokkene over de inkomsten’. De grond voor deze korting is dat de bijstand wordt afgestemd op de mogelijkheden van de belanghebbende (art. 18 lid 1 WWB). Ook art 31 lid 1 WWB bevat een grond: Tot de middelen worden alle vermogensbestanddelen gerekend waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Heeft betrokkene naast de aanvullende bijstand ook nog bijzondere bijstand, dan kan ook de bijzondere bijstand voortgezet worden.
Uitzonderingen