Algemeen: Achtergrond en doelstelling WWB, Wet Werk en Bijstand
Werk boven inkomen, dat staat centraal in de WWB. Alle inspanningen zijn gericht op de arbeidsplicht. Dat geldt zowel voor nieuwe als bestaande klanten. De gemeente moet zich inspannen om hen aan werk te helpen. Iedereen wordt in principe de verplichting opgelegd naar werk te zoeken. Ontheffing is alleen mogelijk om dringende redenen.
Sinds 1 januari 2009 krijgen alleenstaande ouders met een kind jonger dan 5 jaar op verzoek ontheffing van de sollicitatieplicht. (zie 7.1 Verplichtingen tot arbeidsinschakeling).
Bij elk verzoek om bijstand kijken DWI en
UWV WERKbedrijf
allereerst naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Pas daarna kunnen aanspraken op (tijdelijke) financiële ondersteuning door de gemeente worden gehonoreerd. Dit betekent onder andere, dat iemand met goede kansen op werk eerst de opdracht kan krijgen nog een tot vier weken actief naar werk te zoeken, alvorens een aanvraag in ontvangst wordt genomen. Mocht het na deze zoekperiode alsnog tot een aanvraag om bijstand komen, dan kan de oorspronkelijke meldingsdatum als ingangsdatum gelden. De beslistermijn begint echter pas te lopen bij indiening van de aanvraag.
Uitgangspunt van de WWB is dat de weg naar werk zo kort mogelijk is. Dat betekent dat iedere werkloze klant tussen de 18 en 65 jaar elke vorm van arbeid moet accepteren. Dus ook tijdelijk werk, wanneer dit in het belang is van de re-integratie van de klant.
Alle arbeid is in feite passend. We spreken van algemeen geaccepteerde arbeid. Gesubsidieerde arbeid hoort hier ook bij; niet als einddoel maar als opstap naar reguliere arbeid.
Een uitzondering op algemeen geaccepteerde arbeid is arbeid in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW).
De volgende werkzaamheden zijn ook uitgesloten:
In de praktijk zal niet elke klant direct werk vinden. De gemeente heeft dan de verplichting om hierbij te ondersteunen.
De gemeente biedt ondersteuning in de vorm van voorzieningen. Voorzieningen zijn onder meer gericht op begeleiding naar werk, beroepsgerichte scholing, gesubsidieerde arbeid en sociale activering. De gemeente sluit hiervoor contracten af met bijv. re-integratiebedrijven.
Daarnaast is het mogelijk dat de deelname aan voorzieningen die niet door DWI zijn ingekocht, deel uitmaakt van het DWI-trajectplan voor de klant; voorwaarde is dan natuurlijk dat de externe voorziening zoals bijvoorbeeld vrijwilligerswerk bijdraagt aan de arbeidsreïntegratie en/of maatschappelijke participatie van de klant. Een deelname aan een dergelijke externe voorziening wordt vastgelegd in RAAK onder DWI VRIJ 01 VWR of op VWM én PAN VRB 01, zie hierover verder de DWI- Re-integratieladder en de uitgebreide werkinstructie ‘Inzet vrijwilligerswerk' op http://dwi-intranet.moiren.amsterdam.nl/20070328T161233D5/20070307T180801D5/ddwiAmsterdam/up1/ZgmsaiaIE_Vrijwilligers_werkinstructie_120309.pdf .
In de re-integratieverordening en beleidsregels zijn ook de aanspraken op premies, onkostenvergoeding, etc. opgenomen.
In het kader van de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen(SUWI) fungeert het UWV WERKbedrijf als poortwachter naar de WWB. Dat betekent dat mensen die zich inschrijven als werkzoekenden zoveel mogelijk direct bemiddeling krijgen. Lukt het niet de klant direct naar werk te bemiddelen dan wordt er een bijstandsaanvraag ingenomen.
Het uitgangspunt bij de re-integratieactiviteiten is “werk gaat voor uitkering”. En als werk (nog) niet mogelijk is mag als tegenprestatie van de klant verwacht worden dat hij/zij volledig meewerkt aan de aangeboden voorzieningen, inclusief gesubsidieerde arbeid, of meedoen op een sociale of maatschappelijke activeringsplek.
Alle re-integratieactiviteiten worden geregistreerd in RAAK. Het daarmee opgestelde trajectplan wordt ondertekend door klant en, namens B&W, door de klantmanager.
Het meewerken aan de uitvoering van het trajectplan wordt middels een besluit toegevoegd aan de verplichtingen die zijn verbonden aan de uitkering.
Voor ondersteuning van de klant bij re-integratie maak je gebruik van een aantal voorzieningen. Welke keus je maakt, is afhankelijk van:
Bij het kiezen van de voorziening moet de kortste weg naar werk worden genomen. Tevens kan een kosten-batenanalyse aan de orde zijn.
Voor vluchtel inge n die in het land van herkomst een beroep hadden waarvoor in Nederland een wettelijke opleidingseis bestaat, en welk examen slechts behaald kan worden door deelname gedurende langere tijd aan activiteiten van meer dan 19 uur per week (bijvoorbeeld de co-schappen voor het artsdiploma) kan een uitzondering worden gemaakt: zij kunnen met behoud van uitkering de opleiding afronden.
Let op: de zogenoemde samenlopers, klanten met een (gedeeltelijke) WW-, WAO-, WAZ- of WAJONG-uitkering en met een WWB-aanvulling, komen in principe niet voor de gemeentelijke (re-integratie)voorzien inge n in aanmerking. De verantwoordelijkheid voor de re-integratie van de klant ligt bij UWV WERKbedrijf.In het kader van de Integrale Dienstverlening gaat dit snel veranderen. De voortgang van een door UWV WERKbedrijf inge zet traject wordt wel door de klantmanager bewaakt.
Bij de keuze van een voorziening moet rekening gehouden worden met medische en sociale omstandigheden, die hebben geleid tot ontheffing van de actieve sollicitatieplicht, en met eventuele verminderde beschikbaarheid, bijvoorbeeld wegens de verzorging van een kind. Na een tijdelijke ontheffingsperiode (zie 7.1 Verplichtingen tot arbeidsinschakeling) hoeven de arbeidsverplicht inge n niet opnieuw te worden opgelegd. Ze vloeien rechtstreeks uit de WWB voort. Er moet wel een nieuw besluit genomen worden als de klant verzoekt om verlenging van de ontheffing of als er per ongeluk verzuimd is om in het besluit een einddatum te noemen van de ontheffing.
Met behulp van de trajectenplanner in RAAK wordt de afstand van de klant tot de arbeidsmarkt bepaald en wordt de klant in een ‘Trede' van de ‘Re-integratieladder' ingedeeld.
De trede geeft aan hoe groot de afstand van de klant is tot de reguliere arbeidsmarkt. We kennen vijf treden:
Trede 1: klanten die wegens medische of psychische belemmeringen (in voorkomende gevallen ook: verslaving of dakloosheid) niet te belasten zijn met werk, een traject of activering (dus niet beschikbaar zijn voor en geheel ontheven zijn van arbeidsverplichtingen);
Trede 2: klanten die wegens zware belemmeringen -dikwijls van medische of psychische aard- (nog) niet te belasten zijn met arbeid, maar wel deel kunnen nemen aan een traject richting sociale of maatschappelijke activering;
Trede 3: klanten die een gemiddelde belemmering richting de arbeidsmarkt hebben en derhalve geplaatst kunnen worden op een traject richting werk (bijvoorbeeld: het Praktijkleercentrum) om hun ‘algemene werknemersvaardigheden' te verbeteren;
Trede 4: klanten met ten hoogste een lichte belemmering
Trede 5: deze trede is exclusief gereserveerd voor klanten die slechts gedeeltelijk beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt en ook daadwerkelijk aan het werk zijn voor dat volledige aantal ‘beschikbare uren'.
Met behulp van de trajectenplanner kan de klantmanager ook het meest geschikte traject voor een klant bepalen.
In RAAK is een overzicht aanwezig van alle voorzieningen, die beschikbaar zijn, met een beschrijving van doelgroep en doelstellingen.
Heeft de klant lichamelijke of psychische belemmeringen? Vraag dan een medisch/ psychologisch/ arbeidskundig advies bij één van de gecontracteerde instanties.
NB: Voor keuringen voor niet-arbeidsmarkt gerelateerde kwesties (zoals een aangepast bed of zorgbehoeftige huisgenoten) is de GG&GD de adviseur.
Vanuit organisaties buiten de dienst worden, vaak in samenwerking met het UWV WERKbedrijf, ook trajecten aangeboden aan werkzoekenden. Er is natuurlijk niets op tegen om deelname daaraan op te nemen in het/een trajectplan en met een besluit te voegen bij de verplichtingen die zijn verbonden aan de uitkering. Een deelname aan een dergelijke externe voorziening wordt vastgelegd in RAAK onder Kostenloze trajecten (deze hebben de projectcode NUL) – zie hierover verder de DWI-Re-integratieladder.
Bij een aantal voorzieningen wordt eerst een (re-integratie)plan opgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan DWI. In dit plan kan ook geadviseerd worden andere voorzieningen als taalscholing, kinderopvang of beroepsgerichte scholing in te zetten.
De klantmanager moet dit (re-integratie)plan inhoudelijk beoordelen.
Mogelijke aandachtspunten zijn:
Maatschappelijke participatie zorgt ervoor dat mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt actief deelnemen aan de maatschappij. Dat kan door vrijwilligerswerk, educatieve activiteiten, het zoeken van hulp bij problemen of het op andere wijze verkrijgen van zorg. Waar mogelijk start direct daarna toeleiding van de klant naar de arbeidsmarkt.
Waar voorheen klanten actief werden toegeleid naar vrijwilligerswerk, geldt nu dat klanten voor het doen van vrijwilligerswerk worden verwezen naar de stadsdelen.
Vrijwilligerswerk kan re-integratie bevorderen. Kijk naar de kwaliteiten en belangstelling van de klant. Het accent moet liggen op motivering, extra begeleiding en het opdoen van werkervaring. Stel de vraag: is de klant gebaat bij vrijwilligerswerk als het gaat om een zelfstandig bestaan of maatschappelijke participatie?
En: is de stad erbij gebaat als de klant vrijwilligerswerk gaat doen?
Het staat iedereen vrij om (in eigen tijd) vrijwilligerswerk te doen zolang dit de
re-integratie niet in de weg staat.
Bij participatieplaatsen is geen sprake van een baan in de zin van een arbeidsrelatie en -overeenkomst. Klanten van DWI verrichten op participatieplaatsen maatschappelijk nuttige werkzaamheden met behoud van hun uitkering. In ruil daarvoor investeert DWI in de verdere competentieontwikkeling van de klanten.
Een participatieplaats vormt
de springplank richting de trede van arbeidsactivering. Participatieplaatsen verschillen van maatschappelijke activering in die zin dat de werkzaamheden die worden verricht een breder maatschappelijk nut dienen
en dat meer nadruk ligt op de beroepscompetenties. De klant kan ook vakinhoudelijke cursussen aangeboden krijgen en krijgt een eigen verantwoordelijkheid of ‘taak'. Van de klant wordt dus meer verantwoordelijkheid geëist dan bij deelname aan een MAP.
Een ander wezenlijk verschil met de overige vormen van maatschappelijke participatie is dat bij een participatieplaats de competentieontwikkeling van de klant centraal staat. In feite is sprake van een participatietraject : de klant verricht werkzaamheden op een participatieplaats en combineert deze met andere activiteiten om zijn of haar competenties verder te ontwikkelen. Kenmerkend voor de participatieplaats is dat het additionele werkzaamheden betreft. Van verdringing van regulier werk is geen sprake.
Toeleiding van klanten kan plaatsvinden vanuit een uitkeringssituatie, maar ook aansluitend op een eerder ingezet traject. Bij dit laatste zijn er twee mogelijkheden:
In alle gevallen betreft het uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
Het primaire oogmerk van de participatieplaatsen is doorstroom richting regulier werk. Dit neemt niet weg dat wordt geaccepteerd dat werkzaamheden in het kader van een participatieplaats het maximaal haalbare kunnen zijn voor een klant. Dit wordt evenwel pas geaccepteerd nadat alle andere opties richting reguliere arbeid niet haalbaar zijn gebleken.
Essentieel onderdeel van het participatietraject vormt de verdere ontwikkeling van de klant. Of een klant in aanmerking komt voor een participatieplaats wordt bepaald door de klantmanager, op dezelfde wijze als hij zijn klanten naar andere trajecten verwijst. Klanten die instromen op een participatieplaats worden getest op een aantal competenties (zgn. nulmeting) die betrekking hebben op werknemersvaardigheden. Deze nulmeting is bedoeld om te bepalen welke route de klant zou moeten doorlopen om het uiteindelijke doel te bereiken, namelijk uitstroom in een reguliere baan.
Op basis van de uitkomsten van de test wordt een Persoonlijk OntwikkelingsPlan opgesteld. Plaatsing op een participatieplaats is niet vrijblijvend; samen met de Pantar-consulent die de competentieontwikkeling van de klant begeleid, worden concrete afspraken vastgelegd in een OntwikkelingsPlan.
Halfjaarlijks evalueert de klantmanager de ontwikkelingsvoortgang. Daarvoor wint hij advies in bij de begeleidende partij. Als de huidige participatieplaats niet langer passend is, wordt een vervolgstap in het ontwikkelingsproces genomen. Dit kan een WWB detachering zijn, een reguliere baan, maar ook een andere participatieplaats met een uitgebreider takenpakket of een gerichter uitstroomperspectief. Als de klant op een participatieplaats blijft wordt het ontwikkelingsplan bijgesteld.
Wanneer wordt vastgesteld dat verdere competentieontwikkeling van de klant niet mogelijk is en hiermee een participatieplaats het maximaal haalbare, is uitstroom richting vrijwilligerswerk een van de mogelijkheden. Voor deze klant worden dan niet langer "W-gelden" ingezet om verdere competentieontwikkeling te bevorderen. Als verdere competentieontwikkeling wel mogelijk is, maar uitzicht op uitstroom naar regulier werk (nog) niet reëel, blijft de klant werkzaam op een participatieplaats en wordt daarmee wel W-geld ingezet. Het criterium om werkzaam te kunnen blijven is dus het vermogen om competenties verder te ontwikkelen.
In sommige gevallen zal het lastig zijn om te bepalen of een klant op trede 2 in staat is om binnen twee jaar uit te stromen naar een reguliere baan. Vermoed je als klantmanager dat je klant perspectief heeft op werk, maar ben je niet zeker? Dan kun je gebruik maken van de Werk Test Plek (WTP).
De WTP is nadrukkelijk geen traject, maar een diagnostisch instrument waarmee binnen een tijdsbestek van maximaal zes maanden, wordt vastgesteld of een klant binnen twee jaar kan uitstromen naar regulier werk. Deze beoordeling wordt gedaan door het RBA.
Een WTP is een ‘echte werkomgeving’ (aangeboden door een aanbieder) waarin de klant wordt geobserveerd. Ook wordt getracht zijn competenties te verbeteren. Zo wordt in maximaal zes maanden (maar zoveel korter als mogelijk) vastgesteld of sprake is van perspectief op werk. Indien sprake is van perspectief, zal het RBA een passend vervolgtraject adviseren.
Individuele Beroepsgerichte Scholing (IBS) leidt tot een landelijk erkend diploma of certificaat in een bepaalde beroepsrichting. Het doel van de scholing is toetreding tot de arbeidsmarkt. Scholing mag in principe niet langer dan twee jaar duren. Alle soorten scholing zijn mogelijk, ook HBO en WO, zolang de scholing maar bedoeld is voor re-integratie en past binnen de kortste weg naar werk. Kwalificerende meerjarige beroepsopleidingen op HBO of WO-niveau zullen slechts zeer zelden de kortste weg naar werk vormen. Zie ook de opmerking over vluchtelingen in paragraaf 1.3.1 Keuze voor een voorziening. De klant zelf, de klantmanager en het Re-integratiebedrijf (RIB) kunnen het initiatief tot scholing nemen. De klantmanager beslist of de scholing noodzakelijk is.
Voor sommige klantgroepen wijken de re-integratietrajecten af. Het gaat m.n. om 1.4.1 Arbeidsgehandicapten/Functioneel beperkten en 1.4.2 Inburgeraars.
Arbeidsgehandicapten hebben voor hun restcapaciteit minder kans op een baan vanwege een ziekte of handicap.
Het begrip ‘arbeidsgehandicapte' komt voort uit de Wet re-integratie arbeidsgehandicapten (REA). In deze wet en de daaronder vallende regelingen staan de voorwaarden waaronder iemand kan worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte, oftewel de Rea-status heeft.
De Wet Rea bestaat met de invoering van het WIA-kader per 29-12-2005 niet meer. Vastgestelde Rea-statussen blijven hun gehele looptijd nog van kracht (max. 5 jaar na vaststelling).
Deze status is van belang voor twee voordelen die de werkgever heeft 5 jaar nadat iemand met de Rea-status bij hem in dienst is getreden:
Een REA-status kan ook nog achteraf worden vastgesteld op basis van een keuring die vóór 29-12-2005 heeft plaatsgevonden of die vóór deze datum is aangevraagd bij een ARBO-dienst. Geldigheidsduur is dan maximaal 5 jaar en nooit langer dan tot 29-12-2010.
De WIA en andere nieuwe wetten spreken niet meer van arbeidsgehandicapte; criterium is nu of iemand een structurele functionele beperking heeft. Het UWV spreekt daarom ook wel van ‘functioneel beperkten’ of ook van ‘SFB’er’. Voor mensen met een structurele functionele beperking gelden bij indiensttreding eveneens de twee voordelen als hiervoor genoemd: de no-riskpolis en de premiekorting t.b.v. hun werkgever.
Sommigen zijn van rechtswege ‘functioneel beperkt’:
a. mensen met een (gedeeltelijke) uitkering ingevolge de WAO, Wajong, WAZ,
WIA
b. mensen die korter dan 5 jaar tevoren een dergelijke uitkering hebben gehad
c. mensen met een WSW-indicatie
d. mensen die korter dan 5 jaar tevoren een WSW-indicatie hadden.
UWV voorzieningen en hulpmiddelen
Als de klant een ziekte of een handicap
heeft, maar toch wil en kan werken. heeft hij echter, om goed te kunnen functioneren,
voorzieningen of hulpmiddelen nodig. Die voorzieningen en hulpmiddelen kunnen
bij UWV WERKbedrijf worden aangevraagd, ongeacht of de klant een uitkering
bij UWV WERKbedrijf heeft.
Enkele voorwaarden:
Voorbeelden van UWV WERKbedrijf voorzieningen en hulpmiddelen zijn:
Deze aanvraagformulieren kan men opsturen naar de “Afdeling Re-integratie
van
het UWV WERKbedrijf-regiokantoor”.
Voor meer informatie bel UWV WERKbedrijf
Telefoon Werknemers op 0900 – 9294.
Is een aanpassing nodig voor het volgen van een DWI-traject, bijvoorbeeld scholing, dan kunnen de kosten hiervoor worden betaald uit de bijzondere bijstand.
Tenslotte: bij sollicitaties is het soms noodzakelijk om open te zijn over functionele beperkingen, namelijk als deze direct gevolgen hebben voor het functioneren in een nieuwe baan. In andere gevallen kan de klant ook in een later stadium aan de werkgever vertellen dat hij onder de doelgroep van de no-riskpolis en premiekorting valt. De klant móet het pas vertellen als de werkgever er bij hem naar vraagt na afloop van de proeftijd voor het dienstverband.
Als iemand een structurele functionele beperking heeft en er bestaat geen WIA-status van rechtswege, dan kunnen de werkgeversvoordelen no-riskpolis en premiekorting van toepassing worden, nadat het UWV WERKbedrijf een verklaring heeft afgegeven, Het is dus niet mogelijk voor de gemeente om zelf een verklaring af te geven (zoals dat wel kon met de Rea-status). Voor de aanvraag- en afgifteprocedure bij het UWV WERKbedrijf gelden strenge regels.
Voorwaarde 1 is dat de klant 2 jaar tot de gemeentelijke doelgroep heeft behoord (welke gemeente maakt niet uit). Dit is het geval als de klant 2 jaar een uitkering heeft gehad en/of WWB-gesubsidieerd werk heeft gedaan en/of als NUG-klanten begeleid is geweest. In Amsterdam gold overigens deze eis in 2006 niet bij NUG’ers net als bij enkele andere experimenteergemeenten (Hengelo en de Hoeksche Waardgemeenten).
Voorwaarde 2 is dat de betrokkene eveneens 2 jaar door de gemeente ontheven is geweest van de arbeidsverplichtingen, dan wel op medische gronden verminderd beschikbaar hoefde te zijn en/of 2 jaar bij het UWV WERKbedrijf stond ingeschreven. In Amsterdam gold ook deze voorwaarde in 2006 niet bij NUG-klanten.
Deze dubbele 2-jaarseis is een parallel die de wetgever heeft getrokken met de 2-jaarsperiode dat een werkgever verantwoordelijk is voor de re-integratie van werknemers die (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt worden. Aan onderbrekingen in de UWV WERKbedrijf-inschrijving of de klantrelatie met een gemeente kan worden voorbijgegaan.
Als de klant nog geen 2 jaar tot de gemeentelijke doelgroep behoort, nog geen 2 jaar ingeschreven staat bij het UWV WERKbedrijf of hiervoor geen ontheffing heeft gehad, dan heeft het starten van de UWV WERKbedrijf procedure geen zin.
Voorwaarde 3 is de 35%-drempel. Een arts of psycholoog moet na een keuring hebben vastgesteld dat er sprake is van een urenbeperking van ten minste 35% is, gerelateerd aan een werkweek van 40 uur. Aangezien er gerekend wordt met blokken van 4 uur mag de klant maximaal 24 uur per week in staat zijn tot arbeid.
Voorwaarde 4 is dat het keuringsrapport niet ouder mag zijn dan 6 maanden op het moment dat de gemeente het UWV WERKbedrijf verzoekt om een beschikking.
Voorwaarde 5 is dat de verklaring van de arts/psycholoog wordt gedaan op een speciaal UWV WERKbedrijf-formulier (‘Verklaring arts/deskundige’) . Als je de klant aanmeldt voor een ARBO-keuring en hij voldoet (binnen 6 maanden) aan de voorwaarden 1 en 2, dan kun je – bijvoorbeeld op het RAAK-aanmeldformulier- richting de ARBO-dienst aangeven dat het UWV WERKbedrijf-formulier door de arts moet worden ingevuld. Officieel moet de arts ook een paraaf zetten op een kopie van een identiteitsbewijs van de klant (want ook dat moet naderhand naar het UWV WERKbedrijf worden gestuurd).
Als aan alle voorwaarden is voldaan kun je met een ander UWV WERKbedrijf-formulier (‘Aanvraag Indicatiestelling no-risk polis en premiekorting UWV WERKbedrijf’) formeel, namens het College, het UWV WERKbedrijf in Zoetermeer verzoeken een beschikking ten behoeve van de klant af te geven. In NUS is dit formulier verwerkt in label 0100c.
Bijlagen die moeten worden meegestuurd zijn:
Komt de verklaring binnen (als het goed is binnen 3 weken), stuur dan een kopie hiervan aan de betrokkene samen met label 5005a - Toezending UWV WERKbedrijf-verklaring indicatiestelling WIA/no-riskpolis. Weigert het UWV WERKbedrijf afgifte, zend deze weigeringsbeschikking dan aan de klant samen met het label 5005w - Toezending weigering UWV WERKbedrijf-verklaring inzake WIA/no-riskpolis. De klant kan binnen 6 weken na het UWV WERKbedrijf-besluit in bezwaar bij het UWV WERKbedrijf (dit staat in de clausule onder aan de UWV WERKbedrijf-beschikking).
Wet Inburgering (WI)
Met ingang van 1 januari 2007 is de Wet Inburgering van kracht. In de wet wordt bepaald wie inburgeringsplichtig is. In beginsel zijn dit alle vreemdelingen van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen en mogen verblijven, voor zover deze personen niet gedurende minstens acht jaar van de leerplichtige leeftijd in Nederland verbleven, niet over bepaalde diploma’s of certificaten of andere soortgelijke bewijsstukken beschikken en niet hebben aangetoond te beschikken over voldoende mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en evidente kennis van de Nederlandse samenleving. De wet geldt zowel voor nieuwkomers als voor oudkomers die tot deze doelgroep behoren.
Er is pas aan de inburgeringsplicht voldaan als het inburgeringsexamen is gehaald. De inburgeraar heeft dus een resultaatverplichting en is zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de inburgeringsplicht binnen de voor hem geldende termijn. In principe kunnen inburgeringsplichtigen zelf bepalen hoe ze zich op het examen willen voorbereiden. Mensen met een uitkering hebben recht op een gemeentelijk aanbod voor een inburgeringsvoorziening (cursus en 2 x examen).
Regeling Vrijwillige Inburgering 2007 (RVI)
De Regeling Vrijwillige Inburgering maakt het financieel mogelijk dat ook mensen die geen inburgeringsplicht hebben, maar wel inburgeringsbehoeftig zijn, een aanbod krijgen van de gemeente. Doelgroep van deze regeling zijn mensen die door naturalisatie het Nederlanderschap hebben verkregen of mensen uit EU/EER landen, Turkije of Zwitserland.
Amsterdams beleid: Basisprogramma Burgerschap en Educatie (BpBE)
De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat alle Amsterdammers op een positieve manier bijdragen aan de samenleving in de stad. Met het BpBE kan de gemeente (bijna) iedereen een aanbod doen die de Nederlandse taal onvoldoende beheerst of onvoldoende kennis heeft van de Nederlandse samenleving om zelfstandig te kunnen functioneren.
Wet Inburgering Buitenland (WIB)
Sinds 15 maart 2006 is de Wet Inburgering Buitenland van kracht. Mensen die vanwege gezinsvorming of gezinshereniging naar Nederland komen, hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) nodig. Zij moeten op grond van deze wet reeds vóór hun komst naar Nederland inburgeren. Deze eis geldt niet voor Turken, Australiërs, Canadezen, Japanners, Nieuw Zeelanders, Zuid-Koreanen of ingezetenen van de Verenigde Staten. Daarnaast zijn vrijgesteld: mensen met een tijdelijk verblijfsdoel, asielmigranten, Surinamers die onderwijs in de Nederlandse taal hebben gevolgd en mensen die buiten Nederland geboren zijn, maar wel de Nederlandse nationaliteit hebben (bijvoorbeeld Antillianen en Arubanen).
Koppeling Wet Inburgering en Vreemdelingenwet
Het inburgeringsexamen wordt per 1 januari 2010 als voorwaarde gesteld bij een verblijfsvergunning regulier of asiel voor onbepaalde tijd. Ook geldt deze voorwaarde in sommige gevallen bij het wijzigen van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in een beperking tot zelfstandig voortgezet verblijf. Het stellen van het inburgeringsexamen als voorwaarde in de Vreemdelingenwet (Vw) wordt ook wel het inburgeringsvereiste genoemd.
Taakverdeling:
De afdeling Educatie & Inburgering (E&I) van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO) heeft de coördinatie over inburgering in de stad.
| Verplichte inburgeraar | Vrijwillige inburgeraar | |
| DWI-klant | DWI-klantmanager | DWI-klantmanager |
| Overig | RVE E&I: NUG-consulent | Casemanager stadsdeel |
Bij E&I is het Knooppunt ingericht, een afdeling die de verschillende klant- en casemanagers ondersteunt. Deze bestaat uit de teams klantbeheer, gegevensbeheer, knooppunt en wettelijke taken. Zij screenen de klanten op mogelijke inburgerplicht en doelgroep, verzenden de beschikkingen en handelen de aanvragen af voor vrijstellingen en ontheffingen. Hiernaast hebben ze een informatie en adviesfunctie en onderhouden ze de helpdesk inburgering. De afdeling contractbeheer van het Werkbedrijf zorgt voor de inkoop van inburgeringstrajecten, de kwaliteitscontroles, het contractbeheer en de afrekening met de aanbieders.
Pad tot huidige pagina Op intranet vind je meer informatie via:
Actueel > DWI en ons werk > Participatie bij DWI Pad tot huidige pagina > Inburgering.
Hier vind je ook de link naar extranet inburgering met veel achtergrondinformatie over de uitvoering van Inburgering en verschillende werkinstructies voor de klantmanagers
Volgens de wet is inburgeringsplichtig de vreemdeling die:
Indien iemand tijdelijk (maximaal een jaar) niet inburgeringsplichtig is (bijvoorbeeld door zich tijdelijk uit het bevolkingsregister uit te schrijven, kort verblijf in het buitenland) maar daarna weer opnieuw inburgeringsplichtig wordt, blijft de inburgeringsplicht in de tussenliggende periode bestaan.
De Wet Inburgering onderscheidt Oudkomers en Nieuwkomers:
Inburgeringsplichtige Oudkomers zijn vreemdelingen in de leeftijd vanaf 18 jaar tot 65 jaar die
Nieuwkomers zijn vreemdelingen in de leeftijd vanaf 16 jaar tot 65 jaar die:
NB: Wanneer een uitkeringsgerechtigde niet inburgeringsplichtig is, maar de gemeente van oordeel is dat taal en inburgering noodzakelijk zijn in het kader van activering krijgt het aanbod van de gemeente op grond van de WWB wel een verplichtend karakter.
Termijnen
Met ingang van 19 december 2009 geldt 1 handhavingstermijn voor alle inburgeringsplichtigen. Binnen 3,5 jaar moet het inburgeringsexamen zijn gehaald. Voor oudkomers geldt dat de termijn begint te lopen vanaf het moment dat de beschikking van de gemeente (waarin de handhavingstermijn en het aanbod zijn opgenomen) is opgelegd.
De gemeente kan de termijn voor het behalen van het examen op individuele gronden verlengen.
Ook is het mogelijk inburgeraars te ontheffen op grond van voldoende inspanning.
Personen die niet onder de Wet Inburgering vallen:
Sommige inburgeraars komen in aanmerking voor een vrijstelling of ontheffing van de inburgeringsplicht. De afdeling wettelijke taken van de RVE Educatie& Inburgering beoordeelt deze aanvragen.
Alle werkinstructies en informatie over de aanvraagprocedures vind je op extranet inburgering.
Vrijstellingen
Vrijstelling op grond van diploma’s of certificaten
Sommige mensen zijn in het bezit van certificaten of diploma's op basis waarvan (gedeeltelijke) vrijstelling van de inburgeringsplicht kan worden verleend. Vrijstelling wordt aangevraagd door de klantmanager
bij afdeling Wettelijke Taken
van E&I. De volledige lijst van certificaten die vrijstelling geven wordt bijgehouden op de site van DUO inburgering www.inburgeren.nl. De meest voorkomende zijn:
| Gehele vrijstelling |
|
| Tijdelijke vrijstelling |
|
| Gedeeltelijke vrijstelling voor taal |
|
| Gedeeltelijke vrijstelling Toets Gesproken Ned. |
|
| Gedeeltelijke vrijstelling voor KNS |
|
Korte vrijstellingstoets
Inburgeringsplichtige klanten die denken de Nederlandse taal voldoende te beheersen en te beschikken over voldoende kennis van de Nederlandse samenleving, maar geen documenten hebben om dit aan te tonen kunnen eenmalig een korte vrijstellingstoets (KVT) doen. Dit examen is op B1-niveau, dit komt ongeveer overeen met MBO-niveau (persoonlijke brieven kunnen schrijven, ervaringen en indrukken beschrijven). De test kan worden aangevraagd op de site van de DUO inburgering. Mensen die na 1 september 2009 slagen voor deze toets kunnen de kosten ad € 81 van E&I terugkrijgen.
Evident ingeburgerden
Er zijn ook inburgeringsplichtige mensen die weliswaar goed ingeburgerd zijn, maar op principiële gronden weigeren een korte vrijstellingstoets te maken. Mensen die meer dan tien jaar in Nederland wonen en hier minimaal 5 jaar werken of participeren en die aantoonbaar schriftelijk en mondeling zelfstandig in het Nederlands op B1-niveau functioneren kunnen een beroep doen op een hardheidsclausule. Dit kan dus alleen wanneer de inburgeraar -en in geval van een DWI-klant ook de klantmanager - van mening is, dat iemand geen enkele baat heeft bij welke vorm van aanbod dan ook. De afdeling Wettelijke Taken van E&I beoordeelt de aanvraag.
Ontheffingen
Medische ontheffing
Het college verleent ontheffing van de inburgeringsplicht, als iemand aantoonbaar blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Dit kan zijn in verband met lichamelijke, psychische of verstandelijke belemmeringen. De inburgeringsplichtige moet dit aantonen aan de hand van een verklaring van een door de gemeente aangewezen onafhankelijke arts. Deze verklaring moet de inburgeringsplichtige zelf aanvragen en betalen. Mensen met een minimuminkomen kunnen soms aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten, zie 1.4.2.8
Een vrijstelling van de arbeidsverplichtingen WWB is niet gelijk aan ontheffing van de inburgeringsplicht. Wel kan het rapport van de arbeidskundige keuring worden meegestuurd met de aanvraag voor de ontheffing inburgeringsplicht.
Ontheffing vanwege voldoende inspanning
Ontheffing kan ook zonder een verklaring worden verleend, indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het examen te behalen. Voorwaarde is dat de inburgeraar het volledige inburgeringstraject heeft gevolgd, 80% van de lessen aanwezig was en minimaal 2 keer volledig examen heeft gedaan. Of 1 x examen en een advies van de docent dat de inburgeraar niet in staat is het examen te halen.
In de wet staat dat inburgering de arbeidsinschakeling niet mag belemmeren.
Het inburgeringstraject moet de re-integratie niet storen maar steunen. Waar mogelijk worden beide doelstellingen en trajecten gecombineerd (duaal traject).
Voor klanten op trede 2 zal deelname aan een inburgeringstraject vaak gelijk gesteld kunnen worden met de van hen vanuit WWB-perspectief verlangde participatie.
Naarmate de klant op een hogere trede is ingedeeld, speelt re-integratie een grotere rol en past dus een meer arbeidsmarktgericht traject.
Bij opname in de uitkering van een inburgeringsplichtige wordt een lopend inburgeringstraject zo veel mogelijk in stand gehouden. Beoordeel wel of het voldoende werkgericht en intensief is. Eventueel kan in overleg met de Service-Unit Inburgering het inburgeringstraject aangepast worden, of kan een aanvullend programma bepaald worden. Ook is het mogelijk om de inburgering in de avonduren of op zaterdag te laten plaatsvinden. De aanpassing kan zowel intensivering als extensivering van het traject betekenen. Immers snelle uitstroombevordering kan vragen om een hoger tempo, maar in andere gevallen zal er vooral ruimte gemaakt moeten worden voor meer arbeidsmarktgerichte activiteiten.
Maatschappelijke begeleiding vluchtelingen
Vluchtelingen kunnen aanvullend maatschappelijke begeleiding krijgen van Stichting Vluchtelingenwerk Amstel tot Zaan (SVAZ). SVAZ kan de klantmanager gevraagd en ongevraagd adviseren naar aanleiding van wat tijdens die begeleiding naar voren komt. De klantmanager kan op zijn beurt de klant naar SVAZ verwijzen voor extra begeleiding.
Het aanbod staat in de re-integratieladder en op het extranet inburgering.
Het aanbod is verdeeld in twee percelen:
Voor de inburgeringstrajecten zijn per stadsdeel maximaal drie taalaanbieders beschikbaar. Voor perceel 2 zijn twee taalaanbieders voor de hele stad.
Daarnaast zijn er alfabetiseringstrajecten. Dit zijn doorlopende geïntegreerde trajecten, waarbij passend bij het leervermogen van de deelnemer alfabetisering en inburgering gecombineerd worden. Per stadsdeel zijn er twee aanbieders.
Inburgeringsexamen
Het inburgeringsexamen bestaat uit een centraal deel en een praktijkgedeelte.
Het centraal examen bestaat uit drie onderdelen, te weten: Kennis van de Nederlandse samenleving, Toets gesproken Nederlands (telefonische toets) en het elektronisch praktijkexamen. Het praktijkgedeelte bestaat uit assessments en/of het maken van een portfolio. Voor het portfolio moet de inburgeraar bewijzen verzamelen waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal spreekt en begrijpt.
Voor het elektronisch praktijkexamen en het portfolio kan de inburgeraar kiezen uit 4 profielen:
Met de TIWI-toets worden het niveau en de leerbaarheid van de inburgeraar bepaald. Op grond daarvan en het gekozen profiel wordt de klant geplaatst op het best passende traject.
Staatsexamen
Inburgeraars kunnen ook aan hun verplichting voldoen door staatsexamen NT2 te doen. Deze trajecten leiden op tot een hoger taalniveau dan inburgeringsexamen (A2).
Er zijn 2 niveaus:
Het staatsexamen NT 2 bestaat uit de onderdelen lezen, schrijven, luisteren en spreken en wordt centraal getoetst.
De gemeente moet naleving van de WI handhaven. Niet-uitkeringsgerechtigden kunnen boetes krijgen wanneer ze niet meewerken aan hun inburgeringstraject, verzuimen of het inburgeringsexamen niet binnen de gestelde termijn halen. De regels hiervoor staan in het Handhavingsprotocol/richtlijn begeleiding, uitval en sancties van E&I op het extranet inburgering.
In de Wet Inburgering staat dat er geen boete kan worden opgelegd indien voor dezelfde gedragingen de bijstand kan worden verlaagd op grond van de WWB. Dit wil zeggen dat voor uitkeringsgerechtigden afstemming op grond van de WWB (of IOAW) leidend is. Klanten moeten verschijnen op oproepen en moeten overeengekomen trajecten volgen. Bij niet nakoming van deze verplichtingen geldt het gewone afstemmingsbeleid zoals beschreven in hoofdstuk 8. Opleggen maatregel (Afstemming)
De enige extra verplichting is aan de orde, als een inburgeringsplichtige klant verwijtbaar niet binnen de gestelde termijn het examen behaalt. Dan kan een boete worden opgelegd.DWI-klanten zonder uitkering (NUG-ers en gesubsidieerd werkenden) kunnen niet worden afgestemd op hun uitkering. Deze klanten vallen dan ook onder een zogenaamd boeteregime. Dit boeteregime wordt uitgevoerd door de RVE E&I. Als de klant zijn inburgeringsplicht niet nakomt, moet de klantmanager hierover een gesprek voeren met de klant. Wanneer de klant volhardt in zijn weigering mee te werken aan het inburgeringstraject, rapporteert de klantmanager hierover aan de afdeling Wettelijke Taken van E&I. Het voeren van het boetegesprek en eventueel het innen van de boete, wordt uitgevoerd door E&I.
Eigen bijdrage
Voor
een inburgeringstraject geldt
een eigen bijdrage van € 270. De gemeente betaalt de inburgeraar
na volledige deelname aan het examen
een zelfde bedrag aan premie. De uitbetaling van die premie vindt uitsluitend plaats door verrekening met de eigen bijdrage. Als taal of inburgering deel uitmaakt van een WWB re-integratietraject wordt geen bijdrage geheven. Voor DWI-klanten is dit dus alleen van toepassing, als zij het traject gestart zijn voor zij uitkeringsafhankelijk werden.
Medische ontheffing
De verklaring dat iemand blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen in verband met lichamelijke, psychische of verstandelijke belemmeringen moet de klant zelf betalen. De kosten zijn afhankelijk van het soort onderzoek, dossieronderzoek is goedkoper dan een volledige medische keuring.
Inburgeringsplichtigen met een minimuminkomen kunnen een tegemoetkoming krijgen in de kosten van de medische ontheffing. Dit geldt voor klanten die een bijstandsuitkering hebben, een uitkering van het UWV met toeslag volgens de Toeslagenwet en voor mensen die het afgelopen jaar een voorziening in het kader van het Amsterdamse armoedebeleid hebben ontvangen. Ze betalen alleen een vaste eigen bijdrage van € 50. Dit geldt voor zowel een dossieronderzoek als een medisch onderzoek.
Meer informatie over de procedure en het aanvraagformulier vind je op Extranet Inburgering: Tegemoetkoming kosten medische keuring. De klantmanager dient de aanvraag in, de afdeling Wettelijke Taken van E&I beoordeelt de aanvraag.
Kosten herexamen
In de huidige inburgeringstrajecten zijn twee examendeelnames inbegrepen. Inburgeraars die voor 1 maart 2010 zijn gestart vallen onder andere contractvoorwaarden en mogen één keer examen doen. Eventuele herexamens moet klant zelf betalen, dit wordt in principe niet vergoed. In zeer schrijnende gevallen kan de klantmanager overgaan tot individualisering.
Voor mensen met een UWV WERKbedrijf-uitkering (WW, WAO, WAZ, WAJONG, ZW e.d.) en een aanvullende WWB-, IOAW- of IOAZ-uitkering, is het UWV WERKbedrijf verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning bij de re-integratie. Mensen met een uitkering van zowel het UWV als van de gemeente worden wel samenlopers genoemd. Samenwerking tussen gemeente en UWV WERKbedrijf rond “samenlopers” krijgt op een aantal manieren invulling:
Praktisch betekent dit bij samenloop van een UWV WERKbedrijf- en een gemeente-uitkering het volgende:
Wees bij iemand met een geëindigde WAO alert op een eventueel herlevend recht. Van een herlevend WAO-recht is sprake als de arbeidsongeschiktheid binnen 5 jaar na beëindiging (of herziening) weer toeneemt vanuit dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor eerder WAO-recht bestond.
Verwijs in zo’n geval naar het UWV WERKbedrijf voor een hernieuwde WAO-beoordeling. Ook voor samenlopers kan bij een toenemende arbeidsongeschiktheid het WAO-recht stijgen - verwijs dan eveneens naar het UWV WERKbedrijf.
De partner van een samenloper is zelf geen ‘persoon aan wie het UWV WERKbedrijf een uitkering verstrekt' (art.7 lid 3 WWB). Partners van samenlopers hebben dus net als andere WWB-gerechtigden recht op de gemeentelijke voorzieningen en vergoedingen. Aandachtspunt is wel of een echtpaar een (hogere) TW-uitkering kan aanvragen bij het UWV WERKbedrijf.
Met de invoering van de Wet SUWI is de gemeente verantwoordelijk geworden voor de re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden en mensen met een ANW-uitkering (Algemene nabestaandenwet). Hieronder wordt onder NUG-klant mede een ANW’er verstaan.
In het Meerjarenbeleidsplan van het DWI is de ambitie neergelegd om in 2007, 500 NUG-klanten een traject aan te bieden; voor 2008 is het streefcijfer 1000 en voor 2010 staat er het aantal van 2000 trajecten.
Wie is NUG-klant?
Een NUG-klant:
Wanneer de WWB wordt beëindigd of omgezet naar een stagevergoeding kan de mogelijke partner die in traject loopt dit traject afmaken als NUG-klant.
Geen NUG-klant:
* Is de (jongere) klant met een stagevergoeding of een andere uitkering behalve ANW.
Samenwerking met het UWV WERKbedrijf
Voor deze doelgroep werkt DWI samen met UWV WERKbedrijf. Voorheen was de vestiging van het UWV WERKbedrijf in Amsterdam-Zuid voor alle NUG-klanten. Inmiddels kan de klant terecht bij het UWV WERKbedrijf in de regio waar hij woont. De volgende afspraken gelden:
Het re-integratieproces voor de NUG-klanten staat beschreven in het handboek ‘’Procedure aanmelden re-integratie nuggers”.
Voor NUG-klanten/ANW’ers tot 27 jaar staan alle contracten open, zie onder 1.4.4 Jongeren.
Voor de kinderopvangbijdrage voor NUG-klanten, zie hoofdstuk
17 Kinderopvang.
Trajecten
Actuele informatie welke trajecten beschikbaar zijn voor welke klanten is steeds te vinden in de Trajectenkiezer. Let er bij diagnose-uitkomsten op, dat je alleen op voor NUG openstaande contracten aanmeldt. De diagnosecentra hebben dit actuele overzicht niet en kunnen dus een traject adviseren, dat niet openstaat. Zie verder Uitvoeringsbericht 2007/16.
Elk nieuw contract wat vanaf heden zal worden afgesloten is ook geschikt voor de NUG-klanten, tenzij het een contract voor een heel specifieke doelgroep betreft, dan wordt dit expliciet vermeld.
Trajectvergoeding
De trajectvergoeding die DWI kent voor uitkeringsgerechtigden geldt ook voor
NUG-klanten. Hiervoor is geen draagkrachtberekening meer nodig. Voor reiskosten zie Beleidsvoorschriften 9.7.7.1 De hoogte van de vergoeding.
Stagevergoeding en detachering
Vergoedingsregelingen waarmee in een inkomen wordt voorzien staan niet open voor NUG-klanten.
NUG-klanten
Voorbereidingssubsidie (VSD)
en Loonkostensubsidie (LKS)
De VSD kan voor de NUG-doelgroep worden ingezet, indien een werkgever de klant wil trainen of scholen, alvorens hem in dienst te nemen. Vanzelfsprekend zijn de bestaande voorwaarden voor de toekenning van de VSD van toepassing.
Ook de LKS kan voor de NUG-doelgroep worden ingezet. Voorwaarde hierbij is wel dat een klant eerst drie maanden door DWI of CWI bemiddeld of begeleid moet zijn. Slechts als bijstandsafhankelijkheid binnen die drie maanden dreigt, kan al eerder een LKS worden ingezet.
Inspanningsvergoeding NUG
De Inspanningsvergoeding NUG is bedoeld om organisaties die de NUG-doelgroep in beeld hebben, te compenseren voor inspanningen om een NUG-klant te motiveren voor een traject bij DWI.
De vergoeding bedraagt €250 per aangemelde klant. Hier zitten wel enkele voorwaarden aan vast, te weten:
De klantmanager is degene die beslist of de inspanningsvergoeding al dan niet wordt toegekend. Dit gebeurt op basis van voornoemde criteria en het volledig ingevulde aanmeldformulier (door aanmelder of andere betrokkenen te downloaden via: http://www.dwi.amsterdam.nl/voor_intermediairs/wat_kan_dwi_voor_mij/samenwerken_voor )
Nu zijn er twee opties:
Maatregelen
Aangezien kenmerk van een NUG-klant is, dat hij geen utkering van DWI ontvangt, is het opleggen van een maatregel niet mogelijk. Ook financiële sancties langs andere weg zijn niet aan de orde. De gedachte is, dat een NUG-klant goed gemotiveerd is, hij neemt immers vrijwillig deel. Dat neemt niet weg, dat het goed is om met de klant te bespreken, dat wij voor onze inzet, waaronder het financieren van het traject, een serieuze inspanning van zijn kant terugverwachten. Als een NUG-klant zonder duidelijke motivatie een traject afbreekt, kan dat reden zijn een volgende keer geen aanbod meer te doen.
Registratie NUG-klanten
Eerst dient de NUG-relatie vastgelegd te worden in NUS. Ook de gegevens van de eventuele partner worden in NUS geregistreerd. In het RAAK-scherm Klantdossier kies je vervolgens voor tabblad Klantindelingen en in het veld Doelgroepen kies je in het rolmenu voor NUG. Om te voorkomen dat vervuiling in de systemen ontstaat, moet bij het einde van de NUG-relatie de betreffende relatie uit NUS worden weggehaald.Ook in RAAK geef je dan de einddatum van de NUG-relatie aan in het veld ‘Datum einde'.
Het Nederlands Migratie Instituut (NMI) ondersteunt mensen die gebruik willen maken van de Remigratiewet. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) voert deze wet uit. De Remigratiewet biedt personen die naar het land van herkomst willen remigreren en die tot de doelgroep behoren, faciliteiten om die wens te realiseren. Het land van herkomst is het land waar de remigrant of één van zijn ouders is geboren alsook het land waarvan de remigrant of één van zijn ouders de nationaliteit van bezit of bezat.
De doelgroep van de Remigratiewet zijn in de eerste plaats personen die zelf afkomstig zijn uit Turkije, Marokko, Suriname, Tunesië, Kaapverdië, de staten van voormalig Joegoslavië, de Molukken, Griekenland, Italië, Portugal of Spanje en die terug willen keren naar het land van herkomst.
De tweede groep bestaat uit erkende vluchtelingen en asielgerechtigden (en hun kinderen), die willen vertrekken naar hun land van herkomst of naar een ander land naar keuze dat bereid is hen toe te laten.
De aanvrager moet gedurende minimaal 6 maanden direct voorafgaand aan de aanvraagdatum een werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids-, of bijstandsuitkering of een AOW-pensioen hebben ontvangen.
Er is sprake van 2 soorten voorzieningen: de basisvoorziening en de remigratievoorziening.
Verdere informatie is te vinden op de NMI Site en de SVB Site (zie onderstaande links)
In dit verband is ook nog van belang om te wijzen op het bestaan van intEnt ‘voor ondernemen over de grens'. Een organisatie die mensen op weg helpt bij het starten van een eigen bedrijf in het buitenland.
NMI Amsterdam
Spreekuur: maandag t/m donderdag
GGD-gebouw, 4 e verdieping
Nieuwe Achtergracht 100
1018 WT Amsterdam
Tel. 330 25 72
Fax. 330 73 62
Een werkgever die een uitkeringsgerechtigde van 50 jaar of ouder in dienst neemt, kan een verlaging van sociale premies vragen. De werkgever moet de aanvraag indienen bij de Belastingdienst. Bij die aanvraag moet de werkgever een verklaring van de uitkerende instantie voegen. Iedere DWI-medewerker met toegang tot de systemen, waarin hij kan controleren, of de klant inderdaad een uitkering van DWI ontvangt of ontving, is bevoegd de verklaring af te geven.
Op intranet is de verklaring te vinden onder Actueel - Bibliotheek / Formulieren beleid. Mocht een werkgever of een klant om een dergelijke verklaring vragen, dan moet het document geprint, met de hand ingevuld en ondertekend worden.
Algemene bijstand voor 65-plussers wordt verzorgd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Zie ook 4.13 Sociale Verzekeringsbank (SVB) behandelt aanvragen van 65 plussers. Als er sprake is van twee partners wordt het recht op aanvullende bijstand aan beide partners gezamenlijk toegekend. Dit betekent dat de SVB dus ook recht toekent aan de jongere partner die nog geen 65 jaar is.
De jongere partner is op grond van de WWB verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. DWI blijft verantwoordelijk voor de beoordeling van de re-integratieverplichtingen en -inspanningen en het aanbieden van ondersteuning bij de arbeidsinschakeling voor de partners jonger dan 65 jaar.
De SVB meldt de personalia van de jongere partner bij de contactpersonen van DWI zodra de WWB-aanvraag is ontvangen. De klantmanager moet de klant oproepen en op de gebruikelijke wijze de re-integratiemogelijkheden met de klant bespreken. Voor deze klanten komt een speciale status in RAAK. De correspondentie over re-integratieverplichtingen en -afspraken wordt door DWI gedaan. Een huisbezoek is niet nodig.
Omdat de uitvoering van de aanvullende bijstand de verantwoordelijkheid van de SVB is, kan DWI geen besluiten nemen die hier betrekking op hebben. Als een klant ontheven moet worden voor de re-integratie of als een klant niet meewerkt aan zijn re-integratie, dient dit te worden gemeld aan de SVB. De SVB stuurt het besluit naar de betreffende klant en onderneemt acties bijvoorbeeld met betrekking tot afstemming. De SVB stuurt een kopie van de betreffende besluiten naar DWI.
Zie voor afstemming van de uitkering van de jongere partner van een AOW-gerechtigde, 8.1 Opleggen maatregel.
Alleenstaande ouders met een kind jonger dan 5 kunnen vrijstelling van de sollicitaitieplicht vragen. Zie het hoofdstuk verplichtingen 7.1.2.1 Artikel 9a.
Vanaf 1 januari 2009 was Amsterdam één van de ongeveer 25 gemeenten die meedeed aan het WWB-experiment voor alleenstaande ouders met tenminste één kind in de leeftijd tot 12 jaar. Het doel van het experiment was dat alleenstaande ouders meer zouden gaan werken door het verstrekken van financiële prikkels en het bieden van andere ondersteuning.
Het experiment is m.i.v. 1 januari 2012 afgelopen.
Uitstroompremie
De alleenstaande ouder die uitstroomt naar werk en die gedurende zes maanden niet opnieuw een beroep doet op de bijstand, heeft na afloop van die periode recht op een eenmalige (onbelaste) premie van € 500. Deze is in Socrates te vinden onder Stimuleringsregelingen (eenmalig). (Het gaat hierbij om uitstroom op basis van het inkomen uit arbeid, eventueel aangevuld met andere inkomsten zoals alimentatie en niet om andere redenen, zoals verhuizing naar een andere gemeente.) Verdere voorwaarden om voor deze uitstroompremie in aanmerking te komen, zijn dat de alleenstaande ouder tot de doelgroep van het experiment behoort en dat er ten minste één keer een experimentele inkomstenvrijlating is toegepast.
Voor een traject is in Amsterdam slechts in sommige gevallen een premie mogelijk. Voor een traject is in Amsterdam slechts in sommige gevallen een premie mogelijk. Er bestaat wel de mogelijkheid voor een trajectvergoeding.
De vorm van de vergoeding
Met ingang van 1 november 2011 kent Amsterdam een vaste trajectvergoeding van € 20 per maand voor klanten die deelnemen aan een re-integratietraject van DWI. Klanten die voor deze datum een trajectvergoeding ‘oude stijl’ (hoge trajectvergoeding; lage trajectvergoeding of OV-abonnement) ontvingen, mochten tot 1 januari 2012 nog van deze ‘oude vergoeding’ gebruik maken. Dit uiteraard alleen als ze bleven voldoen aan de voorwaarden om voor een trajectvergoeding in aanmerking te komen.
Ingangsdatum vergoeding
Bepalend voor de startdatum van een trajectvergoeding is in principe de 1e van de maand waarin het traject (de activiteit) gaat lopen. Wijs klanten die ervoor in aanmerking komen actief op het bestaan van de vergoeding. De betrokkene moet wel aangeven dat hij de vergoeding wil ontvangen.
Vergoeding met terugwerkende kracht
In principe worden forfaitaire vergoedingen niet met terugwerkende kracht toegekend. Als daarvoor aanleiding is, kan toekenning met terugwerkende kracht met (ruim) € 100 worden overwogen.
De € 100-grens is een parallel met het ‘'bijzonderebijstandbeleid'': tot € 100,- kan een aanvraag voor bijzondere bijstand gehonoreerd worden tot maximaal 12 maanden nadat de kosten zijn gemaakt - zie ook 9.3.2 Gemeentelijk beleid.
Hoogte van de vergoeding
Deze bedraagt te allen tijde € 20 per maand. Het aantal uren dat de klant deelneemt aan het traject, noch de afstand tussen huisadres en trajectadres, zijn van invloed op de hoogte van de trajectvergoeding.
Voorwaarden voor het recht op een forfaitaire onkostenvergoeding
Verder geldt het volgende:
In Socrates voer je de vergoeding op onder de dienst Stimuleringsregelingen. Vervolgens kies je voor soort verstrekking Stimuleringsregelingen (Periodiek) en voeg je de juiste (handmatige) component toe.
Eenmalige kosten i.v.m. re-integratie moeten worden geboekt onder de Dienst: Bijzondere Bijstand > Verstrekking: Re-integratie (eenmalig) > Component: Werk of scholing.
Premie voor klanten op een Participatieplaats
Vanaf 1 oktober 2009 hebben klanten op een participatieplaats van Pantar (naast de trajectvergoeding) telkens na zes maanden recht op een premie van € 225,30. Deze regeling geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2009. Klanten krijgen de premie alleen als ze goed hebben meegewerkt aan hun traject. Het recht wordt door de klantmanager vastgesteld. Afgesproken is dat de premie aan de klant wordt betaald, tenzij de trajectvergoeding in de voorgaande periode van zes maanden is stopgezet. Ook als Pantar beargumenteerd aan de klantmanager verzoekt de premie niet uit te keren, wordt niet tot uitbetaling overgegaan.
Trajectvergoeding opschorten of beëindigen
Er zijn meerdere redenen op grond waarvan de vergoeding kan worden opgeschort:
De vergoeding kan hervat worden als de klant weer voldoende meewerkt of als het traject of een ander traject (weer) is opgestart, enz.
Als het traject afloopt en/of als de bijstandsuitkering wordt beëindigd, beëindig dan de uitbetaling van de vergoeding.
Geen WWB-terugvordering mogelijk van betaalde trajectvergoeding
De WWB zelf levert geen grond op voor terugvordering. De vergoeding is namelijk geen bijstand maar wordt betaald uit het Werkdeel. Het is daarom raadzaam geen beëindigingen met terugwerkende kracht in te voeren.
Het is wel mogelijk om personen die zich bijvoorbeeld hebben onttrokken aan hun traject, een maatregel op te leggen. Zie hiervoor het maatregelenbeleid in Hoofdstuk 8 van deze werkvoorschriften.
Vergoedingen voor Vrijwilligerswerk
Hier is geen sprake van een DWI-traject en dus verstrekken wij geen trajectvergoeding. Wel geldt een vrijlating van € 95 per maand met een maximum van
€ 764 per jaar.
Geen vergoeding voor zelfstandigen
De uitsluiting van zelfstandigen heeft te maken met het eigen karakter van de BBZ waarbij namelijk al rekening wordt gehouden met gemaakte bedrijfs- en beroepskosten. Voor aspirant zelfstandigen bestaat naast de mogelijkheid van een voorbereidingskrediet voor te maken kosten/investeringen in de aanloop naar het ondernemerschap ook de mogelijkheid voor een forfaitaire onkostenvergoeding. Deze laatste is bestemd voor kosten die samenhangen met de trajectbegeleiding; in de regel zal het tijdsbeslag hiervan niet meer dan 2 dagdelen p.w. gemiddeld zijn.
Geen gemeentelijke vergoeding voor UWV-trajecten en “samenlopers”
De uitsluiting van mensen die een UWV WERKbedrijf-traject volgen, heeft te maken met het feit dat het toekennen van een vergoeding of premie bij een samenloper de verantwoordelijkheid is van het UWV WERKbedrijf. Mocht het UWV WERKbedrijf deze verstrekken en ze blijven binnen de vrijlatingsgrenzen van de WWB, dan worden ze uiteraard niet verrekend met de WWB.
De Dienst Werk en Inkomen kan de bevindingen en het advies over de belastbaarheid voor werk of een re-integratietraject uitwisselen met andere instell inge n, die een taak hebben in het kader van het vaststellen van de belastbaarheid of het bevorderen van arbeidsintegratie. Denk hierbij aan instellingen zoals Pantar en UWV WERKbedrijf. Een en ander gebeurt met inachtneming van artikel 67 lid 1 onderdeel e van de Wet werk en bijstand.
Bij de uitwisseling van gegevens met re-integratiebedrijven en hun onderaannemers, zijn in het verleden problemen ontstaan rond privacy. Om in de toekomst problemen te voorkomen, is afgesproken dat de contractpartners geen inzage meer krijgen in de bijstandsdossiers. Zij krijgen voortaan uitsluitend informatie die relevant is voor re-integratie. In de huidige contracten met de contractpartners is daarover een clausule opgenomen. Daarom is het niet meer nodig om een klant een machtiging te laten tekenen.
Klachtenbehandeling privacy
Als een klant klachten heeft over een contractpartner, verwijs dan naar het klachtenreglement van de contractpartner.
Afgesproken is dat:
Amsterdam is één van de 32 gemeenten die meedoen aan de pilot loondispensatie. Voor deze pilot is de Tijdelijke wet pilot loondispensatie ingevoerd. Deze wet geeft werkgevers de mogelijkheid om minder dan het vastgestelde salaris te betalen. Hoeveel minder wordt beoordeeld door de gemeente – in Amsterdam doet Pantar deze beoordeling.
Het inkomen wordt zo nodig aangevuld door DWI.
De pilot loopt tot eind 2012. Doel van de pilot is om klanten met een beperking die niet zelfstandig in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen, op weg naar werk te helpen. Deze klanten staan nu vaak aan de kant. Klanten die met loondispensatie werken, verdienen zelf een loon dat wordt aangevuld met een aanvullende uitkering. Deelname aan de pilot gebeurt in Amsterdam op vrijwillige basis.
Pantar onderzoekt welke WWB-klanten in aanmerking komen voor deelname aan de pilot. Er wordt gestart met klanten die al langere tijd met behoud van een WWB-uitkering actief zijn op een participatieplaats. Vervolgens zoekt Pantar naar een werkplek. De klant kan maximaal 3 maanden geplaatst worden met behoud van uitkering (proefplaatsing).
Klanten die aan de Pilot deelnemen hebben recht op een vrijlating. Om deze vrijlating te berekenen kun je gebruikmaken van de rekentool. Deze vind je onder applicaties.
Lees voor meer informatie Uitvoeringsbericht 2011/34 Pilot loondispensatie (LDP) - herzien. Hierin staat beschreven wat Pantar en wat DWI doet.